Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH2617

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-03-2009
Datum publicatie
20-03-2009
Zaaknummer
09/00272
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH2617
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bopz; voorlopige machtiging; cassatieberoep betrokkene niet-ontvankelijk bij gebrek aan belang wegens verstreken termijn van verleende machtiging.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 447
JWB 2009/96
BJ 2009/22
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/00272

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 4 februari 2009

Conclusie inzake:

[Verzoekster]

tegen

Officier van justitie te Breda

In deze Bopz-zaak wordt geklaagd dat de rechtbank heeft verzuimd betrokkene te horen alvorens de verzochte voorlopige machtiging te verlenen.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. De officier van justitie in het arrondissement Breda heeft op 13 november 2008 de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en verblijven. Betrokkene (geboren in 1927) woonde nog thuis.

1.2. De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 17 november 2008. De rechter heeft zich daartoe begeven naar de woning van betrokkene, maar haar niet aangetroffen. De bestreden beschikking vermeldt hierover:

"Bij gelegenheid van de behandeling van het verzoek, waarbij sprake was van een thuisverhoor is het de rechtbank gebleken dat betrokkene niet thuis was. De behandelaar heeft dit in aanwezigheid van de rechtbank en betrokkene's advocaat geconstateerd door zich via de niet afgesloten achterdeur toegang te verschaffen tot de woning, waarbij duidelijk werd dat betrokkene aldaar niet aanwezig was. De behandelaar heeft vervolgens medegedeeld dat betrokkene door een collega van hem enige dagen tevoren uitdrukkelijk op de hoogte is gesteld van dag en duur van het verhoor, alsmede de noodzakelijkheid van haar aanwezigheid. De advocaat verzoekt de rechtbank voorts betrokkene opnieuw op te roepen. De rechtbank is op grond van de mededelingen van behandelaar tot het oordeel gekomen dat voldoende is gepoogd betrokkene op de hoogte te stellen van de behandeling en betrokkene door zo te handelen kenbaar heeft gemaakt geen prijs te stellen op het horen van haar in persoon. De rechtbank heeft vervolgens buiten aanwezigheid van betrokkene de behandeling voortgezet."

1.3. De rechtbank heeft de advocaat van betrokkene en de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige [betrokkene 1] als behandelaar gehoord. Bij beschikking van 17 november 2008 heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend voor de duur van drie maanden(1).

1.4. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Uit de bestreden beschikking volgt dat de rechtbank betrokkene zelf niet heeft gehoord. Onderdeel I van het middel mondt uit in de klacht dat de rechtbank ten onrechte, althans niet op deugdelijke gronden, heeft vastgesteld dat betrokkene niet bereid was te worden gehoord.

2.2. Art. 8 lid 1 Wet Bopz bepaalt dat de rechter, alvorens op het verzoek te beschikken, degene hoort ten aanzien van wie de machtiging is verzocht, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet bereid is zich te doen horen. Ingevolge art. 261 in verbinding met art. 272-276 Rv geschiedt de oproeping door de griffier bij aangetekende brief, tenzij de rechter anders bepaalt. In de praktijk komt het in Bopz-zaken vaak voor dat de rechter een andere wijze van oproeping bepaalt, ook in verband met de beslistermijn(2).

2.3. Wanneer de betrokkene, eenmaal verschenen zijnde, geen medewerking aan het horen verleent of wanneer de betrokkene, ofschoon behoorlijk opgeroepen, niet voor de rechter verschijnt, komt de in art. 8 lid 1 Wet Bopz bedoelde vraag aan de orde of betrokkene niet bereid is zich te doen horen. Het ontbreken van de bereidheid zich te laten horen kan worden afgeleid uit een verklaring of uit gedragingen van de betrokkene. De vraag wanneer een patiënt niet bereid is zich te doen horen, is in de rechtspraak bij herhaling aan de orde geweest(3).

2.4. In dit geval blijkt uit de beschikking en uit de overgelegde gedingstukken niet dat betrokkene volgens de wet is opgeroepen, noch dat de rechter een andere wijze van oproeping heeft bepaald. De informatie van de behandelaar omtrent mededelingen die een collega van hem op een eerder tijdstip aan betrokkene zou hebben gedaan, kan m.i. niet - in elk geval niet zonder nadere motivering - gelden als een oproeping door of namens de rechtbank; hoogstens als een aansporing om aan een oproeping van de rechtbank gevolg te geven. Daarbij komt dat wanneer het verzoek aan de officier van justitie om een voorlopige machtiging uit te lokken is uitgegaan van buren, familieleden of behandelaars, het in het algemeen in strijd met de waarborgfunctie van art. 8 Wet Bopz moet worden geacht dat de rechtbank, in geval van niet verschijnen van de betrokken patiënt, zich zonder meer laat leiden door de informatie van buren, familieleden of behandelaars dat betrokkene niet bereid is zich te laten horen. De enkele omstandigheid dat betrokkene niet thuis was op het voor het verhoor bepaalde tijdstip kan, zonder nadere motivering, welke hier ontbreekt, niet de gevolgtrekking dragen dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen(4). Om deze reden kan de bestreden beschikking m.i. niet in stand blijven.

2.5. Onderdeel II behoeft na het voorgaande geen bespreking meer. De klachten - (i) dat de rechtbank onvoldoende gelegenheid heeft gegeven om de verdediging voor te bereiden omdat de raadsvrouwe op vrijdag 14 november is ingeschakeld, het verhoor reeds op 17 november plaatsvond en zij betrokkene vóór het verhoor niet meer heeft kunnen bereiken; (ii) dat er daardoor ook onvoldoende gelegenheid is geweest om inhoudelijk te reageren op de informatie van de behandelaar ter zitting en (iii) dat de rechtbank ten onrechte het verzoek van de raadsvrouwe om aanhouding van de mondelinge behandeling heeft afgewezen - hangen nauw samen met onderdeel I.

2.6. Voor zover onderdeel II de klacht inhoudt dat de rechtbank onvoldoende heeft onderzocht of hetgeen in de (medische) stukken staat moet leiden tot de conclusie dat sprake is van een stoornis van de geestvermogens en een daaruit voortvloeiend zodanig gevaar dat relevant is voor de vrijheidsbeneming, onthoud ik mij van commentaar, teneinde de rechter die na verwijzing zal moeten oordelen niet voor de voeten te lopen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Breda.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Na het verstrijken van deze geldigheidsduur mist betrokkene belang bij haar cassatieberoep.

2 In de noot van W. Dijkers in BJ 2005, 25, wordt een overzicht gegeven van de praktijk. Volgens hem worden reeds in het psychiatrisch ziekenhuis opgenomen patiënten gewoonlijk door het ziekenhuispersoneel (niet: schriftelijk door de griffier van de rechtbank) in kennis gesteld van plaats en tijd van het verhoor; thuiswonende patiënten ontvangen schriftelijk bericht van de griffier.

3 De standaardbeschikking is HR 14 februari 1997, NJ 1997, 378 m.nt. JdB. Van de latere rechtspraak zijn te noemen: HR 8 juli 2005, NJ 2006, 6 (BJ 2005, 25 m.nt. W. Dijkers); HR 2 december 2005, NJ 2006, 119 (BJ 2006, 5); HR 12 mei 2006, BJ 2006, 35 m.nt. E.L. Schaafsma-Beversluis. Zie ook HR 21 december 2007, BJ 2008, 14, met verdere verwijzingen in de daaraan voorafgaande conclusie.

4 Vgl. HR 20 juni 1997, NJ 1997, 625.