Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH2787

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-04-2009
Datum publicatie
07-04-2009
Zaaknummer
07/12917
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH2787
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. De klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte ‘als getuige in de zaak tegen betrokkene 1, nadat hij in handen van de voorzitter op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed had afgelegd de gehele waarheid en niets anders dan de waarheid te zullen zeggen’, is terecht voorgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 533
NJB 2009, 880
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/12917

Mr Machielse

Zitting 10 februari 2009

Conclusie inzake:

[verdachte] bijgenaamd [...](1)

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte op 29 juni 2007 voor 1. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven"; 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5 subsidiair, 6 subsidiair, 7 subsidiair, 8 subsidiair, 9 subsidiair, 10 subsidiair, 11 subsidiair, 12 subsidiair en 13 subsidiair telkens "medeplegen van opzetheling", 14B "medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd" en 15 "in een geval, waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren alsmede een bijzondere voorwaarde zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van benadeelde partijen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals in het arrest bepaald.

2. [Betrokkene 2], schriftelijk gevolmachtigde van verdachte, heeft cassatie ingesteld. Mrs. Th. Kelder en J. Sjöcrona, advocaten te 's-Gravenhage, hebben een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel richt zich tegen de bewezenverklaring onder 15.

Het hof heeft onder 15. ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 05 oktober 2005 te Arnhem ter terechtzitting van de meervoudige kamer als getuige in de zaak tegen [betrokkene 1], nadat hij in handen van de voorzitter op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, geheel in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - heeft verklaard: "U toont mij de foto op pagina 687 van het dossier: "Ik kan niet zien of ik dat ben".

3.2. De aanvulling op het verkort arrest houdt het volgende in:

"Door het hof gebezigde bewijsmiddelen

Ten aanzien van het onder 1, 14B en 15 tenlastegelegde

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, op 15 juni 2007, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:

Er werden meerdere bussen per week gestript. Ik haalde in het begin de kentekens van de bedrijfsbussen. De aan mij tenlastegelegde feiten 2 tot en met 13 kloppen wel. Ik beken dat ik ter terechtzitting van de meervoudige kamer van de rechtbank Arnhem op 5 oktober 2005 meineed heb gepleegd. Ik herkende mij wel op die foto. Op de zitting sprak ik de waarheid niet, later bij de politie wel.

(...)

Ten aanzien van het onder 15 tenlastegelegde:

55. Het proces-verbaal meineed d.d. 5 oktober 2005, voor zover als verklaring van de getuige [verdachte] bijgenaamd [...], inhoudende zakelijk weergegeven:

U toont mij de foto op p. 687 van het dossier. Ik kan niet zien of ik dat ben.

56. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, district Arnhem Veluwezoom, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL078C/05-156003, gesloten en ondertekend op 5 oktober 2005, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

De rechter vroeg mij of ik die persoon op de foto was met het blauwe petje. Ik heb tegen de rechter verklaard dat ik niet wist wie dat was. Echter wist ik wel wie dat was, namelijk ikzelf. Ik heb op de vraag van de rechter niet het juiste antwoord gegeven."

3.3. Het middel stelt dat de bewezenverklaring onder 15. is gebaseerd op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen 55. en 56. en klaagt dat hieruit niet meer kan worden afgeleid dan dat verdachte ten overstaan van een rechter een onjuist antwoord heeft gegeven op de vraag wie de persoon op de foto was.

Maar tot de bewezenverklaring is eveneens gebezigd (als bewijsmiddel 1) de verklaring van verdachte waarvan de relevante inhoud met betrekking tot de gepleegde meineed hiervoor is weergegeven. Dat het gaat om een meineed ter terechtzitting van de meervoudige kamer van de rechtbank Arnhem op 5 oktober 2005 volgt uit dit bewijsmiddel. Het feit dat erin gesproken wordt van 'meineed' en de aard van de aan verdachte gestelde vraag zijn redengevend voor het onderdeel van de bewezenverklaring dat verdachte ter terechtzitting als getuige is opgetreden en dat het in de bewezenverklaring vermelde antwoord van verdachte is gegeven nadat hij de eed danwel belofte heeft afgelegd. Het hof heeft verzuimd een bewijsmiddel op te nemen waaruit blijkt dat verdachte de verklaring heeft afgelegd in de zaak tegen [betrokkene 1], zodat dit onderdeel in de bewezenverklaring niet op enig bewijsmiddel berust. De Hoge Raad zou de bewezenverklaring verbeterd, met weglating van dit onderdeel, kunnen lezen. Bovendien wijs ik erop dat ook nergens blijkt dat verdachte de eed heeft afgelegd dan wel de belofte. Nu dit voor de strafrechtelijke betekenis van het handelen niet van belang is en uit de gebezigde bewijsmiddelen wel blijkt dat verdachte het een of het ander heeft gedaan laat ik deze kwestie rusten.

3.4. Aldus faalt het middel.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft nagelaten de redenen op te geven die ertoe hebben geleid af te wijken van het door de raadsman aangevoerde uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat verdachte de onder feit 14B tenlastegelegde goederen niet voorhanden heeft gehad.

4.2. Het hof heeft ten laste van verdachte onder 14B bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 8 januari 2005 tot en met 21 juni 2005 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met anderen op tijdstippen telkens voorhanden heeft gehad

- een auto en/of auto-onderdelen (Peugeot Boxer [AA-00-AA] en

- een auto en/of auto-onderdelen (Ford Transit [BB-00-BB]) en

- een auto en/of auto-onderdelen (Fiat Ducato [CC-00-CC]) en

- een auto en/of auto-onderdelen (Fiat Ducato [DD-00-DD]) en

- een auto en/of auto-onderdelen (Mercedes 208D [EE-00-EE]) en

- een auto en/of auto-onderdelen (Dodge Ram Van [FF-00-FF]) en

- een auto en/of auto-onderdelen (ChryslerVoyager [GG-00-GG]) en

- een auto en/of auto-onderdelen (Chrysler Voyager [HH-00-HH]) en

- een auto en/of auto-onderdelen (Mercedes 208D [JJ-00-JJ]) en

- een auto en/of auto-onderdelen (BMW 316 [KK-00-KK]) en

- een auto en/of auto-onderdelen (Volkswagen bestel [LL-00-LL]) en

- een auto en/of auto-onderdelen (VW Transporter [MM-00-MM]) (pag 1538) en

- een auto en/of auto-onderdelen (Audi A4 [NN-00-NN]) en

- een auto en/of auto-onderdelen (Toyota Hiace [PP-00-PP])

terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voormeld goed wist dat deze door diefstal waren verkregen;"

4.3. Het middel heeft het oog op de volgende passage uit de pleitnota van de raadsman (p. 6/7):

"Feit 14

(...)

Als je het zo leest lijkt het erop of de steller van de telastelegging wat moe is geworden van het volledig uitschrijven van alle zaken en dat hij de rest op een hoop gedaan heeft.

Maar die schijn bedriegt. Er is geen enkel bewijsmiddel voor enige vorm van deelname door [betrokkene 3] aan het strippen van deze auto's. Als het zo voldoende is, waarom zijn dan de feiten 2 t/m 13 ook niet als een bulk te laste gelegd?

We moeten onderscheid maken.

We hebben voor de veroordelingen in individuele gevallen nodig die bewijsmiddelen die op die individuele gevallen zijn gericht.

Voor de uitgeschreven feiten zijn die er (voor wat ze waard zijn). Voor de bulkfeiten zijn die er niet.

Ik kan me voorstellen dat [betrokkene 4] als verantwoordelijke en eigenaar is veroordeeld voor het voorhanden hebben als die betreffende spullen op zijn schappen en in zijn bedrijf worden aangetroffen. Maar zijn voorhanden hebben is een ander voorhanden hebben dan dat van [betrokkene 3]. Voor [betrokkene 3] geldt dat bewezen moet worden dat hij voorhanden gestript heeft. En dat bewijs is er in geen van deze gevallen. Er is - sterker nog - geen enkel bewijsmiddel van enige gebeurtenis tussen de diefstal en het aantreffen op de schappen in de loods van vader. De rechtbank heeft veroordeeld op aannames.

Dat levert ook voor de helingen onder B vrijspraak op."

4.4. Daargelaten dat hetgeen is aangevoerd naar mijn mening niet als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan worden aangemerkt, geldt dat het hiervoor weergegevene reeds door de gebezigde bewijsmiddelen wordt weerlegd.(2) Immers, bewijsmiddelen 5. en 6. houden in dat verdachte vanaf januari 2005 wist dat het in de loods van pa [...] alwaar verdachte tegen betaling werkzaam was om gestolen auto's ging en dat hij een actieve rol had in het zogenaamd strippen van auto's. Bewijsmiddel 54 bevat aanwijzingen om welke auto's het gaat.

Het hof was dan ook niet gehouden om zijn oordeel van een nadere motivering te voorzien.

4.5. Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt dat het arrest van het hof niet de gronden inhoudt waarop de (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] berust, terwijl het hof een bijzondere motivering had moeten geven naar aanleiding van het daaromtrent gevoerde verweer.

5.2. Het middel wijst op het door de raadsman in hoger beroep gevoerde verweer zoals vervat in de pleitaantekeningen op p. 4 en 7:

"Feit 11

(...)

De civiele vordering (subsidiair)

Er wordt gevorderd € 4200,- auto en € 150,- radio.

Zonder enige documentatie of onderbouwing had er net zo goed € 6000,- of € 3000,- kunnen staan of met andere woorden: ik ontken de juistheid van die € 4200,-.

Ook slachtofferhulp die de gelaedeerde heeft bijgestaan heeft desgevraagd geen nadere onderbouwing gekregen. Dan kan er niet toegewezen worden.

Wat er wel bij zit is een aankoopbewijs van de radio, maar dat staat op naam van iemand anders.

Ook afwijzen.

(...)

- [Benadeelde partij 2]

OvJ en rechtbank: € 4000,-

Ik vraag niet-ontvankelijkheid.

Ik bestrijd op de eerste plaats de opgegeven waarde van € 4500,-. Waarom rechtbank en OvJ zich zo deskundig achten dat ze menen dat het € 4000,- moet zijn en geen € 4500,- is me een raadsel. Bovendien staat de factuur van aankoop van die auto ten name van Interferra vof en niet op naam van [benadeelde partij 2].

Tenslotte zijn op de Bovanglijst de bedragen er met pen bijgeschreven. Er is niets om enig bedrag op te baseren en om toe te wijzen aan [benadeelde partij 2]."

5.3. Het hof heeft in zijn arrest voor zover van belang het volgende overwogen:

"De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 4.350,- ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 130,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 11 subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

(...)

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 4.500,- ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.000,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 14 B bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

(...)

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 1], te betalen een bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro).

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde partij 1], in haar vordering voor het overige niet ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van € 150,00 (honderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis.

Bepaalt dat indien en voorzover de mededaders van verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

(...)

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 2], te betalen een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro).

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde partij 2], in haar vordering voor het overige niet ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde partij 2], een bedrag te betalen van € 4.000,00 (vierduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat indien en voorzover de mededaders van verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 3], te betalen een bedrag van € 225,00 (tweehonderdvijfentwintig euro)."

5.4. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het oordeel betreffende de gegrondheid van de vordering en de aannemelijkheid van schade - verweven als dit oordeel is met waarderingen van feitelijke aard - kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Er kan slechts worden onderzocht of dat oordeel de grenzen van het begrijpelijke overschrijdt,(3) terwijl een nadere motivering van dat oordeel alleen wordt verlangd indien gemotiveerd is betwist dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het feit in de gestelde omvang schade heeft geleden.(4)

5.5. 's Hofs toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot een bedrag van € 150,- is feitelijk en niet onbegrijpelijk. Immers, het voegingsformulier noemt het verlies van de auto en toebehoren, onder meer kinderzitjes en radio-cdspeler als schadeposten. De benadeelde partij heeft vrij moeten nemen voor het treffen van regelingen. Het hof heeft kennelijk die schade evenals de rechtbank naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld. De enkele opmerking van de raadsman dat toewijzing van dit bedrag moet worden afgewezen nu de audiobon niet op naam van de benadeelde partij staat, noopte het hof niet zijn oordeel van een nog nadere motivering te voorzien dan het reeds heeft gedaan.

5.6. 's Hofs toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] tot het bedrag van € 4000,- is eveneens feitelijk en niet onbegrijpelijk. Het verweer van de raadsman dat, naast enkele kanttekeningen, er op neerkomt dat er 'niets' is om enig bedrag op te baseren en toe te wijzen, noopte het hof, gelet op de zich bij de stukken bevindende vordering met nadere onderbouwing, niet tot (nog) nadere motivering. Die nadere onderbouwing houdt immers in een aankoopbewijs, opgemaakt op adres van benadeelde, van betreffende auto met kenteken [FF-00-FF], bouwjaar 1996, voor een bedrag van € 7562,03 met inkoop van een andere auto ter waarde van € 500,-. 's Hofs oordeel dat van het gevorderde bedrag € 4000,- voor toewijzing vatbaar is, is niet onbegrijpelijk.

Aldus is aan het vereiste van art. 361 lid 4 Sv voldaan.

5.7. Het middel faalt.

6. De voorgestelde middelen falen en kunnen met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met zaak met nummer 07/11288 ([...]); de zaak met nummer 07/12918 P ([...]) en de zaak met nummer 07/12915 P ([verdachte] bijgenaamd [...]), in welke zaken ik heden eveneens concludeer.

2 HR 11 april 2006, NJ 2006, 393, rov. 3.8.2. onder (i).

3 Vgl. HR 21 maart 2006, LJN AV1137, nr. 00338/05.

4 Vgl. HR 17 november 1998, NJ 1999, 151 en de conclusies bij HR 9 januari 2001, LJN ZD2210 en HR 10 april 2001, LJN ZD1814. Zie voorts HR 18 november 2008, LJN BF0173.