Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH2599

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2009
Datum publicatie
17-04-2009
Zaaknummer
08/01606
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2008:BC4368
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH2599
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht; geschil tussen voormalige echtelieden over partneralimentatie c.a. (81 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 555
JWB 2009/144
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/01606

Mr L. Strikwerda

Parket, 6 febr. 2009

Conclusie inzake

[De vrouw]

tegen

[De man]

Edelhoogachtbaar College,

1. In deze echtscheidingszaak, waarin de vrouw bij wege van zelfstandig verzoek toekenning van een uitkering tot haar levensonderhoud ten laste van de man heeft verzocht, gaat het in cassatie om de vraag of het hof bij de vaststelling van de uitkering de juiste maatstaven heeft aangelegd en zijn beslissing toereikend heeft gemotiveerd.

2. Voor zover thans in cassatie van belang, liggen de feiten als volgt (zie de beschikking van het hof onder "Het procesverloop in eerste aanleg en vaststaande feiten" in verbinding met de beschikking van de rechtbank van 15 februari 2007 onder "De vaststaande feiten", alsmede r.o. 6 van de beschikking van het hof).

(i) Partijen, hierna: de vrouw en de man, zijn op 31 augustus 2005 in het district Wanica, Suriname, met elkaar gehuwd.

(ii) Nadat de man op 10 september 2005 naar Nederland was teruggekeerd, heeft de vrouw zich op 12 februari 2006 bij hem man gevoegd.

(iii) Partijen hebben in Nederland drie weken samengewoond. De vrouw is op 4 maart 2006 naar Suriname teruggekeerd.

(iv) Op 29 april 2006 is de vrouw weer naar Nederland gekomen. Familie en vrienden geven haar sindsdien kost en inwoning.

(v) Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 15 februari 2007 is op verzoek van de man de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 8 maart 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3. De vrouw heeft in de echtscheidingsprocedure bij wege van zelfstandig verzoek een uitkering tot haar levensonderhoud ten laste van de man verzocht ten bedrage van Euro 700,- per maand.

4. De man heeft verweer gevoerd tegen het zelfstandig verzoek van de vrouw en daartoe onder meer aangevoerd dat de vrouw geen aanspraak op alimentatie toekomt omdat zij op oneigenlijke gronden met de man is gehuwd en, gelet ook op de korte duur van samenwoning, geen lotsverbondenheid tussen partijen is ontstaan, en, subsidiair, dat uitgegaan dient te worden van de behoefte van de vrouw in Suriname, nu de vrouw niet in Nederland zal mogen blijven wonen.

5. De rechtbank heeft bij beschikking van 15 februari 2007 aan de vrouw ten laste van de man een uitkering tot levensonderhoud toegekend van Euro 300,- per maand. De rechtbank verwierp het primaire verweer van de man en overwoog met betrekking tot de behoefte van de vrouw onder meer (blz. 3):

"De vrouw heeft ter zitting verklaard niet over een rechtsgeldige verblijfstitel te beschikken en voornemens te zijn naar Suriname terug te keren om aldaar een nieuw bestaan op te bouwen. Niet is te verwachten dat de vrouw in Suriname binnen afzienbare tijd geheel of gedeeltelijk in eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.

Gelet op de levensstandaard in Suriname wordt een behoefte van de vrouw aan een uitkering tot levensonderhoud van Euro 300,- per maand redelijk en billijk geacht."

6. De vrouw is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, doch tevergeefs: bij beschikking van 30 januari 2008 heeft het hof de bestreden beschikking bekrachtigd. Daartoe overwoog het hof onder meer:

"6. Voor het bepalen van de omvang van de onderhoudsverplichting in dit geval acht het hof (onder meer) het volgende van belang. Partijen zijn op 31 augustus 2005 in Suriname gehuwd, waarna de man op 10 september 2005 naar Nederland is teruggekeerd. De vrouw heeft zich op 12 februari 2006 bij de man in Nederland gevoegd. Partijen hebben drie weken in Nederland samengewoond. Niet lang daarna is de relatie van partijen geëindigd. De vrouw is op 4 maart 2006 naar Suriname teruggekeerd en is op 29 april 2006 weer naar Nederland gekomen. Familie en vrienden geven haar sindsdien kost en inwoning. Op 8 maart 2007 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw verblijft thans zonder geldige verblijfstitel in Nederland. Zij is coupeuse en heeft tot haar komst naar Nederland haar eigen levensonderhoud voorzien.

7. Het hof is van oordeel dat de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man in haar kosten van levensonderhoud niet moet worden gesteld op het niveau van een Nederlandse bijstandsuitkering, althans dat niet is gebleken dat die behoefte hoger is dan Euro 300,- per maand. Daaraan legt het hof het volgende ten grondslag. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw tijdens het huwelijk in een zodanige welstand heeft geleefd, dat daaruit een behoefte van de vrouw aan een bijdrage van Euro 700,- zou voortvloeien. Partijen hebben tijdens hun huwelijk amper samengewoond en vrijwel meteen na haar aankomst in Nederland is de samenwoning geëindigd. Sindsdien wordt de vrouw door familie en vrienden onderhouden. Haar stelling dat zij alle schepen in Suriname achter zich heeft verbrand en door toedoen van de man in Nederland is, heeft de vrouw verder niet toegelicht. Het moet er daarom voor gehouden worden dat zij er zelf voor kiest illegaal in Nederland te blijven; de consequenties, dat zij niet kan werken en geen uitkering kan ontvangen, dienen als gevolg van die keuze dan ook voor haar rekening te blijven en niet te worden afgewenteld op de man. Dit geldt temeer, daar de vrouw tot haar komst naar Nederland in Suriname als coupeuse in haar eigen levensonderhoud heeft voorzien en niet is gebleken dat zij bij terugkomst niet weer als zodanig aan de slag zou kunnen gaan."

7. De vrouw is tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met vijf middelen. De man heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.

8. Bij de bespreking van de in de middelen aangevoerde klachten dient vooropgesteld te worden dat de rechter bij de beoordeling van de vraag of en, zo ja, hoeveel partneralimentatie wordt toegekend, de vrijheid heeft om, naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en de draagkracht van de alimentatieplichtige, ook rekening te houden met andere, niet-financiële omstandigheden van het geval. De vaststelling en waardering van deze omstandigheden is overgelaten aan de rechter die over de feiten oordeelt. De niet-financiële omstandigheden kunnen zowel van subjectieve aard zijn, zoals gedragingen van de ex-echtgenoot die aanspraak maakt op alimentatie, als van objectieve aard, zoals de duur van het huwelijk en de duur van de samenwoning tijdens het huwelijk. Zie Asser-De Boer, 2006, nr. 620; M.J.A. van Mourik en L.C.A. Verstappen, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, 4e dr. 2006, blz.686-690; Th.M. Dorn, Alimentatieverplichtingen, 7e dr. 2008, blz. 49-50; Kluwers Personen- en familierecht, art. 157, aant. 1 (S.F.M. Wortmann), telkens met rechtspraakgegevens.

9. Naar mijn lezing van de bestreden beschikking heeft het hof in het onderhavige geval bij de beoordeling van de vraag of en tot welke hoogte aan de vrouw ten laste van de man een bijdrage tot haar levensonderhoud dient te worden toegekend, rekening gehouden enerzijds met niet-financiële omstandigheden en anderzijds met de behoefte van de vrouw aan een uitkering (het oordeel van de rechtbank dat de man voldoende draagkracht heeft om een uitkering van Euro 300,- per maand te betalen, stond in hoger beroep niet ter discussie).

10. De behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man heeft het hof begroot op Euro 300,- per maand. Daarbij heeft het hof de welstand tijdens het huwelijk van partijen in aanmerking genomen ("gesteld noch gebleken is dat de vrouw tijdens het huwelijk in een zodanige welstand heeft geleefd, dat daaruit een behoefte van de vrouw aan een bijdrage van Euro 700,- zou voortvloeien") en rekening gehouden met de door het verbreken van de samenwoning gewijzigde situatie van de vrouw ("sindsdien wordt de vrouw door familie en vrienden onderhouden"). Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het stond het hof vrij de behoefte van de vrouw mede te relateren aan de welstand tijdens het huwelijk en aan gegevens met betrekking tot actuele kosten van onderhoud van de vrouw (vgl. HR 19 december 2003, NJ 2004, 140). Het oordeel van het hof is ook niet onbegrijpelijk in het licht van de door het hof vastgestelde feiten en kan verder in cassatie niet worden getoetst.

11. Op het bovenstaande stuiten de klachten van middel I en II, die zich keren tegen de vaststelling door het hof van de behoefte van de vrouw aan een alimentatie-uitkering, af. Daarbij teken ik aan dat, anders dan deze middelen kennelijk tot uitgangspunt nemen, het feit dat de vrouw behoeften heeft tot een bedrag gelijk aan een bijstandsuitkering, niet betekent dat zij ook behoefte heeft aan een alimentatie-uitkering tot dat bedrag. Deze behoefte hangt af van de vraag of de vrouw niet zelf geheel in haar behoeften kan voorzien. Vgl. De Boer, a.w., nr. 621.

12. Wat de niet-financiële omstandigheden betreft heeft het hof rekening gehouden met (a) de korte duur van de samenwoning van partijen, en (b) het feit dat de vrouw er zelf voor kiest illegaal in Nederland te verblijven, met als gevolg dat zij niet kan werken en geen uitkering kan ontvangen. Het hof mocht bij de beoordeling van de vraag of en, zo ja, hoeveel alimentatie aan de vrouw behoort te worden toegekend, belang hechten zowel aan de onder (a) bedoelde objectieve omstandigheid (vgl. HR 12 december 1975, NJ 1976, 573 nt. EAAL) als aan de onder (b) bedoelde subjectieve omstandigheid (vgl. HR 19 juni 1981, NJ 1981, 457).

13. Middel III en IV bestrijden het oordeel van het hof om rekening te houden met de onder (b) bedoelde omstandigheid als onjuist en onbegrijpelijk.

14. Middel III, dat zich beroept op HR 14 november 1997, NJ 1998, 112, faalt reeds omdat het berust op een onjuiste lezing van die uitspraak. De passage uit de uitspraak waarop het middel een beroep doet, betreft niet een oordeel van de Hoge Raad, maar de weergave een in die zaak voorgesteld cassatiemiddel.

15. Middel IV kan evenmin doel treffen. Het hof heeft op grond van de overweging dat de vrouw tot haar komst naar Nederland in Suriname als coupeuse in haar eigen levensonderhoud heeft voorzien en dat niet is gebleken dat zij bij terugkomst niet weer als zodanig aan de slag zou kunnen gaan, geoordeeld dat de consequenties van de keuze van de vrouw om illegaal in Nederland te blijven (en dat de vrouw dus niet kan werken en geen uitkering kan ontvangen) voor haar rekening dienen te blijven en niet afgewenteld dienen te worden op de man. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof mocht met deze factor rekening houden bij de beoordeling van de vraag of en, zo ja, hoeveel alimentatie aan de vrouw behoort te worden toegekend (vgl. HR 19 juni 1981, NJ 1981, 457). Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Overigens was het hof vrij om rekening te houden met een mogelijk toekomstige omstandigheid (vgl. HR 12 maart 1999, NJ 1999, 384).

16. Ook middel V, dat opkomt tegen de beslissing van het hof om rekening te houden met de korte duur van de samenwoning van partijen, kan niet tot cassatie leiden. Anders dan het middel veronderstelt heeft het hof deze omstandigheid niet in aanmerking genomen ter bepaling van de omvang van de behoefte van de vrouw, maar, gezien ook r.o. 6, als een niet-financiële factor die meeweegt bij de beantwoording van de vraag of de man alimentatie verschuldigd is en, zo ja, tot welk bedrag. Dat stond het hof vrij. Vgl. Van Mourik en Verstappen, a.w., blz. 689.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,