Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH2692

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-04-2009
Datum publicatie
07-04-2009
Zaaknummer
07/11748 P
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH2692
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Bewijsklacht. De klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de hennepteelt aan de a-straat 1 twee oogsten heeft opgeleverd, is terecht voorgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 531
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/11748 P

Mr. Machielse

Zitting 10 februari 2009

Conclusie inzake:

[Betrokkene]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft aan verdachte op 9 november 2006 de verplichting opgelegd om aan de staat ter opneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag te betalen van € 19.299,-.

2. Mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de hennepplantage in het perceel [a-straat 2] drie oogsten en de hennepplantage in het perceel [a-straat 1] twee oogsten heeft opgeleverd. Dat zou niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid.

3.2. Het hof heeft de verklaring van verdachte, die in de aanvulling als bewijsmiddel 7 is opgenomen, in die zin uitgelegd dat de plantage op nummer [002] drie oogsten heeft opgeleverd. Die uitleg is niet in strijd met de tekst van de verklaring en het hof kan niet gezegd worden aan die verklaring een andere betekenis te hebben gegeven dan de verdachte kennelijk bedoeld heeft daaraan te geven.(1)

3.3. Het middel klaagt ook dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet is af te leiden dat de kwekerij aan de [a-straat 1] twee oogsten heeft opgeleverd. Dat onderdeel van het middel lijkt mij gegrond te zijn. In de aanvulling op het verkort arrest is geen bewijsmiddel opgenomen waaruit het aantal oogsten van deze kwekerij is af te leiden. In het verkort arrest heeft het hof wel verwezen naar een verklaring van verdachte en uit die verklaring afgeleid dat deze kwekerij twee oogsten heeft gekend maar de inhoud van die verklaring van verdachte is niet weergegeven zodat niet is te controleren of het hof deze gevolgtrekking heeft kunnen maken.

Het middel slaagt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof de verdediging ten onrechte niet heeft gevolgd in haar standpunt over het gevolg dat de schending van de redelijke termijn zou dienen te hebben. De verdediging heeft aangevoerd dat een vermindering van het totaalbedrag met 10 procent aangewezen is. Het hof heeft aan de schending van de redelijke termijn slechts een vermindering van de betalingsverplichting met 5 procent verbonden. Het hof heeft over de schending van de redelijke termijn het volgende overwogen:

"Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging

De verdediging heeft gesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in de onderhavige zaak is overschreden en dat het openbaar ministerie om die reden niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende.

Op 20 december 2001 is door de officier van justitie met het oog op voordeelsontneming conservatoir beslag gelegd op goederen van de verdachte. Nu de veroordeelde aan deze beslaglegging redelijkerwijs de verwachting heeft kunnen ontlenen dat het openbaar ministerie een ontnemingsvordering tegen hem zou instellen, moet dit tijdstip worden aangemerkt als het aanvangsmoment van de in de onderhavige ontnemingszaak op zijn redelijkheid te beoordelen termijn. Op 23 januari 2004 vond het onderzoek plaats ter terechtzitting bij de rechtbank te Haarlem en op 6 februari 2004 is door de politierechter aldaar uitspraak gedaan. Tegen dit vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Op 11 maart 2005 heeft het gerechtshof te Amsterdam het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg nietig verklaard en de zaak teruggewezen naar de rechtbank Haarlem, teneinde deze opnieuw te berechten. Op 10 april 2006 is de ontnemingszaak opnieuw bij de rechtbank Haarlem behandeld, waarna de politierechter op l mei 2006 vonnis heeft gewezen. De behandeling van de zaak heeft in eerste aanleg aldus -mede door de terugwijzing- meer dan viereneenhalf jaar geduurd. De behandeling in hoger beroep heeft vervolgens echter voortvarend plaatsgevonden, te weten binnen een halfjaar. Met de verdediging is het hof van oordeel dat de behandeling van de zaak in totaal -door een lange behandelingsduur in eerste aanleg- niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Wat betreft het daaraan te verbinden gevolg overweegt het hof echter dat bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap -ook na overschrijding van de redelijke termijn- heeft bij normhandhaving en anderzijds het belang dat veroordeelde heeft bij verval van het recht tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, het belang van de gemeenschap in het onderhavige geval dient te prevaleren, zulks gelet op de aard en de omvang van de ontnemingsvordering en de (geringe) mate van overschrijding van de redelijke termijn. Het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt derhalve verworpen. Het hof zal evenwel bij de oplegging van de maatregel rekening houden met deze schending.

(...)

Verplichting tot betaling aan de Staat

Aan de veroordeelde dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 19.299,-

Het hof heeft bij de oplegging van deze maatregel rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid l, EVRM, in dier voege dat genoemde maatregel in de plaats komt van een ontnemingsmaatregel tot een bedrag van € 20.314,75."

Het middel stelt dat de verdediging in hoger beroep heeft gewezen op de bijzonderheden van deze zaak en heeft bepleit dat minstens 10 procent korting moest worden toegepast. Aldus zou een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aan het hof zijn voorgehouden, waarop het hof niet heeft gereageerd.

4.3. Hetgeen de pleitnota in hoger beroep als bijzondere omstandigheden opvoert beperkt zich in wezen tot een weergave van de procesgang in de ontnemingszaak en betreft geen gegevens die de onderhavige zaak tot een bijzondere maken. Er is bijvoorbeeld niet gewezen op omstandigheden waardoor juist verdachte bijzonder geleden zal hebben onder het tijdsverloop. Naar mijn mening is er geen sprake geweest van een onderbouwd standpunt waarop het hof, nu het hof het te ontnemen bedrag met minder dan 10 procent zoals door de verdediging voorgesteld, verminderde, had moeten reageren. Het hof heeft kennelijk in zijn beslissing welke gevolgen aan de schending van de redelijke termijn in deze zaak dienen te worden gegeven rekening gehouden met de termijn die met de behandeling van de strafzaak gemoeid is geweest, welke termijn eindigde met het arrest van de Hoge Raad van de 7 februari 2006, waarin de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat door een advocaat geen cassatieschriftuur met middelen was ingediend, anderzijds daarbij betrokken de rechtsgang in de afdoening van de ontnemingsvordering. Met de afwikkeling van de ontnemingsvordering zijn in feitelijke aanleg 4 instanties gemoeid geweest. Dat de vertraging in deze rechtsgang opgelopen niet aan verdachte te wijten is betekent nog niet dat het tijdsverloop door nietigheid van de oproeping en door vernietiging van het vonnis in eerste aanleg onverkort en in volle omvang bij de vaststelling van de schending van de redelijke termijn betrokken dient te worden. Onbetwistbaar is immers dat het instellen van rechtsmiddelen door een verdachte de totale procedure verlengt.(2) De verdachte heeft het recht om rechtsmiddelen aan te wenden, maar het lijkt mij van een onevenwichtige benadering te getuigen wanneer de verlenging van de procedure vanwege een vernietiging van een uitspraak door een hogere rechter het tijdsverloop in die instantie in zijn geheel voor rekening van de autoriteiten brengt, ook als die vernietiging haar oorzaak vindt in een nietigverklaring van een oproeping in eerdere instantie. Even onevenwichtig zou het zijn om de tijd die gemoeid is met de afhandeling van een verworpen rechtsmiddel geheel op conto van de verdediging te schrijven. De autoriteiten hebben de plicht telkens wanneer een rechtsmiddel wordt aangewend met zodanige voortvarendheid te werk te gaan dat de redelijke termijn wordt gerespecteerd, ongeacht of het door verdachte ingestelde rechtsmiddel succes heeft.

Tot welke strafvermindering schending van de redelijke termijn kan leiden is afhankelijk van de waardering en beoordeling van omstandigheden van feitelijke aard en onttrekt zich grotendeels aan controle door de cassatierechter. Naar mijn mening heeft het hof - gelet op hetgeen namens verdachte is aangevoerd - er geen blijk van gegeven een verkeerde maatstaf te hebben gehanteerd bij het vaststellen van de rechtsgevolgen die aan de schending van de redelijke termijn in deze zaak dienen te worden verbonden.

Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, nu op 22 november 2006 cassatieberoep is ingesteld en de stukken eerst op 25 oktober 2007 ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen. Deze klacht is gegrond, waaraan ik nog toevoeg dat de Hoge Raad er niet in zal slagen binnen twee jaar na het instellen van het cassatieberoep arrest te wijzen.

5.2. Omdat naar mijn mening het bestreden arrest dient te worden vernietigd wegens gegrondbevinding van het eerste middel zal de rechter die de zaak in hoger beroep alsnog zal hebben af te doen rekening moeten houden met de schending van de redelijke termijn, als de rechter toekomt aan het opleggen van een betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. HR 18 december 2007, LJN BB8870.

2 EHRM 17 december 2004, NJ 2005, 369 m.nt. EJD (Pedersen en Baadsgaard), § 49. Zie ook HR 10 februari 1998, NJ 1998, 445.