Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH7850

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-06-2009
Datum publicatie
05-06-2009
Zaaknummer
07/11566
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2007:BB8534
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH7850
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht; ambtenarenrecht. Rechtsgeldigheid overplaatsing naar andere gemeentelijke dienst (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2009/166
RvdW 2009, 692
JAR 2009, 166
JWB 2009/200
Verrijkte uitspraak

Conclusie

07/11566

mr. Keus

Zitting 20 maart 2009

Conclusie inzake:

1. [Eiser 1],

2. [Eiser 2],

eisers tot cassatie

tegen

de gemeente Amsterdam

(hierna: de Gemeente)

verweerster in cassatie

[Eiser 1] en [eiser 2] zijn in dienst van de Gemeente getreden als toezichthouder bij de Dienst Stadstoezicht. In de onderhavige kortgedingprocedure hebben zij gevorderd dat hun overplaatsing naar de Dienst Werk en Inkomen ongedaan wordt gemaakt en dat hun arbeidsplaatsen bij de Dienst Stadstoezicht behouden blijven. De kantonrechter en het hof hebben geen grond voor de gevorderde voorziening aanwezig geacht. In cassatie is vooral aan de orde of [eiser 1] en [eiser 2] de status van ambtenaar bezitten, althans rechtspositioneel als ambtenaar dienen te worden behandeld, en of hun overplaatsing met het Ambtenarenreglement Amsterdam (hierna: het ARA) en het daarop gebaseerde Besluit spelregels bij reorganisatie en mobiliteit (hierna: het Besluit spelregels) in strijd is.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 [Eiser 1] en [eiser 2] zijn in 1998 respectievelijk 2003 in dienst van de Gemeente getreden als toezichthouder bij de Dienst Stadstoezicht.

1.2 Bij brieven van 16 respectievelijk 28 maart 2006(2) is namens het college van burgemeester en wethouders aan [eiser 1] en [eiser 2] bericht dat zij met ingang van 1 april 2006 naar de Dienst Werk en Inkomen/Pantar worden overgeplaatst. Verder is in deze brieven onder andere vermeld dat [eiser 1] en [eiser 2] als toezichthouder werkzaam blijven, dat er arbeidsvoorwaardelijk niets wijzigt en dat zij door de Dienst Stadstoezicht als toezichthouder worden ingeleend.

1.3 Bij exploot van 10 juli 2006 hebben [eiser 1], [eiser 2] en [betrokkene 1], een derde toezichthouder (hierna gezamenlijk [eiser] c.s.), de Gemeente in kort geding voor de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter), doen dagvaarden. Zij hebben een voorziening gevorderd die ertoe strekt dat de Gemeente niet overgaat tot overplaatsing van [eiser] c.s. naar de Dienst Werk en Inkomen en voorts bevordert dat [eiser] c.s. als toezichthouder bij de Dienst Stadstoezicht werkzaam kunnen blijven, althans zich onthoudt van maatregelen die ertoe leiden dat [eiser] c.s. niet meer in de door hen bij deze dienst vervulde functie werkzaam kunnen zijn.

De Gemeente heeft verweer gevoerd.

1.4 Nadat de behandeling ter zitting had plaatsgehad, heeft de kantonrechter bij vonnis van 24 juli 2006 de gevorderde voorziening geweigerd, [eiser] c.s. in de kosten van de procedure veroordeeld en die veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

1.5 [Eiser] c.s. hebben onder aanvoering van elf grieven hoger beroep van dit vonnis bij het hof Amsterdam ingesteld. De Gemeente heeft de grieven bestreden.

1.6 Nadat partijen de zaak ter zitting van 12 januari 2007 en 23 mei 2007(3) hadden doen bepleiten, heeft het hof bij arrest 12 juli 2007 het vonnis waarvan beroep bekrachtigd, [eiser] c.s. in de kosten van de procedure in hoger beroep veroordeeld en de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

1.7 Het hof is bij zijn beoordeling van de volgende feiten uitgegaan:

"4.1 (...) [Eiser] c.s. zijn voor de Gemeente werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd waarop, op enkele uitzonderingen na, de bepalingen van de Arbeidsovereenkomstenverordening Amsterdam (AVA) met bijbehorende uitvoeringsbesluiten en voorschriften van toepassing zijn verklaard en voorts een aantal bepalingen uit het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA).

De arbeidsplaatsen van [eiser] c.s. zijn indertijd gecreëerd met behulp van door de centrale overheid verstrekte subsidie in het kader van de Regeling In- en doorstroombanen voor langdurig werklozen (hierna de ID-regeling), een subsidieregeling bestemd om langdurig werklozen in een zodanige positie te brengen dat zij een reguliere arbeidsplaats zouden kunnen verwerven.

De ID-regeling is inmiddels afgeschaft. Eind 2005/begin 2006 is door de Gemeente besloten om de bij de Dienst Stadstoezicht in gesubsidieerde arbeidsplaatsen werkzame medewerkers met ingang van 1 april 2006 over te plaatsen naar de Dienst Werk en Inkomen. Deze dienst, althans de daaraan verbonden Stichting Pantar (hierna Pantar), zou zorgdragen voor de bemiddeling van de betrokkenen naar regulier werk. Ondertussen zouden de betrokkenen hun functies bij de Dienst Stadstoezicht vooralsnog blijven vervullen.

Laatstbedoelde functies worden door de Gemeente aangeduid met de term "gesubsidieerd toezicht" zulks in afwijking van het gaandeweg bij de Dienst Stadstoezicht tevens ingevoerd "regulier toezicht", waarin wordt voorzien door medewerkers met een ambtelijke aanstelling. Mede met het oog op de, naar zij stelt, zwaardere eisen die heden ten dage aan het toezicht worden gesteld heeft de Gemeente de functie "regulier toezicht" op een hoger niveau gebracht dan de functies in het gesubsidieerde toezicht en onder meer als eis gesteld voor het in aanmerking komen voor een aanstelling in het "regulier toezicht" dat de betrokkene met succes een geschiktheidstest aflegt en een opleiding volgt.

Bij brieven van 16 en 28 maart 2006 heeft de Gemeente [eiser] c.s. bericht dat zij met ingang van 1 april 2006 worden overgeplaatst naar de Dienst Werk en Inkomen/Pantar. Daarin is onder "Wat betekent dit voor u?" het volgende vermeld:

"U blijft aan het werk als Toezichthouder en er wijzigt arbeidsvoorwaardelijk niets. Pantar zal als gevolg van het besluit van de Gemeente Amsterdam de begeleiding naar regulier werk op zich nemen. U ontvangt hierover binnenkort een brief van Pantar."

In de brief van 27 maart 2006 van Pantar is onder "Wat blijft hetzelfde?" vermeld:

"Uw arbeidsovereenkomst blijft gewoon bestaan: u bent immers in dienst van de gemeente Amsterdam. Uw salaris en arbeidsvoorwaarden veranderen niet door deze overgang."

en onder "Wat verandert er voor u ?":

"Vanaf 1 april 2006 krijgt u een consulent van Pantar. Deze consulent heeft voor u de rol van werkgever en gaat u begeleiden bij uw ontwikkeling in de richting van ongesubsidieerd werk. (...)"

Voorts wordt in de brief aan de betrokkenen medegedeeld dat Pantar in het vervolg hun salaris zal uitbetalen en dat ziek- en herstelmeldingen aan Pantar dienen te worden gedaan."

1.8 Aan zijn oordeel dat de grieven falen, heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:

"4.3. (...) Niet valt in te zien dat het de Gemeente in het kader van haar contractuele relatie met [eiser] c.s. niet zou zijn toegestaan hen over te plaatsen naar een andere gemeentelijke dienst, zeker indien, zoals in het onderhavige geval, deze overplaatsing er op zichzelf niet toe leidt dat aan [eiser] c.s. andere werkzaamheden worden opgedragen dan die welke zij tot dan toe in dienst van de Gemeente hebben verricht noch een relevante wijziging van hun arbeidsvoorwaarden tot gevolg heeft. Er is voorshands onvoldoende grond om te oordelen dat de Gemeente in redelijkheid niet tot de overplaatsing had kunnen komen, te minder nu, naar de Gemeente onweersproken heeft gesteld, de overplaatsing ertoe strekte dat de betrokken medewerkers vooralsnog in dienst van de Gemeente zouden blijven ook indien hun gesubsidieerde functies op den duur zouden komen te vervallen.

Dat de Ondernemingsraad, in afwijking van hetgeen de Gemeente onder verwijzing naar door haar bij memorie van antwoord overgelegde producties betoogt, niet met de overplaatsing van de betrokken toezichthouders instemde valt uit de brief waarnaar [eiser] c.s. in dit verband verwijzen (...) niet op te maken noch is er voldoende grond om aan te nemen dat het op de arbeidsrelatie van partijen van toepassing zijnde "Besluit Spelregels bij reorganisatie en mobiliteit" op relevante wijze zou zijn geschonden.

4.4. De omstandigheid dat de overplaatsing verband hield met het voornemen van de Gemeente om de gesubsidieerde functies waarin [eiser] c.s. zijn aangesteld op den duur af te schaffen c.q. te vervangen door reguliere ambtelijke functies waaraan zwaardere eisen worden gesteld leidt niet tot een andere uitkomst van de beoordeling. De Gemeente heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het bedrijfsonderdeel gesubsidieerd toezicht van de Dienst Stadstoezicht mede in verband met de afnemende vraag naar de door dat onderdeel geboden vorm van toezicht niet kostendekkend te maken valt.

Evenmin valt uit dit een en ander op te maken dat de Gemeente door de overplaatsing van [eiser] c.s. verplichtingen schendt die uit haar contractuele relatie met dezen voortvloeien.

Vast staat dat [eiser] c.s. destijds tewerk zijn gesteld in een gesubsidieerde arbeidsplaats: zij dienden er derhalve rekening mee te houden dat de aldus gecreëerde functie op den duur zou komen te vervallen en dat de Gemeente nadere (opleidings)eisen zou kunnen stellen indien zij voor een reguliere (ambtelijke) aanstelling in aanmerking wensten te komen. Dat de Gemeente, zoals [eiser] c.s. betogen, jegens hen verplichtingen die krachtens de ID-regeling op haar rusten niet dan wel niet in voldoende mate is nagekomen wordt door de Gemeente gemotiveerd betwist en is voorshands onvoldoende gebleken.

4.5. Ook is er voorshands onvoldoende grond om aan te nemen dat de Gemeente de nadere eisen (waaronder het afleggen van een geschiktheidstest en het volgen van een opleiding) die zij in het kader van de aanstelling tot regulier toezichthouder stelt in redelijkheid niet zou mogen stellen. De Gemeente heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de markt een hogere kwaliteit van toezicht wenst en dat aan de functie van toezichthouder zwaardere kwaliteitseisen worden gesteld dan aan de functie die door [eiser] c.s. thans (als toezichthouder metro) vervuld wordt dan wel tot voor kort vervuld werd.

4.6. [Eiser] c.s. stellen zich evenwel terecht op het standpunt dat van de Gemeente in de gegeven omstandigheden mag worden verlangd dat zij aan [eiser] c.s. een redelijke kans biedt om voor de (zwaardere) functie van regulier toezichthouder in aanmerking te komen. Dat de Gemeente op dit punt jegens [eiser] c.s. tekortschiet vindt echter in de feiten vooralsnog onvoldoende steun.

Vast staat [eiser 1] inmiddels is toegelaten tot het afleggen van de geschiktheidstest doch op grond van de resultaten daarvan niet tot de opleiding is toegelaten. De Gemeente heeft onweersproken gesteld dat [eiser 1] tegen die uitkomst op zichzelf geen bezwaar heeft gemaakt. Onder deze omstandigheden kan voorshands niet anders worden geconcludeerd dan dat [eiser 1] de voor een aanstelling als regulier toezichthouder vereiste kwaliteiten mist en van de Gemeente niet kan worden verlangd dat zij daartoe verdere stappen onderneemt.

(...)

Met betrekking tot [eiser 2] is gebleken dat hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geraakt en in verband met beperkingen van medische aard (die meebrengen dat hij niet lang aaneen kan staan) inmiddels via de Stichting Pantar tewerk is gesteld als conciërge in een fietsenstalling in Amsterdam-Noord. Onder deze omstandigheden kan van de Gemeente in redelijkheid niet worden verlangd dat zij [eiser 2] op dit moment toelaat tot de geschiktheidstest en/of opleiding tot regulier toezichthouder."

1.9 [Eiser 1] en [eiser 2] hebben van dit arrest tijdig(4) beroep in cassatie ingesteld. De Gemeente heeft tot verwerping geconcludeerd. Nadat partijen hun respectieve standpunten schriftelijk hadden doen toelichten, heeft de Gemeente nog gedupliceerd.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

Inleidende opmerkingen

2.1 In de jaren negentig van de vorige eeuw heeft de rijksoverheid een aantal maatregelen getroffen, gericht op het verbeteren van de werking van de arbeidsmarkt en verruiming van de werkgelegenheid. Tot deze maatregelen behoorde de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen (Regeling EWLW), die in de periode 1995-1998 jaarlijks is getroffen(5). De Regeling EWLW had onder meer tot doel door het creëren van nieuwe, reguliere arbeidsplaatsen in de collectieve sector de uitstroom van personen met een bijstandsuitkering naar regulier werk te intensiveren. In de periode 1994-1998 dienden 40.000 extra arbeidsplaatsen te worden gecreëerd. Daartoe ontvingen gemeenten een rijksbijdrage die zij konden besteden aan hetzij de kosten van een dienstbetrekking die zij zelf met een werkloze waren aangegaan, hetzij subsidie aan instellingen in de collectieve sector die een werkloze op voordracht van de gemeente in dienst hadden genomen. In de praktijk werden de Regeling EWLW en de op grond daarvan gecreëerde banen naar de toenmalige minister Melkert genoemd.

2.2 De Regeling EWLW is in 1999 opgevolgd door de Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen(6) (Regeling ID-banen). Deze regeling hield verband met de in het Regeerakkoord van 1998 opgenomen doelstelling om aan de 40.000 EWLW-arbeidsplaatsen 20.000 in- en doorstroombanen toe te voegen. Van deze nieuwe banen dienden maximaal 10.000 als doorstroombaan te worden aangemerkt. Die doorstroombanen betroffen kwalitatief zwaarder werk dat op een hoger niveau kon worden beloond dan EWLW-banen. Doorstroombanen waren toegankelijk voor werknemers die tenminste vijf jaar in een EWLW- of instroombaan hadden gewerkt. Hierdoor zou meer ruimte voor de instroom van nieuwe werklozen ontstaan. Bovendien werd meer perspectief aan de betrokken medewerkers geboden. Aangezien de eerste instroom op EWLW-arbeidsplaaten in 1995 had plaatsgevonden, zouden de eerste doorstroombanen vanaf 2000 kunnen worden gerealiseerd. Om die reden zijn in de (voor het jaar 1999 getroffen) Regeling ID-banen geen bepalingen met betrekking tot doorstroombanen opgenomen; zulke bepalingen zouden in het kader van een structurele regeling worden opgenomen(7).

2.3 De Regeling ID-banen is in 2000 vervangen door het Besluit in- en doorstroombanen (Besluit ID-banen)(8). Alhoewel het besluit inhoudelijk op de regeling voorbouwde, bevatte het tevens een aantal vernieuwingen. De aangekondigde regeling van doorstroombanen maakte daarvan deel uit. Ook introduceerde het besluit een uitstroompremie ter bevordering van de uitstroom van werknemers naar een niet-gesubsidieerde baan(9). Het Besluit ID-banen is geïntegreerd in de op 1 januari 2004 in werking getreden Wet werk en bijstand (Wwb)(10). Het Besluit ID-banen is bij de inwerkingtreding van de Wwb ingetrokken(11). ID-banen komen ingevolge de Wwb ten laste van het gemeentelijke re-integratiebudget(12).

Bespreking van de klachten

2.4 [Eiser 1] en [eiser 2] hebben een drietal cassatiemiddelen voorgedragen.

2.5 Middel I omvat een algemene klacht, die in de onderdelen 1.1-1.17 wordt uitgewerkt. Onderdeel 1.1 verduidelijkt dat het middel zich richt tegen rov. 3, in samenhang met de rov. 4.1, 4.3-4.5 en 4.7 en het dictum van het bestreden arrest.

2.6 Onderdeel 1.2 klaagt dat het hof zich op rechtens onjuiste althans onbegrijpelijke gronden niet over de aard van de onderhavige contractsrelatie heeft uitgelaten. Het voert aan dat [eiser 1] en [eiser 2] het arbeidscontract met de Gemeente (c.q. de Dienst Stadstoezicht) in het geding hebben gebracht en dat daaraan het volgende valt te ontlenen:

- werkgever is de Gemeente (en dus niet de Dienst Stadstoezicht zelve, als onderdeel van de Gemeente dan wel als (inmiddels) verzelfstandigde dienst);

- de feitelijke tewerkstelling was bij de Dienst Stadstoezicht;

- de gemeentelijke arbeidsovereenkomstenverordening zelf ziet op tijdelijke dienstverbanden; daarvan was en is hier evenwel nadrukkelijk geen sprake;

- de contracten waren voor onbepaalde tijd;

- in het contract zelf noch uit enige (aanstellings-)brief blijkt of is af te leiden dat het contract qua inrichting of structuur is gebaseerd op of onderdeel uitmaakt van enige subsidiestructuur of -relatie;

- in het contract zelf noch uit enige (aanstellings-)brief blijkt van of is af te leiden een door de Gemeente gemaakt voorbehoud ter zake van voortgezette of in stand gebleven subsidiëring;

- in het contract zelf noch in enige (aanstellings-)brief blijkt van of is af te leiden een gestelde afhankelijkheid van een jaarlijkse en/of gecontinueerde subsidie(-mogelijkheid) of een (nieuw) subsidiebesluit;

- tenminste rechtspositioneel is met de vakbonden overeengekomen dat de oorspronkelijk als "Melkert-banen" ingetreden personen behandeld worden als waren zij ambtenaar in vaste dienst bij de Gemeente;

- in het contract is onder meer opgenomen dat verschillende bepalingen uit het ARA van (overeenkomstige) toepassing zijn verklaard;

- in het contract is bepaald dat het Besluit spelregels van overeenkomstige toepassing is.

Hieraan voegt onderdeel 1.3 toe dat voormelde feiten en omstandigheden, waar nodig in onderling verband en samenhang bezien, met zich brengen dat niet zonder meer sprake is van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, doch dat deze overeenkomst mede of met name wordt beheerst door het ARA, aldus dat sprake is van een zuivere dan wel een afgeleide ambtenarenstatus, zodat in ieder geval de stellingname van de Gemeente dat de onderhavige overeenkomst een overeenkomst sui generis zou zijn, onjuist is. Volgens het onderdeel wordt met die stellingname de in- of doorwerking van het ARA en gemelde afspraak met de vakbonden geheel miskend.

2.7 In rov. 4.1 heeft het hof vastgesteld dat [eiser 1] en [eiser 2] voor de Gemeente werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd waarop het merendeel van de bepalingen van de Arbeidsovereenkomstenverordening Amsterdam (AVA) en voorts een aantal bepalingen uit het ARA van toepassing zijn verklaard. In dat licht meen ik dat onderdeel 1.2 niet kan worden gevolgd in de klacht dat het hof zich niet heeft uitgelaten over "de aard van de onderhavige contractsrelatie".

Voor zover de onderdelen ten betoge strekken dat het hof had moeten oordelen dat [eiser 1] en [eiser 2] de status van ambtenaar bezitten(13), kunnen zij daarin evenmin worden gevolgd. De door onderdeel 1.3 geponeerde stelling "dat sprake is van een zuivere dan wel afgeleide ambtenarenstatus" is niet in de feitelijke instanties betrokken. Integendeel, tot de procedure in cassatie hebben [eiser 1] en [eiser 2] steeds gesteld dat zij op basis van een arbeidsovereenkomst voor de Gemeente werkzaam zijn(14). Nu de Gemeente het dienstverband met [eiser 1] en [eiser 2] eveneens als een arbeidsovereenkomst heeft aangemerkt(15), zou het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd zijn getreden indien het op grond van de door onderdeel 1.2 genoemde omstandigheden de rechtsbetrekkingen tussen [eiser 1] respectievelijk [eiser 2] en de Gemeente ambtshalve als ambtelijk dienstverband zou hebben opgevat. De stelling dat van een ambtenarenstatus sprake is, kan in verband met de deels feitelijke beoordeling die zij vergt, ook niet voor het eerst in cassatie worden opgeworpen. Daarbij komt dat het middel niet toelicht waarom het hof de gevorderde voorziening bij het bestaan van een dergelijke ambtenarenstatus toewijsbaar had moeten oordelen.

Overigens valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom de door onderdeel 1.2 opgesomde omstandigheden met zich brengen dat van een ambtenarenstatus sprake is(16). Bij de opsomming van onderdeel 1.2 kan voorts nog worden aangetekend dat aan de door [eiser 1] en [eiser 2] afgesloten arbeidscontracten niet valt te ontlenen dat met de vakbonden is overeengekomen dat werknemers met een "Melkert-baan" (rechtspositioneel) worden behandeld als waren zij ambtenaar. Weliswaar heeft de Gemeente ter zitting van 23 mei 2007 erop gewezen dat met de vakbonden is afgesproken dat "Melkert-medewerkers rechtspositioneel behandeld worden als ware zij ambtenaar in vaste dienst van de Gemeente Amsterdam"(17). Nu echter [eiser 1] en [eiser 2] de bedoelde afspraak in de feitelijke instanties niet aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd, kon het hof ingevolge art. 24 Rv de gevorderde voorziening niet op die grond toewijzen. Ten slotte verdient opmerking dat een ambtenarenstatus, als daarvan al sprake was, met zich zou hebben gebracht dat [eiser 1] en [eiser 2] niet door de burgerlijke rechter in hun vordering hadden kunnen worden ontvangen. In dat geval hadden zij zich voor het treffen van een voorlopige voorziening tot de bestuursrechter moeten wenden(18).

De slotsom is dat de beide onderdelen niet tot cassatie kunnen leiden.

2.8 Onderdeel 1.4 betoogt dat [eiser 1] en [eiser 2] derhalve echte ambtenaren in de zin van het ARA zijn, zodat zij niet zomaar kunnen worden ontslagen. Evenmin, zo vervolgt het onderdeel, kan aldus hun rechtspositie worden gewijzigd als hierna aan de orde zal komen.

2.9 Nu het onderdeel voortborduurt op de stelling dat [eiser 1] en [eiser 2] een ambtenarenstatus bezitten, faalt het reeds op grond van hetgeen ik hiervóór onder 2.7 heb opgemerkt. Waar het onderdeel poneert dat [eiser 1] en [eiser 2] "niet zomaar kunnen worden ontslagen", verliest het bovendien uit het oog dat ontslag niet de inzet van het geding vormt. In rov. 4.2 heeft het hof de gevorderde voorziening - in cassatie onbestreden - immers opgevat als ertoe strekkende dat de Gemeente niet overgaat tot overplaatsing van [eiser 1] en [eiser 2] naar de Dienst Werk en Inkomen en dat de Gemeente bevordert dat zij (als gesubsidieerde of reguliere) toezichthouders bij de Dienst Stadstoezicht werkzaam kunnen blijven. Ontslag was in de gedachtegang van het hof niet aan de orde; in rov. 4.3 heeft het hof - op zichzelf in cassatie onbestreden - immers vastgesteld dat "de overplaatsing ertoe strekte dat de betrokken medewerkers vooralsnog in dienst van de Gemeente zouden blijven ook indien hun gesubsidieerde functies op den duur zouden komen te vervallen." Overigens licht het onderdeel niet toe waarom de hoedanigheid van ambtenaar (en toepasselijkheid van het ARA op de arbeidsverhouding(19)) aan een eventueel ontslag in de weg zouden staan.

2.10 Onderdeel 1.5 betoogt dat, waar [eiser 1] en [eiser 2] in hun appeldagvaarding, die tevens de grieven bevat, onder 1.4 hebben aangegeven het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen, het hof was gehouden op die basis de voorliggende feiten en stellingen te toetsen.

Het onderdeel werpt geen ander licht op de vraag of [eiser 1] en [eiser 2] zich al dan niet op een ambtelijke status hebben beroepen. Het kan dan ook niet tot cassatie leiden.

2.11 Volgens onderdeel 1.6 diende het hof te onderkennen dat [eiser 1] en [eiser 2] op basis van arbeidscontracten voor onbepaalde tijd in dienst zijn genomen, hetgeen als zodanig reeds een nadrukkelijke afwijking inhoudt van de idee achter de "Melkert-banen", te weten tijdelijke contracten en nadrukkelijk beoogde door- of instroming naar respectievelijk in niet-gesubsidieerde arbeid. Voorts is in dat kader nadrukkelijk met de vakbonden overeengekomen dat deze (groep van) "Melkert-medewerkers" rechtspositioneel zal worden behandeld als waren zij ambtenaar in vaste dienst van de Gemeente, aldus het onderdeel.

2.12 Voor zover het onderdeel voortbouwt op de in de voorgaande onderdelen ontwikkelde klachten, in die zin dat óók het feit dat de onbepaalde tijd waarvoor het dienstverband was aangegaan, op een bijzondere (ambtelijke) status van [eiser 1] en [eiser 2] wijst, moet het onderdeel reeds om die reden in het lot van de voorgaande klachten delen. Overigens mist het onderdeel feitelijke grondslag waar het veronderstelt dat het hof niet zou hebben onderkend dat [eiser 1] en [eiser 2] op basis van arbeidscontracten voor onbepaalde tijd in dienst zijn genomen: in rov. 4.1 heeft het hof uitdrukkelijk overwogen dat [eiser 1] en [eiser 2] op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam zijn. Het middel kan bovendien niet worden gevolgd in het betoog dat het aangaan van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd van de gedachte achter de "Melkert-banen" afwijkt. Met de subsidies die ingevolge de Regeling EWLW, de Regeling ID-banen en het Besluit ID-banen werden verstrekt, werd juist beoogd ten behoeve van langdurig werklozen structurele nieuwe werkgelegenheid in de collectieve en non-profitsector te creëren. In verband hiermee stelden deze regelingen in beginsel als voorwaarde voor subsidiëring dat de betrokken dienstbetrekking voor onbepaalde tijd was aangegaan(20). Iets geheel anders is dat werd beoogd dat de betrokken werknemers slechts tijdelijk in hun "Melkert-baan" werkzaam zouden zijn, nu de opzet op door- en uitstroom was gericht.

2.13 Onderdeel 1.7 betoogt, kennelijk onder verwijzing naar de voorgaande onderdelen ("dan ook"), dat het hof in rov. 4.1 niet had kunnen volstaan met de overweging dat een aantal bepalingen uit het ARA van toepassing is verklaard: volgens het onderdeel was een (veel) verdergaande rechtsbescherming beoogd. Ook is, nog steeds volgens het onderdeel, afgestapt van het doel van de ID-regeling om langdurig werklozen in een zodanige positie te brengen dat zij een reguliere arbeidsplaats zouden kunnen verwerven. Het onderdeel betoogt dat de Gemeente hier welbewust arbeidscontracten voor onbepaalde tijd onder toekenning van de (rechtsbescherming van de) ambtenarenstatus heeft gesloten.

Het onderdeel vormt een herhaling van de in de voorgaande onderdelen ontwikkelde klachten en kan evenmin als die eerdere klachten tot cassatie leiden.

2.14 Onderdeel 1.8 betoogt dat het besluit tot overplaatsing - waarvan vaststaat dat dit uit een voorgenomen reorganisatie voortvloeit - dient te worden beoordeeld vanuit de in de voorgaande onderdelen bedoelde (bijzondere) status. Volgens het onderdeel heeft het hof in de rov. 4.3 en 4.4 ervan blijk gegeven de positie van [eiser 1] en [eiser 2] niet vanuit die (bijzondere) status te hebben beoordeeld. Er was hier immers sprake van een duidelijke reorganisatie die ertoe strekte op zo kort mogelijke termijn en tegen de minste kosten het (financiële) gat te dichten dat ontstond toen het Ministerie van Sociale Zaken de ID-regeling afschafte en de subsidie voor de veel te dure contracten die de Gemeente had afgesloten verviel, aldus het onderdeel.

2.15 Het onderdeel faalt, reeds omdat het met de verwijzing naar "die (bijzondere) status" voortbouwt op de voorgaande onderdelen, die evenmin tot cassatie kunnen leiden. Overigens vermeldt het onderdeel niet dat en waar in de processtukken van de feitelijke instanties is gesteld dat hier sprake was van een reorganisatie die ertoe strekte op zo kort mogelijke termijn en tegen de minste kosten het door het vervallen van de ID-regeling ontstane (financiële) gat te dichten en in het kader waarvan de veel te dure contracten die de Gemeente had afgesloten tot een einde moesten komen. Overigens maakt het middel niet duidelijk waarom het hof tegen de achtergrond van een dergelijke reorganisatie de gevorderde voorziening had moeten toewijzen.

2.16 Onderdeel 1.9 betoogt dat de enkele omstandigheid dat de contracten van de opdrachtgevers jegens de Gemeente vervielen of kwamen te vervallen, [eiser 1] en [eiser 2] niet regardeert: zij waren immers werkzaam op basis van contracten voor onbepaalde tijd en een hun toegekende bijzondere status. Het onderdeel voert aan dat zij derhalve niet zomaar konden of mochten worden ontslagen. Hun werkzaamheid is aldus ook niet aan de duur van die projecten gekoppeld. [Eiser 1] en [eiser 2] zijn belast met een specifieke functie binnen de Dienst Stadstoezicht. Die functie oefenden zij reeds uit toen de Gemeente tot haar reorganisatieplannen en/of -voorstellen kwam en die functie oefenen zij nog steeds uit (wat betreft [eiser 1]) respectievelijk kunnen zij nog steeds uitoefenen (zowel [eiser 1] als ook [eiser 2]).

2.17 Ook onderdeel 1.9 kan niet tot cassatie leiden, omdat het, voortbouwend op de voorgaande onderdelen, een "bijzondere (lees: ambtelijke; LK) status" van [eiser 1] en [eiser 2] veronderstelt. Voor zover het onderdeel tot uitgangspunt neemt dat het dienstverband van [eiser 1] en [eiser 2] is beëindigd ("konden of mochten worden ontslagen") mist het feitelijke grondslag, nu een beëindiging van dat dienstverband in het geheel niet aan de orde is. Overigens is niet duidelijk tegen welke rechtsoverweging het onderdeel is gericht; het onderdeel vermeldt niet waar het hof betekenis zou hebben toegekend aan de omstandigheid dat contracten van opdrachtgevers met de Gemeente vervielen. Ten slotte valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom de door het onderdeel bedoelde omstandigheden afdoen aan het in rov. 4.3-4.4 vervatte oordeel dat het de Gemeente is toegestaan [eiser 1] en [eiser 2] naar de Dienst Werk en Inkomen over te plaatsen en zwaardere kwaliteits- en opleidingseisen voor de functie van reguliere toezichthouder te stellen.

2.18 Onderdeel 1.10 klaagt dat het hof in rov. 4.3 heeft miskend dat niet aan de orde is of kan zijn dat de Gemeente [eiser 1] en [eiser 2] wil overplaatsen teneinde mogelijk te maken dat zij - vooralsnog - in dienst van de Gemeente blijven, ook indien hun gesubsidieerde functies op den duur komen te vervallen. Van dat laatste zal volgens het onderdeel immers geen sprake kunnen zijn, nu [eiser 1] en [eiser 2] op basis van arbeidscontracten voor onbepaalde tijd voor de Gemeente werkzaam zijn en over een bijzondere status beschikken, zodat het hen niet aangaat of treft dat hun gesubsidieerde functie zou komen te vervallen. Het ARA en het Besluit spelregels voorzien immers in regelgeving en behelzen de (zware) verplichtingen die in die situatie op de Gemeente rusten, aldus het onderdeel.

2.19 Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden, omdat het, voortbouwend op de voorgaande onderdelen, een "bijzondere (lees: ambtelijke) status" van [eiser 1] en [eiser 2] veronderstelt. Overigens valt niet zonder meer in te zien waarom die "bijzondere status" eraan in de weg zou staan dat de door [eiser 1] en [eiser 2] vervulde, gesubsidieerde functies op den duur komen te vervallen. Het onderdeel licht niet toe op welke "(zware) verplichtingen" ingevolge het ARA en het Besluit spelregels het in dit verband doelt, waarbij tevens opmerking verdient dat het in rov. 4.3, slot, vervatte oordeel dat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat het Besluit spelregels op relevante wijze zou zijn geschonden, in cassatie niet is bestreden.

2.20 Onderdeel 1.11 betoogt dat, anders dan het hof heeft overwogen en geoordeeld, [eiser 1] en [eiser 2] juist hebben gesteld welke hun (bijzondere) status was of is, zodat zij wel degelijk hebben weersproken dat die overplaatsing jegens hen ertoe strekte dat zij vooralsnog in dienst van de Gemeente zouden blijven, ook indien hun gesubsidieerde functies op den duur zouden komen te vervallen.

2.21 Het onderdeel faalt, nu zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom een beroep van [eiser 1] en [eiser 2] op hun bijzondere status een betwisting zou vormen van de - door het hof in rov. 4.3 in zijn oordeel betrokken - stelling van de Gemeente dat de overplaatsing ertoe strekte dat zij vooralsnog in dienst van de Gemeente zouden blijven, ook indien hun gesubsidieerde functies op den duur zouden komen te vervallen.

2.22 Onderdeel 1.12 betoogt dat het hof de in onderdeel 1.11 bestreden achtergrond van de overplaatsing ten onrechte weer in rov. 4.4 betrekt, terwijl juist uit de overplaatsing van personen als [eiser 1] en [eiser 2] blijkt dat een verandering in rechtspositie is of wordt beoogd c.q. wordt doorgevoerd. Volgens het onderdeel dient in het verlengde daarvan te worden onderkend dat het opheffen van de door [eiser 1] en [eiser 2] vervulde functie door die te vervangen door reguliere ambtelijke functies waaraan zwaardere eisen worden gesteld, reeds inhoudt dat van een (fundamentele) wijziging van hun rechtspositie sprake is. Daarmee is volgens het onderdeel tevens gegeven dat en waarom de Gemeente door de overplaatsing van [eiser 1] en [eiser 2] verplichtingen schendt die uit haar contractuele relatie voortvloeien. [Eiser 1] en [eiser 2] zijn immers werkzaam op basis van een arbeidscontract voor onbepaalde tijd met een bijzondere status, aldus het onderdeel.

2.23 Het onderdeel, dat voortbouwt op een veronderstelde bijzondere (ambtelijke) status van [eiser 1] en [eiser 2] en op de niet slagende klacht van onderdeel 1.11 met betrekking tot de achtergrond van hun overplaatsing, kan al om die reden niet tot cassatie leiden. De klacht dat met de overplaatsing een verandering van rechtspositie werd beoogd, stuit overigens mede af op het oordeel in rov. 4.3 dat de overplaatsing op zichzelf niet ertoe leidt dat aan [eiser 1] en [eiser 2] andere werkzaamheden worden opgedragen noch een relevante wijziging van de arbeidsvoorwaarden tot gevolg heeft, en op de - op zichzelf in cassatie niet bestreden - vaststelling in rov. 4.4 dat de afschaffing van de gesubsidieerde functies c.q. hun vervanging door reguliere ambtelijke functies eerst "op den duur" zou plaatsvinden.

2.24 Onderdeel 1.13 klaagt dat het hof op rechtens onjuiste althans onbegrijpelijke gronden heeft geoordeeld dat [eiser 1] en [eiser 2] destijds in een gesubsidieerde arbeidsplaats te werk zijn gesteld. Volgens het onderdeel was dat niet het geval en werd dat juist nadrukkelijk niet beoogd. Het onderdeel voert aan dat [eiser 1] en [eiser 2] derhalve geen rekening ermee behoefden te houden dat de aldus gecreëerde functie op den duur zou vervallen en dat de Gemeente nadere (opleidings-)eisen zou kunnen stellen, indien zij voor een reguliere (ambtelijke) aanstelling in aanmerking wensten te komen. Volgens het onderdeel is in de arbeidscontracten van [eiser 1] en [eiser 2] geen enkele verwijzing naar de tijdelijkheid van de functie opgenomen en zijn deze niet van de voortzetting of handhaving van de subsidie afhankelijk gemaakt. Daarentegen heeft de Gemeente, zo vervolgt het onderdeel, welbewust gekozen voor arbeidscontracten voor onbepaalde tijd en in dat kader ook met de vakbonden afgesproken dat deze (groep van) "Melkert-medewerkers" rechtspositioneel zal worden behandeld als waren zij ambtenaar in vaste dienst van de Gemeente.

2.25 Het onderdeel mist steun in de stukken waar het poneert dat [eiser 1] en [eiser 2] niet in een gesubsidieerde arbeidsplaats te werk zijn gesteld. In de feitelijke instanties hebben zowel de Gemeente als [eiser 1] en [eiser 2] steeds gesteld dat van zodanige subsidiëring sprake was(21). Op grond van art. 149 lid 1 Rv dienden rechtbank en hof dan ook als vaststaand aan te nemen dat de arbeidsplaatsen van [eiser 1] en [eiser 2] met ingevolge de ID-regeling verstrekte subsidie zijn gecreëerd, hetgeen het hof in de rov. 4.1 en 4.4 ook heeft gedaan(22). In dat licht kan de enkele stelling dat de betrokken arbeidsovereenkomsten een onbepaalde duur hebben en niet van handhaving van subsidie afhankelijk zijn, niet afdoen aan de juistheid en begrijpelijkheid van het oordeel van het hof in rov. 4.4 dat "(v)ast staat dat [eiser] c.s. destijds tewerk zijn gesteld in een gesubsidieerde arbeidsplaats: zij dienden er derhalve rekening mee te houden dat de aldus gecreëerde functie op den duur zou komen te vervallen en dat de Gemeente nadere (opleidings)eisen zou kunnen stellen indien zij voor een reguliere (ambtelijke) aanstelling in aanmerking wensten te komen". Dat met de vakbonden is afgesproken dat "Melkert-medewerkers" rechtspositioneel worden behandeld als waren zij ambtenaar in vaste dienst van de Gemeente, kan ten slotte ook daarom niet tot een andere slotsom leiden, omdat [eiser 1] en [eiser 2] die afspraak niet aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd (zie hiervóór onder 2.7).

2.26 Onderdeel 1.14 betoogt dat, anders dan het hof in rov. 4.4 heeft overwogen en geoordeeld, de Gemeente jegens personen als [eiser 1] en [eiser 2] haar verplichtingen uit hoofde van de ID-regeling (die dat volgens het onderdeel "dus feitelijk en juridisch niet is of is geweest") wel degelijk schendt. Krachtens de betrokken arbeidscontracten voor onbepaalde tijd en met toekenning van een bijzondere ambtenarenstatus is, aldus het onderdeel, geen overplaatsing toegestaan, respectievelijk moeten daartoe strekkende besluiten voldoen aan (tenminste) art. 7:611 BW en/of het ARA en het in dat kader geldende Besluit spelregels zoals deze onderdeel van de onderwerpelijke arbeidscontracten uitmaken.

2.27 Voor zover het de nakoming door de Gemeente van haar verplichtingen uit de Regeling ID-banen betreft, faalt het onderdeel, niet slechts omdat het voortbouwt op de veronderstelling dat aan [eiser 1] en [eiser 2] een bijzondere, ambtelijke status toekwam, maar ook omdat het niet expliciteert welke verplichtingen uit hoofde van die regeling door de Gemeente zouden zijn geschonden. De klacht kan dan ook niet afdoen aan het oordeel dat de Gemeente gemotiveerd heeft betwist en dat voorshands onvoldoende is gebleken "(d)at de Gemeente, zoals [eiser] c.s. betogen, jegens hen verplichtingen die krachtens de ID-regeling op haar rusten niet dan wel niet in voldoende mate is nagekomen" (rov. 4.4, slot).

Voor het overige valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom het feit dat [eiser 1] en [eiser 2] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zijn aangegaan - dan wel de door het middel bedoelde bijzondere ambtenarenstatus - "op zichzelf beschouwd" aan hun overplaatsing naar de Dienst Werk en Inkomen in de weg zou staan. Voor zover het onderdeel zich in dat verband beroept op art. 7:611 BW faalt het, ook als zou moeten worden aangenomen dat die bepaling in casu van toepassing is (zie echter art. 7:615 BW). In rov. 4.3 heeft het hof - op zichzelf in cassatie onbestreden - immers geoordeeld dat "(e)r voorshands onvoldoende grond (is) om te oordelen dat de Gemeente in redelijkheid niet tot de overplaatsing had kunnen komen." Het beroep op het - slechts ten dele van overeenkomstige toepassing verklaarde - ARA en het Besluit spelregels kan ten slotte evenmin tot cassatie leiden, omdat dit beroep niet op concrete bepalingen van die regelingen is toegespitst.

2.28 Onderdeel 1.15 klaagt dat het hof in rov. 4.5 op rechtens onjuiste althans onbegrijpelijke gronden heeft geoordeeld dat de Gemeente in redelijkheid nadere eisen met het oog op een aanstelling tot regulier toezichthouder zou mogen stellen. Daartoe voert het onderdeel aan dat [eiser 1] en [eiser 2] een arbeidscontract voor onbepaalde tijd met een bijzondere status hebben en dat veranderingen daarom slechts mogen worden doorgevoerd indien deze (vooraf) voldoen aan hetgeen het ARA toelaat of mogelijk maakt. De enkele omstandigheid dat de Gemeente nadere eisen wil stellen aan personen die een aanstelling als regulier toezichthouder beogen, is volgens het onderdeel jegens [eiser 1] en [eiser 2] niet aan de orde of van belang.

2.29 Nog daargelaten dat het onderdeel voortbouwt op de veronderstelling dat aan [eiser 1] en [eiser 2] een bijzondere (ambtelijke) status toekomt, valt niet in te zien waarom [eiser 1] en [eiser 2], die na hun overplaatsing hun oude werkzaamheden onder gelijke voorwaarden kunnen voortzetten, niet aan nadere eisen mogen worden onderworpen, indien zij voor de (zwaardere) functie van regulier toezichthouder in aanmerking wensen te komen. Het onderdeel kan dan ook niet tot cassatie leiden.

2.30 Onderdeel 1.16 betoogt dat met de toepasselijkheid van (het ARA en) het Besluit spelregels is gegeven dat (gedwongen) ontslag niet mogelijk of toegelaten is (de bijzondere situatie van art. 2.11 lid 2 sub a buiten beschouwing gelaten) en (uitsluitend) bemiddeling mogelijk is naar een andere, passende functie, in welk kader betrokkene een aanspraak op een voorrangspositie toekomt. Het onderdeel betoogt verder dat ingevolge art. 2.21 van het Besluit spelregels een functie passend is als zij qua werkzaamheden in lijn ligt van de oorspronkelijke functie of van het eerder verworven opleidings- en ervaringsniveau. Volgens het onderdeel sluit dit als zodanig reeds uit dat nadere eisen (waaronder het afleggen van een geschiktheidstest en het volgen van een opleiding) worden gesteld aan degene die reeds als toezichthouder werkzaam is, nu toch de eventuele aan te bieden functie voor betrokkene passend moet zijn en gericht op een vaste functie.

2.31 Het onderdeel mist feitelijke grondslag, voor zover het veronderstelt dat (gedwongen) ontslag de inzet van het onderhavige kort geding vormt (zie hiervóór onder 2.9). Daarnaast blijkt uit de processtukken niet dat [eiser 1] en [eiser 2] zich in de feitelijke instanties erop hebben beroepen dat ingevolge het Besluit spelregels ontslag niet is toegelaten, dat (uitsluitend) bemiddeling naar een passende functie mogelijk is en dat de betrokkene in dit kader een voorrangspositie toekomt(23). Evenmin blijkt uit de processtukken dat [eiser 1] en [eiser 2] in de feitelijke instanties het standpunt hebben ingenomen dat art. 2.21 van het Besluit spelregels het stellen van nadere eisen aan een toezichthouder die voor een aanstelling als regulier toezichthouder in aanmerking wil komen, uitsluit. Blijkens het door de Gemeente bij dupliek in cassatie overgelegde exemplaar van het Besluit spelregels betreft art. 2.21 van dat besluit slechts de vraag wanneer een functie passend is; daarvoor is onder meer van belang of de werkzaamheden in de lijn liggen van het eerder verworven opleidings- en ervaringsniveau en of de verwachting is gerechtvaardigd dat de betrokkene de desbetreffende werkzaamheden op behoorlijke wijze zal kunnen verrichten. In het licht van dit een en ander valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom de Gemeente geen nadere eisen in de vorm van een geschiktheidstest en een opleiding aan [eiser 1] en [eiser 2] zou kunnen stellen, nu - naar het hof in rov. 4.5 op zichzelf in cassatie onbestreden heeft vastgesteld - "aan de functie van toezichthouder zwaardere kwaliteitseisen worden gesteld dan aan de functie die door [eiser] c.s. thans (als toezichthouder metro) vervuld wordt dan wel tot voor kort vervuld werd."(24) Dat bij die stand van zaken de functie van regulier toezichthouder mogelijk niet passend is in de zin van de genoemde bepaling, doet daaraan niet af.

2.32 Onderdeel 1.17 concludeert dat de bestreden oordelen van het hof zijn gebaseerd op gronden die deze oordelen niet kunnen dragen en dat de gevorderde voorziening daarom ten onrechte niet is toegewezen. Rov. 4.7 en het dictum kunnen derhalve niet in stand blijven, aldus het onderdeel.

Het onderdeel kan evenmin als de voorgaande onderdelen waarop het voortbouwt tot cassatie leiden.

2.33 Middel II omvat een algemene klacht, die in de onderdelen 2.1-2.3 wordt uitgewerkt. Onderdeel 2.1 verduidelijkt dat het middel zich tegen de rov. 4.3-4.5 in samenhang met rov. 4.7 en het dictum van het bestreden arrest keert.

2.34 Onderdeel 2.2 benadrukt dat [eiser 1] en [eiser 2] hebben gevorderd dat de Gemeente niet overgaat tot hun overplaatsing naar de Dienst Werk en Inkomen en voorts bevordert dat zij als toezichthouder bij de Dienst Stadstoezicht werkzaam kunnen blijven, althans zich onthoudt van maatregelen die ertoe leiden dat zij niet meer in de door hen bij deze dienst vervulde functies werkzaam kunnen zijn. Gelet op hetgeen in het kader van middel I is betoogd kan volgens onderdeel 2.3 van overplaatsing geen sprake zijn, zodat het hof in rov. 4.3 ten onrechte heeft overwogen en geoordeeld dat de grieven falen, en in rov. 4.7 dat voor het treffen van een voorziening als door [eiser] c.s. gevorderd ook naar het voorlopig oordeel van het hof geen grond is. Het onderdeel vervolgt dat het dictum van het bestreden arrest derhalve niet in stand kan blijven.

2.35 De beide onderdelen bouwen voort op de in middel I ontwikkelde klachten en openen geen nieuwe gezichtspunten. Het middel kan daarom niet cassatie leiden.

2.36 Middel III richt zich tegen de rov. 4.3-4.7 in samenhang met het dictum. Het middel betoogt dat de Gemeente in haar memorie van antwoord niet heeft gevorderd dat het hof de eventuele proceskostenveroordeling ten laste van [eiser 1] en [eiser 2] uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Door dat wél te doen is het hof volgens het middel buiten de rechtsstrijd van partijen getreden.

2.37 Op grond van art. 258 Rv kan de voorzieningenrechter (óók de kantonrechter die als zodanig optreedt; zie art. 254 lid 4 Rv) zijn vonnis ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren, terwijl de bepaling van art. 258 Rv ingevolge art. 353 lid 1 Rv op een kortgedingprocedure in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is(25). Op dit een en ander stuit de klacht tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de proceskostenveroordeling in hoger beroep af(26).

2.38 Waar de klachten niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, kan de Hoge Raad het beroep mijns inziens met toepassing van art. 81 RO verwerpen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie de rov. 3 en 4.1 van het bestreden arrest.

2 Prod. 2 bij de inleidende dagvaarding.

3 In het dossier van [eiser 1] en [eiser 2] bevindt zich een namens [eiser] c.s. ter zitting van 23 mei 2007 overgelegde pleitnota/eiswijziging, die in het dossier van de Gemeente ontbreekt. Uit p. 2, vierde alinea, van het bestreden arrest blijkt dat de raadsvrouwe van [eiser] c.s. zich ter zitting van 23 mei 2007 inderdaad van een pleitnota heeft bediend. Zie echter de schriftelijke dupliek van mr. Duk onder 8, volgens welke mr. Van Geffen ervan zou hebben afgezien een "aanvullende" pleitnota over te leggen.

4 De cassatiedagvaarding is op 6 september 2007 betekend, terwijl het bestreden arrest op 12 juli 2007 is uitgesproken; de cassatietermijn van art. 402 lid 2 jº 339 lid 2 Rv (acht weken) is derhalve in acht genomen.

5 Zie achtereenvolgens de Regeling EWLW 1995 (Stcrt. 1995, 13, nadien gewijzigd), de Regeling EWLW 1996 (Stcrt. 1995, 244, nadien gewijzigd), de Regeling EWLW 1996 en 1997 (Stcrt. 1996, 250, nadien gewijzigd), de Regeling EWLW 1996, 1997 en 1998 (Stcrt. 1997, 249, nadien gewijzigd en uiteindelijk ingetrokken bij de Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen, Stcrt. 1998, 246). Zie over de Regeling EWLW M.J. Toet en N.J. van de Vrie, Besluit Instroom- Doorstroombanen, PS-special nr. 2 (2000), p. 1-2 en 23-28.

6 Stcrt. 1998, 246.

7 Zie de toelichting op de Regeling ID-banen, Stcrt. 1998, 246, onder "Uitbreiding en doorstroombanen", alsmede M.J. Toet en N.J. van de Vrie, Besluit Instroom- Doorstroombanen, PS-special nr. 2 (2000), p. 28-34.

8 Stb. 1999, 591.

9 In de nota van toelichting bij het Besluit ID-banen (Stb. 1999, 591) is op p. 16 vermeld: "In het Regeerakkoord wordt uitsluitend van "doorstroming" gesproken. In feite wordt daarmee op twee bewegingen gedoeld. In de eerste plaats op doorstroom van werknemers binnen de regeling, vanuit instroombanen naar hoger gekwalificeerde doorstroombanen. In de tweede plaats op doorstroom van werknemers uit de regeling naar andere, niet op grond van dit besluit gesubsidieerde reguliere functies in de collectieve, non-profit en marktsector. In het laatste geval is sprake van uitstroom." Zie voorts M.J. Toet en N.J. van de Vrie, Besluit Instroom- Doorstroombanen, PS-special nr. 2 (2000), p. 40-42, 51-53.

10 Wet van 9 oktober 2003, Stb. 2003, 375. Zie voor het tijdstip van inwerkingtreding het Besluit van 10 oktober 2003, Stb. 2003, 386.

11 Art. 2 Invoeringswet Wet werk en bijstand (Wet van 9 oktober 2003, Stb. 376).

12 Zie daarover nader M.J.A.C. Driessen, Aspecten van reïntegratie, arbeidsinschakeling en sanctionering in de Wet werk en bijstand, SMA 2004-5, p. 237.

13 Zie in die zin de schriftelijke toelichting van mr. Garretsen onder 2.1-2.2.

14 Zie onder andere de inleidende dagvaarding onder 1 en 3, de pleitnota in eerste aanleg van mr. De Ploeg, p. 2 en 5, de appeldagvaarding/memorie van grieven onder 3.1 en 4.1 en pleitnota van mr. Van Geffen van 12 januari 2007, p. 1. [eiser 1] en [eiser 2] hebben overigens geen grieven gericht tegen de vaststelling in rov. 1 van het vonnis van de kantonrechter dat "(i)eder van hen (...) een civielrechtelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (heeft)".

15 Zie de pleitnota in eerste aanleg van mr. Holtkamp onder 5, 8-9, 42-43, en de memorie van antwoord onder 3 (en voetnoot 1).

16 Vgl. het advies van de Awb Commissie Personele Aangelegenheden Stadstoezicht van 10 februari 2007, strekkende tot ongegrondverklaring van het mede namens [eiser 1] en [eiser 2] ingediende bezwaarschrift tegen de overplaatsing naar de Dienst Werk en Inkomen. Op p. 2 vermeldt dit advies: "(...) Nu de AVA de arbeidsrechtelijke rechtsverhouding bepaalt en bezwaarden geen ambtenaar zijn in de zin van de Ambtenarenwet, kan tegen de beslissing op bezwaar geen bestuursrechtelijk rechtsmiddel worden aangewend. Bezwaarden kunnen zich slechts wenden tot de burgerlijke rechter." Bij besluit van 12 februari 2007 heeft de directeur van de Dienst Stadstoezicht dit advies overgenomen en het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Het besluit vermeldt: "Tegen dit besluit kunnen de toezichthouders niet in beroep gaan bij de Bestuursrechter, omdat zij op arbeidsovereenkomst werkzaam zijn bij de gemeente Amsterdam (...) en zij geen ambtelijke aanstelling hebben. Het besluit kan wel binnen redelijke termijn ter toetsing worden voorgelegd aan de Kantonrechter." In het dossier van de Gemeente zijn genoemd advies en besluit kennelijk abusievelijk als prod. 21 aan de appeldagvaarding/memorie van grieven gehecht, alhoewel zij, gelet op de datering, onmogelijk bij dit processtuk in het geding kunnen zijn gebracht. Op het besluit is overigens aangetekend "(op 11 mei 2007 naar hof)", terwijl in de door mr. De Jong namens de Gemeente gehanteerde pleitnota van 23 mei 2007 onder 3 naar het advies wordt verwezen ("(...) is u toegezonden als productie 21.") In het dossier van [eiser 1] en [eiser 2] ontbreekt het advies; wél wordt de inhoud daarvan in de pleitnota namens [eiser] c.s. van 23 mei 2007 (die zich alleen in het dossier van [eiser 1] en [eiser 2] bevindt; zie in dit verband ook voetnoot 3) besproken (p. 1-4).

17 Pleitaantekeningen onder 4.

18 Overigens geldt in dat geval de door art. 8:81 lid 1 Awb gestelde eis dat sprake is van connexiteit met een bezwaar- of beroepsprocedure.

19 Vgl. de in art. 6 van de arbeidsovereenkomsten genoemde artikelen/onderdelen van het ARA die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.

20 Art. 7 lid 1, aanhef en onder e, Regeling EWLW, zoals gewijzigd bij besluit van 20 december 1996 (Stcrt. 1996, 250; zie ook de toelichting op art. I, onderdeel F, ten eerste, slot), art. 5 lid 4, aanhef en onder b, Regeling ID-banen en art. 6 lid 2, aanhef en onder b, Besluit ID-banen.

21 Zie wat betreft [eiser 1] en [eiser 2] onder andere de inleidende dagvaarding onder 3-4, de appeldagvaarding/memorie van grieven onder 4.2 en de ter zitting van het hof van 12 januari 2007 door mr. Van Geffen overgelegde pleitnota, p. 1.

22 Het vonnis van de kantonrechter omvat in rov. 2, eerste volzin, een overeenkomstige vaststelling. Daartegen zijn in appel geen grieven aangevoerd.

23 Vgl. de ter zitting van de kantonrechter overgelegde pleitnota van mr. De Ploeg p. 4/5, de appeldagvaarding/memorie van grieven onder 2.4, 3.6 en 6.11-6.12 en de ter zitting van het hof van 12 januari 2007 overgelegde pleitnota van mr. Van Geffen, p. 3/4. Overigens is volgens het advies van de Awb Commissie Personele Aangelegenheden Stadstoezicht van 10 februari 2007 (hiervóór in voetnoot 16 genoemd) hoofdstuk 2 van het Besluit spelregels, waarvan art. 2.21 deel uitmaakt, niet aan de orde, omdat de functie van betrokkenen niet verandert of wijzigt. Zie p. 3 van het advies. Zie voorts de pleitnota/wijziging van eis van mr. Van Geffen van 23 mei 2007, p. 1 (zie over die pleitnota voetnoot 3).

24 Vgl. de schriftelijke dupliek van mr. Duk onder 5 (slotzin).

25 Zie H.J. Snijders en A. Wendels, Civiel appel (2003), nr. 302. Overigens blijkt uit de wetgeschiedenis van art. 258 Rv dat de wetgever het wenselijk heeft geacht deze bepaling op te nemen, gelet op het karakter van het kort geding en het ordenende optreden van de president; zie A.I.M. van Mierlo en F.M. Bart, Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, p. 427.

26 Als het arrest ten onrechte uitvoerbaar bij voorraad zou zijn verklaard, zou de daartegen gerichte klacht bij gebrek aan belang falen, nu de klachten tegen de materiële beslissing van het hof niet opgaan; zie HR 10 december 1943, NJ 1944/1945, 159 (waarnaar wordt verwezen in Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 48).