Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH5281

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
00244/07 H
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH5281
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. Aanvrager is overleden tijdens de herzieningsprocedure; zijn raadsman is benoemd tot bijzonder vertegenwoordiger. HR verwijst naar conclusie AG inhoudend dat de enkele verklaring van de broer van aanvrager dat zij zich heeft uitgegeven voor aanvrager onvoldoende is voor een ernstig vermoeden dat de rechter aanvrager zou hebben vrijgesproken als hij daarvan op de hoogte was geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 426
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00244/07 H

Mr. Fokkens

Zitting 13 januari 2009

Conclusie inzake

[Aanvrager]

1. De aanvrage strekt tot herziening van het onherroepelijk vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam, zitting houdende te Hilversum, waarbij verzoeker op 22 juni 2006 bij verstek wegens - kort gezegd - het besturen van een motorrijtuig tijdens ontzegging, is veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf.

2. Nadat de aanvrage tot herziening op 23 januari 2007 was ingediend, is verzoeker op 27 juni 2007 overleden. Mr. A.J.M. Mohrmann is vervolgens benoemd tot bijzonder vertegenwoordiger als bedoeld in art. 477 Sv.

3. De aanvrage tot herziening berust op de stelling dat er sprake zou zijn van een persoonsverwisseling. Daartoe wordt aangevoerd dat destijds niet verzoeker maar diens broer, [betrokkene 1], door de politie is aangehouden en dat deze zich jegens verbalisanten heeft voorgedaan als verzoeker. Dit was niet bekend ten tijde van de berechting.

4. Ter ondersteuning van de aanvrage tot herziening is een afschrift van een proces-verbaal overgelegd waarin [betrokkene 1] onder meer het volgende verklaart:

'U toont mij een dossier van de politie Gooi en Vechtstreek, nummer 05-002159. Mijn broer [aanvrager] zou toen als bestuurder in een groene Fiat Tempra gereden hebben op 26 augustus 2005 in Huizen. Ik zeg U dat niet mijn broer maar ik de bestuurder was van de groene Fiat. Ik had de auto van mijn broer zonder zijn toestemming meegenomen. Ik was op bezoek geweest bij familie in [plaats]. Ik toonde de politie agenten het rijbewijs van mijn broer [aanvrager] dat in het dashboard-kastje lag. Ik ben namelijk zelf niet in het bezit van een geldig rijbewijs. Ik toonde het rijbewijs van mijn broer in de hoop dat ik dan niet hiervoor bekeurd zou worden. Ik wist niet dat mijn broer toen een ontzegging voor het rijden had. Ik zeg U dit omdat ik spijt heb van het feit dat ik het afgelopen jaar vaker de naam van mijn broer [aanvrager] opgegeven heb en dat ik niet wil dat hij voor mijn zaken de gevangenis indraai.

Ik merk nog op dat ik toen door een oudere en een jongere agent ben aangehouden. De oudere agent had volgens mij grijs haar.

Op uw vraag op wat voor een lokatie ik door die agenten ben gecontroleerd, kan ik zeggen dat het bij een benzinepomp was met daarachter een grote parkeerplaats. De benzinepomp had groen[e] kleuren.'

5. Ten behoeve van de beoordeling van de aanvrage heb ik het College van Procureurs-Generaal verzocht naar een aantal vragen nader onderzoek te doen verrichten. Een afschrift van het naar aanleiding van dit onderzoek opgemaakte proces-verbaal met bijlagen is overeenkomstig het bepaalde in art. 462 lid 2 Sv aan mr. Mohrmann gezonden. Deze heeft de aanvrage schriftelijk nader toegelicht binnen de in art. 462 lid 3 Sv gestelde termijn.

6. Uit het onderzoek van de politie is het volgende gebleken. De zoektocht naar de broer van verzoeker, die gebruik zou hebben gemaakt van de personalia van aanvrager, heeft niet tot resultaat geleid. Het is de politie niet gelukt telefonisch contact te verkrijgen met de broer van aanvrager op het laatst bekende mobiele nummer van de broer. Evenmin heeft de broer gehoor gegeven aan twee schriftelijke uitnodigingen voor een onderhoud op het politiebureau. Ook een onderzoek aan het woonadres van de broer van aanvrager leidde niet tot resultaat.

7. Voorts zijn in het kader van genoemd onderzoek beide verbalisanten gehoord die destijds de bestuurder van het motorrijtuig hebben aangehouden. Een van hen kon zich bij het zien van foto's van aanvrager en diens broer niet herinneren wie van de twee werd aangehouden. De andere verbalisant kon zich met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid herinneren dat de door hen aangehouden persoon aanvrager was. Hij verklaarde aanvrager te herkennen aan zijn gelaatstrekken die afwijken van die van diens broer.

8. Uit de reeds voorhanden stukken blijkt verder het volgende. Op 26 augustus 2005 hebben verbalisanten de bestuurder van de auto van aanvrager aangehouden. De bestuurder legitimeerde zich aan de hand van zijn rijbewijs. Vergelijking van de foto van de broer van aanvrager met de foto van aanvrager op het rijbewijs wijst uit dat de broer geen gelijkenis vertoont met de foto van aanvrager. Het is niet uitgesloten, maar wel niet waarschijnlijk dat de betreffende verbalisant niet zou hebben gezien dat het rijbewijs aan een ander dan de bestuurder was afgegeven, als de broer van aanvrager als bestuurder was opgetreden.

9. Vergelijking van de handtekeningen op de stukken die zich in het dossier bevinden, levert een indicatie op dat er geen sprake is van een persoonsverwisseling. De op het rijbewijs van aanvrager geplaatste handtekening lijkt sterk op de handtekening onder de verklaring die op 26 augustus 2005 is afgelegd bij de politie en sterk op de handtekening die is geplaatst op de akte van uitreiking van de dagvaarding (in persoon) voor de terechtzitting van 22 juni 2006. Verder is de handtekening die aanvragers broer onder zijn verklaring heeft afgelegd zo totaal anders dan die van aanvrager dat het niet waarschijnlijk lijkt dat hij in staat zou zijn de handtekening van aanvrager te imiteren.

10. Op grond van dit alles kom ik tot de slotsom dat de enkele verklaring van de broer van aanvrager dat hij zich op 26 augustus 2005 heeft uitgegeven voor de aanvrager onvoldoende is om het ernstig vermoeden op te leveren dat de rechter aanvrager zou hebben vrijgesproken als hij van die omstandigheid op de hoogte was geweest.

11. Ik concludeer dat de aanvrage tot herziening wordt afgewezen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden