Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH3193

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2009
Datum publicatie
17-04-2009
Zaaknummer
07/10933
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH3193
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Aansprakelijkheid derde uit hoofde van onrechtmatige daad bij wanprestatie van een contractspartij (medewerking aan overdracht van melkquotum aan ander dan verpachter); vervolg op HR 30 september 2005, nr. C04/155, NJ 2005, 513; geding na verwijzing (81 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 558
JWB 2009/145
Verrijkte uitspraak

Conclusie

07/10933

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 13 februari 2009

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

1. [Verweerster 1] en

2. [Verweerster 2]

In deze zaak, een vervolg op HR 30 september 2005, NJ 2005, 513, gaat het om de vraag of twee familieleden van een pachter jegens de verpachter onrechtmatig hebben gehandeld door hun medewerking aan de overdracht van het melkquotum aan een ander dan de verpachter.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Voor een weergave van de feiten en het procesverloop tot aan het genoemde arrest van 30 september 2005 wordt verwezen naar dat arrest. In het kort gaat het om een melkquotum dat thans verweerster in cassatie onder 1 (hierna: de moeder) in 1992 van haar echtgenoot heeft geërfd, maar dat was verbonden aan de door haar zoon van thans eiser tot cassatie, [eiser], gepachte landbouwgrond. Toen de zoon in 1998 het bedrijf beëindigde, heeft de moeder het melkquotum overgedragen aan haar dochter, thans verweerster in cassatie onder 2 (hierna: de dochter).

1.2. [Eiser] heeft van de moeder en de dochter een schadevergoeding gevorderd ter grootte van 50% van de waarde in het economisch verkeer van het melkquotum. Volgens [eiser] hebben de moeder en de dochter door de overdracht onrechtmatig jegens hem gehandeld, omdat zij bewust hebben bewerkstelligd dat het aan hem toekomende deel van het melkquotum buiten zijn bereik werd gebracht. Bij vonnis van 14 november 2002 heeft de rechtbank te Alkmaar de vordering afgewezen. Bij arrest van 26 februari 2004 heeft het gerechtshof te Amsterdam het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering van [eiser] alsnog toegewezen. Op het cassatieberoep van de moeder en de dochter heeft de Hoge Raad op 30 september 2005 het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage.

1.3. Voor zover thans van belang heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

"Zo het hof zou zijn uitgegaan van de opvatting dat de enkele omstandigheid dat een derde die niet partij is bij de pachtovereenkomst, bekend was met een voor de pachter uit art. 25 Pachtwet voortvloeiende verplichting, meebrengt dat eenzelfde verplichting ook op deze derde rust, met als gevolg dat hij, ingeval de pachter deze verplichting niet nakomt, jegens de verpachter onrechtmatig handelt, heeft het hof miskend dat voor een bevestigende beantwoording van de vraag of een derde uit onrechtmatige daad aansprakelijk is ingeval een contractant jegens zijn wederpartij toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van een contractuele verbintenis, de enkele omstandigheid dat het bestaan van die verbintenis bij die derde bekend was, onvoldoende is. Bij de verdere beoordeling dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen (vgl. HR 17 mei 1985, nr. 6663, NJ 1986, 760). Opmerking verdient hierbij nog dat zich hier niet het geval voordoet waarin een derde de wanprestatie van de contractspartij heeft uitgelokt of daarbij op andere wijze actief betrokken was. Er is geen sprake geweest van een overeenkomst tussen de moeder en de zoon, krachtens welke de zoon het later door de moeder aan de dochter geleverde melkquotum aan de moeder heeft overgedragen; het melkquotum is immers door de moeder krachtens erfopvolging verkregen en heeft nimmer aan de zoon toebehoord.

Zo het hof bij zijn oordeel wel van een juiste rechtsopvatting zou zijn uitgegaan, maar andere - bijzondere - omstandigheden in aanmerking zou hebben genomen, heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, nu zulks uit zijn arrest niet blijkt." (rov. 3.3)

1.4. Bij arrest van 14 juni 2007 heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage het afwijzende vonnis van de rechtbank Alkmaar bekrachtigd.

1.5. Namens [eiser] is - tijdig - cassatieberoep ingesteld. De moeder en de dochter hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben vervolgens hun standpunten schriftelijk laten toelichten(1), waarna [eiser] heeft gerepliceerd(2).

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Het cassatiemiddel bestaat uit 6 onderdelen (a tot en met f).

2.2. Onderdeel a bevat zowel een rechtsklacht als een motiveringsklacht. Volgens de rechtsklacht heeft het hof de regel miskend dat de rechter naar wie de zaak door de Hoge Raad wordt verwezen, de zaak verder dient te behandelen en te beslissen met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad (art. 424 Rv) en daarbij dient uit te gaan van de in cassatie niet of tevergeefs bestreden beslissingen van de rechter wiens uitspraak is vernietigd(3). De motiveringsklacht sluit hierop aan. Volgens de klacht is het oordeel van het hof niet inzichtelijk, althans onbegrijpelijk gelet op een aantal overwegingen van het gerechtshof te Amsterdam, welke het gerechtshof te 's-Gravenhage na verwijzing niet dan wel onvoldoende in de beoordeling heeft meegewogen en die wel als vaststaand moeten worden aangemerkt. Het onderdeel wijst in dat verband op de volgende passages:

(i) rov. 4.1:

"(...) Bij Meldingsformulier van [17 april 1998] is door [de moeder] als vervreemder aan de Centrale Organisatie Superheffing het verzoek gedaan om registratie van de overgang van genoemd quotum door de overdracht van het gehele melkveehouderijbedrijf."

(ii) rov. 4.2:

"(...) Volgens rechtspraak van de Pachtkamer van het Gerechtshof te Arnhem pleegt de pachter wanprestatie wanneer een derde, met wie hij in samenwerking het gepachte exploiteert, het met de verpachte grond samenhangend quotum vervreemdt."

(iii) rov. 4.8:

"Na het overlijden van [betrokkene 1] [de vader, noot A-G] heeft [lees: de moeder] in zijn plaats vanaf 1992 tot 1998 de maatschap met [de zoon] voortgezet. Waar het een agrarisch bedrijf betrof, maakte het melkquotum en het gebruik daarvan een wezenlijk onderdeel uit van de bedrijfsvoering. Reeds hierdoor kan als vaststaand worden aangenomen dat zij in 1998 bekend was, althans behoorde te zijn, met de op een pachter jegens de verpachter rustende verplichtingen, zoals hiervoor (...) weergegeven. In ieder geval kan er in de gegeven omstandigheden van worden uitgegaan dat zij er in 1998 van op de hoogte was dat [de zoon] jegens [eiser] was gehouden het ertoe te leiden dat bij het einde van de pacht het met de gepachte grond samenhangende melkquotum werd (terug)geleverd aan [eiser]."

(iv) rov. 4.13 - 4.15:

Volgens het onderdeel heeft het hof in deze rechtsoverwegingen onder meer vastgesteld dat vrijwel het volledige op 8 december 2000 aanwezige melkquotum kan worden toegerekend aan de 20 hectare grasland van [eiser], zodat zijn schade bedraagt de helft van Hfl. 974.244,58 (€ 442.092,92).

2.3. Het middelonderdeel faalt reeds omdat het op geen enkele wijze aanduidt waarom het oordeel van het hof rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk zou zijn in het licht van de hiervoor weergegeven passages. Het middelonderdeel voldoet niet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv aan een cassatiemiddel te stellen eisen. Het legt geen relatie tussen de in de aangehaalde passages genoemde feiten en omstandigheden en het antwoord van het hof op de vraag of de moeder en de dochter onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser].

2.4. Ten overvloede valt op te merken dat de vaststelling door het hof te Amsterdam, in rov. 4.2, dat volgens rechtspraak van de Pachtkamer van het hof te Arnhem de pachter wanprestatie pleegt jegens de verpachter wanneer een derde, met wie hij in samenwerking het gepachte exploiteert, het met de verpachte grond samenhangende quotum vervreemdt, niet, althans niet zonder meer, antwoord geeft op de - in dit geding aan de orde zijnde - vraag of een derde door de overdracht onrechtmatig handelt tegenover de verpachter.

2.5. In onderdeel b wordt geklaagd dat het hof uitsluitend acht slaat op de stellingen die [eiser] in de memorie na verwijzing heeft ingenomen en op de omstandigheid dat de moeder wist van de verplichtingen van de zoon als pachter ten opzichte van [eiser]. Volgens de klacht heeft het hof ten onrechte geen acht geslagen op de overige door [eiser] (in eerste aanleg en in hoger beroep) ingenomen stellingen. Subsidiair wordt geklaagd dat het oordeel, gelet op deze eerdere stellingen, niet inzichtelijk althans niet begrijpelijk is(4).

2.6. Gelet op de inhoud van de memorie na verwijzing is niet onjuist noch onbegrijpelijk dat het hof uitsluitend acht heeft geslagen op de daarin door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden. In de memorie na verwijzing staat in par. 6 de standaardfrase dat de inhoud van de eerdere processtukken "als hier herhaald en ingelast" moet worden beschouwd. In par. 11 staat - kennelijk in reactie op het debat en op de beslissing naar aanleiding van het eerste cassatieberoep - dat zich in deze zaak bijzondere omstandigheden voordoen. Die bijzondere omstandigheden worden opgesomd in het vervolg van de memorie na verwijzing, beginnend in par. 12 met het woord "Zo". In par. 17 gaat [eiser] nader in op een aantal omstandigheden die meer in het bijzonder voor de dochter gelden. Uit een en ander heeft het hof kennelijk afgeleid, en mogen begrijpen, dat volgens [eiser] in dit stadium slechts (nog) de in de memorie na verwijzing aangevoerde stellingen, over die bijzondere omstandigheden, van belang waren voor de beantwoording van de vraag of de moeder en de dochter onrechtmatig hebben gehandeld. Het hof is op al de aangevoerde bijzondere omstandigheden ingegaan. Het onderdeel faalt.

2.7. Onderdeel c klaagt dat het hof in rov. 4, waar het overweegt dat [eiser] - naast het feit van de bekendheid van de moeder met de verplichtingen van de zoon ten opzichte van [eiser] - in de memorie na verwijzing een beroep heeft gedaan op een viertal omstandigheden, een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de gedingstukken. Het onderdeel verwijst in dit verband naar par. 16 van de memorie na verwijzing, waarin staat:

"Kort en goed: al uit het voorgaande blijkt dat sprake is van verschillende bijzondere omstandigheden, welke maken dat de handelwijze van [de moeder] jegens [eiser] wel degelijk, en zonder meer, als onrechtmatig dient te worden aangemerkt. Onderstaand zal [eiser] onder "feiten" deze "bijzondere omstandigheden" nader invullen aan de hand van hetgeen tussen partijen daadwerkelijk is gepasseerd."

2.8. Ook dit middelonderdeel voldoet niet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv aan een cassatiemiddel te stellen eisen, nu niet wordt aangegeven waarom het oordeel van het hof onbegrijpelijk is in het licht van dit gedeelte van de memorie na verwijzing(5).

2.9. De stellingen in par. 17 e.v. (in het bijzonder par. 20 - 26) van de memorie na verwijzing kwamen hierop neer dat aan de zijde van de moeder en de dochter sprake was van kwade trouw dan wel een vooropgezette bedoeling om door middel van de gekozen constructie de melkproductierechten buiten het bereik van [eiser] te houden. In rov. 3.3 van het arrest van 30 september 2005 heeft de Hoge Raad overwogen dat zich in de onderhavige zaak niet het geval voordoet waarin een derde de wanprestatie van de contractspartij heeft uitgelokt of daarbij op andere wijze actief betrokken was. In de procedure na verwijzing heeft deze vaststelling tot uitgangspunt gediend.

2.10. Onderdeel d vangt aan met een uiteenzetting van de ratio van de invoering van het melkquotum, de regelgeving daaromtrent, de verplichtingen van een producent en de (inmiddels vervallen) Pachtwet (par. 16 - 36 van de cassatiedagvaarding). Vanaf par. 37 worden enkele klachten gericht tegen het bestreden arrest.

2.11. In par. 39 wordt erover geklaagd dat het hof het arrest van 30 september 2005 (aangehaald in alinea 1.3 hiervoor) heeft miskend, althans dat zijn oordeel niet inzichtelijk dan wel onbegrijpelijk is, gelet op bepaalde, in het middel essentieel geachte stellingen van [eiser]. Subsidiair wordt geklaagd dat het hof die stellingen ten onrechte niet in zijn beoordeling heeft betrokken. Het onderdeel noemt de volgende stellingen(6):

(i) de moeder was bekend met de rechten van [eiser] ten aanzien van het melkquotum;

(ii) het stelsel van de Pachtwet wordt ondermijnd;

(iii) de moeder heeft geprofiteerd van de wanprestatie van de zoon;

(iv) bij de moeder is sprake van kwade trouw in de zin van uitlokking van wanprestatie;

(v) aan [eiser] is geen kennisgeving gedaan van het einde van de maatschap tussen de moeder en de zoon; ook is hij niet op de hoogte gebracht van de overdracht aan de dochter van de melkproductierechten; en

(vi) de moeder heeft geweigerd aan [eiser] de verblijfplaats van haar zoon bekend te maken.

2.12. De algemene rechtsklacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft de door de Hoge Raad onder woorden gebrachte regel overgenomen in rov. 4 en is daarvan uitgegaan. De motiveringsklacht is ongegrond, omdat het hof de stellingen waarnaar de klacht verwijst, onder ogen heeft gezien en in zijn oordeel heeft betrokken.

2.13. In par. 42 wordt - kennelijk: subsidiair - erover geklaagd dat het hof de door [eiser] aangevoerde omstandigheden ten onrechte afzonderlijk en niet (ook) in hun onderlinge samenhang heeft beoordeeld. In zijn algemeenheid is het uitgangspunt van de klacht juist: aan het geheel van omstandigheden kan een grotere waarde toekomen dan aan de som der delen. De klacht faalt echter, omdat het hier voor de hand ligt dat het hof de aangevoerde omstandigheden ook in hun onderlinge samenhang heeft beschouwd en in het arrest geen enkele aanwijzing is te vinden dat het hof dit niet zou hebben gedaan. Om de beslissing begrijpelijk te doen zijn was niet noodzakelijk dat het hof een slotzin toevoegde, bijvoorbeeld dat beschouwing van de door het hof besproken feiten en omstandigheden in hun onderlinge samenhang niet tot een andere uitkomst leidt. Ook de motiveringsklachten aan het slot van par. 42 falen; zij behoeven geen nadere bespreking.

2.14. In par. 43 worden verschillende klachten aangevoerd. De eerste klacht (par. 43 onder 1) komt erop neer dat het hof de omstandigheid dat de moeder en de dochter bekend waren met de rechten van [eiser] met betrekking tot het melkquotum ten onrechte afzonderlijk heeft beschouwd. Volgens de klacht had het hof moeten nagaan of deze omstandigheid in samenhang met de overige omstandigheden voldoende is voor het aannemen van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Deze klacht faalt om dezelfde reden als de klacht van par. 42.

2.15. De tweede klacht (par. 43 onder 2) is gericht tegen de verwerping van het argument van [eiser], dat aanvaarding van de handelwijze van de moeder zou betekenen dat het stelsel van art. 25 Pachtwet (oud)(7) en de daarop gebaseerde jurisprudentie van de Pachtkamer van het hof te Arnhem ondermijnd worden. Volgens de klacht heeft het hof ten onrechte, althans op onbegrijpelijke gronden, buiten beschouwing gelaten dat de zoon ten opzichte van de vader, die (mede-) pachter was, dan wel ten opzichte van de moeder als erfgenaam had kunnen bewerkstelligen dat een deel van het melkquotum aan [eiser] werd geleverd, zodat de zoon bij het einde van de pachtovereenkomst zijn verplichting jegens [eiser] had kunnen nakomen.

2.16. In rov. 5 heeft het hof in aanmerking genomen dat de verplichtingen uit hoofde van art. 25 (oud) Pachtwet op de zoon als voormalig pachter rustten en niet op de moeder, die zelf geen pachter was. Het hof overweegt dat uit het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2005 volgt dat de enkele omstandigheid dat de zoon zijn verplichtingen uit art. 25 Pachtwet (oud) niet nakomt en dat de moeder dat wist, niet voldoende is om daarop het oordeel te baseren dat de moeder onrechtmatig handelt jegens de verpachter. De klacht miskent dat in deze zaak uitsluitend ter beoordeling staat of de moeder c.s. onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser].

2.17. De derde klacht (par. 43 onder 3) is gericht tegen de verwerping van het argument dat de moeder financieel heeft geprofiteerd van de wanprestatie van de zoon. Het hof heeft in dat verband overwogen dat de feiten geen andere conclusie toelaten dan dat de moeder niet heeft geprofiteerd van de wanprestatie van de zoon, maar slechts heeft beschikt over de haar op grond van het erfrecht toekomende rechten, die nimmer aan de zoon hebben toebehoord. Volgens de klacht komt dit oordeel erop neer dat, "omdat [lees: de moeder] het melkquotum rechtsgeldig verkregen heeft, zij hierom niet een onrechtmatige daad kan begaan ten opzichte van [eiser]". Het middelonderdeel klaagt dat dit rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is. Het betoogt dat alle omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen. In dit verband wordt aangevoerd dat sprake is van botsende rechten op levering van het melkquotum, en dat het zonder vergoeding verkrijgen van het melkquotum, voor zover dat aan de verpachter toekomt, een aanzienlijke verrijking oplevert ten laste van de verpachter.

2.18. Het hof heeft niet beslist dat de rechtsgeldige verkrijging door de moeder van de melkproductierechten op zich meebrengt dat zij niet onrechtmatig zou kunnen hebben gehandeld jegens [eiser]. Het hof is in rov. 6 slechts ingegaan op de vraag of de moeder in financieel opzicht heeft geprofiteerd van de wanprestatie van de zoon. De klacht gaat eraan voorbij dat het feit dat [eiser] als verpachter is verarmd doordat het melkquotum niet aan hem is overgedragen, niet automatisch betekent dat de moeder daardoor is verrijkt. Volgens het hof laten de feiten geen andere conclusie toe dan dat de moeder in financieel opzicht niet heeft geprofiteerd van de wanprestatie van de zoon. Dit oordeel is feitelijk van aard. Het is niet onbegrijpelijk, mede omdat het hof verderop (in rov. 8) overweegt dat de moeder het melkquotum om niet aan de dochter heeft overgedragen.

2.19. De vierde klacht (par. 43 onder 4) is gericht tegen rov. 7. Hierin verwerpt het hof het argument dat de moeder te kwader trouw was, in die zin dat zij de wanprestatie van de zoon heeft uitgelokt. In dat kader verwijst het hof naar rov. 3.3 van het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2005. Volgens onderdeel (i) getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is het onbegrijpelijk. Het onderdeel betoogt dat, ook al staat vast dat de moeder niet de wanprestatie van de zoon heeft uitgelokt, het hof buiten beschouwing heeft gelaten dat zich wel de omgekeerde situatie kan voordoen, te weten dat de uitlokking hierin bestond dat de moeder het melkquotum niet aan de zoon leverde, hoewel hij daar recht op had, en het door levering aan de dochter onmogelijk maakte dat het melkquotum aan de zoon werd geleverd, die het op zijn beurt zou kunnen doorleveren aan [eiser].

2.20. Deze klacht faalt reeds omdat een stelling van die strekking in de feitelijke instanties niet is aangevoerd; in elk geval verwijst het middel niet naar een vindplaats in de gedingstukken.

2.21. Ook overigens gaat de klacht niet op. Zoals gezegd, heeft de Hoge Raad in het arrest van 30 september 2005 overwogen dat zich in de onderhavige zaak niet het geval voordoet waarin een derde (de moeder) de wanprestatie van de contractspartij (de zoon) heeft uitgelokt of daarin op andere wijze actief betrokken was. De stelling dat de moeder door middel van levering aan de dochter de mogelijkheid frustreert dat het melkquotum in de toekomst door de schuldenaar (de zoon) aan [eiser] kan worden geleverd, tracht de opvatting ingang te doen vinden dat toch sprake is van actieve betrokkenheid.

2.22. In rov. 7 heeft het hof verder overwogen dat een sterke aanwijzing dat de moeder niet te kwader trouw was, bovendien volgt uit het feit dat de moeder [eiser] heeft verzocht om als medepachter te mogen optreden. Volgens de klacht onder (ii) is dit niet dragend voor de beslissing van het hof. Hetzelfde geldt voor de overweging dat "daarbij komt" dat [eiser] zijn beroep op uitlokking en kwade trouw in het geheel niet met ter zake doende feiten heeft onderbouwd. Om deze reden faalt de klacht onder (iii), dat 's hofs oordeel op dit punt onbegrijpelijk gemotiveerd is, bij gebrek aan belang.

2.23. In par. 44 wordt erover geklaagd dat het hof een aantal aangevoerde omstandigheden ten onrechte niet in de beoordeling heeft betrokken. Verwezen wordt naar het volgende(8):

(i) het melkquotum vertegenwoordigde een grote waarde;

(ii) tussen de betrokkenen bestonden zeer nauwe familiebanden;

(iii) de maatschap die tussen de moeder en de zoon bestond, heeft het melkquotum tot april 1998 steeds gebruikt voor het bedrijf dat op de gepachte grond werd uitgeoefend;

(iv) bij de moeder en de dochter was sprake van kwade trouw dan wel `vooropzet';

(v) van het samenstel van (rechts)handelingen, te weten dat de zoon in 1998 gedurende het voortduren van de pacht toestaat dat alles aan de moeder verblijft, die op haar beurt alles, inclusief het melkquotum op het grasland van [eiser], overdraagt aan de dochter, is aan [eiser] geen mededeling gedaan;

(vi) de moeder c.s. heeft aan de Centrale Organisatie Superheffing (hierna: COS) een onjuiste opgave gedaan bij de overdracht van de 1.5 hectare grond met opstallen;

(vii) door schenking van het volledige melkquotum is de dochter aanzienlijk verrijkt; en

(viii) de dochter heeft de exploitatie van de gronden van [eiser] na het vertrek van de zoon naar het buitenland buiten medeweten van [eiser] voortgezet zonder enige titel.

2.24. Blijkens de inhoud van de memorie na verwijzing, is een aantal van deze omstandigheden uitsluitend aangevoerd ter adstructie van de stelling van [eiser] dat aan de zijde van de moeder en de dochter sprake is van kwade trouw. Aangezien de Hoge Raad in het arrest van 30 september 2005 heeft vastgesteld dat daarvan in de onderhavige zaak geen sprake is, behoefde het hof na verwijzing niet op deze omstandigheden in te gaan voor zover zij in dat verband zijn aangevoerd. Daarom wordt hier volstaan met een korte bespreking.

2.25. De klacht dat het hof omstandigheid (i) niet in zijn beoordeling heeft betrokken, mist feitelijke grondslag. [Eiser] heeft deze omstandigheid aangevoerd ter onderbouwing van zijn stelling dat de moeder heeft geprofiteerd van de wanprestatie van de zoon. Het hof heeft in rov. 6 geoordeeld dat het beroep op deze omstandigheid faalt. Overigens zegt het (veronderstelde) feit dat het melkquotum een grote waarde vertegenwoordigt, op zich niets over de vraag of de moeder en de dochter onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld.

De klacht dat het hof omstandigheid (ii) niet in zijn beoordeling heeft betrokken, is onjuist. De omstandigheid is aangevoerd in het kader van de stelling dat de moeder wist van de benadeling van [eiser]. Het hof heeft in rov. 3 tot uitgangspunt genomen dat de moeder in 1998 bekend was, althans behoorde te zijn, met de op de zoon als pachter rustende verplichting om aan het einde van de pacht het met het gepachte land samenhangende melkquotum aan [eiser] als verpachter te leveren.

Zonder toelichting, die ontbreekt, is niet duidelijk hoe omstandigheid (iii) het standpunt zou kunnen ondersteunen dat de dochter onrechtmatig heeft gehandeld.

Blijkens de verwijzing in de voetnoten in het middel zijn de omstandigheden (iv), (v) en (vii) uitsluitend aangevoerd ter onderbouwing van de stelling dat aan de zijde van de moeder c.s. sprake is van kwade trouw. Zoals hiervoor uiteengezet, behoefde het hof deze omstandigheden niet in zijn oordeel te betrekken.

In het middel wordt niet aangegeven waar in de gedingstukken in de feitelijke instanties omstandigheid (vi) zou zijn aangevoerd.

De klacht dat het hof omstandigheid (viii) niet in de beoordeling heeft betrokken, mist feitelijke grondslag. Blijkens de verwijzing in de voetnoot is deze omstandigheid aangevoerd in grief V en de - summiere - toelichting daarop. Het hof heeft grief V verworpen in rov. 8 en 9. De slotsom is dat geen van de in par. 44 aangevoerde klachten tot cassatie leidt.

2.26. Onderdeel e klaagt dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan het door [eiser] gedane bewijsaanbod, althans een ontoelaatbare prognose heeft gemaakt van de uitkomst van de bewijslevering. In par. 28 van de memorie na verwijzing heeft [eiser] bewijs aangeboden van de stellingen:

(a) dat de moeder bekend was met de verplichtingen van de pachter bij het einde van de pacht uit hoofde van art. 25 Pachtwet (oud) en de jurisprudentie daaromtrent;

(b) dat de moeder en de dochter financieel zijn bevoordeeld bij de overdracht; en

(c) dat de moeder te kwader trouw was bij de overdracht.

Verder heeft [eiser] bewijs aangeboden van de "sub 20 t/m sub 26 vermelde feiten en omstandigheden".

2.27. Van de onder (a) genoemde stelling behoefde het bewijs niet meer te worden geleverd, nu het hof in rov. 3 tot uitgangspunt heeft genomen dat de moeder in 1998 bekend was, althans bekend behoorde te zijn, met de op de zoon rustende verplichting om aan het einde van de pacht het met het gepachte land samenhangende melkquotum aan [eiser] te leveren.

Van de onder (b) genoemde stelling behoefde geen bewijs te worden geleverd, nu het hof in rov. 8 heeft vastgesteld dat de moeder de melkproductierechten om niet heeft overgedragen aan de dochter. Ook van de stelling dat de dochter financieel is bevoordeeld, behoefde geen bewijs meer te worden geleverd: het hof is in rov. 8 immers ervan uitgegaan dat de dochter de melkproductierechten om niet heeft gekregen. Het hof oordeelde echter dat dit niet meebrengt dat zij onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld.

Gelet op de vaststelling in het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2005 dat zich in de onderhavige zaak niet het geval voordoet waarin een derde de wanprestatie van de contractspartij heeft uitgelokt of daarbij op andere wijze actief was betrokken, kon het hof het aanbod om bewijs te leveren van de stelling dat de moeder te kwader trouw was, passeren als niet meer terzake dienend.

Met betrekking tot de - nogal ruime - verwijzing naar de "sub 20 t/m sub 26 vermelde feiten en omstandigheden" merk ik op dat het middel op geen enkele wijze aangeeft waarom de aldaar genoemde feiten en omstandigheden, na bewezenverklaring zouden kunnen bijdragen tot het oordeel dat de moeder en/of de dochter onrechtmatig heeft (hebben) gehandeld. In zoverre voldoet het middel niet aan de daaraan te stellen eisen.

2.28. Onderdeel f is gericht tegen de ongegrondverklaring door het hof in rov. 10 van de door [eiser] opgeworpen grief IV. In deze grief kwam [eiser] op tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat de moeder en de dochter een onjuiste voorstelling van zaken hebben gegeven jegens het COS en tegen het oordeel dat [eiser] zijn belang bij de vordering tot afgifte van de beschikking van het COS niet nader heeft onderbouwd. Het hof heeft deze grief zo uitgelegd dat de moeder volgens [eiser] meer melkproductierechten aan de dochter heeft overgedragen dan de overdracht van 1.63.15 hectare grond toeliet en dat aan het COS een onjuiste voorstelling van zaken moet zijn gegeven. Het hof heeft, zoals gezegd, tot uitgangspunt genomen dat de moeder de melkproductierechten heeft verkregen krachtens erfopvolging en niet als gevolg van wanprestatie van de zoon. Tegen deze achtergrond valt volgens het hof niet in te zien waarom de gestelde omstandigheid dat de moeder door het geven van een onjuiste voorstelling van zaken meer rechten aan de dochter zou hebben overgedragen dan strikt genomen mogelijk was, onrechtmatig handelde jegens [eiser]. Volgens het hof zou dit voor de positie van [eiser] geen verschil hebben gemaakt: ook dan zou hij geen aanspraken jegens de moeder of op de melkproductierechten hebben.

2.29. Het onderdeel klaagt in par. 51 dat dit oordeel onjuist is, althans onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk, gelet op de door [eiser] aangevoerde stellingen(9). Onder verwijzing naar art. 23, leden 4 en 5, Beschikking Superheffing 1988 en art. 19 Regeling Superheffing 1993 stelt [eiser] dat de zoon, aanvankelijk ten opzichte van de vader en later ten opzichte van de moeder als erfgenaam, op grond van zijn toetreding tot de pachtovereenkomst in 1989 aanspraak kon maken op een deel van het melkquotum en dat [eiser], indien hij van de werkelijke toestand op de hoogte zou zijn geweest, de zoon had kunnen dwingen van zijn bevoegdheid gebruik te maken. Op die wijze had [eiser] kunnen bewerkstelligen dat de helft van het melkquotum aan hem geleverd werd bij het einde van de pachtovereenkomst (par. 52 - 57).

2.30. De aangevoerde omstandigheid speelt primair een rol in de rechtsbetrekking tussen de zoon en de vader (als medepachters), respectievelijk de zoon en de moeder. Subsidiair speelt de aangevoerde omstandigheid een rol in de rechtsbetrekking tussen de zoon als pachter en [eiser] als verpachter. De omstandigheid is niet beslissend voor het antwoord op de vraag of de moeder en de dochter onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser].

2.31. De stelling dat [eiser] door de overdracht van de melkproductierechten aan de dochter niet meer in de positie kon komen dat hij zou kunnen bewerkstelligen dat de helft van het melkquotum aan hem geleverd wordt bij het einde van de pachtovereenkomst (par. 58), is in de feitelijke instanties niet aangevoerd.

2.32. Het onderdeel wijst er tot slot op dat, indien de moeder en de dochter het COS de juiste informatie zouden hebben verschaft met betrekking tot het melkquotum, zij in de overdracht zoals die heeft plaatsgevonden, niet zouden zijn geslaagd (par. 58). Wat er ook zij van deze stelling, zij kan [eiser] niet baten. Het hof heeft immers overwogen dat, ook indien de moeder de melkproductierechten niet aan de dochter zou hebben overgedragen, dit voor de positie van [eiser] geen verschil zou hebben gemaakt omdat hij ook dan geen aanspraken jegens de moeder of op de productierechten zou hebben gehad (rov. 10). Dit oordeel is als zodanig in cassatie niet bestreden. Ook onderdeel f leidt niet tot cassatie.

2.33. Het cassatiemiddel noopt m.i. niet tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 In de namens [eiser] ingediende schriftelijke toelichting wordt slechts verwezen naar de toelichting op de klachten in de cassatiedagvaarding.

2 In de namens hem ingediende s.t. heeft [eiser] zich het recht voorbehouden om de toelichting aan te vullen bij conclusie van repliek. Aangezien een conclusie van re- respectievelijk dupliek in cassatie uitsluitend is bedoeld om een reactie te geven op de door de wederpartij ingediende s.t., zal ik met de nagekomen toelichting, voor zover die niet inhoudt een reactie op de namens de moeder en de dochter ingediende s.t., geen rekening houden. Het beginsel van hoor en wederhoor verzet zich daartegen: de moeder en de dochter zijn immers niet in de gelegenheid geweest daarop te reageren.

3 Het onderdeel verwijst naar HR 18 november 2005, NJ 2006, 640.

4 Het onderdeel verwijst naar par. 6 van de namens [eiser] ingediende memorie na verwijzing. Hierin staat dat de inhoud van de eerdere gedingstukken, waaronder de memorie van grieven en de verschillende pleitnota's, als in de memorie na verwijzing herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. Het onderdeel verwijst naar de stellingen van [eiser] in de inl. dagvaarding (par. 4 - 7), de CvR (par. 2, blz. 2, 3, tweede deel en 4), de pleitnota in eerste aanleg (blz. 3 onderaan - blz. 5 midden), de MvG (blz. 2 - par. 15 op blz. 10), de pleitnota in hoger beroep (blz. 2 - 9) en de memorie naar verwijzing (par. 7 - 17 en 20 - 27).

5 Dat is ook het verweer van de moeder en de dochter in cassatie; zie hun s.t. blz. 8.

6 Het onderdeel verwijst naar de MnV (par. 6), de inl. dagvaarding (par. 4 -7) de CvR (par. 2, blz. 2, 3 (tweede deel) en 4), de pleitnota in eerste aanleg (blz. 3 slot - blz. 5 midden), de MvG (blz. 2 - par. 15), de pleitnota in hoger beroep (blz. 2 - 9) en de MnV (par. 7 - 17 en 20 - 27).

7 De Pachtwet is per 1 september 2007 vervallen. De verplichting van de pachter om het gepachte bij het einde van de pachtovereenkomst aan de verpachter op te leveren is thans neergelegd in art. 7:358 lid 1 BW, in iets andere bewoordingen dan art. 25 Pachtwet (oud).

8 De klacht verwijst naar de MnV (par. 14, 21, 23 - 25), rov. 4.8 van het arrest van het hof te Amsterdam en grief V en par. 15 van de MvG.

9 Het onderdeel verwijst naar de MnaV (par. 6, 7 - 17 en 20 - 27), de inl. dagvaarding (par. 4 - 7), de CvR (par. 2, blz 2, 3, tweede deel, en 4), de pleitnota in eerste aanleg (blz. 3 onderaan tot en met blz. 5, midden), de MvG (blz. 2 tot en met par. 15) en de pleitnota in hoger beroep (blz. 2 - 9).