Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH4041

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-05-2009
Datum publicatie
29-05-2009
Zaaknummer
07/11980
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2007:BA3991
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH4041
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vervoerrecht; internationaal goederenvervoer. Aansprakelijkheid van vervoerder voor verlies van lading wegens met aan opzet gelijk te stellen grove schuld in zin van art. 29 CMR; doorbreking aansprakelijkheidsbeperking vervoerder?, maatstaf; “subjectief” besef van gevaar, bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 665
NJ 2009, 245
RAV 2009, 76
S&S 2009, 97
NJB 2009, 1149
JWB 2009/189
Verrijkte uitspraak

Conclusie

07/11980

Mr L. Strikwerda

Zt. 20 febr. 2009

conclusie inzake

1. [Eiseres 1]

2. [Eiseres 2]

tegen

A.I.G. Europe S.A.

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gaat in deze zaak om de vraag of een wegvervoerder aansprakelijk gehouden kan worden voor de schade als gevolg van het verlies van de lading. Op het vervoer is het CMR-Verdrag (Verdrag van 19 mei 1956, Trb. 1957, 84) van toepassing. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de vervoerder de lading op het juiste adres heeft afgeleverd en, zo niet, of de omstandigheden van het geval meebrengen dat de vervoerder een beroep toekomt op ontheffing van aansprakelijkheid op grond van art. 17 lid 2 CMR (overmacht), dan wel juist geacht moet worden onbeperkt aansprakelijk te zijn op grond van art. 29 CMR (opzet of met opzet gelijkgestelde schuld).

2. De feiten waarvan in cassatie dient te worden uitgegaan, treft men aan in r.o. 1 van het tussenvonnis van de rechtbank van 28 juni 2002 (zie r.o. 7 van het arrest van het hof). Zij komen op het volgende neer.

(i) Thans eiseressen tot cassatie, hierna: [eiseres] c.s., zijn op 28 november 1997 een vervoerovereenkomst aangegaan met Oesterreichische Philips Industrie GmbH, hierna: Philips, voor het vervoer over de weg van een zending huishoudelijke elektrische apparaten van Groningen naar Moskou. Op deze overeenkomst is het CMR-Verdrag van toepassing.

(ii) Blijkens de CMR-vrachtbrief geldt als geadresseerde "OOO 'Stroyinvest-K', te Moskou, hierna: Stroyinvest.

(iii) De goederen zijn feitelijk vervoerd door Mitranss.

Voorts dient in cassatie van het volgende feit uitgegaan te worden (zie r.o. 4 van het eindvonnis van de rechtbank en r.o. 8 van het arrest van het hof).

(iv) De goederen zijn op of omstreeks 16 december 1997 door de chauffeur van Mitranss, [betrokkene 1], op aanwijzing van vertegenwoordigers van een bedrijf genaamd [B] afgeleverd bij een pakhuis in het nabij Moskou gelegen dorp Balashikha en daar overgeladen in een Russische vrachtwagen.

3. Als gesubrogeerde verzekeraar heeft thans verweerster in cassatie, hierna: AIG, (tezamen met vier anderen, waaronder Philips, die thans in cassatie niet meer als procespartij zijn betrokken) bij exploot van 11 december 1998 [eiseres] c.s. voor de rechtbank Groningen gedagvaard tot betaling van het gehele schadebedrag, begroot op (omgerekend) Euro 202.819,41, vermeerderd met rente en kosten. AIG heeft daartoe gesteld, kort weergegeven, dat de goederen niet zijn afgeleverd op het juiste adres en bij de juiste geadresseerde, te weten Stroyinvest, zodat [eiseres] c.s. voor het verlies van de goederen aansprakelijk zijn. Bovendien is er grond voor doorbreking van de aansprakelijkheidsbeperking van art. 23 CMR, aangezien de schade een gevolg is van aan [eiseres] c.s. toe te rekenen bewust roekeloos gedrag van de chauffeur, zodat [eiseres] c.s. op grond van art. 29 CMR ten volle aansprakelijk zijn voor de schade.

4. [Eiseres] c.s. hebben verweer gevoerd tegen de vordering. Zij hebben ontkend dat de lading op het verkeerde adres is afgeleverd en, zo al, aangevoerd dat zij ontheven zijn van aansprakelijkheid wegens overmacht in de zin van art. 17 lid 2 CMR. Volgens [eiseres] c.s. is er in ieder geval geen grond voor doorbreking van de aansprakelijkheidsbeperking van art. 23 CMR op de voet van art. 29 CMR.

5. Na een tweetal tussenvonnissen (van 23 november 2001 en van 28 juni 2002) heeft de rechtbank op 17 november 2005 eindvonnis gewezen. Bij dit vonnis heeft de rechtbank over de zojuist bedoelde geschilpunten als volgt beslist.

6. Naar het oordeel van de rechtbank is de lading niet op de juiste plaats en aan de juiste geadresseerde afgeleverd. Daartoe overwoog de rechtbank onder meer (r.o. 4):

"Uitgangspunt is dat de lading volgens de CMR-vrachtbrief afgeleverd diende te worden bij OOO 'Stroyinvest-K'. Naar het oordeel van de rechtbank moet er in casu van worden uitgegaan dat de lading daar niet is afgeleverd, waartoe het volgende wordt overwogen.

In de eerste plaats volgt uit de eigen stellingen van [eiseres] dat de lading niet aan de in de CMR-vrachtbrief vermelde geadresseerde is afgeleverd. Ter gelegenheid van het pleidooi is door [eiseres] c.s. aangevoerd dat de lading is gelost op aanwijzing van vertegenwoordigers van een bedrijf genaamd [B] (hierna te noemen [B]). Dat deze van de CMR afwijkende aflevering tussen partijen is overeengekomen is evenwel door [eiseres] c.s. onvoldoende onderbouwd en bovendien strijdig met het door haar bij conclusie van antwoord ingenomen standpunt dat zij (althans de feitelijk vervoerder Mitranss) de lading in dezelfde goede en complete staat waarin zij deze in Groningen in ontvangst had genomen bij OOO 'Stroyinvest-K' heeft afgeleverd."

7. Met betrekking tot het beroep van [eiseres] c.s. op overmacht in de zin van art. 17 lid 2 CMR heeft de rechtbank geoordeeld dat [eiseres] c.s. niet zodanige feiten of omstandigheden hebben gesteld die - indien bewezen - kunnen leiden tot de conclusie dat van overmacht in bedoelde zin sprake is. Op grond van onder meer een door AIG in het geding gebracht, door [eiseres] c.s. onvoldoende weersproken rapport van RusSurvey (productie 9 in eerste aanleg) neemt de rechtbank als vaststaand aan (r.o. 5):

"dat [betrokkene 1] de douanedocumenten niet aan douanemedewerkers heeft gegeven, maar aan voor hem onbekende personen van wie hij de identiteit niet heeft vastgesteld en gecontroleerd. Bovendien hadden de plaats en wijze waar de lading is afgeleverd - niet bij de douaneterminal, noch het adres van OOO 'Stroyinvest-K' dat op de vrachtbrief is vermeld, maar bij een bij Moskou gelegen dorp, waar de lading is overgeladen in een andere vrachtauto, op initiatief van de personen die hij niet kende - bij [betrokkene 1] zodanige argwaan moeten wekken, dat hij zich van deze wijze van aflevering van de lading, de aard van de lading mede in ogenschouw nemend, had moeten onthouden.

[Betrokkene 1] had de omstandigheden die tot het verlies hebben geleid behoren te vermijden, temeer nu vaststaat dat in de jaren '90 van de vorige eeuw Moskou voor transporten met een lading als de onderhavige een criminaliteitsgevoelige bestemming was en dat [betrokkene 1] - volgens [eiseres] c.s. een ervaren chauffeur bekend in de regio - daarvan op de hoogte moet zijn geweest. Het tegendeel is gesteld noch anderszins gebleken."

8. Ten aanzien van het beroep van AIG op art. 29 CMR heeft de rechtbank vooropgesteld (r.o. 6.1):

"Voor doorbreking van de aansprakelijkheidsbeperking van [eiseres] c.s. ingevolge artikel 29 CMR is slechts plaats bij opzet of bij gedrag dat moet worden aangemerkt als roekeloos en met de wetenschap dat de schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien. Van zodanig gedrag is sprake wanneer degene die zich aldus heeft gedragen - in casu [betrokkene 1] - het aan de gedraging verbonden gevaar kende en zich ervan bewust was dat de kans dat het gevaar zich zou verwezenlijken aanzienlijk groter was dan de kan dat dit niet zou gebeuren, maar zich daardoor niet van dit gedrag heeft laten weerhouden."

Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval sprake. De rechtbank heeft zich daarbij gebaseerd op onder meer het door AIG in het geding gebrachte rapport van RusSurvey en verwezen naar hetgeen zij in r.o. 5 met betrekking tot de verwerping van het beroep op overmacht aan de zijde van [eiseres] c.s. heeft overwogen. Daaraan heeft de rechtbank toegevoegd (r.o. 6.2):

"Van de zijde van [eiseres] c.s. is daartegenover de niet door enig bewijsstuk onderbouwde stelling betrokken dat [betrokkene 1] de bedoelde wetenschap en bewustheid niet heeft gehad en zich heeft gehouden aan de instructies van de CMR-vrachtbrief.

Naar het oordeel van de rechtbank had het wel op de weg gelegen van [eiseres] c.s. om die stelling nader met bewijsstukken te onderbouwen danwel deze stelling op dit punt nader van feiten te voorzien en te adstrueren, daar het vervoer is uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van [eiseres] c.s. door hulppersonen die zij voor de uitvoering van de overeenkomst hebben ingezet. De feitelijke gebeurtenissen in Moskou vallen binnen het domein en de invloedssfeer van [eiseres] c.s. en de door hen ingezette hulppersonen, zodat zij niet konden volstaan met een blote ontkenning van hetgeen door Philips c.s. is aangevoerd.

De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden, [eiseres] c.s. niet hebben voldaan aan de op hen rustende processuele verplichting om hun stelling in dit kader voldoende te onderbouwen en de stellingen van Philips c.s. voldoende gemotiveerd te weerspreken. Daarom gaat de rechtbank uit van de juistheid van de stellingen van Philips c.s. en komst de rechtbank niet toe aan een bewijsopdracht."

9. Bij gevolg heeft de rechtbank de vordering van AIG toegewezen.

10. [Eiseres] c.s. zijn van het tweede tussenvonnis (van 28 juni 2002) en van het eindvonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Leeuwarden. [Eiseres] c.s. voerden grieven aan tegen het oordeel van de rechtbank inzake de aflevering (grief I), het beroep van [eiseres] c.s. op overmacht in de zin van art. 17 lid 2 CMR (grief II) en de doorbreking van de aansprakelijkheidsbeperking op de voet van art. 29 CMR (grief III). Bij akte brachten [eiseres] c.s. in het geding een schriftelijk verslag van een interview dat in 2003 is gehouden door een correspondent van [eiseres] c.s. in Moskou met de chauffeur [betrokkene 1] (productie 2 bij akte d.d. 20 september 2006).

11. [Eiseres] c.s. hadden geen succes. Bij arrest van 25 april 2007 heeft het hof [eiseres] c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep voor zover dit is gericht tegen het tussenvonnis van de rechtbank van 28 juni 2002, nu [eiseres] c.s. daartegen geen grieven hadden gericht, en het eindvonnis bekrachtigd.

12. De door [eiseres] c.s. aangevoerde grief tegen het oordeel van de rechtbank dat het [eiseres] c.s. niet was toegestaan om af te leveren aan de firma [B] in plaats van aan het in de CMR-vrachtbrief als ontvanger vermelde Stroyinvest, verwierp het hof op grond van onder meer de volgende overweging (r.o. 10):

"Niet is komen vast te staan dat OOO 'Stroyinvest-K' als een verlengstuk van [B] moet worden gezien, zoals [eiseres] c.s. blijkens hun stelling bij memorie van grieven ingang willen doen vonden, nog daargelaten wat daaronder rechtens moet worden verstaan en welke consequenties dat zou hebben. Evenmin kan op grond van de stellingen, producties en het interview met [betrokkene 1] worden aangenomen dat [B] in die zin als ontvanger moet worden aangemerkt dat de vervoerde goederen uiteindelijk voor [B] waren bestemd en evenmin dat die goederen ook daadwerkelijk door [B] zijn ontvangen."

13. Met betrekking tot de grief tegen de verwerping door de rechtbank van het beroep door [eiseres] c.s. op overmacht in de zin van art. 17 lid 2 CMR, overwoog het hof:

"13. Het hof leest in de stellingen van [eiseres] c.s. in dit verband geen andere stellingen dan reeds door haar in eerste aanleg naar voren zijn gebracht, behoudens voor zover [eiseres] c.s. ook in het verband van deze grief mede een beroep doen op het hiervoor reeds genoemde verslag van het interview met [betrokkene 1].

14. Het hof kan zich verenigen met de door de rechtbank voor de afwijzing van het beroep op overmacht gegeven motivering en maakt die tot de zijne. Het hof is voorts van oordeel dat met betrekking tot dit beroep op overmacht in het verslag van het interview met [betrokkene 1] geen althans onvoldoende aanknopingspunten naar voren komen voor een ander oordeel. Om deze reden komt het hof ook niet toe aan het aanbod van [eiseres] c.s. om te bewijzen dat de door haar gestelde feiten en omstandigheden een beroep op overmacht rechtvaardigen."

14. De grief tegen het oordeel van de rechtbank inzake de doorbreking van de aansprakelijkheidsbeperking verwierp het hof op grond van de volgende overweging (r.o. 17):

"Ook hier geldt dat ook in hoger beroep [eiseres] c.s. de gemotiveerde stellingen van AIG omtrent de gang van zaken rond het transport en de aflevering, althans het achterwege blijven daarvan, in Moskou onvoldoende gemotiveerd hebben betwist. Het hof verenigt zich ook te dien aanzien met de door de rechtbank gegeven motivering en maakt die tot de zijne. Ook hier geldt dat, voor zover al het verslag van het interview met [betrokkene 1] mede in de beschouwingen zou moeten worden betrokken, dit verslag onvoldoende feiten of omstandigheden bevat die tot een andersluidend oordeel zouden leiden. Het hof is van oordeel dat de verklaring van [betrokkene 1] juist bevestigt dat er sprake was van grove schuld van [eiseres] c.s. Om die reden komt het hof ook in dit verband niet toe aan het door [eiseres] c.s. ter zake gedane bewijsaanbod, waarbij nog komt dat [eiseres] c.s niet hebben gesteld dat [betrokkene 1] meer of anders zou kunnen verklaren dan is neergelegd in het genoemde verslag van het interview met hem."

15. [Eiseres] c.s. zijn tegen het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit vier onderdelen opgebouwd middel, dat door AIG is bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

16. Onderdeel 1 van het middel komt met drie motiveringsklachten op tegen het oordeel van het hof - in r.o. 10 - dat [eiseres] c.s. als vervoerder niet hebben voldaan aan hun uit de vervoerovereenkomst voortvloeiende verplichting tot aflevering aan Stroyinvest als de in de vrachtbrief genoemde geadresseerde.

17. Volgens klacht (a) is dit oordeel van het hof onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, in het licht van enerzijds de door AIG niet weersproken stellingen van [eiseres] c.s. dat (a) de goederen uiteindelijk bestemd waren voor [B], (b) [betrokkene 1] [B] aan de telefoon kreeg toen hij het op de vrachtbrief opgegeven telefoonnummer draaide, en (c) vertegenwoordigers van [B] de documenten van [betrokkene 1] in ontvangst namen, en anderzijds de door het hof niet onjuist bevonden stellingen van [eiseres] c.s. dat (d) [betrokkene 1] zich op aanwijzing van vertegenwoordigers van [B] naar Balashika heeft begeven alwaar de zending daadwerkelijk is gelost, en (e) het transport van de douanepost naar de plaats van lossing voor rekening en risico van de ontvanger zou moeten komen.

18. De klacht moet falen. Nu vaststaat dat de aflevering niet heeft plaatsgevonden aan de in de vrachtbrief genoemde geadresseerde en op het in de vrachtbrief genoemde adres, terwijl uit de gedingstukken niet blijkt (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat door [eiseres] c.s. is gesteld dat de afzender overeenkomstig art. 12 lid 1 CMR [eiseres] c.s. heeft opgedragen de goederen op een andere plaats en/of aan een andere geadresseerde af te leveren dan in de vrachtbrief is aangegeven, is, ongeacht de juistheid van de door de klacht genoemde stellingen van [eiseres] c.s., het oordeel van het hof, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk.

19. Klacht (b) faalt wegens gebrek aan belang. Zoals reeds bij klacht (a) is aangetekend, is, ook indien wordt uitgegaan van de juistheid van de bedoelde stellingen, niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de lading niet op de juiste plaats en aan de juiste geadresseerde is afgeleverd.

20. Klacht (c) keert zich tegen het oordeel van het hof dat niet is komen vast te staan dat Stroyinvest als een verlengstuk van [B] moet worden gezien en dat niet kan worden aangenomen dat de goederen ook daadwerkelijk door [B] zijn ontvangen.

21. De klacht is tevergeefs voorgesteld. Zelfs indien moet worden aangenomen dat [eiseres] c.s. [B] als verlengstuk van Stroyinvest hebben beschouwd en dat in die visie [betrokkene 1] gehouden was de instructies van vertegenwoordigers van [B] op te volgen, is niet onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat niet kan worden aangenomen dat de goederen ook daadwerkelijk door [B] zijn ontvangen. Uit de gedingstukken blijkt immers niet (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat [eiseres] c.s. hebben gesteld dat de handelingen die hebben plaatsgevonden in Balashika ertoe hebben geleid dat [B] de goederen wèl heeft ontvangen.

22. Onderdeel 2 van het middel bestrijdt met drie klachten het oordeel van het hof - in r.o 14 - dat het beroep van [eiseres] c.s. op overmacht in de zin van art. 17 lid 2 CMR verworpen dient te worden.

23. Bij de beoordeling van deze klachten dient vooropgesteld te worden dat de vervoerder zich in geval van verlies van de lading tijdens het vervoer slechts met succes op overmacht in de zin van art. 17 lid 2 CMR kan beroepen "indien hij aantoont dat hij alle in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van een zorgvuldig vervoerder - daaronder begrepen de personen van wier hulp hij bij de uitvoering van de overeenkomst gebruik maakt - te vergen maatregelen heeft genomen om het verlies te voorkomen" (HR 17 april 1998, NJ 1998, 602, cursivering door de Hoge Raad). Deze maatstaf brengt mee dat het antwoord op de vraag welke maatregelen redelijkerwijs van de vervoerder gevergd hadden kunnen worden om het verlies van de lading te voorkomen, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en dat, indien eenmaal is vastgesteld welke maatregelen dat zijn, de vervoerder alleen dan een beroep op de ontheffingsgrond toekomt, indien hij al die maatregelen ook daadwerkelijk heeft genomen.

24. Blijkens r.o. 14 van het bestreden arrest in verbinding met r.o. 5 van het eindvonnis van de rechtbank, heeft het hof bij zijn verwerping van het beroep van [eiseres] c.s. op overmacht in de zin van art. 17 lid 2 CMR onder meer in aanmerking genomen dat [betrokkene 1] de douanedocumenten niet aan douanemedewerkers heeft gegeven, maar aan voor hem onbekende personen van wie hij de identiteit niet heeft vastgesteld en gecontroleerd, en dat [betrokkene 1] de personen niet kende op wier initiatief de lading in Balashika is overgeladen in een andere vrachtauto. Hieruit blijkt dat naar het oordeel van het hof [betrokkene 1] onder de gegeven omstandigheden in ieder geval vooraf de identiteit van de personen op wie hij zich bij de aflevering heeft verlaten, had behoren te controleren als maatregel om het verlies van de lading te voorkomen. Nu - onbestreden in cassatie - vaststaat dat [betrokkene 1] deze maatregel niet heeft genomen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat het beroep van [eiseres] c.s. op overmacht in de zin van art. 17 lid 2 CMR moet worden verworpen.

25. Hierop stuiten alle klachten van onderdeel 2 af. De klachten (a) en (b) kunnen geen doel treffen omdat uit de door [eiseres] c.s. in hoger beroep aangevoerde stellingen en/of uit het overgelegde interview met [betrokkene 1] niet blijkt (het middel voert dat ook niet aan) dat [betrokkene 1] de bedoelde maatregel wèl heeft genomen. Klacht (c) kan geen doel treffen omdat, bij deze stand van zaken, het bewijsaanbod niet ter zake dienend is.

26. Onderdeel 3 van het middel keert zich met zeven klachten tegen het oordeel van het hof - in r.o. 17 - dat de schade is voortgesproten uit opzet of grove schuld in de zin van art. 29 CMR die een doorbreking van de aansprakelijkheidsbeperking op grond van art. 23 CMR rechtvaardigt.

27. Bij de beoordeling van dit onderdeel dient vooropgesteld te worden dat in cassatie - terecht - niet is bestreden het door het hof onderschreven oordeel van de rechtbank (eindvonnis, r.o. 6.1) dat voor doorbreking van de aansprakelijkheidsbeperking van [eiseres] c.s. ingevolge artikel 29 CMR slechts plaats is bij opzet of bij gedrag dat moet worden aangemerkt als roekeloos en met de wetenschap dat de schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien, en dat van zodanig gedrag is sprake wanneer degene die zich aldus heeft gedragen - in casu [betrokkene 1] - het aan de gedraging verbonden gevaar kende en zich ervan bewust was dat de kans dat het gevaar zich zou verwezenlijken aanzienlijk groter was dan de kan dat dit niet zou gebeuren, maar zich daardoor niet van dit gedrag heeft laten weerhouden. Zie HR 5 januari 2001, NJ 2001, 391 en 392, en HR 22 februari 2002, NJ 2002, 388, telkens met noot K.F. Haak, en HR 11 oktober 2002, NJ 2002, 598.

28. Volgens klacht (a) van onderdeel 3 kan het oordeel van het hof geen stand houden in het licht van enerzijds de hier aan te leggen maatstaf van art. 29 CMR en anderzijds het betoog van [eiseres] c.s. dat [betrokkene 1] zich niet ervan bewust was dat de kans op verwezenlijking van gevaar groter was dan de kans dat dit gevaar zich niet zou verwezenlijken. Deze algemene klacht wordt nader uitgewerkt in de klachten (b) t/m (g).

29. Klacht (b) voert aan dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, indien zijn oordeel aldus moet worden begrepen dat het aankomt op een "geobjectiveerd" besef van gevaar bij [betrokkene 1].

30. De klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Uit de bestreden r.o. 17 blijkt dat het hof zich heeft verenigd met de door de rechtbank in r.o. 6.1 van haar eindvonnis gegeven overweging en die tot de zijne heeft gemaakt. Uit die rechtsoverweging blijkt dat de rechtbank duidelijk is uitgegaan van een subjectief criterium bij het besef van gevaar bij [betrokkene 1] ("van zodanig gedrag is sprake wanneer degene die zich aldus heeft gedragen - in casu [betrokkene 1] - het aan de gedraging verbonden gevaar kende en zich ervan bewust was dat de kans dat het gevaar zich zou verwezenlijken aanzienlijk groter was dan de kan dat dit niet zou gebeuren").

31. Klacht (c) voert aan dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, indien zijn oordeel aldus moet worden begrepen dat het aan [eiseres] c.s. is om te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat bij [betrokkene 1] niet een dergelijk "subjectief" besef van gevaar leefde.

32. Ook deze klacht moet stranden op gebrek aan feitelijke grondslag. Uit r.o. 6.1 van eindvonnis van de rechtbank blijkt dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de bewijslast van de bedoelde wetenschap en bewustheid bij [betrokkene 1] op AIG lag. Het hof heeft dit oordeel tot het zijne gemaakt.

33. Klacht (d) bestaat uit twee klachten. In de eerste plaats wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat in dit geval sprake is van opzet of grove schuld in de zin van art. 29 CMR, onbegrijpelijk is, nu het hof niet is ingegaan op door [eiseres] c.s. in dit verband aangevoerde essentiële stellingen aan de hand van het overgelegde interview met [betrokkene 1]. In de tweede plaats wordt geklaagd dat het hof het bewijsaanbod van [eiseres] c.s. niet had mogen passeren.

34. De eerstbedoelde klacht moet falen, omdat daarin niet wordt aangegeven op welke essentiële stellingen van [eiseres] c.s. wordt gedoeld. De klacht voldoet daarom niet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen. De laatstbedoelde klacht, die kennelijk voortbouwt op de eerstbedoelde klacht, zal het lot hiervan moeten delen.

35. Klacht (e) acht het oordeel van het hof dat het verslag van het interview met [betrokkene 1] onvoldoende feiten of omstandigheden bevat die tot een andersluidend oordeel (dan dat van de rechtbank) zouden leiden en dat de verklaring van [betrokkene 1] juist bevestigt dat er sprake was van grove schuld van [eiseres] c.s., onbegrijpelijk in het licht van hetgeen [betrokkene 1] in dat interview heeft opgemerkt over zijn "subjectieve" besef van gevaar op het relevante tijdstip.

36. De klacht is niet aannemelijk. Kennelijk heeft het hof op grond van de, door het interview met [betrokkene 1] niet weerlegde, omstandigheden

- dat niets erop wijst dat de afzender overeenkomstig art. 12 lid 1 CMR opdracht heeft gegeven de goederen op een andere plaats en/of een andere geadresseerde af te leveren dan in de vrachtbrief is aangegeven,

- dat [betrokkene 1] de douanedocumenten niet aan douanemedewerkers heeft gegeven, maar aan voor hem onbekende personen van wie hij de identiteit niet heeft vastgesteld en gecontroleerd,

- dat de lading in Balashika is overgeladen in een andere vrachtauto op initiatief van personen die [betrokkene 1] niet kende,

gevoegd bij de onweersproken omstandigheid

- dat in de jaren '90 van de vorige eeuw Moskou voor transporten met een lading als de onderhavige een criminaliteitsgevoelige bestemming was en dat Visilenko daarvan op de hoogte moet zijn geweest,

geoordeeld dat aangenomen moet worden dat [betrokkene 1] het aan zijn gedrag verbonden gevaar kende en zich ervan bewust was dat de kans dat schade zou optreden aanzienlijk groter was dan dat de schade zou uitblijven. Dit sterk met waarderingen van feitelijke aard verweven oordeel is voorbehouden aan het hof als feitenrechter en is, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat, zoal het hof kennelijk heeft aangenomen, het "subjectieve" besef van gevaar onder omstandigheden uit de gedragingen van de vervoerder (chauffeur) kan worden afgeleid. Vgl. K.F. Haak in zijn noot (sub 4) onder HR 5 januari 2001, NJ 2001, 392. Zie ook M.L. Hendrikse, N.J. Margetson en T.M. Maters, Doorbreking van de bescherming van de CMR-vervoerder (art. 29 CMR), in: M.L. Hendrikse en Ph.H.J.G. van Huizen (red.), CMR: Internationaal vervoer van goederen over de weg, 2005, blz. 189 e.v., blz. 198-200.

37. Klacht (f) bouwt voort op de klachten van onderdeel 2 en zal het lot daarvan moeten delen.

38. Klacht (g) verwijt het hof de verwerping van grief III onvoldoende te hebben gemotiveerd, nu het hof onvoldoende feiten heeft vastgesteld die het oordeel dat [betrokkene 1] het "subjectieve" besef van gevaar heeft gehad, kunnen dragen.

39. Ook deze klacht zal naar mijn oordeel niet tot cassatie kunnen leiden. Het hof heeft zijn oordeel kennelijk gebaseerd op de hierboven onder 36 genoemde omstandigheden. Zoals aangegeven, kunnen deze omstandigheden het oordeel van het hof dat [betrokkene 1] het "subjectieve" besef van gevaar heeft gehad, dragen. Tot een nadere motivering van zijn oordeel was het hof, gelet ook op het feit dat [eiseres] c.s. in hoger beroep, behoudens hun beroep op het verslag van het interview met [betrokkene 1], geen andere stellingen naar voren hebben gebracht dan reeds in eerste aanleg waren aangevoerd, niet gehouden.

40. Onderdeel 4 van het middel mist zelfstandige betekenis.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,