Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH1994

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-04-2009
Datum publicatie
03-04-2009
Zaaknummer
08/00682
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2007:BC1631
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH1994
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht; geschil tussen voormalige echtelieden over limitering partneralimentatie (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 488
JWB 2009/115
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/00682

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 30 januari 2009

Conclusie inzake:

[De man]

tegen

[De vrouw]

Deze zaak betreft een verzoek tot beëindiging van partneralimentatie met toepassing van art. II van de Wet limitering alimentatie na scheiding en een subsidiair verzoek tot vermindering van alimentatie.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die het hof heeft vastgesteld. In het kort:

1.1.1. Verzoeker tot cassatie (hierna: de man) en verweerster in cassatie (hierna: de vrouw) zijn in 1970 met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk zijn drie kinderen geboren, onderscheidenlijk in 1971, 1973 en 1975. Het huwelijk is op 3 juni 1991 ontbonden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis van 16 april 1991.

1.1.2. In het echtscheidingsvonnis is bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw f 1.750,- dient te betalen.

1.1.3. De vrouw (geb. 1947) is alleenstaand. Gedurende het huwelijk had de vrouw, die na de geboorte van het eerste kind gestopt is met werken, de zorg voor het huishouden en de kinderen. Tijdens het huwelijk heeft zij geen betaalde baan gehad. De man (geb. 1947) werkte tijdens het huwelijk meer dan full time. Aangenomen kan worden dat de verdiencapaciteit van de vrouw hierdoor is beïnvloed.

1.1.4. Na de echtscheiding heeft de vrouw, die voor het huwelijk al gediplomeerd Z-verpleegkundige was, in de geestelijke gezondheidszorg werkzaamheden verricht. Om gezondheidsredenen en vanwege haar leeftijd kon zij deze werkzaamheden na enige tijd niet langer voortzetten. Zij vervult nu twee dienstbetrekkingen - op een parttime basis van 75 % - als activiteitenbegeleidster en als hulpverlenende in een begeleid zelfstandig wonen-setting.

1.1.5. Tussen partijen staat vast dat de vrouw recht heeft op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van de man, die in november 2012 65 jaar wordt.

1.1.6. De man is hertrouwd. Hij maakt met ingang van april 2006 gebruik van een regeling voor vervroegde uittreding. De nieuwe echtgenote van de man voorziet in haar eigen levensonderhoud.

1.2. Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen 30 maart 2006, heeft de man aan de rechtbank te Haarlem verzocht te bepalen dat zijn alimentatieverplichting eindigt per 3 juni 2006 (15 jaar na datum inschrijving echtscheidingsvonnis). Subsidiair heeft de man verzocht op grond van gewijzigde omstandigheden(1) de alimentatieverplichting te verminderen tot nihil. De man heeft ter onderbouwing gesteld dat de wijziging van omstandigheden bestaat in "het ontbreken van aan het huwelijk gerelateerde behoeftigheid"(2). Daarnaast heeft hij melding gemaakt van een verminderde financiële draagkracht sinds april 2006, toen hij in de V.U.T. ging: deze omstandigheid zou eveneens de verzochte vermindering tot nihil rechtvaardigen(3).

1.3. De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het primaire en het subsidiaire verzoek. Zij heeft gedetailleerde informatie verstrekt over haar inkomsten in 2006 (te weten: netto € 1.365,- uit arbeid en netto € 754,- uit alimentatie, tezamen netto € 2.119,- per maand) en haar uitgaven in dat jaar (vaste en variabele lasten in totaal € 1.942,- per maand)(4). Zij heeft gesteld dat bij toewijzing van het primaire verzoek van de man de inkomensvermindering zo ingrijpend voor haar zal zijn dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd. Mede door het gebrek aan continuïteit van werkzaamheden in de huwelijkse periode vanaf 1970, het gemis aan carrière en inmiddels ook door haar leeftijd is de vrouw niet in staat méér te gaan verdienen dan zij nu doet(5). Zij ziet geen grond voor vermindering van alimentatie, mede gelet op de draagkracht van de man en het feit dat de kinderalimentatie inmiddels is weggevallen als last voor de man.

1.4. Bij beschikking van 7 november 2006 heeft de rechtbank overwogen dat de inkomensachteruitgang van de vrouw door het wegvallen van de alimentatie inderdaad ingrijpend is. Niettemin was de rechtbank van oordeel dat de verzochte beëindiging niet zo ingrijpend is dat zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw mag worden gevergd. De rechtbank overwoog daaromtrent:

"(...) dat tussen partijen niet in geschil is dat destijds bij de vaststelling van de hoogte van de door de man te betalen uitkering voor de vrouw op een bedrag van f 1.750,- per maand, grotendeels bepalend is geweest dat de minderjarige kinderen van partijen bij de vrouw bleven en de vrouw geen eigen inkomen genoot. Hoewel inmiddels deze beide factoren zijn gewijzigd - de kinderen zijn zelfstandig gaan wonen, de vrouw is betaald werk gaan verrichten - heeft de man zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw niet opnieuw doen beoordelen. Dit heeft tot gevolg gehad dat de vrouw thans, naast de uitkering tot haar levensonderhoud van de man ad € 1.258,07 per maand, een bruto inkomen uit loondienst van ca. € 1.900,- per maand ontvangt. Gelet op de hoogte van dit eigen inkomen concludeert de rechtbank dat geen sprake meer is van een huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw na 15 jaar."

De rechtbank heeft het verzoek van de man toegewezen behalve voor wat betreft de ingangsdatum en bepaald dat de verplichting van de man tot betaling van een uitkering in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw zal zijn geëindigd met ingang van 1 december 2006.

1.5. De vrouw heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij beschikking van 15 november 2007 (LJN: BC1631) heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd en, opnieuw rechtdoende, op verzoek van de vrouw(6) bepaald dat de alimentatieverplichting van de man voortduurt tot 9 februari 2012, zijnde de dag waarop de vrouw de 65-jarige leeftijd zal bereiken, zonder de mogelijkheid verlenging van deze termijn te vragen. Ten aanzien van het primaire verzoek van de man was het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat in de gegeven omstandigheden de verzochte beëindiging met onmiddellijke ingang van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd (rov. 4.4 - 4.7). Het hof wees het primaire verzoek van de man daarom af. Gelet op het door de vrouw in hoger beroep ingenomen standpunt(7), heeft het hof bepaald dat de alimentatieverplichting van de man voortduurt tot de dag waarop de vrouw de leeftijd van 65 jaar zal bereiken (rov. 4.10).

1.6. Als gevolg van de devolutieve werking van het hoger beroep kwam het hof vervolgens toe aan het subsidiaire verzoek van de man tot vermindering van alimentatie. Het hof stelde vast dat de man de door de vrouw opgegeven staat van behoeften niet heeft betwist, anders dan met de stelling dat haar behoefte niet langer `huwelijksgerelateerd' is. Volgens het hof is dat niet een voldoende grond voor vermindering (rov. 4.8 - 4.9). Ook het subsidiaire verzoek werd daarom afgewezen.

1.7. Namens de man is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld(8). De vrouw heeft bij "verweerschrift, houdende bezwaar tegen wijzigingen van het verzoek" verzocht het beroep te verwerpen. De man heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaar tegen de veronderstelde wijziging.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Op grond van de Wet betreffende limitering van alimentatie na scheiding (WLA(9)) eindigt de onderhoudsverplichting van gewezen echtgenoten van rechtswege na het verstrijken van twaalf jaren (art. 1:157, leden 3 en 4, BW). Voor gevallen als het onderhavige, waarin vóór 1 juli 1994 een uitkering tot levensonderhoud door de rechter is toegekend, bevat art. II lid 2 WLA de volgende overgangsbepaling:

"Op verzoek van degene, die op grond van een vóór de inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken, beëindigt de rechter de verplichting, indien deze op of na dat tijdstip vijftien of meer jaren heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot de uitkering gerechtigd is kan worden gevergd. In dat geval stelt de rechter op verzoek van de tot uitkering gerechtigde alsnog een termijn vast. Bij de beoordeling hiervan houdt de rechter in ieder geval rekening met:

a. de leeftijd van degene die tot de uitkering gerechtigd is;

b. de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren;

c. de datum en de duur van het huwelijk en de mate waarin zulks de verdiencapaciteit van de betrokkenen heeft beïnvloed.

d. de omstandigheid dat de tot uitkering gerechtigde geen recht heeft op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van degene die tot de uitkering is gehouden.

De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de vastgestelde termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is. Het bepaalde in de eerste volzin kan niet tot gevolg hebben dat de uitkering eindigt binnen drie jaren na inwerkingtreding van deze wet."

2.2. In de beschikkingen van de Hoge Raad van 26 maart 1999, NJ 1999, 653 - 655 m.nt. S.F.M. Wortmann, is gewezen op het voor de onderhoudsgerechtigde ingrijpende karakter van een beslissing tot limitering die tot een aanmerkelijke inkomensterugval leidt. Aan een beslissing tot definitieve beëindiging van het recht op alimentatie moeten hoge motiveringseisen worden gesteld; daaraan doet niet af dat de WLA tot uitgangspunt heeft dat de alimentatieverplichting niet onbeperkt behoort voort te duren. In latere uitspraken is deze regel herhaald(10). Zoals het hof in rov. 4.4 vooropstelt, dienen bij deze toetsing aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid alle omstandigheden van het geval, zowel aan de zijde van de vrouw als aan de zijde van de man, in aanmerking te worden genomen en in onderling verband te worden gewogen. De discussie in de vakliteratuur over de vraag of deze rechtspraak ook betekenis heeft voor `nieuwe gevallen', dat wil zeggen gevallen waarin de alimentatieverplichting is vastgesteld na 1 juli 1994, kan in deze zaak blijven rusten(11).

2.3. Met betrekking tot de stelplicht geldt het volgende. Het is aan de tot onderhoud gerechtigde (in dit geval: aan de vrouw) om voldoende gemotiveerd te stellen dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd. Zo nodig dient zij de feiten waarop deze stelling steunt aannemelijk te maken. Echter, dit laatste geldt slechts voor zover het gaat om omstandigheden aan haar zijde. Daarentegen dient de alimentatieplichtige (in dit geval: de man) voldoende inzicht te geven in zijn financiële omstandigheden, opdat de rechter daarmee rekening kan houden bij de belangenafweging(12).

2.4. Voor de beoordeling van het subsidiaire verzoek tot vermindering van de alimentatie tot nihil geldt een andere maatstaf. Art. 1:401 lid 1 BW bepaalt - voor zover van belang voor deze zaak - dat een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud kan worden gewijzigd bij latere rechterlijke uitspraak, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (het zgn. beginsel van veranderlijkheid van alimentatie). De stelplicht met betrekking tot een wijziging van omstandigheden berust in beginsel bij de partij die wijziging van de vastgestelde alimentatie verzoekt. Ter beoordeling staat in de eerste plaats of de omstandigheden inderdaad gewijzigd zijn en in de tweede plaats of de alimentatie hierdoor heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen(13). De wettelijke maatstaven worden gevormd door enerzijds de financiële draagkracht van de alimentatieplichtige en anderzijds de behoefte van de tot onderhoud gerechtigde.

2.5. Paragraaf 1 van het cassatierekest vormt een inleiding en bevat geen klacht. Ik versta paragraaf 2 aldus dat onderdeel 2.1 (door verweerster aangeduid als: klachten A.1 - A.3) algemene klachten bevat, die worden aangevuld in de daarop volgende onderdelen. Onderdeel 2.2 (verweerster noemt dit: klacht B) is in het bijzonder gericht tegen de afwijzing van het primaire verzoek van de man tot limitering. Onderdeel 2.3 (verweerster noemt dit: klacht C) is gericht tegen de afwijzing van het subsidiaire verzoek van de man tot vermindering van de alimentatie.

2.6. Onderdeel 2.1 valt uiteen in twee klachten:

- Het hof miskent in rov. 4.4 e.v. dat de vraag of, en zo ja, in hoeverre de behoefte huwelijksgerelateerd is, wel degelijk van belang is voor de vraag of de alimentatieverplichting moet worden beëindigd.

-Het oordeel van het hof in rov. 4.9, dat het blijft uitgaan van de behoefte van de vrouw zoals die is gebleken, ook als die behoefte niet langer rechtstreeks verband houdt met het huwelijk, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Subsidiair, indien het hof de juiste rechtsregel niet heeft miskend, geeft de motivering volgens de klacht onvoldoende inzicht in de gedachtengang.

2.7. Ter toelichting op deze klachten heeft de man, samengevat, het volgende aangevoerd:

-Alleen de gewezen echtgenoot die niet erin slaagt door eigen inkomsten voldoende te voorzien in de kosten van levensonderhoud, kan aanspraak maken op alimentatie. In dit geval heeft de vrouw zelf voldoende inkomsten om in haar behoeften te voorzien; zij verdient meer dan het bedrag van de partneralimentatie (cassatierekest onder 2.1.1).

-De behoeftigheid kan niet worden beschouwd los van de huwelijksgerelateerde behoeften. De door de Hoge Raad aanvaarde redelijkheidstoets(14) vormt een waarborg dat geen wanverhouding ontstaat tussen het wensenpakket van de tot onderhoud gerechtigde en de alimentatieverplichting van de wederpartij (cassatierekest onder 2.1.2).

-De stelplicht ten aanzien van feiten waaruit voortvloeit dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de alimentatieverplichting na het verstrijken van 15 jaar voortduurt, rust op de vrouw. In dit geding heeft de vrouw daartoe onvoldoende gesteld. Zij heeft niet gesteld dat zij bijzondere kosten van levensonderhoud heeft, noch dat zij in een acute noodsituatie terecht dreigt te komen (cassatierekest onder 2.1.3).

2.8. Onderdeel 2.2 herhaalt de klacht met het argument, onder 2.2.1, dat wanneer alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen(15), het hof ook acht had behoren te slaan op de - volgens de man vaststaande - omstandigheid dat de behoeftigheid van de vrouw niet langer huwelijksgerelateerd is. De toelichting wijst erop dat partneralimentatie is bedoeld om een gewezen echtgenoot die zelf niet in het eigen levensonderhoud kan voorzien, gedurende zekere tijd (15 jaar voor `oude gevallen') zoveel mogelijk in dezelfde welstand te laten voortleven. Het hof miskent dat limitering na 15 jaar de hoofdregel is en het voortduren van de alimentatieplicht op de grond dat beëindiging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, de uitzondering. Volgens de klacht heeft de vrouw onvoldoende gesteld om een beroep op deze uitzondering te rechtvaardigen. In het cassatierekest onder 2.2.2 wordt geklaagd dat het oordeel van het hof niet voldoet aan de zware motiveringseisen die aan een afwijzing van een beëindigingsverzoek mogen worden gesteld. Onder 2.2.3 wordt geklaagd dat het hof eraan voorbij gaat dat, gegeven de stijging van inkomsten van de vrouw na de echtscheiding, de man al veel eerder vermindering van alimentatie had kunnen verzoeken.

2.9. Deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Behoeftigheid is een voorwaarde voor toekenning van alimentatie: de rechter kan aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toekennen (art. 1:157 lid 1 BW). De alimentatieverplichting vindt haar grondslag in de levensgemeenschap, zoals die door het huwelijk is geschapen. Deze gemeenschap behoudt haar werking in de vorm van een alimentatieplicht, ook al is de huwelijksband geslaakt(16).

2.10. Met het voorgaande is nog niet bepaald hoe groot de behoefte aan een uitkering tot levensonderhoud is. De behoefte is niet noodzakelijk beperkt tot het bedrag dat de betrokkene nodig heeft voor een (minimum-)levensstandaard overeenkomstig het voor hem of haar geldende niveau van een bijstandsuitkering. Wanneer een ex-echtgenoot alimentatie verzoekt en in dat verband opgave doet van zijn behoeften (d.w.z. van zijn/haar kosten van levensonderhoud tot een bedrag dat boven het niveau van een bijstandsuitkering ligt), kan deze opgave worden getoetst aan de maatstaf van de redelijkheid. Bij deze toetsing aan de redelijkheid speelt het niveau van de welstand waarin partijen tijdens hun huwelijk hebben geleefd mede een rol(17). Om die reden wordt wel gesproken van een `huwelijksgerelateerde behoefte'. Voor zover de betrokkene zelf over inkomsten beschikt, dan wel redelijkerwijs in staat moet worden geacht zich inkomsten te verwerven, worden deze inkomsten in mindering gebracht bij de vaststelling van de behoefte.

2.11. De term `huwelijksgerelateerde behoefte' komt in de wet niet voor. Deze term is in zwang geraakt in de feitenrechtspraak en is ook gebruikt in de memorie van toelichting op de WLA (waar het gaat om de regel voor `nieuwe gevallen'). De desbetreffende passage is in het cassatierekest geciteerd en luidt als volgt(18):

"De verantwoordelijkheid die men door het huwelijk op zich heeft genomen, houdt weliswaar een verplichting in om bij te dragen in het levensonderhoud van de andere partij, maar rechtvaardigt niet dat deze verplichting na beëindiging van de huwelijksband ongelimiteerd blijft bestaan. Bij het antwoord op de vraag hoe ver deze onderhoudsverplichting zich moet uitstrekken is mede richtinggevend de duur van de door het huwelijk bepaalde behoeftigheid. Door de verdeling van de taken in het huwelijk kunnen verschillen ontstaan in de maatschappelijke mogelijkheden. Zo kan de rol van de vrouw in het huwelijk en de zorg die zij op zich heeft genomen voor de kinderen in en na beëindiging van het huwelijk met zich brengen dat zij na het huwelijk aangewezen is op een bijdrage van de man. De huwelijksgerelateerde behoeftigheid zal vaak na zekere tijd zijn uitgewerkt. De omstandigheid dat de onderhoudsgerechtigde nog niet zelfstandig in zijn of haar levensonderhoud kan voorzien, kan dan niet meer aan het huwelijk worden toegekend [toegerekend?, noot A-G], maar kan voortvloeien uit andere maatschappelijke omstandigheden, bij voorbeeld de situatie op de arbeidsmarkt. (...)."

Zie ook de memorie van antwoord op de novelle, waarin dit laatste nader is toegelicht(19):

"Aan de hand van de concrete omstandigheden van partijen worden de mate waarin en de periode waarvoor dergelijke nadelen aan de kant van de ene echtgenoot redelijkerwijs kunnen worden toegerekend aan de andere echtgenoot, bepaald. Daarmede wordt ook de grens aangegeven tussen de privaatrechtelijke verplichting en de publieke zorg. Een tekort aan werkgelegenheid als algemeen maatschappelijk probleem kan niet worden afgewenteld op een privaatrechtelijke onderhoudsplicht. Evenwel een minder goede positie op de arbeidsmarkt die (mede) voortvloeit uit het huwelijk of de daarin aangehouden werkverdeling kan wèl leiden tot een voortgezette onderhoudsplicht van een gewezen echtgenoot."

2.12. In de vakliteratuur(20) is, m.i. terecht, gewaarschuwd dat het huwelijksgerelateerde karakter van de behoefte aan partneralimentatie twee verschillende elementen omvat. Aan de kant van de inkomsten gaat het om een oorzakelijk verband tussen de taakverdeling in het huwelijk en de verminderde verdiencapaciteit van de echtgenoot die de huishoudelijke taken en de verzorging van de kinderen op zich heeft genomen (dikwijls: de vrouw). Aan de kant van de uitgaven gaat het om de gewenning van echtgenoten aan een bepaald niveau van welstand. Van zo'n gewenning kan sprake zijn ook zonder dat oorzakelijk verband met een verminderde verdiencapaciteit aanwijsbaar is. Een vaak gebruikt voorbeeld is dat van de directeur die met zijn secretaresse trouwt en jaren later van haar scheidt. Zij kan wellicht terstond weer als secretaresse aan de slag, maar is inmiddels aan een ander welstandsniveau gewend, dat de omvang van haar kosten van levensonderhoud mede bepaalt. Het onderscheid is van belang omdat de huwelijksgerelateerde behoefte hierdoor op verschillende tijdstippen kan eindigen. De termijn waarop van de onderhoudsgerechtigde verwacht mag worden dat zij haar uitgavenpatroon heeft aangepast aan een lager welstandsniveau valt niet per se samen met het moment waarop zij geen nadelige gevolgen voor haar verdiencapaciteit meer ondervindt van de taakverdeling tijdens het huwelijk. Wanneer een echtgenoot eenmaal een achterstand in carrièremogelijkheden heeft opgelopen als gevolg van een jarenlange afwezigheid op de arbeidsmarkt in een voor de carrière-opbouw cruciale periode, is het niet altijd mogelijk die achterstand in 12 of 15 jaar in te lopen.

2.13. In de onderhavige zaak is de behoeftigheid van de vrouw vastgesteld toen in 1991 het bedrag van de alimentatie werd vastgesteld. Het argument van de man in cassatie dat de vrouw niet langer behoeftig is omdat zij inkomsten uit arbeid heeft die hoger zijn dan de vastgestelde alimentatie(21), gaat niet op. Iedere door de rechter of in een overeenkomst vastgestelde alimentatie is het resultaat van de afweging van twee elementen: enerzijds de behoefte van de tot onderhoud gerechtigde, anderzijds de draagkracht van de alimentatieplichtige. Elk van beide geeft het maximum aan. De behoefte kan dus hoger zijn (geweest) dan de destijds vastgestelde alimentatie, indien de draagkracht als maximum heeft gefungeerd. Voor zover de man het standpunt ingang wil doen vinden dat na het verstrijken van 15 jaar de "nawerking" van de huwelijksband is uitgewerkt en de behoeftigheid van de vrouw naar een andere, los van de welstand tijdens het huwelijk staande maatstaf moet worden bepaald (bijv. aan de hand van het voor haar geldende bijstandsniveau), berust dat standpunt op een onjuiste rechtsopvatting.

2.14. Voor het oordeel dat de verzochte beëindiging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd (art. II lid 2 WLA), is niet vereist dat de vrouw stelt dat zij bijzondere kosten moet maken tot haar levensonderhoud, noch dat een noodsituatie dreigt te ontstaan. Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland geldende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken (art. 3:12 BW). In art. II lid 2 WLA zijn vier bijzondere aandachtspunten opgesomd. De stelplicht van de tot onderhoud gerechtigde kwam hiervoor al aan de orde. Aangenomen dat de verzochte beëindiging voor de tot onderhoud gerechtigde een aanmerkelijke terugval in inkomen tot gevolg heeft, zoals het hof - in cassatie onbestreden - heeft vastgesteld, dienen bij de beantwoording van de vraag of de beëindiging zo ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd, alle aangevoerde omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen(22).

2.15. Het hof heeft vastgesteld dat de draagkracht van de man toereikend is (rov. 4.1). Het gaat in cassatie alleen om de behoeften van de vrouw. Het hof heeft aandacht besteed aan de vier in art. II lid 2 WLA genoemde aandachtspunten. Het hof heeft gesignaleerd dat de man in hoger beroep heeft aangevoerd dat de vrouw geen grief zou hebben gericht tegen de vaststelling van de rechtbank dat er na 15 jaar geen sprake meer is van een huwelijksgerelateerde behoefte (rov. 4.3). Anders dan de man heeft het hof in de stellingname van de vrouw in hoger beroep gelezen - en mogen lezen - dat zij zich beriep op het bestaan van een huwelijksgerelateerde behoefte: volgens het hof kan worden aangenomen dat de verdiencapaciteit van de vrouw is beïnvloed door de taakverdeling tijdens het huwelijk van partijen (rov. 4.6). De enkele omstandigheid dat het de vrouw na de echtscheiding gelukt is betaald werk te vinden is met die vaststelling niet onverenigbaar.

2.16. Onderdeel 2.1, voor zover betrekking hebbend op de limitering, en onderdeel 2.2 stuiten hierop af. Het oordeel berust voor het overige op een waardering van de feiten die aan het hof is voorbehouden, en kan om die reden in cassatie niet op juistheid worden getoetst. De motivering is niet onbegrijpelijk. Weliswaar wijzen niet alle factoren in dezelfde richting - zo heeft de vrouw bijvoorbeeld een aanspraak op pensioenverevening, hetgeen vanaf de ingangsdatum van de pensioenuitkering tegen haar standpunt pleit -, maar daarmee heeft het hof uitdrukkelijk rekening gehouden.

2.17. De klacht onder 2.2.3 betreft het argument van de man dat hij heeft afgezien van het eerder indienen van een verzoek tot vermindering van de alimentatie in de veronderstelling dat de alimentatieverplichting na 15 jaar toch zou worden beëindigd. Wat daarvan zij, het stond het hof vrij bij de belangenafweging geen beslissende betekenis aan dit argument toe te kennen.

2.18. Onderdeel 2.3 heeft betrekking op de afwijzing van het subsidiaire verzoek tot wijziging. Het hof heeft hieromtrent overwogen:

"Dat de hiervoor vastgestelde behoefte niet langer gerelateerd zou zijn aan het in 1991 beëindigde huwelijk, is op zichzelf geen beslissende omstandigheid voor het al dan niet aannemen van behoefte op het tijdstip waarop die behoefte, zoals in dit geval opnieuw beoordeeld moet worden. Nu tegen de door de vrouw overgelegde staat van huidige behoeften door de man niet is opgekomen, maar hij volstaat met de verwijzing dat de behoefte niet meer huwelijksgerelateerd is, blijft het hof, ook als die behoefte niet langer rechtstreeks verband houdt met het huwelijk, uitgaan van de behoefte van de vrouw, zoals die is gebleken. Voor een nihilstelling op de enkele grond dat de behoefte niet langer huwelijksgerelateerd zou zijn, is dan ook geen reden." (rov. 4.9)

Het onderdeel klaagt dat het hof miskent dat het ontbreken van een huwelijksgerelateerde behoefte een relevante wijziging van omstandigheden oplevert, behoudens door de vrouw te stellen en zo nodig te bewijzen bijzondere omstandigheden.

2.19. In cassatie is niet opgekomen tegen het oordeel in rov. 4.1, dat de draagkracht van de man geen punt van discussie is. Daarom kan thans in het midden blijven of het verzoek in eerste aanleg mede was gebaseerd op een verminderde financiële draagkracht van de man.

2.20. Het aan de cassatierechter voorgelegde probleem is m.i. ontstaan door de wijze waarop in de feitelijke instanties is geprocedeerd. De man heeft in eerste aanleg aan zijn subsidiaire verzoek tot vermindering niet méér ten grondslag gelegd dan de stelling dat de behoefte van de vrouw niet langer `huwelijksgerelateerd' is. Die stelling sluit niet aan bij de maatstaf van art. 1:401 BW. In deze casus had de man bijvoorbeeld als wijzigingsgrond kunnen aanvoeren dat de behoefte aan alimentatie, waarvan is uitgegaan bij de vaststelling van de alimentatie in 1991, nadien is verminderd doordat de vrouw inmiddels inkomsten uit arbeid heeft. Een stelling van die strekking heeft het hof niet in het verzoek gelezen, noch behoeven te lezen.

2.21. In hoger beroep beroep heeft de man volstaan met de stelling dat uit de (in alinea 1.4 hiervoor) aangehaalde passage uit de beschikking van de rechtbank tussen partijen vaststond dat er na 15 jaar geen sprake meer is van een huwelijksgerelateerde behoefte aan een alimentatieuitkering. Deze stelling mist voldoende scherpte, zo begrijp ik de redenering van het hof. Indien de man van mening zou zijn dat de door de vrouw overgelegde staat van behoeften (de door haar opgegeven kosten van levensonderhoud) bepaalde vaste of variabele uitgaven omvat die de toetsing aan de redelijkheid niet althans niet langer kunnen doorstaan, omdat de vrouw voldoende tijd heeft gehad om te wennen aan een lager welstandsniveau dan tijdens het huwelijk, had hij dát kunnen aanvoeren. Indien de man van mening zou zijn dat het inkomen van de vrouw is terug te voeren op een onvoldoende inspanning van de vrouw om betaald werk te krijgen of op arbeidsmarktfactoren die niet in relatie staan tot de taakverdeling tijdens het huwelijk op de verdiencapaciteit van de vrouw, had hij dát kunnen aanvoeren. Zoals gezegd, heeft het hof in dit geval vastgesteld dat de verdiencapaciteit van de vrouw door de taakverdeling tussen de echtgenoten tijdens het huwelijk is beïnvloed. De beschikking van de rechtbank maakt dit niet anders, omdat de rechtbank zich slechts heeft uitgesproken over (de gronden voor) het primaire verzoek. Aan het subsidiaire wijzigingsverzoek is de rechtbank niet toegekomen. Het stond het hof niet vrij, zijn beslissing te baseren op rechtsgronden die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar verzoek ten grondslag zijn gelegd(23). Om deze reden falen ook de klachten tegen de beslissing op het subsidiaire verzoek.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Welke precies die omstandigheden waren, is voorwerp van geschil in cassatie. Om die reden ga ik hier wat uitgebreider op de stellingen van partijen in.

2 Inleidend verzoekschrift, blz. 3, petitum.

3 Inleidend verzoekschrift onder 12.

4 Prod. 8.a - 8.c bij het verweerschrift in eerste aanleg.

5 Verweerschrift in eerste aanleg, onder 27.

6 Vgl. HR 19 april 2002, NJ 2002, 315.

7 Zie rov. 3.2 en het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep, blz. 3.

8 Het cassatierekest bevat een voorbehoud tot aanvulling van het cassatiemiddel na ontvangst van het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep. Van dat voorbehoud is geen gebruik gemaakt.

9 Wet van 28 april 1994, Stb. 324, zoals gewijzigd bij wet van diezelfde datum, Stb. 325, in werking getreden op 1 juli 1994.

10 Zie laatstelijk: HR 12 oktober 2007, NJ 2007, 552.

11 Zie daarover inmiddels: HR 19 december 2008, LJN: BF3928.

12 HR 29 september 2006, NJ 2006, 535; HR 5 september 2003, NJ 2003, 618.

13 Het cassatierekest wijst in dit verband op HR 27 januari 1989, NJ 1989, 717 m.nt. EAAL. Zie laatstelijk: HR 14 september 2007, NJ 2007, 485.

14 In dit verband wijst het cassatierekest op HR 19 december 2003, NJ 2004, 140.

15 Het onderdeel verwijst naar: HR 16 maart 2007, NJ 2007, 308 m.nt. S.F.M. Wortmann.

16 O.a.: HR 14 november 1997, NJ 1998, 112; HR 9 februari 2001, NJ 2001, 216 m.nt. S.F.M. Wortmann.

17 O.a.: HR 19 december 2003, NJ 2004, 140.

18 MvT, Kamerstukken II 1985/86, 19 295, nr. 3, blz. 6.

19 MvA, Kamerstukken I 1993/94, 22 170, nr. 109a, blz. 2.

20 P.A.J.Th. van Teeffelen, Huwelijksgerelateerde behoefte bij alimentatie?, EB 1999/6.

21 Cassatierekest blz. 3.

22 Dit is voor het hof (rov. 4.4) het uitgangspunt. Zie naast de reeds genoemde uitspraken ook: HR 28 januari 2000, NJ 2000, 392 m.nt. S.F.M. Wortmann.

23 Zie onder meer: HR 1 oktober 2004, NJ 2005, 92.