Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH5795

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-05-2009
Datum publicatie
19-05-2009
Zaaknummer
08/00197 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH5795
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag ex art. 552b Sv. Motorboot vv in strafzaak mededader. Klager stelt eigenaar van de motorboot te zijn en klaagt pas nadat hijzelf in hb is vrijgesproken. Rb verklaart klager no. HR: als “veroordeelde” idzv. art. 552b Sv moet worden beschouwd de persoon in wiens zaak de vv is uitgesproken, i.c. dus de mededader. De opvatting dat de vv eerst pas tenuitvoer kan worden gelegd nadat klager is vrijgesproken is onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 250
RvdW 2009, 677
NJB 2009, 1271
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/00197 B

Mr. Knigge

Zitting: 10 maart 2009

Conclusie inzake:

[Klager]

1. De Rechtbank 's Hertogenbosch heeft bij beschikking van 21 september 2007 verzoeker op grond van art. 552b lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard.

2. Namens de verzoeker heeft mr. Van der Kruijs, advocaat te 's Hertogenbosch, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel bevat de klacht dat de Rechtbank verzoeker ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4. Wat heeft zich voorgedaan? De verzoeker is door de Rechtbank 's Hertogenbosch bij vonnis van 28 januari 2005 veroordeeld voor oplichting. Het betrof daarbij - kort gezegd - oplichting van de verzekeringsmaatschappij doordat hij - nog korter gezegd - zijn boot zou hebben verzekerd, de boot op naam van iemand anders zou hebben gezet ([betrokkene 1], ook vervolgd voor oplichting), de boot als gestolen zou hebben opgegeven en vervolgens de schade bij de verzekering zou hebben geclaimd. Ook [betrokkene 1] is door de Rechtbank bij vonnis van 28 januari 2005 veroordeeld voor onder andere oplichting. De Rechtbank heeft in dit vonnis de inbeslaggenomen motorboot verbeurd verklaard. [Betrokkene 1] berustte in het vonnis, verzoeker ging in hoger beroep. Door het Hof 's Hertogenbosch is de verzoeker vervolgens bij arrest van 17 juli 2006 vrijgesproken. Het Hof oordeelde dat het verweer van verzoeker dat hij niet wist dat [betrokkene 1] de boot op zijn naam had laten zetten en dat hij eveneens slachtoffer was geworden van de door [betrokkene 1] begane oplichting, niet door het voorhanden zijnde bewijsmateriaal werd weerlegd. In het kader van deze strafzaak werd geen beslissing genomen over de - in de zaak van [betrokkene 1] inbeslaggenomen en verbeurdverklaarde - boot.(1)

5. Blijkens de akte inlevering klaagschrift is op 11 juni 2007 een klaagschrift, gedagtekend 17 augustus 2006, ex. art. 552a Sv bij de Rechtbank 's Hertogenbosch ontvangen.

6. In zijn beslissing ex. art. 552b Sv heeft de Rechtbank 's Hertogenbosch onder andere het volgende overwogen.

"Inleiding

Het klaagschrift strekt tot herroeping van de bij vonnis van de politierechter d.d. 28 januari 2005 uitgesproken verbeurdverklaring van een motorboot, merk Bayliner, type Capri en de toekenning van een vervangend bedrag vermeerderd met de rente. De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovenstaand parketnummer. Het klaagschrift is op 10 augustus 2007 in openbare raadkamer behandeld. Namens klager is door zijn raadsman gepersisteerd bij het klaagschrift. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift, als bedoeld in artikel 552b van het Wetboek van Strafvordering, te laat is ingediend. Van het verhandelde is proces-verbaal opgemaakt waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

De beoordeling

Bij vonnis van de politierechter van 28 januari 2005, is [betrokkene 1] veroordeeld voor het medeplegen van een poging tot oplichting en is de motorboot, merk Bayliner, type Capri verbeurd verklaard. Dit vonnis is 12 februari 2005 onherroepelijk geworden. Op 28 augustus 2006 is een klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van strafvordering van [klager] bij het gerechtshof te 's- Hertogenbosch ingekomen waarin de raadsman van klager verzocht om teruggave van de aan klager toebehorende motorboot, merk Bayliner, type Capri. Per brief van 28 maart 2007 heeft het gerechtshof te 's-Hertogenbosch de raadsman van klager geïnformeerd dat het klaagschrift diende te worden ingediend bij de griffie van de rechtbank 's-Hertogenbosch omdat de zaak van [betrokkene 1] voor het laatst werd vervolgd voor de rechtbank 's-Hertogenbosch en het gerechtshof 's-Hertogenbosch niet bevoegd is van het klaagschrift kennis te nemen. Per brief van 4 april 2007 heeft de raadsman van klager het gerechtshof verzocht het klaagschrift ter behandeling door te sturen aan de rechtbank en hij heeft bij dat verzoek vermeld dat de rechtbank het klaagschrift na doorzending van het gerechtshof diende te beschouwen als een klaagschrift ex artikel 552b van het Wetboek van Strafvordering omdat een behandeling op grond van 552a van het Wetboek van Strafvordering niet meer mogelijk was. Het klaagschrift tot herroeping van de verbeurdverklaring van de motorboot is na doorzending uiteindelijk op 11 juni 2007 ter griffie van deze rechtbank ingekomen. Ingevolge artikel 552b lid 2 van het Wetboek van Strafvordering dient het klaagschrift binnen drie maanden nadat de beslissing uitvoerbaar is geworden, 12 februari 2005, ingediend te worden ter griffie van het gerecht dat in hoogste feitelijke aanleg de beslissing heeft genomen. In het onderhavige geval is het klaagschrift gelet op het voorgaande niet binnen de termijn als gesteld in artikel 552b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering ingediend. De rechtbank is van oordeel dat verzoeker derhalve niet kan worden ontvangen in zijn klaagschrift.

De rechtbank zal klager derhalve niet-ontvankelijk verklaren."

7. De steller van het middel stelt zich op het standpunt dat verzoeker niet eerder kon klagen over de inbeslagname c.q. verbeurdverklaring dan nadat hij zelf door het Hof ten aanzien van de gehele tenlastelegging was vrijgesproken (17 juli 2006). Voorts stelt de steller van het middel dat art. 552b lid 1 Sv bepaalt dat verzoeker tot aan zijn vrijspraak niet als belanghebbende in de zin van dit artikel kon worden aangemerkt omdat hij tot de vrijspraak van het Hof gold als 'veroordeelde' in de zin van dit artikel. Ten slotte stelt de steller van het middel dat de aanvang van de termijn is als de verbeurdverklaring uitvoerbaar is geworden. Dit is echter volgens de steller van het middel pas zodra aan de gehele vervolgde zaak een einde is gekomen.(2)

8. Artikel 552a Sv bepaalt voor zover hier van belang dat de belanghebbende zich schriftelijk kan beklagen over inbeslagneming. Het klaagschrift wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming ingediend doch uiterlijk binnen drie maanden nadat de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.

9. Artikel 552b Sv bepaalt voor zover hier van belang dat de belanghebbenden, andere dan de veroordeelde, zich schriftelijk kunnen beklagen over de verbeurdverklaring van hun toekomende voorwerpen. Het klaagschrift hiertoe dient binnen drie maanden nadat de beslissing uitvoerbaar is geworden, ingediend te worden ter griffie van het gerecht dat in hoogste feitelijke aanleg de beslissing heeft genomen.

10. Voor de stelling van de steller van het middel dat verzoeker niet eerder dan na zijn vrijspraak gebruik kon maken van de mogelijkheid van art. 552a Sv respectievelijk 552b Sv vind ik geen steun in het recht. Verzoeker had vanaf de inbeslagneming tot aan het moment van de verbeurdverklaring ex art. 552a Sv kunnen klagen over de inbeslagneming en het uitblijven van een last tot teruggave. Dat hij zelf (mede)verdachte is, staat daaraan niet in de weg. Datzelfde geldt voor het beklag ex art. 552b Sv. Een (mede)verdachte is - zoals in het volgende punt zal worden uiteengezet - geen "veroordeelde" in de zin van dat artikel. Een ontvankelijkheidsbeletsel was er dus niet. Of een beklag veel kans van slagen zou hebben gehad, is een andere vraag. Ik kom daar nog op terug.

11. Met 'veroordeelde' in art. 552b Sv wordt blijkens de wetsgeschiedenis gedoeld op degene die werd veroordeeld in het vonnis of arrest waarin de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer werd uitgesproken.(3) Dit omdat diegene tegen de verbeurdverklaring kan opkomen via de rechtsmiddelen hoger beroep en cassatie.(4) De tweede stelling van de steller van het middel berust dus op een onjuiste rechtsopvatting.

12. De derde stelling van de steller houdt in dat de beslissing pas uitvoerbaar is geworden nadat in de gehele vervolgde zaak een beslissing is genomen. Die stelling roept associaties op met een (niet door de steller genoemde) beschikking van de Hoge Raad van 4 september 2007.(5) In die beschikking overwoog de Hoge Raad als volgt:

"Indien het beslag is gelegd in een zaak waarin verscheidene personen als verdachte zijn aangemerkt, is aan de vervolgde zaak pas een einde gekomen, indien de vervolgingen van alle verdachten tot een einde zijn gekomen."

13. Deze overweging had betrekking op de uitleg van art. 552a lid 3 Sv, waarin de beklagtermijn wordt gekoppeld aan het moment waarop "de vervolgde zaak tot een einde is gekomen". In art. 552b lid 2 Sv heeft de wetgever gekozen voor een ander moment, namelijk het moment waarop de "beslissing (tot verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer) uitvoerbaar is geworden". Dat verschil in termijnstelling valt goed te begrijpen. Art. 552a Sv maakt beklag mogelijk tegen het (voorduren van de) inbeslagneming. Die inbeslagneming kan voortduren tot aan het einde van de vervolgde zaak. In geval van art. 552b Sv richt het beklag zich niet tegen de inbeslagneming (daaraan is door het onherroepelijk worden van de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer een einde gekomen(6)), maar tegen de straf of maatregel. Een en ander maakt dat de genoemde beschikking bezwaarlijk analogisch kan worden toegepast op het beklag ex art. 552b Sv.

14. Toch is er wel een zekere overeenkomst in problematiek. In een aantal gevallen heeft het weinig zin om ex art. 552a Sv te klagen over de niet-teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp. Zolang de vervolging voortduurt, kan het belang van de strafvordering zich tegen teruggave verzetten (zodat de vraag aan wie het voorwerp moet worden teruggeven niet aan de orde is). Dat argument vervalt als de vervolging is geëindigd. In sommige gevallen is het dus pas nadat de vervolging (in alle zaken) is geëindigd mogelijk om een effectief gebruik van het beklagrecht te maken. In casu lijkt de onderliggende klacht te zijn dat een effectief gebruik van het beklagrecht ex art. 552b Sv pas mogelijk was nadat verzoeker in hoger beroep was vrijgesproken. Veel kans van slagen zou een eerder beklag vermoedelijk niet hebben gehad. Om kans van slagen te hebben, had (de wegens oplichting veroordeelde) verzoeker - zo althans werd door de raadsman bij de behandeling van het klaagschrift aangevoerd - "eerst moeten aantonen dat hij zich niet schuldig had gemaakt aan dat feit".

15. Helemaal bevredigend is de niet-ontvankelijkverklaring in deze zaak niet te noemen. Maar ik vrees dat daaraan weinig is te doen. Ik merk daarbij nog het volgende op. Een begaanbare weg was mijns inziens geweest als verzoeker tijdig een klaagschrift ex art. 552b Sv had ingediend en daarbij had verzocht om de behandeling van het klaagschrift aan te houden tot in zijn strafzaak onherroepelijk zou zijn beslist. Die weg heeft verzoeker niet bewandeld.

16. De vraag is voorts of verzoeker niet de mogelijkheid heeft om de Staat langs civielrechtelijke weg aan te spreken. In de MvT op het wetsvoorstel dat leidde tot de huidige termijnregeling van art. 552a lid 3 Sv, werd ervan uitgegaan dat voor de belanghebbende die onder de oude regeling tardief klaagde omdat de vervolging niet eerder was geëindigd (alleen nog) "de gang naar de burgerlijke rechter" openbleef.(7) Of dat ook geldt als de inbeslagneming met een verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer is geëindigd, is een beetje de vraag. Het komt er denk ik op aan of de beklagprocedure ex art. 552b Sv ook in gevallen als de onderhavige moet worden aangemerkt als een voldoende met waarborgen omklede procedure. Die vraag is in deze beklagzaak niet aan de orde.

17. Het middel faalt.

18. Gronden waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, zijn door mij niet aangetroffen.

19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie in dit verband ook de brief van de vice-president aan de raadsman van klager d.d. 28 maart 2007.

2 Aan de feiten waarop in dat verband nog een beroep wordt gedaan, zal bij gebrek aan feitelijke grondslag voorbij moeten worden gegaan. Ik merk op dat in feitelijke aanleg geen beroep op verontschuldigbare termijnoverschrijding is gedaan. De enkele stelling dat verzoeker en zijn raadsman niet wisten dat de verbeurdverklaring was uitgesproken, is daartoe onvoldoende.

3 In gevallen waarin de onttrekking aan het verkeer bij afzonderlijke beschikking is gelast, geldt art. 552f lid 7 Sv.

4 TK, 1954-55, 4034, nr.3, p. 13. De Minister stelt ten aanzien van art. 552b Sv: "Daarom wordt de mogelijkheid van beklag geopend; niet voor de veroordeelde want die heeft genoeg aan de gewone rechtsmiddelen; doch voor derden."

5 Hoge Raad 4 september 2007, NJ 2007, 472.

6 Al noemt art. 134 lid 2 Sv deze vorm van beëindiging niet.

7 Kamerstukken II 1989-1990, 21504, nr. 3, blz. 44-45.