Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH2954

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-05-2009
Datum publicatie
29-05-2009
Zaaknummer
07/10762
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH2954
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Huurrecht. Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming van standplaats in woonwagencentrum wegens aanwezigheid hennepkwekerij op het verhuurde; gevolgen ontbreken van wetenschap bij huurder (81 RO). Samenhang met nr. 07/10746.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 670
JWB 2009/191
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 07/10762

Mr. Huydecoper

Zitting van 13 februari 2009

Conclusie inzake

1) [Eiser 1]

en

2) [Eiseres 2]

eisers tot cassatie

tegen

de Stichting de Alliantie

verweerster in cassatie

Feiten(1) en procesverloop

1. Het gaat in cassatie om het volgende:

a) [A] is een woonwagencentrum in [plaats]. Een rechtsvoorgangster van de verweerster in cassatie, de Alliantie, heeft aan eiser tot cassatie sub 1, [eiser 1], een standplaats in dit centrum verhuurd met een voorzieningengebouw waarin zich een berging, een meterkast en een badkamer bevinden. De eiseres tot cassatie sub 2 is de echtgenote van [eiser 1], en krachtens (thans) art. 7:266 BW medehuurster. Op de standplaats hebben [eiser] c.s. op eigen kosten een (niet-mobiele) woonruimte gerealiseerd. Zij hebben daar ook een betonnen schuurtje geplaatst/laten plaatsen.

b) [Betrokkene 4], de (schoon)moeder van [eiser] c.s., en [betrokkene 3], de zoon van [eiser] c.s., huurden op [A] gelegen standplaatsen van de Alliantie. De feitelijke situatie op de door dezen gehuurde standplaatsen is vergelijkbaar met die van [eiser] c.s.

De huurovereenkomst van [eiser] c.s. en de daarbij behorende Algemene Bepalingen bevatten clausules die, enigszins nader uitgewerkt, de verplichting van de huurder(s) benadrukken om het gehuurde conform de contractuele bestemming te gebruiken en om dat te doen als een goed huurder (men doelt klaarblijkelijk op de verplichtingen die de wet in de art. 7:213 en 214 BW aangeeft).

c) Naar aanleiding van een doorzoeking door de politie in een ander woonwagencentrum, heeft de door de Alliantie aangestelde beheerder van [A] in maart 2004 alle bewoners bij brief gewaarschuwd voor de risico's die zij lopen wanneer zij hennep telen.

d) In december 2004 heeft de politie doorzoekingen gedaan op [A]. Daarbij zijn op elf van de vijftien standplaatsen hennepplantages - 1681 hennepplanten in totaal - aangetroffen. In het schuurtje van [eiser] c.s. zijn 276 hennepplanten aangetroffen, in dat van hun zoon 208 en in dat van hun (schoon)moeder 230. In alle drie van deze gevallen waren de nodige voorzieningen getroffen om hennepteelt mogelijk te maken, en werd de benodigde elektrische stroom verkregen door deze illegaal af te tappen.

2. De Alliantie heeft [eiser] c.s. gedagvaard en - kort gezegd - ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming gevorderd. De Alliantie heeft deze vorderingen ook ingesteld tegen vijf andere huurders van standplaatsen, waaronder de (schoon)moeder en de zoon van [eiser] c.s.

3. In de eerste aanleg werd de vordering van de Alliantie toegewezen. Op het namens [eiser] c.s. ingestelde hoger beroep heeft het hof het vonnis van de eerste aanleg bekrachtigd. Dat is ook gebeurd in de zaken tegen de zoon en de (schoon)moeder van [eiser] c.s. In de laatstbedoelde zaak is, evenals in de onderhavige, cassatieberoep ingesteld(2). Ook in die zaak wordt vandaag door mij geconcludeerd.

4. Namens [eiser] c.s. is tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld(3). De Alliantie heeft laten concluderen tot verwerping. De partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten. Van de kant van [eiser] c.s. is gerepliceerd.

Bespreking van het cassatiemiddel

5. Onderdeel 1 van het middel verbindt een aantal gevolgtrekkingen aan het feit dat het hof in de rov. 2.2 en 2.7 vermeldt dat de onderhavige zaak in eerste aanleg gevoegd werd behandeld met de zaken van de Alliantie tegen [betrokkene 3] en [betrokkene 4].

Ik beoordeel deze gevolgtrekkingen en de daaraan ontleende klacht(en) als ongegrond.

6. Het hof kon met recht vaststellen dat de kantonrechter in de eerste aanleg de hier bedoelde zaken - met drie zaken tegen andere huurders - gezamenlijk had behandeld. Dat kan onder andere daaruit worden opgemaakt, dat in alle desbetreffende zaken telkens in één gelijkluidend vonnis uitspraak is gedaan. Ook de in onderdeel 1A aangehaalde passages uit het proces-verbaal van comparitie in de eerste aanleg en uit het eindvonnis bevestigen de gezamenlijke behandeling en beoordeling.

Het is in overeenstemming met gangbaar (juridisch) spraakgebruik om dan te spreken van "gevoegde" behandeling. Onderdeel 1A van het middel gaat er ook van uit dat hier van "voeging" in deze betekenis sprake was.

7. Anders dan onderdeel 1A voor mogelijk houdt, wijst niets er op dat het hof zou hebben gemeend dat er van "formele" voeging in de betekenis die daaraan in art. 222 Rv. toekomt, sprake zou zijn (geweest).

Onderdeel 1B berust eveneens op twee onaannemelijke veronderstellingen (namelijk dat het hof uit de "gevoegde" behandeling in de eerste aanleg zou hebben afgeleid dat ook "voeging" in appel moest of mocht worden aangenomen; of dat er in appel beroep op art. 222 Rv. zou zijn gedaan). De klacht mist dus feitelijke grondslag.

8. De onderdelen 1C en D klagen dat het hof miskend zou hebben dat "gevoegde" zaken hun zelfstandigheid behouden; en klaagt - daar komt het op neer - dat als gevolg hiervan gegevens die in de onderhavige zaak niet waren aangevoerd, daarin toch in aanmerking zijn genomen.

Ik denk dat het middel hier te vergaande consequenties wil verbinden aan het op zichzelf als juist aan te merken uitgangspunt, dat gelijktijdige behandeling van met elkaar samenhangende zaken geen afbreuk behoort te doen aan de "zelfstandigheid" van de desbetreffende zaken(4). Ik meen namelijk dat het hof in de onderhavige zaak, de zaak van [eiser] c.s./de Alliantie, geen betekenis heeft toegekend aan de verschillende gegevens die de middelonderdelen aanwijzen.

9. Het gaat dan om de gegevens dat de andere huurders bij wie een hennepplantage was aangetroffen inmiddels het woonwagenkamp hebben verlaten(5), en het feit dat de huurders in de drie zaken die in het bestreden arrest tegelijk zijn beoordeeld, familie van elkaar zijn(6).

Het eerstgenoemde gegeven heeft het hof in het geheel niet in zijn overwegingen betrokken; het tweede wel, maar volgens mij (in de rov. 2.12 en 2.13) alleen in de zaak van [betrokkene 4]/de Alliantie; waarbij de familierelatie, naar in de rede ligt, vooral als omstandigheid in het voordeel van partij [betrokkene 4] moet hebben gegolden. Daarom zou hoogstens de Alliantie zich erover kunnen beklagen dat het hof dit gegeven buiten de stellingen van partijen om in de beoordeling heeft betrokken. [eiser] c.s. kunnen dat in elk geval niet.

[Ik erken overigens dat het feit dat het hof deze drie appelzaken in een en hetzelfde arrest heeft beoordeeld, in dit opzicht tot onjuiste lezing en onjuiste conclusies aanleiding kan geven.]

10. In de zaak van [eiser] c.s./de Alliantie zie ik niet in hoe het feit dat familieleden van [eiser] c.s. eveneens bij illegale hennepaanplant betrokken zijn geweest, voor het oordeel van het hof gewicht in de schaal zou kunnen leggen. De "ernst" van de aan [eiser] c.s. toe te rekenen wanprestatie kan daardoor, volgens mij, niet anders worden gewaardeerd dan wanneer dit niet het geval zou zijn geweest; en in de zaak [eiser] c.s./de Alliantie was, zoals ik al even liet blijken, de familierelatie (en de invloed daarvan op de leefsituatie van de betrokkenen) niet in het kader van de belangenafweging als wegingsfactor naar voren gebracht.

Ook daarom acht ik het onaannemelijk dat het hof dit gegeven - de familierelatie van de betrokkenen - in deze zaak in zijn beoordeling zou hebben betrokken.

11. Onderdeel 2A klaagt dat het hof in aanmerking heeft genomen dat de hennepteelt van [eiser] c.s. een professioneel karakter droeg; het onderdeel beroept zich erop dat hierdoor ongeoorloofde aanvulling van de feitelijke grondslag zou hebben plaatsgehad.

Deze klacht lijkt mij ondeugdelijk om de eenvoudige reden dat de Alliantie dit gegeven wél, en met de nodige nadruk, als onderdeel van haar stellingen naar voren had gebracht(7); dat de kantonrechter in rov. 2.8 en 2.10 van het eindvonnis van de eerste aanleg heeft vastgesteld dat er van bedrijfsmatige hennepteelt sprake was en dat dat de negatieve (potentiële) consequenties van de tekortkoming in kwestie extra nadruk gaf; en dat tegen deze vaststellingen in appel namens [eiser] c.s. geen deugdelijk onderbouwde grieven zijn ingebracht.

12. Onderdeel 2B klaagt erover dat het hof de namens [eiser] c.s. bepleite belangenafweging in hun voordeel niet heeft gehonoreerd, en daarbij geen blijk heeft gegeven van zijn oordeel over het argument van [eiser] c.s. dat de hennepteelt inmiddels (doordat de illegale aanplanten door de politie waren "opgerold" en strafrechtelijke vervolging was ingesteld en afgerond) effectief was bestreden.

13. Voor ik op deze klacht inga wil ik opmerken dat daarin, evenals in de betogen namens [eiser] c.s. in de feitelijke instanties, volgens mij ten onrechte wordt uitgegaan van de opvatting dat bij een vordering tot ontbinding van een woonruimte-huurovereenkomst wegens (ernstige) wanprestatie van de huurder, van de rechter(8) wordt verlangd dat deze de belangen van verhuurder en huurder "open" tegen elkaar afweegt, en de vordering niet toewijst als niet wordt vastgesteld dat het belang van de verhuurder bij beëindiging het zwaarst weegt.

Ik denk daarentegen dat ernstige wanprestatie aan de kant van de huurder in beginsel aanspraak geeft (aan de kant van de verhuurder) op ontbinding van de overeenkomst; en dat dat slechts anders is in de in art. 6:265 lid 1 BW omschreven uitzonderingssituatie(s), of in (andere) gevallen waarin het beroep op ontbinding als kennelijk disproportioneel, en daarmee als misbruik, mag worden gekwalificeerd(9),(10).

14. Met die gegevens voor ogen denk ik dat het middel op deze plaats tevergeefs klaagt over het voorbijgaan aan het in alinea 12 hiervóór aangewezen argument.

Het dringt zich enigszins op waarom dit argument niet behoort te worden aanvaard: wanneer sprake is van ernstige wanprestatie van de huurder (en 's hofs vaststellingen strekken ertoe dat daarvan in dit geval sprake was) zal het feit dat de wanprestatie op het ogenblik dat de rechter heeft te beslissen al (overigens: niet op initiatief van de huurder) beëindigd is en dat de kans op herhaling niet groot is, zelden of nooit een reden opleveren om aan te nemen dat er onvoldoende grond voor ontbinding is. Noch het één noch het ander doet er immers aan af dat er sprake is geweest van een ernstige wanprestatie, of kan opleveren dat aan het belang van de verhuurder bij sanctionering van de desbetreffende (vorm van) wanprestatie wezenlijk wordt afgedaan.

15. De namens [eiser] c.s. verdedigde argumentatie miskent dat de sanctie van ontbinding wegens wanprestatie niet zo zeer is ingegeven door de gedachte dat daarmee toekomstige verdere wanprestatie (van deze debiteur of van anderen) kan worden tegengegaan, als wel door de gedachte dat de debiteur in kwestie zich ten opzichte van de crediteur zodanig heeft gedragen dat van die crediteur niet langer kan worden gevergd dat hij zijn relatie met deze debiteur voortzet.

16. Ik kan mij voorstellen dat zéér overtuigende blijken dat een debiteur "zijn leven heeft gebeterd" in dit opzicht soms gewicht in de schaal kunnen leggen; maar de hier te beoordelen stellingen van de kant van [eiser] c.s. heeft het hof kennelijk niet zo opgevat, en ook overigens niet van voldoende gewicht bevonden om de uitkomst anders te doen zijn. Dat is niet onbegrijpelijk, en dat behoefde niet in de motivering van de beslissing tot uitdrukking te worden gebracht.

17. Ik wijs er nog op dat de Alliantie zich met nadruk had beroepen op de door haar beoogde precedentwerking van de gevorderde ontbindingen ten opzichte van andere huurders die mogelijk betrokkenheid bij hennepkweek zouden overwegen.

Met dit argument van de Alliantie voor ogen kan men gemakkelijk begrijpen dat het "laten passeren" van grootschalige overtreding van de desbetreffende verplichtingen ten opzichte van [eiser] c.s., het tegendeel van de beoogde precedentwerking zou opleveren: anderen zouden daarvan vermoedelijk met recht de indruk opdoen dat het met de sanctionering van dergelijke overtredingen "wel losloopt".

Ook om deze reden kon het hof zonder nadere motivering aan de hier bedoelde argumenten voorbijgaan.

18. Het laatste onderdeel van het middel, onderdeel 3, klaagt over de gronden waarmee het hof een bij gelegenheid van de pleidooien gedaan beroep op een in september 2006 gesloten convenant tussen een aantal bij het probleem van de hennepteelt betrokken instanties, heeft verworpen(11).

19. Het hof heeft het desbetreffende betoog gekwalificeerd als een nieuwe grief die eerst bij pleidooi is opgeworpen (en daarom niet voor behandeling in aanmerking komt). Het middel bestrijdt deze overweging onder meer met de stelling dat het hier om een gegeven gaat dat pas na het nemen van de Memorie van Grieven is gebleken.

Nu het hof in rov. 2.14 heeft vastgesteld dat het convenant in september 2006 is afgesloten en de Memorie van Grieven in deze zaak op 2 maart 2006 is gedateerd, lijkt dit argument mij doeltreffend. Voor ontwikkelingen die zich pas na de gelegenheid voor het formuleren van grieven manifesteren, geldt de "in beginsel strakke regel" dat na die gelegenheid geen nieuwe gronden voor vernietiging van de beslissing van de lagere rechter kunnen worden aangedragen, inderdaad niet (het zou ook vergaand onlogisch én onredelijk zijn wanneer dat anders zou zijn)(12).

20. Ik zal er veronderstellenderwijs van uitgaan dat het betoog waarover het hof hier heeft geoordeeld, gekwalificeerd mag worden als "nieuwe grief" (waar dat betoog precies toe strekte is, zoals in alinea's 22 en 23 hierna nader te bespreken, in vrij vergaande mate onduidelijk - vandaar mijn sprong naar de hypothese).

Ook in dat geval lijkt mij dat het bedoelde betoog zou mogen profiteren van de in de vorige alinea bedoelde (uitzonderings)regel voor ná het voordragen van de grieven intredende nieuwe ontwikkelingen. Dat geldt dan uiteraard óók voor het geval dit betoog niet de kwalificatie van "nieuwe grief" zou verdienen, maar bijvoorbeeld die van "nieuwe feitelijke stelling" (ter nadere onderbouwing van reeds ter beoordeling voorgelegde gronden)(13).

De klacht van onderdeel 3 dat het hof ten onrechte de regel betreffende "nieuwe grieven" op het onderhavige betoog heeft toegepast, lijkt mij om die reden(en) op zichzelf gegrond.

21. Toch behoort het onderdeel volgens mij niet tot cassatie te leiden. Het hof heeft namelijk tevens overwogen dat de uitleg van het convenant waarop een beroep werd gedaan als "slag in de lucht" moest worden gekwalificeerd, (reeds) omdat ter zitting van het hof niemand over de tekst van het convenant bleek te beschikken (iets waarop men aan de kant van [eiser] c.s., naar het hof verder overweegt, beter voorbereid had behoren te zijn).

22. Ik begrijp wat het hof hier overweegt zo, dat de onderbouwing van het beroep op het convenant niet voldeed aan wat daarvan in de gegeven processuele verhoudingen verwacht had mogen worden - met andere woorden: dat niet aan de stelplicht was voldaan -; en/of dat het hier gaat om (zeer) laattijdig aangevoerde stellingen die zodanig (gebrekkig) worden ondersteund, dat het verder onderzoeken daarvan méér instructie zou vergen dan in dit stadium van het geding met het oog op de goede procesorde te verantwoorden zou zijn(14).

23. In beide varianten lijkt mij deze beoordeling te billijken: waarom het convenant uit september 2006 dat hier te hulp werd geroepen relevant zou zijn voor (de beoordeling van de) gedragingen van de Alliantie die geruime tijd daarvóór plaatsvonden en die ook betrekking hadden op gedragingen van [eiser] c.s. van geruime tijd daarvóór, behoeft bepaald serieuze toelichting en onderbouwing. Wanneer zelfs de tekst van het convenant in kwestie zélf niet tijdig in het geding wordt gebracht, treft het oordeel dat die onderbouwing er niet in voldoende mate is, als bij uitstek begrijpelijk. Leest men dit oordeel in de variant: "dit vergt instructie die met het oog op de goede procesorde in dit stadium van het geding niet te verantwoorden is", dan geldt daarvoor hetzelfde.

Dat oordeel behoeft, wat mij betreft, (in beide varianten) ook geen nadere motivering.

24. Het oordeel van het hof waar onderdeel 3 van het middel op gericht is wordt volgens mij ook zelfstandig gedragen door de gedachtegang die ik in alinea's 21 - 23 hiervóór heb besproken; en daarom brengt het feit dat de klacht tegen de kwalificatie als "nieuwe grief" op zichzelf doel treft, niet mee dat het bestreden arrest op dit punt verdient te worden vernietigd.

25. Ik merk nog op dat ik in de alinea's 17 en 19 van de schriftelijke toelichting namens [eiser] c.s. een argument aantref dat niet in het cassatiemiddel wordt verdedigd en dat, voeg ik toe, ook in de feitelijke instanties van de kant van [eiser] c.s. niet was aangevoerd. Het gaat dan om het argument dat de belangen van de eiseres tot cassatie sub 2, [eiseres 2], zelfstandig zouden moeten hebben worden gewogen (en dat die belangen significant anders zouden moeten worden gewogen dan de belangen van de eiser tot cassatie sub 1, [eiser 1]).

26. Om de in de aanhef van alinea 25 aangegeven redenen kan dit argument in cassatie niet aan de orde komen. Ten overvloede merk ik op dat het argument in het licht van HR 9 december 2005, NJ 2006, 153, rov. 3.6.2 niet zou hebben mogen worden aanvaard als het wél tijdig zou zijn "ingebracht". [Eiseres 2] was als medehuurster ingevolge art. 7:266 lid 2 BW hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichtingen uit de huurovereenkomst. Ook als juist zou zijn dat haar van het gebeurde geen enkel verwijt treft (vooral daarop wordt in deze alinea's van de schriftelijke toelichting gehamerd), doet dat aan haar aansprakelijkheid en aan de daaraan te verbinden gevolgen niet af.

27. Daarmee heb ik, naar ik meen, alle klachten van het middel besproken en - per saldo - niet aannemelijk bevonden. Dat leidt tot de aanstonds te formuleren conclusie. Bij beoordeling van de zaak conform het hiervóór besprokene stelt het middel geen punten aan de orde die met het oog op de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling om beantwoording vragen.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 In hoofdzaak ontleend aan rov. 2.3 - 2.6 van het in cassatie bestreden arrest; zie ook rov. 2.1 - 2.6 van het in de eerste aanleg gewezen tussenvonnis van 24 augustus 2005.

2 Het betreft zaaknr. 07/10746.

3 Het bestreden arrest dateert van 5 april 2007. De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 2 juli 2007.

4 Dat "gevoegde" zaken zelfstandig beoordeeld moeten worden is op zichzelf juist, HR 21 november 1997, NJ 1999, 146, rov. 3.3. Zie voor een illustratie in een geval betreffende de verhouding tussen "hoofdzaak" en "vrijwaringszaak" HR 17 oktober 2008, RvdW 2008, 953, rov. 3.3.5.

5 Op dit gegeven was overigens in de onderhavige zaak wél een beroep gedaan, zie de pleitnota in appel aan de kant van de Alliantie, par. 14.

6 In de zaak [eiser] c.s./de Alliantie is dit gegeven inderdaad, voor zover ik heb kunnen nagaan, nergens aan de orde gesteld.

7 Inleidende dagvaarding, alinea's 5, 9 en 11 (bij conclusie van antwoord in zoverre niet weersproken); Memorie van Antwoord, alinea 13.

8 Ingevolge art. 7:231 BW kan ontbinding wegens wanprestatie van de woonruimte-huurder, in afwijking van de regel van art. 6:267 lid 1 BW, alleen door tussenkomst van de rechter plaatsvinden.

9 Voor andere gevallen dan dat van woonruimtehuur vind ik voor deze gedachte steun in o.a. HR 22 oktober 1999, NJ 2000, 208 m.nt. JH, rov. 3.4.2 - 3.4.4 en HR 27 november 1998, NJ 1999, 197, rov. 3.4. Ik denk dat het uitgangspunt bij woonruimtehuur niet anders zou moeten zijn; met dien verstande dat de belangen aan de kant van de woonruimtehuurder (wat) eerder van dien aard zullen zijn dat diens wanprestatie als onvoldoende ernstig wordt beoordeeld om ontbinding te rechtvaardigen, en dat bij woonruimtehuur de belangenonevenredigheid wat eerder zodanig kan zijn, dat een beroep op ontbinding misbruik zou opleveren.

10 Daarbij kan men denken aan de mogelijkheid dat, ook als een wanprestatie niet kan worden aangemerkt als weinig ernstig of als anderszins van dien aard dat daarom ontbinding niet zou behoren te volgen, er toch een dusdanige onevenredigheid bestaat tussen de belangen van de betrokkenen dat het beroep op ontbinding daarop moet afstuiten. Gevallen waarin dat zich kan voordoen zijn echter allicht (hoogst) zeldzaam.

11 In de schriftelijke toelichting namens de Alliantie wordt erop gewezen dat in de namens [eiser] c.s. ingediende stukken nergens van een beroep op dit gegeven blijkt; en inderdaad heb ik in die stukken geen verwijzing daarnaar aangetroffen. Het hof heeft echter in rov. 2.14 overwogen dat "de huurders" ter zitting op het convenant een beroep hadden gedaan. Het heeft dus klaarblijkelijk het desbetreffende betoog aangemerkt als gedaan namens, of althans: als onderschreven door, alle huurders (en gezien de algemene strekking van het desbetreffende betoog lijkt mij dat zeer begrijpelijk).

12 Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-Van Gent 4, 2009, nrs. 107 en 112; Ras-Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nr. 34.

13 Dit onderscheid wordt nader verduidelijkt bij Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-Van Gent 4, 2009, nr. 116; zie ook Ras-Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nrs. 29 - 31; Snijders-Wendels, Civiel Appel, 2003, nr. 184.

14 In zo'n geval heeft de appelrechter de vrijheid om aan nieuw aangevoerde feiten voorbij te gaan, ook als het niet om "nieuwe grieven" gaat (en natuurlijk ook als dat wel het geval is): Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Mollema, aant. 7; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4, 2009, nr. 162; Ras-Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nr. 29; Snijders-Wendels, Civiel Appel, 2003, nr. 184.