Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH5768

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-06-2009
Datum publicatie
09-06-2009
Zaaknummer
07/12286
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH5768
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Vereisten van art. 153 Sv. In ’s Hofs overwegingen ter motivering van de vrijspraak ligt als ’s Hofs oordeel besloten dat de kennisgeving van bekeuring niet voldoet aan de vereisten van art. 153 Sv, omdat op de kennisgeving slechts het nummer van de verbalisant is vermeld en niet de naam van de verbalisant. Art. 153 Sv houdt o.m. in dat een p-v door een opsporingsambtenaar persoonlijk en op ambtseed dient te worden opgemaakt, gedagtekend en ondertekend. De stukken i.c. houden in dat de kennisgeving van bekeuring op ambtsbelofte is opgemaakt en ondertekend door een met het verbalisantnr. 001 aangeduide ambtenaar en dat in het later door de opsporings-ambtenaar X opgemaakte en ondertekende p-v is gerelateerd dat genoemde kennisgeving is opgemaakt en ondertekend door de opsporingsambtenaar Y. Gelet daarop is ‘s Hofs oordeel dat er "niet voldoende wettig bewijs" is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2009, 271
RvdW 2009, 753
NJ 2009, 284
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/12286

Mr. Knigge

Zitting: 10 maart 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te 's Gravenhage vrijgesproken van het hem in de inleidende dagvaarding ten laste gelegde.

2. De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3. Het middel bevat de klacht dat het Hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de eisen die art. 153 Sv stelt aan de ondertekening van een door een opsporingsambtenaar op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. Hierdoor is, volgens de steller van het middel, de motivering van het Hof van de vrijspraak onbegrijpelijk.

4. Het Hof heeft in zijn arrest als volgt overwogen.

"5. Vrijspraak

Het proces-verbaal van politie is niet ondertekend door de verbalisant - zijnde [verbalisant 1] - die dit proces-verbaal heeft opgesteld. Op de kennisgeving bekeuring van de politie heeft de verbalisant - die deze kennisgeving van bekeuring heeft uitgeschreven - enkel diens verbalisantnummer ingevuld en niet diens naam. Naar het oordeel van het hof is er aldus niet voldoende wettig bewijs en is niet wettig bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken."

5. In onderhavige zaak is door een ambtenaar een kennisgeving van bekeuring uitgeschreven. Vervolgens is een en ander in een proces-verbaal opgenomen.

De kennisgeving van bekeuring houdt onder meer het volgende in (waarbij ik hetgeen met de hand geschreven is heb gecursiveerd):

"

15020614040[001]dag maand jaar tijdstip verbalisantnummer

Plaats /gedraging /overtreding: Paul Krugerplein, Den Haag;

(...)

De betrokkene/verdachte gaf, daarna gevraagd, op:

Naam: [achternaam verdachte]

Voornaam: [voornamen verdachte]

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

Geboortedatum: [geboortedatum]-1972

Adres: [a-straat 1]

Postcode: [postcode]

Woonplaats: [woonplaats]

Surveillancerapport/ opmerkingen verbalisant

Datum: 15/02/2006 AMBTSEED/BELOFTE [belofte doorgehaald, Kn]

Ambtenaar: [vanwege ruimtegebrek iets naar onderen geplaatst] [001]

Handtekening: [handtekening of paraaf, vanwege ruimtegebrek geplaatst door de volgende, voorgedrukte zin:]

De verdachte is medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

Verklaring verdachte/betrokkene

Ik wil [verder onleesbaar]

[handtekening, kennelijk van verdachte [achternaam verdachte]]

Ik zag dat genoemd persoon een open blikje bier in zijn handen had. Dat is in strijd niet de Algemene Plaatselijke Politieverordening. Dit genoemd gebied valt onder stadsdeel (Centrum) [paraaf] "

Ik merk op dat achter (of beter: schuin onder) 'handtekening' daadwerkelijk een handtekening of paraaf staat. Voorts staat ook onder de laatste alinea een soort paraaf. Deze handtekeningen/parafen verschillen duidelijk van de handtekening van verdachte [achternaam verdachte].

Het 'steunproces-verbaal' houdt onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende in:

"PVB-NR.: 15.02.2006.1404.[001];

lk. [verbalisant 1], agent, zag/constateerde, dat een persoon de hierna gerelateerde overtreding pleegde/heeft gepleegd: op de weg, binnen een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied, aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich hebben:

Verdachte:

Naam: [achternaam verdachte]:

Voornamen: [voornamen verdachte];

Geboorteplaats: [geboorteplaats];

Geboortedatum: [geboortedatum]-1972;

Adres: [a-straat 1];

Postcode: [postcode];

Woonplaats: [woonplaats].

Opmerkingen opsp.ambt.2;

Dit proces-verbaal is opgemaakt conform hetgeen gerelateerd is in het hierbij gevoegde mini-proces-verbaal, dat eerder werd opgemaakt, gesloten en ondertekend door de daarin vermelde en hieronder als 1e genoemde opsporingsambtenaar. De zinsnede "ieder voor wat betreft zijn bevindingen" heeft achtereenvolgens betrekking op de verbalisant van het mini-proces-verbaal en de als tweede genoemde opsporingsambtenaar die verbalisant is van dit proces-verbaal.

Sluiting: Dit proces-verbaal is op 20 maart 2006 opgemaakt te Voorburg ieder voor wat betreft zijn bevindingen

op ambtseed

[verbalisant 1]

agent

op ambtseed

[verbalisant 2]

inspecteur"

[verbalisant 1] heeft geen handtekening gezet. [verbalisant 2] wel.

6. Het cassatieberoep in deze zaak is ingegeven door de behoefte aan meer duidelijkheid met betrekking tot de eisen die aan een zogenoemd miniproces-verbaal moeten worden gesteld, wil dit proces-verbaal aangemerkt kunnen worden als het wettige bewijsmiddel genoemd in art. 344 lid 1 sub 2e Sv. Het is met het oog op de gewenste duidelijkheid dat ik het volgende voorop stel.

7. Een proces-verbaal dat mededelingen bevat van de verbalisant omtrent feiten of omstandigheden die hij zelf heeft waargenomen of ondervonden, levert eerst dan het in art. 344 lid 1 sub 2e Sv bedoelde wettige bewijsmiddel op indien (1) dat proces-verbaal in de wettige vorm is opgemaakt en (2) dat proces-verbaal is opgemaakt door daartoe bevoegde personen of colleges. Ik beperk me in het navolgende tot processen-verbaal van opsporingsambtenaren.

8. De eisen waaraan de "wettige vorm" van het proces-verbaal moet voldoen, zijn te vinden in art. 153 Sv. Dit artikel schrijft in het eerste lid voor dat het proces-verbaal door de opsporingsambtenaar moet zijn opgemaakt op ambtseed (tenzij de in het artikellid genoemde uitzonderingssituatie aan de orde is). Het proces-verbaal moet voorts volgens het tweede lid door de opsporingsambtenaar persoonlijk worden opgemaakt, gedagtekend en ondertekend.(1) (2) Of het proces-verbaal in de wettige vorm is gegoten moet - ik zou haast zeggen uiteraard - uit dat proces-verbaal zelf blijken. Eventuele gebreken maken dat het proces-verbaal de vereiste vorm mist.

9. Herstel van gebreken is niet uitgesloten. Zo kan de ontbrekende handtekening door de verbalisant alsnog geplaatst worden. Mogelijk is ook dat een aanvullend proces-verbaal wordt opgemaakt, waarin de verbalisant verklaart op welke datum het eerdere proces-verbaal door hem is gesloten en ondertekend of waarin hij alsnog verklaart dat het eerdere proces-verbaal door hem op ambtseed is opgemaakt. Er is geen reden om daar moeilijk over te doen. De verbalisant kan tenslotte ook een geheel nieuw proces-verbaal opmaken dat wél aan alle eisen voldoet en waarin hij herhaalt wat al eerder is gerelateerd.(3)

10. Het spreekt eigenlijk vanzelf dat het aanvullende proces-verbaal in de wettige vorm moet zijn opgemaakt. Dit vindt bevestiging in HR 16 januari 2007, NJ 2007, 67: een miniproces-verbaal dat niet op ambtseed is opgemaakt, kan niet "gerepareerd" worden door een aanvullend proces-verbaal dat door de verbalisant niet is ondertekend. De Hoge Raad herhaalde dit standpunt nog eens in HR 22 april 2008, NJ 2008, 265, waarin het eveneens ging om een niet op ambtseed opgemaakt miniproces-verbaal en een niet ondertekend aanvullend proces-verbaal. De Hoge Raad overwoog:

"3.5. Art. 153 Sv houdt onder meer in dat een proces-verbaal door een opsporingsambtenaar persoonlijk en op ambtseed dient te worden opgemaakt, gedagtekend en ondertekend. Een door een opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal dat niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, of niet is ondertekend, is niet in de wettelijk voorgeschreven vorm opgemaakt en kan slechts als ander geschrift in de zin van art. 344, eerste lid aanhef en onder 5o, Sv tot het bewijs meewerken (vgl. HR 16 januari 2007, LJN AZ2481, NJ 2007, 67).

3.6. Het hiervoor onder 3.3 weergegeven oordeel van het Hof gaat uit van de opvatting dat een ambtsedig proces-verbaal ondanks het ontbreken van de vereiste ondertekening in de wettelijk voorgeschreven vorm is opgemaakt, indien het vergezeld gaat van een door een opsporingsambtenaar geschreven kennisgeving van bekeuring die inhoudelijk met het uitgetypte proces-verbaal overeenstemt en wel is ondertekend. Die opvatting is onjuist."

11. Essentieel is dat het de verbalisant zelf is die de gebreken herstelt. Hij dient immers persoonlijk in te staan voor de juistheid van het gerelateerde en hij moet zijn relaas daarom zelf met zijn eed of belofte bekrachtigen en (als blijk daarvan) ondertekenen. Aanvullende processen-verbaal opgemaakt door andere opsporingsambtenaren kunnen gebreken op dit punt niet verhelpen of compenseren. Het is dan ook niet voor niets dat de Hoge Raad in de genoemde arresten strak de hand hield aan de ondertekening van het aanvullende proces-verbaal. Van door de desbetreffende verbalisant persoonlijk opgemaakte processen-verbaal was in feite geen sprake. Het ging - naar mag worden aangenomen - om door de "Centrale verwerkingseenheid" vervaardigde stukken waaraan de verbalisant zelf niet te pas was gekomen.(4)

12. De eis dat het proces-verbaal moet zijn opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar staat los van de eis dat het proces-verbaal in de wettige vorm moet zijn opgemaakt. Om de wettige vorm gaat het bij de bevoegdheidsvraag dus niet. Het zal daarom zijn dat de Hoge Raad niet eist dat van de bevoegdheid uit het proces-verbaal zelf blijkt. Voldoende is dat daarvan uit het vonnis of arrest blijkt.(5) De rechter kan daarbij de benodigde informatie putten uit andere (aanvullende) processen-verbaal, die wél door andere opsporingsambtenaren opgemaakt mogen zijn.

13. Een voorwaarde om als wettig bewijsmiddel in de zin van art. 344 lid 1 sub 2e Sv te kunnen dienen, is niet dat het proces-verbaal de naam vermeldt van de opsporingsambtenaar die het proces-verbaal opmaakt. Die voorwaarde is noch in art. 344 Sv, noch in art. 153 Sv te vinden. Dat maakte het mogelijk om toe te staan dat opsporingsambtenaren, die goede redenen kunnen hebben om anoniem te blijven, onder codenummer proces-verbaal opmaken. Vereist is dan wel dat uit een aanvullend proces-verbaal van bij voorkeur de directe chef van de anonieme opsporingsambtenaren blijkt dat zij tot het opmaken van het desbetreffende proces-verbaal bevoegd waren.(6)

14. Terug naar het voorgestelde cassatiemiddel. Het middel klaagt erover dat het Hof te hoge eisen heeft gesteld aan de ondertekening van een (mini)proces-verbaal. Die klacht berust mijns inziens op een onjuiste lezing van de - inderdaad verwarring wekkende - overweging van het Hof. In de eerste volzin van die overweging stelt het Hof vast dat het aanvullende proces-verbaal, voor zover het de bevindingen betreft van [verbalisant 1], niet is ondertekend door de verbalisant die dat proces-verbaal heeft opgesteld, zijnde (naar moet worden aangenomen) [verbalisant 1]. In de tweede volzin stelt het Hof vast dat het mini-procesverbaal (de kennisgeving van de bekeuring) niet de naam van de verbalisant vermeldt, maar enkel diens verbalisantnummer. In deze lezing is het gebrek waaraan het miniproces-verbaal volgens het Hof laboreert, dus niet dat het niet is ondertekend, maar dat de naam van de verbalisant niet is vermeld. Ik merk daarbij op dat deze lezing strookt met hetgeen het miniproces-verbaal (dat zich bij de stukken bevindt) te zien geeft. Zoals ik onder punt 5 heb vermeld, bevat het miniproces-verbaal een handtekening en een paraaf die kennelijk door de verbalisant zijn geplaatst.

15. Uitgaande van deze lezing mist het middel feitelijke grondslag en faalt het derhalve. Ik merk daarbij op dat het kennelijke oordeel van het Hof dat het ontbreken van de naam van de verbalisant meebrengt dat van een wettig bewijsmiddel in de zin van art. 344 lid 1 sub 2e geen sprake is, mij niet juist voorkomt. De naam van de verbalisant hoeft niet per se vermeld te worden (hiervoor, punt 13). Bovendien kan die naam heel wel worden vastgesteld aan de hand van een ambtsedig proces-verbaal dat door een andere opsporingsambtenaar (in casu [verbalisant 2]) is opgemaakt. Nu het middel hierover niet klaagt, kan dit evenwel niet tot cassatie leiden.(7)

16. Voor het geval in de overweging van het Hof wél gelezen moet worden dat het Hof van oordeel is dat het miniproces-verbaal niet door de verbalisant is ondertekend en "enkel" diens verbalisantnummer vermeldt, merk ik het volgende op. Over de begrijpelijkheid van deze feitelijke vaststelling wordt, voor zover die inhoudt dat enkel een verbalisantnummer is vermeld en dus dat niet tevens een handtekening is geplaatst, in het cassatiemiddel niet geklaagd. Uitgangspunt in cassatie moet daarom zijn dat het miniproces-verbaal alleen maar een verbalisantnummer bevat.

17. Het middel berust op de opvatting dat aan de wettelijke eis van ondertekening van het proces-verbaal is voldaan indien de verbalisant met pen zijn verbalisantnummer vermeldt. Die opvatting komt mij in haar algemeenheid onjuist voor. Hoewel er een vrijwel onbegrensde vrijheid lijkt te bestaan als het aankomt op de vraag hoe iemand zijn handtekening dient vorm te geven (bijna elke krabbel kan voor een handtekening doorgaan), pleegt een handtekening toch gebaseerd te zijn op de (achter)naam van de persoon in kwestie (en niet op het nummer waaronder die persoon zijn ambtelijk leven slijt). In elk geval geldt dat iemands handtekening individueel en persoonlijk is en dat een handtekening daarmee kenmerkend is voor iemand als individu. In het verlengde daarvan ligt dat iemands handtekening een zekere consistentie vertoont en niet wisselt met de verschillende hoedanigheden die de persoon in kwestie in het maatschappelijk verkeer inneemt. Een handgeschreven nummer dat de persoon in kwestie alleen kenmerkt in zijn gereduceerde en tijdelijke hoedanigheid van ambtenaar in functie kan derhalve niet voor een handtekening doorgaan.

18. Voor alle duidelijkheid: ik wil niet beweren dat een handtekening nimmer de vorm van een nummer kan aannemen. Indien een opsporingsambtenaar zich zozeer met zijn verbalisantnummer vereenzelvigt dat hij zijn paspoort en credit card van dit nummer voorziet en daarmee ook zijn persoonlijke correspondentie alsmede de ontvangstbevestiging van de echtscheidingspapieren ondertekent, kan aangenomen worden dat het om zijn handtekening gaat. Het is echter niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat die situatie zich hier niet voordoet.

19. Ik wil niet verhelen dat ondertekening met een codenummer een oplossing zou zijn voor een probleem dat Reijntjes signaleert. De anonieme, onder codenummer verbaliserende opsporingsambtenaar kan verraden worden door zijn handtekening.(8) Voor dat probleem bestaan echter, zoals Reijntjes aangeeft, andere oplossingen. Het originele, ondertekende exemplaar kan buiten het dossier worden gehouden. Gebruik gemaakt kan worden van een kopie waarbij de handtekening niet meegekopieerd is. De teamchef dient daarbij in zijn toch al nodige aanvullende proces-verbaal te verklaren dat het origineel door de verbalisant is ondertekend.

20. Bij de afdoening van het middel zou de Hoge Raad voorbij kunnen gaan aan de vraag naar de feitelijke grondslag. Het middel faalt namelijk hoe dan ook omdat het uitgaat van een opvatting die geen steun vindt in het recht. Een uitspraak over die opvatting komt tegemoet aan de behoefte aan duidelijkheid die bij de steller van het middel leeft.

21. Het middel faalt.

22. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het tweede lid schrijft ook voor dat zoveel mogelijk de redenen van wetenschap worden opgegeven. Dit voorschrift raakt echter niet de wettige vorm van het bewijsmiddel.

2 Of de dagtekening tot de wettige vorm behoort, is niet geheel zeker. Volgens Reijntjes (in Melai-Groenhuijsen, aant. 4 op art. 153, suppl. 126) verbindt de Hoge Raad aan het ontbreken van een dagtekening geen sanctie. Mij lijkt dat de vraag. Uit de door Reijntjes genoemde arresten (HR 28 mei 1985, NJ 1986, 27 en HR 22 oktober 1985, NJ 1986, 347) volgt dat in elk geval niet. In het laatstgenoemde arrest overwoog de Hoge Raad dat in het recht geen steun is te vinden voor de stelling dat een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal op de enkele grond dat het niet is gedagtekend niet tot het bewijs mag worden gebezigd. Die overweging kan ook zo gelezen worden dat het recht er niet aan in de weg staat dat het proces-verbaal in een dergelijk geval als "overig geschrift" tot het bewijs kan meewerken. Het ontbreken van een dagtekening heeft in die lezing dus wel degelijk een sanctie, namelijk dat het proces-verbaal niet op voet van art. 344 lid 1 sub 2e Sv tot het bewijs kan meewerken.

3 Dat dit proces-verbaal niet "ten spoedigste" is opgemaakt (art. 152 Sv) doet aan de wettigheid ervan niet af. Dit vormverzuim levert, gelet op het eerdere, wel ten spoedigste opgemaakte proces-verbaal, als regel geen reden op om aan de betrouwbaarheid ervan te twijfelen.

4 Zie punt 12 van de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt bij NJ 2007, 67.

5 Iets anders is of de Hoge Raad tegenwoordig nog ambtshalve casseert als aan deze eis niet is voldaan. Vgl. 10 februari 2004, NJ 2004, 452 m. nt. Kn.

6 Zie o.m. HR 5 december 1995, NJ 1996, 422 en HR 29 april 1997, NJ 1997, 666.

7 Ik merk nog op dat uit de doorhaling van AMBTSEED (hiervoor onder punt 5) opgemaakt kan worden dat het miniproces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt. Niet blijkt in elk geval dat het Hof daarover anders heeft geoordeeld. Uit het aanvullende proces-verbaal van [verbalisant 2] had het Hof voorts kunnen opmaken dat de verbalisant opsporingsambtenaar en agent was bij de Politie Haaglanden en daarmee een algemeen opsporingsambtenaar in de zin van art. 141 Sv.

8 Reijntjes in: Melai-Groenhuijsen, aant. 5 op art. 153 (suppl. 126).