Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH5459

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-05-2009
Datum publicatie
08-05-2009
Zaaknummer
08/03090
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH5459
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht; afgewezen verzoek van gewezen curator tot vaststelling van salaris op de voet van art. 71 F. (81 RO).

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 71
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 610
JWB 2009/175
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/03090

mr. L. Timmerman

Parket, 5 maart 2009

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

(hierna: [verzoeker])

Verzoeker tot cassatie

1. Inleiding

Deze zaak heeft samenhang met twee andere zaken met de reknrs. 08/03644 en 08/03632 waarin ik heden concludeer. Ook in die zaken gaat het om het verzoek van [verzoeker] als gewezen curator tot vaststelling van salaris op de voet van art. 71 Fw.

2. Feiten en het verloop van het geding

2.1 Op 24 april 2002 is het faillissement van [betrokkene 1] uitgesproken. De rechtbank heeft [verzoeker] als curator aangesteld. Op 6 april 2006 heeft de rechtbank hem ontslagen en als opvolgend curator [betrokkene 2] aangesteld.

2.2 Op de voet van art. 71 Fw heeft [verzoeker] verzocht om vaststelling van zijn salaris en het bedrag van de faillissementskosten over de periode van 24 april 2002 tot 6 april 2006. [Verzoeker] heeft 381,3 uur opgevoerd hetgeen op basis van de landelijke richtlijnen een salaris oplevert van € 99.954,76.(1) Aan kosten wil [verzoeker] € 3.574,37 in rekening brengen. (2)

2.3 [Betrokkene 2] heeft in zijn brief aan de rechtbank van 11 januari 2007 opgemerkt dat er verschil is tussen de hoeveelheid van de door [verzoeker] gewerkte uren zoals deze zijn weergegeven in de openbare verslagen van [verzoeker] en de uren die hij opvoert ter onderbouwing van zijn salarisvoorstel. Voorts merkt [betrokkene 2] op dat het aantal uren zoals deze blijken uit de openbare verslagen royaal is en hij niet uitsluit dat [verzoeker] zich (te) veel heeft laten meeslepen in familieruzies. [Verzoeker] heeft per brief van 14 maart 2007 aan de rechtbank op de brief van [betrokkene 2] gereageerd. De rechtbank heeft de rechter-commissaris over het verzoek gehoord. In zijn memo van 15 maart 2007 adviseert de rechter-commissaris de rechtbank om het salaris en het bedrag van de kosten vast te stellen op € 30.000, - incl. btw. Het ontbreekt volgens de rechter-commissaris aan een inzichtelijke verslaglegging en tijdsbesteding. Hij merkt daarnaast op dat ondanks zijn aanwijzingen de curator zich sedert 2005 onnodig in familietwisten hebben laten meeslepen. [Verzoeker] heeft zijn standpunten bij brief van 18 april 2007 uiteengezet(3). Vervolgens is [verzoeker] op 25 april 2007 door de rechtbank gehoord. Na een tussenbeschikking van 12 juli 2007(4) heeft [betrokkene 2] per brief aan de rechtbank van 20 september 2007(5) zijn stellingen en bevindingen onderbouwd. Hierop heeft [verzoeker] vervolgens schriftelijk gereageerd d.d. 30 november 2007(6).

2.4 Bij beschikking van 22 april 2008 heeft de rechtbank een korting op het verzochte salaris toegepast. De door de rechter-commissaris voorgestelde korting van ongeveer € 70.000,- ging de rechtbank te ver. Alles wegende achtte de rechtbank een korting van € 13.000,- (incl. btw) redelijk. Daarnaast achtte de rechtbank een tweede korting op het salaris geïndiceerd omdat de verslaglegging en voortgang in een aantal dossiers niet op orde waren. Als gevolg hiervan heeft de rechtbank een nieuwe curator moeten benoemen. Dit heeft extra kosten met zich gebracht. De rechtbank acht het redelijk om het salaris van de curator, naast eerdergenoemde korting, te korten met € 10.000,-- incl. btw. Daarmee werd het salaris van [verzoeker] met in totaal € 23.000.- gekort.

2.5 Bij verzoekschrift heeft [verzoeker] -tijdig(7)- beroep in cassatie ingesteld en met drie cassatiemiddelen de beschikking van de rechtbank bestreden.

3. Bespreking van de cassatiemiddelen

3.1 Na een uitvoerige inleiding (blz. 1 t/m 8) worden 2 cassatiemiddelen opgeworpen tegen de beschikking van de rechtbank van 22 april 2008.

Middel I

3.2 Het eerste middel (blz. 9 e.v.) bestaat uit vier onderdelen. De onderdelen bestrijden met motiveringsklachten het oordeel van de rechtbank dat een korting van € 13.000,- (incl. btw) op het salaris redelijk is.

Onderdeel I

3.3 Het eerste onderdeel klaagt dat in de tussenbeschikking van de rechtbank van 12 juli 2007 het oordeel dat [verzoeker] zijn standpunten nader had dienen te onderbouwen, onbegrijpelijk is. Daardoor is [verzoeker] op het verkeerde been gezet.

3.4 M.i. faalt dit onderdeel omdat de rechtbank [verzoeker] schriftelijk heeft gehoord via brieven van 14 maart en 18 april 2007. Het middel werkt m.i. onvoldoende uit waarom de rechtbank [verzoeker] nogmaals in de gelegenheid had dienen te stellen zijn standpunten toe te lichten. Voor zover de klacht steunt op de veronderstelling dat de rechtbank in haar tussenbeschikking tot uitdrukking heeft gebracht dat de stellingen van [verzoeker] haar meer overtuigden dan die van de rechter-commissaris of van [betrokkene 2], faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. De bedoelde overweging geeft slechts aan dat [verzoeker] gemotiveerd zijn standpunten naar voren heeft gebracht. Voor zover de klacht veronderstelt dat de rechtbank door haar verzoek om nadere toelichting tot uitdrukking heeft gebracht niet overtuigd te zijn van [betrokkene 2]'s en van de rechter-commisaris' oordeel ten aanzien van zowel de noodzaak tot procederen als de wijze waarop [verzoeker] zich al dan niet heeft laten meeslepen door familieruzies, mist het feitelijke grondslag. De rechtbank heeft in haar tussenbeschikking van 12 juli 2007 hieromtrent het volgende overwogen:

"(...) De rechter-commissaris is onder meer van oordeel- op basis van de bevindingen van [betrokkene 2] en op basis van eigen waarneming vanaf 2005- dat [verzoeker] zich onnodig heeft laten meeslepen in de familieruzies die speelde rond de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder van gefailleerde. Daarnaast heeft [betrokkene 2] -blijkens de memo d.d. van 15 maart 2007 van de rechter-commissaris - op 26 februari 2007 mondeling aangegeven dat [verzoeker] een zinloze hoger beroep procedure en hoger beroep in kort geding heeft gestart.

(...)

Gelet hierop heeft de rechtbank behoefte aan een nadere onderbouwing van de stellingen en bevindingen aan de zijde van [betrokkene 2], zoals weergegeven in de tweede alinea van deze beschikking."

Hieruit volgt dat de rechtbank zich klaarblijkelijk na kennisname van de stellingen van [verzoeker] voldoende geïnformeerd heeft geacht over de bevindingen van de rechter-commissaris ten aanzien van zijn oordeel dat [verzoeker] zich onnodig heeft laten meeslepen door familieruzies, terwijl de rechtbank onvoldoende geïnformeerd was over de overtuiging van [betrokkene 2] dat [verzoeker] een zinloze hoger beroep procedure en hoger beroep in kort geding heeft gestart. Hieruit volgt dat het eerste onderdeel niet tot cassatie kan leiden.

Onderdeel II

3.5 Onderdeel II klaagt over het passeren van een aantal essentiële stellingen van [verzoeker] en dat tegen de achtergrond van die stellingen zonder nadere motivering niet begrijpelijk is waarom de rechtbank een korting op het salaris heeft toegepast op de grond dat hij zich te veel door familieruzies zou hebben laten meeslepen.

3.6 Ook dit onderdeel faalt m.i. bij gebrek aan feitelijke grondslag. Ik merk op dat de rechtbank met de overweging die betrekking heeft op de korting van € 13.000,- doelt op een korting op de declaratie voor de tijd die is gemoeid met de afwikkeling van de nalatenschap en dus niet voor de tijd die is gemoeid met overige werkzaamheden waarop [verzoeker] in zijn stellingen heeft gewezen. Dit volgt uit de overweging van de rechtbank dat [verzoeker] zich te veel heeft laten meeslepen in familieruzies zodat een korting op het salaris dient te worden toegepast. De stellingen van [verzoeker] die betrekking hebben op andere werkzaamheden dan de afwikkeling van de nalatenschap zijn niet als essentieel te beschouwen. Voor zover de klachten een beroep doen op deze niet-essentiële stellingen, falen deze daarom. Ten aanzien van de stellingen die betrekking hebben op het voeren van procedures merk ik op dat de rechtbank heeft overwogen dat de korting wegens het onnodig procederen niet gerechtvaardigd is, zodat dit onderdeel, voor zover het beroep doet op deze stelling, feitelijke grondslag mist. Voor zover het onderdeel steunt op stellingen die wel essentieel zijn omdat ze verband houden met de werkzaamheden die in verband met de afwikkeling van de nalatenschap zijn verricht, merk ik op dat het onderdeel miskent dat de rechtbank zijn oordeel heeft gemotiveerd en daarbij ook stellingen van [verzoeker] heeft betrokken. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het vanwege de omvang van de gemaakte uren op de weg van [verzoeker] ligt om nut en noodzaak van de gemaakte 387 uren te onderbouwen en dat het, rekening houdend met de problematiek zoals beschreven in de verslagen van het faillissement, en, na kennisname van de toelichting van [verzoeker] op zijn declaratie, voor de rechtbank niet duidelijk geworden is waarom dit ongebruikelijke hoge aantal uren noodzakelijk was. Hieruit volgt m.i. dat het onderdeel niet kan slagen.

Onderdeel III

3.7 Dit onderdeel faalt m.i. omdat het ten onrechte tot uitgangspunt neemt dat de rechtbank zonder nadere motivering afstand neemt van de door haar als maatstaf genoemde "dubbele redelijkheidstoets". De rechtbank heeft overwogen dat van belang is of de curator met voldoende inzicht en bekwaamheid zijn taak heeft uitgeoefend en dat daarnaast de curator ook doelmatig is opgetreden in die zin dat zijn maatregelen (uiteindelijk) zijn gericht op opbrengst voor de boedel. In de bestreden overweging gaat de rechtbank in op de vraag of de declaratie de dubbele redelijkheidstoets kan doorstaan en onderzoekt zij of de maatregelen die de gedeclareerde uren hebben veroorzaakt redelijk waren in die zin dat deze noodzakelijk waren. Hieruit volgt dat dit onderdeel faalt.

Onderdeel IV

3.8 Het vierde onderdeel klaagt dat de rechtbank ten onrechte door middel van een schatting de hoogte van de korting op het salaris van [verzoeker] heeft vastgesteld en dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de korting op het salaris € 13.000,- diende te bedragen. Volgens dit onderdeel had de rechtbank dienen aan te geven welke werkzaamheden in redelijkheid wel en welke niet voor vergoeding in aanmerking komen. Betoogd wordt dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd voorbij is gegaan aan de tijdrovendheid van het faillissement.

3.9 Ik stel voorop dat voor een beschikking als bedoeld in art. 71 lid 1 Fw in beginsel met een sobere motivering kan worden volstaan. De gedingstukken kunnen evenwel tot een uitvoerige motivering nopen en daarvan is in ieder geval sprake indien de rechtbank afwijkt van het door de curator opgegeven bedrag. In een dergelijk geval dient de beschikking zodanig gemotiveerd te zijn dat deze voldoende inzicht verschaft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang. Hieruit volgt dat het onderdeel faalt voor zover het uitgaat van de onjuiste maatstaf dat de rechtbank gedetailleerd moet aangeven welke werkzaamheden wel of niet voor vergoeding in aanmerking komen. Voor zover dit onderdeel evenwel is uitgegaan van de hiervoor vermelde juiste motiveringsmaatstaf, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. In de met dit onderdeel bestreden beschikking heeft de rechtbank gemotiveerd welke werkzaamheden al dan niet voor vergoeding in aanmerking komen. Zo overweegt de rechtbank dat de door de curator genomen maatregelen die kosten hebben veroorzaakt en de kosten zelf redelijk moeten zijn en dat hierbij van belang is of de curator met voldoende inzicht en bekwaamheid zijn taak heeft uitgeoefend. Daarnaast moet de curator ook doelmatig zijn opgetreden in die zin dat zijn maatregelen (uiteindelijk) zijn gericht op opbrengst voor de boedel. De rechtbank overweegt vervolgens dat de werkzaamheden voornamelijk betrekking hebben gehad op het realiseren van een aanspraak op de onverdeelde nalatenschap van de moeder van gefailleerde. De juistheid van deze overweging is in cassatie niet bestreden. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat het salaris voor de werkzaamheden die verband houden met de proceskosten niet gekort wordt. Vervolgens gaat de rechtbank nog in op de overige werkzaamheden die verband houden met de nalatenschap van de moeder. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat niet duidelijk waarom dit ongebruikelijke hoge aantal uren noodzakelijk waren. Dit rechtvaardigt volgens de rechtbank een korting. Deze overwegingen zijn m.i. niet onbegrijpelijk. Het verschaft voldoende inzicht in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang. De klacht faalt.

Middel 2

3.10 Het tweede middel bestrijdt de overweging van de rechtbank dat een korting op het salaris van [verzoeker] dient te worden toegepast in verband met de kosten die gepaard zijn gegaan met het aanstellen en inwerken van een nieuwe curator in het faillissement. De in dit middel opgeworpen klachten steunen op het betoog dat [verzoeker] in dit faillissement niet is ontslagen omdat hij te weinig verslag zou hebben gedaan of omdat er te weinig voortgang in de zaak zou hebben gezeten en dat dit ook niet door de rechtbank is vastgesteld. De klachten falen bij gebrek aan feitelijke grondslag. De rechtbank heeft immers overwogen:

"[verzoeker] is in het onderhavige faillissement, alsmede in een aantal andere faillissementen, ontslagen omdat de verslaglegging en voortgang in een aantal dossiers niet gewaarborgd was. (...)." .

Voor zover de in het middel onder nr. 43 opgeworpen klacht dat [verzoeker] slechts de kosten voor het aanstellen van een nieuwe curator dient te dragen indien hem aan zijn ontslag schuld treft, niet slechts voortbouwt op het hiervoor vermelde betoog, faalt het ook. Uit de met dit middel bestreden overweging volgt dat de rechtbank [verzoeker] als curator klaarblijkelijk heeft ontslagen omdat hij zijn taken als curator onvoldoende heeft uitgeoefend, hetgeen zich heeft geuit in het feit dat de verslaglegging en voortgang in een aantal dossiers, waaronder die van het onderhavige faillissement, onvoldoende gewaarborgd was. Het middel werkt onvoldoende uit waarom [verzoeker] hieromtrent geen verwijt valt te maken en waarom de extra kosten in het faillissement vanwege het aanstellen van een nieuwe curator niet op zijn salaris in mindering kunnen worden gebracht. Voor zover het middel zich beroept op de uitleg van stellingen van [verzoeker] zoals verwoord in zijn brieven aan de rechtbank, faalt de klacht ook. Over de juistheid van de uitleg van brieven kan in cassatie niet worden geklaagd. De bestreden uitleg kan slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Het middel werkt m.i. onvoldoende uit waarom de bestreden uitleg niet begrijpelijk is. Ook daarom faalt de klacht. Hieruit volgt dat ook het tweede middel faalt.

4. Conclusie

Deze strekt tot verwerping van het cassatieverzoek.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zoals blijkt uit de beschikking van de rechtbank van 22 april 2008 en in cassatie niet is bestreden.

2 Zie de Memo van de rechter-commissaris van 15 maart 2007(procesdossier, gedingstuk 3)

3 Gedingstuk 4, procesdossier

4 Gedingstuk 5, procesdossier

5 Gedingstuk 6, procesdossier

6 Gedingstuk 7, procesdossier

7 Het verzoekschrift is d.d. 21 juli 2008 op de griffie van de Hoge Raad ingekomen. Art. 84 Fw sluit hoger beroep tegen de beschikking uit. De cassatietermijn bedraagt ingevolge art. 426 lid 1 Rv drie maanden.