Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH8890

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
07-07-2009
Zaaknummer
08/00877
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH8890
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bestorming ADO-home door Ajax-supporters. 1. Uitleg tenlastelegging (t.l.l.), art. 141 Sr. 2. Voeging benadeelde partij (bp) in hb. Ad 1. Het Hof heeft de op art. 141 Sr toegesneden t.l.l. kennelijk aldus opgevat dat daarin aan verdachte wordt verweten openlijk in vereniging geweld te hebben gepleegd tegen de in die t.l.l. bedoelde groep met naam genoemde personen, welk geweld bestond uit het op personen uit die groep inslaan met een honkbalknuppel of een soortgelijk voorwerp, waarbij 1 of meer van die personen tegen het hoofd of lichaam zijn geslagen. Die uitleg van de t.l.l. is met haar bewoordingen niet onverenigbaar. Het o.g.v. die t.l.l. bewezenverklaarde kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. ’s Hofs oordeel dat het openlijk geweld ook is gepleegd tegen de personen die niet daadwerkelijk zijn geslagen, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 141 Sr. Ad 2. Uit ’s Hofs overwegingen kan niet anders volgen dan dat de bp zich (ook) in hb heeft gevoegd. Mede gelet op art. 421.2 en 3 Sv is niet zonder meer begrijpelijk dat het Hof o.g.v. de enkele omstandigheid dat op het desbetreffende voegingsformulier in hb geen bedrag is ingevuld, heeft geoordeeld dat “slechts het in 1e aanleg toegewezen bedrag van € 2.000,- aan de orde is”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 08/00877

Mr. Machielse

Zitting 7 april 2009

Aanvullende conclusie inzake:

[Verdachte 2]

1. Op 24 maart 2009 heb ik geconcludeerd in deze zaak, maar ik heb verzuimd acht te slaan op de tijdig ontvangen schriftuur van de benadeelde partij [slachtoffer 1], welke schriftuur door mr. A.H. Westendorp is ingediend. Daarvoor bied ik mijn verontschuldigingen aan.

2. De benadeelde partij klaagt over het oordeel van het hof dat zij in hoger beroep haar vordering zou hebben beperkt tot het bedrag dat in eerste aanleg is toegewezen, te weten € 2.000,00, terwijl initieel € 6.500,00 is gevorderd.

3.1. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 januari 2008 houdt op dit punt het volgende in:

"Voorts heeft [slachtoffer 1] op het voegingsformulier in hoger beroep geen bedrag aangegeven, daarom gaat het hof ervan uit dat in hoger beroep slechts het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 2.000,- aan de orde is. De vorderingen van de overige benadeelde partijen zijn aan de orde als door de rechtbank toegewezen."

3.2. Ook in zijn arrest heeft het hof zich uitgelaten over de beperking van de vordering van de benadeelde partij:

"Vorderingen tot schadevergoeding [slachtoffer 8], [slachtoffer 9], [slachtoffer 10], [slachtoffer 3], [slachtoffer 5], [slachtoffer 7], [slachtoffer 6], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1]

(...)

Dit betreffen de hierna genoemde bedragen:

(...)

[slachtoffer 1]€ 6500,00

Voorts heeft [slachtoffer 1] op het voegingsformulier in hoger beroep geen bedrag aangegeven, daarom gaat het hof ervan uit dat in hoger beroep slechts het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 2.000,- aan de orde is.

(...)

De vorderingen van de benadeelde partijen zijn door en namens de verdachte betwist.

De vorderingen in eerste aanleg van [slachtoffer 9], [slachtoffer 10], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 1] bestaan uit geleden materiële en immateriële schade.(1) De door deze partijen in hoger beroep gevorderde schade is, voor zover het geleden materiële schade betreft, op geen enkele wijze onderbouwd.

Met betrekking tot de door [slachtoffer 8], [slachtoffer 9], [slachtoffer 10], [slachtoffer 3], [slachtoffer 5], [slachtoffer 7], [slachtoffer 6], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] gevorderde immateriële schade is het hof van oordeel dat deze rechtstreeks haar grondslag vindt in het onder 3 primair, tweede cumulatief/alternatief aan de verdachte tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit.

Voornoemde benadeelde partijen waren op 10 februari 2006 aanwezig in het ADO-home toen zij plotseling werden opgeschrikt door de bestorming van het ADO-home door verdachte en zijn medeverdachten. Bij deze bestorming zijn [slachtoffer 9], [slachtoffer 8], [slachtoffer 10], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6] geslagen met knuppels. [Slachtoffer 1] is door een zestal mannen omringd en met knuppels en/of stokken geslagen en is daarnaast nog in zijn arm en rechterzij gestoken. Als gevolg van de hierdoor opgelopen verwondingen moest hij naar het ziekenhuis worden afgevoerd. [Slachtoffer 3], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] hebben hun toevlucht gezocht in een voorraadhok in het ADO-home, waar zij doodsangsten hebben uitgestaan, en als gevolg daarvan zijn zij niet geslagen.

Nu naar het oordeel van het hof gelet op het vorenstaande aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden, dat deze schade rechtstreeks verband houdt met het onder 3 primair, tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde feit en dat derhalve de vorderingen van de benadeelde partijen ter zake van de geleden immateriële schade zich lenen voor gedeeltelijke toewijzing, zal het hof naar maatstaven van billijkheid de volgende bedragen toekennen:

(...)

De vordering van [slachtoffer 1] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 2.000,-, omdat hij door meerdere mensen is omringd en daarbij met knuppels en stokken is geslagen.

Voor het overige acht het hof de vorderingen van de benadeelde partijen niet van zo eenvoudige aard dat zij zich lenen voor behandeling in het onderhavige strafproces en zullen in zoverre daarom niet-ontvankelijk worden verklaard."

3.3. Het oordeel van het hof dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] de vordering zou hebben beperkt tot hetgeen in eerste aanleg was toegewezen, nu geen bedrag is ingevuld, komt mij niet verdedigbaar voor. Het zou dan immers ingevolge art. 421 lid 2 Sv niet nodig zijn om zich alsnog als benadeelde partij in hoger beroep te voegen. Maar de benadeelde partij heeft zich opnieuw in hoger beroep gevoegd, zodat ervan kan worden uitgegaan dat de benadeelde partij het derde lid van art. 421 Sv tot toepassing wilde laten komen.

Ook de omstandigheid dat de benadeelde partij heeft aangegeven haar vordering te willen handhaven wijst erop dat de benadeelde partij de vordering zoals in eerste aanleg ingediend opnieuw aan het oordeel van het hof wilde onderwerpen.

3.4. De klacht van deze benadeelde partij komt mij gegrond voor. Dat heeft tot gevolg dat het arrest van het hof zal moeten worden vernietigd voor zover het de beslissing betreft op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en de beslissing tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van deze benadeelde partij. Het hof zal op deze punten opnieuw hebben te beslissen.

Dat brengt mij er toe de Hoge Raad ook een andere oplossing te presenteren dan aanvankelijk was opgenomen in mijn eerdere conclusie. Ik had daar voorgesteld dat de Hoge Raad zelf vrij zou kunnen spreken voor zover het betreft de bewezenverklaring onder 3 primair, ten tweede van het geweld gepleegd tegen [slachtoffer 2 t/m 5], met vernietiging van de beslissingen over de vorderingen van deze benadeelde partijen en van de ondersteunende oplegging van schadevergoedingsmaatregelen, voor zover deze vorderingen betrekking hebben op de immateriële schade.

Maar nu het hof in mijn visie toch opnieuw zal hebben te beslissen op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] zie ik aanleiding mijn eerdere conclusie aan te passen en aan de Hoge Raad het voorstel te doen het bestreden arrest te vernietigen voor zover het betreft

- het onder 3 primair, ten tweede bewezenverklaarde geweld gepleegd tegen [slachtoffer 2 t/m 5],

- de beslissingen op de vorderingen van deze benadeelde partijen en op die van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot vergoeding van de immateriële schade en

- de oplegging van schadevergoedingsmaatregelen, voor zover deze vorderingen betrekking hebben op de immateriële schade van deze benadeelde partijen,

met verwerping van het beroep voor het overige, en de zaak terug te wijzen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde in zoverre de zaak opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Volgens de vaststelling van de rechtbank betrof de vordering van [slachtoffer 1] enkel immateriële schade zodat hier sprake is van een vergissing van het hof.

Nr. 08/00877

Mr. Machielse

Zitting 24 maart 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte 2](1)

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de verdachte op 8 februari 2008 voor 3. de eendaadse samenloop van "medeplegen van poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd", en "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen", en 4. "openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, waarvan twee jaar voorwaardelijk. Aan die veroordeling heeft het hof een bijzondere voorwaarde verbonden. Tevens heeft het hof beslissingen genomen op de vordering van de benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.

2. Mr. P.C. Smit, advocaat te Utrecht, heeft cassatie ingesteld. Mr. H.J. Veen, advocaat te Utrecht heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over het bewijs van het onder 3 primair, ten eerste bewezenverklaarde. Uit de gebezigde bewijsmiddelen is niet af te leiden dat de verdachte zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan mishandelingen, noch dat hij betrokken is geweest bij de organisatie van het geheel.

3.2. Bewezenverklaard is, voor zover hier van belang, dat:

"hij op 10 februari 2006 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meerdere malen met een honkbalknuppel, althans met een soortgelijk voorwerp op en/of tegen het hoofd/de hoofden en/of het lichaam/de lichamen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en die [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid".

3.3. Het bewezenverklaarde heeft betrekking op de overval die zogenaamde Ajax-supporters op 10 februari 2006 hebben gepleegd op het supportershome van ADO Den Haag. Het was de bedoeling om wraak te nemen voor de brandstichting een jaar eerder in het supportershome van Ajax. De verdachte is gezien in Den Haag op de plaats waar iedereen zich verzamelde en ook toen hij het stadion van ADO Den Haag weer verliet (bewijsmiddel 5). Volgens bewijsmiddel 6 en 7 verdeelde verdachte de mensen die naar Den Haag zouden gaan over de beschikbare auto's. Het merendeel van de personen die in de auto's plaatsnamen had stokken of vergelijkbare slagwapens bij zich. De verdachte liep in Den Haag helemaal vooraan in de groep (bewijsmiddel 8). Verdachte heeft zich ook op de hoogte gesteld van de toestand in Den Haag voordat de groep zogenaamde Ajax-supporters vertrok vanuit Amsterdam. Hij zou toen zijn contact in Den Haag hebben gezegd dat ze later zouden komen (bewijsmiddel 11).

Gelet op het doel waarmee men naar Den Haag ging en de rol die verdachte volgens bewijsmiddel 6, 7 en 11 daarbij speelde, heeft het hof kunnen aannemen dat verdachte zo nauw en volledig samenwerkte met de anderen dat hij als medepleger is aan te merken.

Het middel faalt.

4.1. Het tweede en derde middel klagen over het bewijs van respectievelijk feit 3 primair, ten tweede en van feit 4 primair en lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Beide feiten betreffende het misdrijf van artikel 141 Sr. Voor het bestanddeel 'in vereniging' is nodig dat er een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld wordt geleverd. Dat de verdachte zelf geweld heeft gebruikt kan niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen. De overige activiteiten van verdachte zoals die wel uit de bewijsmiddelen zijn afgeleid zijn onvoldoende significant of wezenlijk van aard om het bewijs van het misdrijf kunnen opleveren.

4.2. Als feit 3 primair, ten tweede is bewezenverklaard dat:

"hij op 10 februari 2006 te 's-Gravenhage met anderen op een voor het publiek toegankelijke plaats en/of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten het supportershome van ADO/FC DEN HAAG, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5], welk geweld bestond uit het meerdere malen met een honkbalknuppel, althans met een soortgelijk voorwerp op en/of tegen het hoofd/de hoofden en/of het lichaam/de lichamen van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] te slaan".

En als feit 4 dat:

"hij op 10 februari 2006 te 's-Gravenhage met anderen op een voor het publiek toegankelijke plaats en/of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten het supportershome van ADO/FC Den Haag, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen, te weten het supportershome van ADO/FC Den Haag, welk geweld bestond uit het met stokken en/of paraplu's, althans met soortgelijke voorwerpen inslaan van ruiten van dat supportershome en het kapot slaan van de inboedel".

Voor het bewijs van deze twee feiten zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen van belang. Daarnaast bevatten de bewijsmiddelen 12 tot en met 23 de aangiften.

4.3. Ter uitleg van de woorden "in vereniging" die in 2000 in de plaats kwamen van de woorden "met verenigde krachten" pleegt de Hoge Raad de wetgeschiedenis te citeren(2):

"3.4.2. De parlementaire geschiedenis van die wet houdt ten aanzien van het bestanddeel "in vereniging" - voorzover in de onderhavige zaak van belang - onder meer het volgende in:

"De verruiming van de reikwijdte van artikel 141 WvSr krijgt gestalte door de vervanging van de woorden "met verenigde krachten" door de woorden "in vereniging". De woorden "in vereniging" drukken uit dat de samenwerkingseis van artikel 141 WvSr onverkort blijft gelden: het "verenigde" van de krachten wordt voortgezet in de eis dat in vereniging geweld moet zijn gepleegd. Aan deze vereniging worden geen strengere eisen gesteld, wat betreft de nauwheid en de volledigheid van de samenwerking, dan bij het huidige artikel 141 WvSr het geval is. Anders dan bij moord en bij diefstal gewoonlijk het geval is, zal - zo werd reeds gesteld - aan openlijke geweldpleging veelal niet een fase van voorbereiding voorafgaan. De samenwerking kan zeer wel bestaan uit niets meer dan een gezamenlijk gepleegde, niet voorbereide vernieling of mishandeling. Net als thans kan ook na de voorgestelde wijziging in dergelijke gevallen zeer wel van openlijke geweldpleging sprake zijn.

Het verschil met de huidige delictsomschrijving zit uitsluitend in het ontbreken van het woord "krachten". Anders dan thans is niet langer doorslaggevend of de verdachte "krachten" heeft aangewend die met die van anderen verenigd zijn. Voldoende is, dat hij deel uitmaakt van de groep die het openlijke geweld heeft gepleegd, en een bijdrage heeft geleverd aan dat geweld. Die bijdrage kan bestaan in het plegen van een gewelddadige handeling, dat hoeft echter niet. De betrokkene kan ook met een bivakmuts hebben rondgelopen en anderen hebben aangemoedigd. Hij kan, in gevallen waarin het openlijke geweld niet "spontaan" gepleegd wordt, ook een rol in de organisatie hebben gespeeld door deelnemers aan de openlijke geweldpleging te werven.

(...)

3.8. Blijkens de wetsgeschiedenis, zoals hiervoor onder 3.4.2 weergegeven, is van het "in vereniging" plegen van geweld sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn."

4.4. De wetgever beoogde met deze wijziging in de tekst van artikel 141 Sr de strafbaarstelling van openlijke geweldpleging meer op één lijn te brengen met de strafrechtelijke aansprakelijkheid wegens medeplegen.(3) In de memorie van toelichting schrijft de Minister dat niet iedereen die geen geweld gebruikt ook onschuldig is. Ook degenen die geen geweld gebruiken kunnen schuldig zijn, doordat hun aanwezigheid het plegen van geweld door anderen bevordert.(4)

De aansluiting bij het medeplegen zou weer ongedaan worden gemaakt indien de 'significante of wezenlijke bijdrage' die artikel 141 Sr verlangt weer een andere inhoud zou hebben dan het moderne medeplegen. Gelet op de bedoeling van de wetgever lijkt mij dat een niet gewenste weg. Daarmee is het lot van het tweede en derde middel mijns inziens bezegeld. Als uit de gebezigde bewijsmiddelen het medeplegen van feit 1 kan worden afgeleid bieden zij ook voldoende basis voor het bewijs van het 'in vereniging'.

Beide middelen falen.

5.1. Ook het vierde middel klaagt over de veroordeling voor feit 3 primair, ten tweede. Ik versta het middel aldus dat uit de bewijsmiddelen niet kan blijken dat jegens [slachtoffer 2 t/m 5] geweld is gepleegd, terwijl dat wel is bewezenverklaard.

5.2. Het hof heeft in zijn arrest de volgende overweging opgenomen:

"Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3

Op de bewuste avond van 10 februari 2 006 waren in het ADO-home een tiental personen aanwezig, toen een grote groep AJAX-supporters - gewapend met knuppels - het home binnenstormde en willekeurig om zich heen sloeg op aanwezige ADO-supporters. Hoewel de aangevers [slachtoffer 2 t/m 5] zelf niet zijn geraakt door knuppels is het hof van oordeel dat het openlijk geweld ook tegen hen is gepleegd, gelet op de volstrekte willekeurigheid van het geweld dat jegens de ADO-supporters werd gepleegd, van welke groep zij deel uitmaakten en tegen welke groep het geweld was gericht."

5.3. Dit middel komt mij gegrond voor. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou wel zijn af te leiden dat naast het daadwerkelijk geweld dat is uitgeoefend tegen de mensen die zijn geslagen ook geweld in de zin van art. 141 Sr is gepleegd door gewelddadig en bedreigend het supportershome van ADO Den Haag binnen te dringen, maar dat is niet tenlastegelegd.

De Hoge Raad zou om redenen van doelmatigheid de verdachte alsnog kunnen vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging. Voor terugwijzing of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling bestaat mijns inziens onvoldoende grond, aangezien door deze vrijspraak de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast.(5) Dat heeft, zo merk ik ambtshalve op, ook gevolgen voor de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2 t/m 5] en voor de schadevergoedingsmaatregelen die te hunnen behoeve zijn opgelegd, voor zover deze beslissingen zijn gerelateerd aan de immateriële schade die als gevolg van feit 3 primair, ten tweede is geleden. De benadeelde partijen [slachtoffer 3 t/m 5] zullen in hun vorderingen tot vergoeding van de immateriële schade niet ontvankelijk moeten worden verklaard evenals de benadeelde partij [slachtoffer 2]. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] kan echter wel worden toegewezen voor het deel dat betrekking heeft op de materiële schade. Ook de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van deze benadeelde partijen zouden moeten worden geschrapt, weer behoudens ten aanzien van de materiële schade door [slachtoffer 2] geleden.

6. De eerste drie middelen falen. Het vierde middel is vruchteloos voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen andere grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven dan de hiervoor onder 5.3 ontvouwde.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend voor zover het betreft de bewezenverklaring van het geweld gepleegd tegen [slachtoffer 2 t/m 5] en tot vrijspraak van die onderdelen, tot vernietiging van de beslissingen over de vorderingen van deze benadeelde partijen en van de ondersteunende oplegging van schadevergoedingsmaatregelen, een en ander zoals hiervoor omschreven, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met nr. 08/00800 (verdachte 3), nr. 08/00807 (verdachte 1), nr. 08/00948 (verdachte 5), nr. 08/01053 (verdachte 4), nr. 08/03942 (verdachte 6) en nr. 08/03943 (verdachte 7) waarin ik eveneens vandaag concludeer.

2 Bijv. in HR 11 november 2003, LJN AL6209; HR 13 september 2005, NJ 2006, 449 en HR 20 juni 2006, LJN AV7266. Zie ook J.M.W. Lindeman & E. Sikkema, Een significante bijdrage aan openlijk geweld, in DD 2006, 85, p.1170-1189.

3 Bijv. Kamerstukken II 1998/99, 26519, nr. 3, p. 1; Kamerstukken II 1999/2000, 26519, nr. 6, p. 1 e.v.; Kamerstukken I 1999/2000, 26519, nr. 199a, p. 2 e.v.

4 Kamerstukken II 1998/99, 26519, nr. 3, p. 3.

5 Vgl. HR 13 januari 2009, LJN BF3292.