Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH1987

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-04-2009
Datum publicatie
10-04-2009
Zaaknummer
08/01831
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH1987
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over beëindiging partneralimentatie (81 RO)

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 517
JWB 2009/136
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 08/01831

Mr. Wuisman

Parketdatum: 30 januari 2009

CONCLUSIE inzake:

[De man],

eiser tot cassatie,

advocaat: mr P. Garretsen,

tegen

[De vrouw],

verweerster in cassatie,

niet verschenen.

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan((1)):

(i) Partijen - hierna afzonderlijk ook de vrouw resp. de man te noemen - zijn op 12 november 1981 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren. Bij beschikking van 4 december 2002 heeft de rechtbank Almelo de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 13 januari 2003 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

(ii) Partijen hebben op 19 september 2002 een echtscheidingsconvenant gesloten, waarin zij onder meer zijn overeengekomen dat de man met ingang van 1 november 2002 zal bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw tot een bedrag van € 1.000,- per maand.

(iii) Bij beschikking van 15 januari 2003 heeft de rechtbank Almelo bepaald dat het echtscheidingsconvenant deel uitmaakt van die beschikking en de man veroordeeld om, vanaf de dag dat de echtscheiding van kracht is geworden, de vrouw een onderhoudsbijdrage van € 1.000,- per maand te betalen. Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2007 ingevolge de wettelijke indexering € 1.064, 42 per maand.

(iv) Partijen hebben tijdens hun huwelijk gezamenlijk een onderneming gedreven, een eenmanszaak genaamd "[A]". Bij het echtscheidingsconvenant zijn partijen onder andere overeengekomen dat deze onderneming aan de man en de echtelijke woning aan de vrouw zal worden toegescheiden.

(v) De man heeft de onderneming per 31 december 2005 aan WWW.BOEKEN.NL.B.V. (hierna: Boeken.nl) overgedragen voor een koopsom van € 78.000,-. Ter zake van de koopsom is overeengekomen, dat ter voldoening daarvan aan de man gedurende tien jaren een maandelijkse lijfrente van € 756,- (op jaarbasis € 9.072,-) zal worden uitbetaald. De eerste maandelijkse termijn van € 756,- is voldaan op 1 februari 2006. De man is verder met ingang van 1 februari 2006 voor elf maanden bij Boeken.nl in dienst getreden. Na afloop van dit dienstverband heeft de man drie maanden een WW-uitkering ontvangen. Vanaf april 2007 ontvangt de man een bijstandsuitkering.((2))

(vi) De man woont in bij zijn nieuwe partner en een dochter van hem huurt van hem de door hem gehuurde woning voor € 150,- per maand. De lasten van de man bedragen per maand € 55,- aan huur (huurtermijn ad € 205,- minus inkomsten uit onderhuur ad € 150,-) en € 5,- aan premie begrafenisverzekering.

(vii) De vrouw, geboren op 11 juli 1954, is alleenstaand. De vrouw heeft een dienstverband voor 12 uur per week bij zorgwinkel Livio te Enschede. Sinds maart 2007 ontvangt zij een ziektewetuitkering van € 420,- per maand die wordt aangevuld met een bijstandsuitkering.

1.2 Bij een op 12 januari 2007 ter griffie van de rechtbank Almelo binnengekomen verzoekschrift heeft de man verzocht de beschikking van de rechtbank d.d. 15 januari 2003 te wijzigen en de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw vast te stellen op nihil althans op een lager bedrag dan € 1.000,- per maand. Als grond voor dit verzoek voert de man aan dat hij wegens wijziging van omstandigheden aan zijn zijde, bestaande uit terugval van inkomsten, niet meer in staat is aan de in 2002 overeengekomen alimentatieverplichting te voldoen.

De vrouw is in eerste aanleg niet verschenen. Bij beschikking van 28 februari 2007 heeft de rechtbank Almelo de beschikking van 15 januari 2003 gewijzigd en de daarin vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw vastgesteld op nihil.

1.3 De vrouw is in beroep gegaan bij het hof Arnhem. Zij verzoekt het hof de beschikking van de rechtbank te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de man af te wijzen, althans te beslissen zoals het hof juist acht. De vrouw voert aan dat er geen noodzaak bestond voor de man de onderneming te verkopen en dat, voor zover de resultaten van de onderneming achteruit zijn gegaan, de oorzaak daarvan gelegen is in het feit dat de man niet aan de onderneming gerelateerde activiteiten is gaan ontplooien. Deze verlegging van de activiteiten dient volgens de vrouw niet ten koste van haar te gaan. ((3))

De man voert verweer en verzoekt het hof de verzoeken van de vrouw af te wijzen althans haar daarin niet-ontvankelijk te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen. De man is van mening dat de vrouw in staat moet zijn zelf in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw heeft een parttime dienstverband dat zij redelijkerwijs zou kunnen uitbreiden, waardoor zij alsnog volledig zelf in haar levensonderhoud kan voorzien. Verder zet de man zijn redenen tot verkoop van de onderneming uiteen.((4))

1.4 Na een mondelinge behandeling op 2 oktober 2007, waarbij met name de vrouw nadere informatie verstrekt over haar inkomsten op dat moment en de (on)mogelijkheid om meer arbeid te gaan verrichten, beslist het hof bij beschikking d.d. 29 januari 2008 aldus dat het de beschikking van de rechtbank Almelo van 28 februari 2007 vernietigt, de beschikking van de rechtbank Almelo van 15 januari 2003 wijzigt in die zin dat de daarin vastgestelde bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw voor de periode van 1 maart 2007 tot 1 mei 2008 op nihil wordt vastgesteld en het meer of anders verzochte afwijst. Daartoe neemt het hof in aanmerking, kort gezegd, dat er aan de zijde van de man sprake is van een wijziging van omstandigheden die noopt tot een nieuwe beoordeling van de draagkracht van de man en de behoefte bij de vrouw, dat de vrouw nog behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud van € 1.064,42, dat het inkomensverlies van de man voor de periode maart 2007 tot mei 2008 onherstelbaar is en diens totale inkomen bij betaling van de vigerende bijdrage dan wel enig andere bijdrage beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm zou zakken, zodat hij voor die periode geen in aanmerking komende draagkracht heeft, maar dat de man geacht kan worden vanaf 1 mei 2008 in staat te zijn weer het oorspronkelijke inkomen te verdienen en dat dit ook van hem kan worden gevergd.

1.5 De man stelt tijdig((5)) cassatieberoep tegen de beschikking van het hof in. Voor de vrouw heeft zich geen advocaat gesteld.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1 De man heeft twee cassatiemiddelen voorgedragen.

cassatiemiddel I

2.2 In cassatiemiddel I wordt rov. 4.3 uit 's hofs beschikking bestreden. Daarin komt het hof tot de slotsom: "Dat de vrouw behoefte heeft aan een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van thans € 1.064,42 staat gezien het vooroverwogene vast." Dat vooroverwogene houdt, behalve de vermelding in rov. 3.9 dat de vrouw een dienstverband voor 12 uur heeft bij zorgwinkel Livio te Enschede en zij sinds maart 2007 een ziektewetuitkering ontvangt van € 420,- per maand die met een bijstandsuitkering wordt aangevuld((6)), het volgende in: "De vrouw heeft voldoende gemotiveerd aangevoerd dat zij vanwege de problemen met haar zoon (schizo-affectief) en haar eigen problematiek thans geen inkomen boven het bijstandsniveau kan verwerven. Zij heeft aangevoerd op afzienbare termijn weer te willen werken en haar uren bij Livio te willen uitbreiden om zo haar financiële zelfstandigheid uit te breiden. De man heeft in het licht van dit gemotiveerde verweer zijn stelling dat de vrouw niet meer behoeftig is niet verder onderbouwd. Tegen deze achtergrond acht het hof voldoende aannemelijk dat de vrouw thans alles doet wat in haar vermogen ligt om zelfstandig in haar levensonderhoud te voorzien, maar daarin nog niet is geslaagd."

2.3 De kern van de bestrijding van rov. 4.3 is te vinden in 5.3 en in de slotzin van 5.4 van het middel. Het daar gestelde komt hierop neer dat met de ziektewetuitkering en de aanvullende bijstandsuitkering geheel in de behoefte van de vrouw wordt voorzien. Immers, hetgeen de vrouw boven de bijstandsuitkering zal ontvangen, wordt aanstonds gekort of verhaald.

2.4 Hier wordt in de eerste plaats uit het oog verloren dat een bijstandsuitkering uit de Wwb, evenals een uitkering uit de vroegere Awb, ten opzichte van een bijdrage van de onderhoudsplichtige een subsidiair of aanvullend karakter draagt. Tegenover de alimentatieplichtige wordt de Wwb-uitkering buiten aanmerking gelaten bij de bepaling van de behoefte van de alimentatiegerechtigde, zodat die uitkering niet in de weg staat aan het vorderen van alimentatie.((7)) Verder wordt miskend dat voor de bepaling van de hoogte van de behoefte van een alimentatiegerechtigde niet maatgevend zijn de voor bijstand geldende maxima.

2.5 In 5.5 wordt eraan voorbij gezien dat wens van de vrouw om meer te werken dan pas als relevant voor vermindering van haar behoefte kan worden beschouwd, wanneer aan die wens werkelijk uitvoering kan worden gegeven. Het hof beslist niet onbegrijpelijk dat daarvan nog geen sprake is.

2.6 De klacht in 5.6 is te onduidelijk of onspecifiek om deze nader in beschouwing te kunnen nemen.((8))

2.7 Datgene in het cassatiemiddel waarbij hiervoor niet apart is stilgestaan, biedt geen aanknopingspunt voor cassatie, omdat daarin geen dan wel geen zelfstandige klacht voorkomt of besloten ligt.

cassatiemiddel II

2.8 Cassatiemiddel II is gericht tegen de rov. 4.5 en 4.6 van de beschikking van het hof, in welke overwegingen het hof de draagkracht van de man beoordeelt. Bestreden wordt het oordeel van het hof dat de man geacht kan worden vanaf 1 mei 2008 weer in staat te zijn, zijn oorspronkelijke inkomen te verdienen. In 6.1 en 6.2 liggen twee klachten tegen dit oordeel besloten.

2.9 De eerste klacht houdt in dat het feit dat de man in maart 2007 een WW-uitkering genoot en het feit dat hij vanaf 1 april 2007 een bijstandsuitkering geniet, aan de verstrekking waarvan ten grondslag ligt een toets of de man anderszins inkomen kan genereren, zich verzetten tegen de aanname of verwachting van het hof dat de man in staat moet worden geacht in de naaste toekomst het oorspronkelijke inkomen te verwerven en dat de vrouw dit ook van hem kan vergen.

Deze klacht stuit op het volgende af. De beschikking van het hof is van 29 januari 2008. Het hof maakt op dat moment een inschatting van wat de verdiencapaciteit van de man per 1 mei 2008 redelijkerwijs kan zijn. Waarom de WW-uitkering in maart 2007 daaraan in de weg zou staan, valt in het geheel niet in te zien. Maar ook in het feit dat de man ten tijde van het uitspreken van de beschikking bijstandsuitkeringen genoot, hoefde het hof geen aanleiding te vinden om van zijn inschatting af te zien. Gesteld noch gebleken is dat aan de bijstandsuitkeringen, die de man tot de datum van de beschikking genoot, een toets ten grondslag lag van wat de man vanaf mei 2008 zou kunnen verdienen. Bovendien gaat het bij de verstrekking van een bijstandsuitkering aan de man om een andere verhouding dan die waarin het gaat om de verstrekking door de man van een onderhoudsbijdrage aan de vrouw. Deze laatste verhouding tussen twee andere personen kent een eigen voorgeschiedenis en ziet op andere belangen. De vraag wat en hoeveel van de man redelijkerwijs kan worden gevergd om inkomsten te verwerven, vindt daardoor niet in beide verhoudingen een beantwoording op dezelfde voet.

2.10 De tweede klacht houdt in dat het hof in rov. 4.5 ten onrechte van oordeel is dat "de man geen concrete omstandigheden heeft gesteld die aan zijn huidige verdiencapaciteit in de weg staan". Gesteld wordt dat de man "zijn persoonlijke problematiek heeft geduid (rugklachten en psychische problematiek)". Hiermee wordt gedoeld op de feiten, die door de man op blz. 2 onder b en c van het verweerschrift in appel worden genoemd als feiten die geleid hebben tot de verkoop van de onderneming. Het daar gestelde noopte het hof niet anders te oordelen dan het heeft gedaan. Er is niet gesteld of gebleken dat de psychische problemen((9)) en de rugklachten in mei 2008 aan het verrichten van (andere) arbeid, waarmee het oorspronkelijke inkomen weer zou kunnen worden genoten, in de weg stonden.

3. Conclusie

Nu beide voorgedragen cassatiemiddelen geen doel treffen, strekt de conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. Ontleend aan hetgeen onder 2 en 3 van de in cassatie bestreden beschikking wordt vermeld.

2. Zie rov. 4.6 van de beschikking van het hof.

3. Zie het beroepschrift van de vrouw d.d. 24 mei 2007 (§3a).

4. Zie het verweerschrift in hoger beroep van de man d.d. 22 juni 2007 (ad grief 3a).

5. Het verzoekschrift is op 29 januari 2008 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen.

6. Aangenomen mag worden dat hier bedoeld wordt een bijstandsuitkering uit de Wet werk en bijstand (Wwb), die - (grotendeels; zie artikel 72 van de Invoeringswet Wwb d.d. 9 oktober 2003, Stb. 2003, 376) - op 1 januari 2004 in de plaats van de Algemene bijstandswet (Abw) is getreden.

7. Zie in dit verband Asser/De Boer, nr. 621: "Een bijstandsuitkering daarentegen heeft geen invloed op de behoeftigheid; de plicht van de gemeente heeft een subsidiair, aanvullend karakter ten opzichte van de alimentatieplicht (...)", en nr. 1031: "De behoeftigheid eindigt niet indien bijstand door de overheid wordt verleend (...). Nog minder zal de voor ieder openstaande mogelijkheid van beroep op de Wet werk en bijstand de behoeftigheid uitsluiten." Zie voorts onder meer: HR 21 november 1986, NJ 1987, 601 (EAAL), rov. 3.3; HR 24 juli 1989, NJ 1989, 821, rov. 3; HR 28 februari 1997, NJ 1997, 306, rov. 3.3.

8. Er valt niet een klacht in te lezen over de betekenis van de ziektewetuitkering van de vrouw voor haar behoefte en de door de man te betalen uitkering.

9. Het rapport van het psychologisch onderzoek, dat als productie 1 bij het verweerschrift is gevoegd, bevindt zich niet in het in cassatie overgelegde procesdossier.