Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH1542

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-04-2009
Datum publicatie
10-04-2009
Zaaknummer
07/11302
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH1542
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Overeenkomstenrecht. Geldlening; bewijskracht onderhandse akten (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 520
JWB 2009/135
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 07/11302

Mr. Huydecoper

Zitting van 30 januari 2009

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

[Verweerster]

Feiten en procesverloop

1. Uit het in dit cassatiegeding bestreden arrest blijken de volgende feiten(1):

a) De verweerster in cassatie, [verweerster], is op huwelijkse voorwaarden getrouwd met [betrokkene 1]. De huwelijkse voorwaarden houden een regeling in die wel als "koude uitsluiting" pleegt te worden aangeduid. Onder meer wordt expliciet bepaald dat elke echtgenoot alleen voor de eigen schulden aansprakelijk is.

b) [Verweerster] en [betrokkene 1] zijn bij een verstekvonnis van 13 december 2002 veroordeeld om aan de eiser tot cassatie, [eiser], € 128.000, - (exclusief de gebruikelijke nevenvorderingen) te betalen.

c) Het verstekvonnis van 13 december 2002, de daaraan voorafgaande inleidende dagvaarding van 22 oktober 2002 en een proces-verbaal van beslaglegging op de woning van [verweerster] van 21 februari 2003, zijn bij de betekening daarvan uitgereikt aan [betrokkene 1]. Geen van deze stukken is aan [verweerster] in persoon betekend.

d) In januari 2004 is aan [betrokkene 1] en [verweerster] meegedeeld dat zou worden overgegaan tot openbare verkoop van het executoriaal in beslag genomen woonhuis.

e) [Verweerster] heeft [eiser] vervolgens op 24 februari 2004 in kort geding gedagvaard. Dit kort geding heeft geleid tot schorsing van de executie van het verstekvonnis jegens [verweerster].

2. Het verstekvonnis berustte op de gronden dat [eiser] aan [betrokkene 1] en [verweerster] geld zou hebben geleend en dat het geleende bedrag e.a. niet zouden zijn (terug)betaald.

Na de zojuist in alinea 1 vermelde verwikkelingen heeft [verweerster] bij dagvaarding van 9 maart 2004 tegen het verstekvonnis verzet gedaan. Het verzet steunde onder meer op de gronden dat [betrokkene 1] zonder toereikende volmacht van [verweerster], mede namens haar een geldleningsovereenkomst met [eiser] was aangegaan. In het geding gebrachte, en beweerdelijk ook door [verweerster] ondertekende stukken, namelijk een schuldbekentenis en twee volmachten, zouden haar onbekend zijn. De op deze stukken geplaatste handtekeningen zouden niet van haar afkomstig zijn.

3. In de eerste aanleg oordeelde de rechtbank dat [verweerster] tijdig verzet had gedaan en dat zij daarin dus behoorde te worden ontvangen; en dat de bewijslast ten aanzien van de echtheid van de eerder aangeduide stukken (in het bijzonder: in dier voege dat de handtekeningen daarop inderdaad van [verweerster] waren) rustte op [eiser]. Er werd hem dus een bewijsopdracht verstrekt. Na bewijslevering werd het bewijs als onvoldoende beoordeeld. Het verzet van [verweerster] slaagde dus.

In hoger beroep heeft het hof de beslissingen van de rechtbank bekrachtigd.

4. Namens [eiser] is tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld(2). [Verweerster] heeft laten concluderen tot verwerping. Van de kant van [eiser] is het cassatieberoep schriftelijk toegelicht. Aan de kant van [verweerster] is van schriftelijke toelichting afgezien.

Bespreking van het cassatiemiddel

5. Ik bespreek de klachten van het middel in de volgorde waarin die worden voorgesteld.

Onderdeel 1 van het middel (vervat in alinea's 1 en 1.2 van de cassatiedagvaarding) begrijp ik aldus, dat het er in wezen toe strekt dat het hof zonder voor dat oordeel een dragende motivering te geven, voorbij zou zijn gegaan aan de argumenten van de kant van [eiser] die erop gericht waren dat [verweerster] op een zodanig eerder tijdstip van het tegen haar gewezen verstekvonnis kennis had, dat haar verzet als tardief moet worden aangemerkt(3).

6. Dit onderdeel behelst, voor zover ik het begrijp, dat namens [eiser] een grief zou zijn ingebracht waarin met verwijzing naar de (in eerste aanleg afgelegde) getuigenverklaringen zou zijn betoogd dat het [verweerster] bekend moest zijn dat zij en haar echtgenoot in rechte zijn aangesproken (en dat het hof ten onrechte aan deze grief voorbij zou zijn gegaan).

De klacht geeft niet aan wáár de grief waar de klacht op doelt, in de stukken kan worden aangetroffen. Hij vermeldt ook niet welke (passages uit) getuigenverklaringen, het beweerdelijk in deze grief aangevoerde zouden ondersteunen(4). Daarmee voldoet de klacht niet aan de in art. 407 lid 2 Rv. besloten liggende eisen waaraan een klacht in cassatie moet voldoen. Ik herinner er aan dat die eisen niet een kwestie van formalisme zijn, maar er op berusten dat verweer in cassatie niet goed mogelijk is als geen duidelijke en voldoende gepreciseerde klachten zijn aangevoerd (en dat het honoreren van cassatieberoepen op grond van klachten die niet aan deze maatstaf voldoen daarom tekort zou doen aan het recht van de desbetreffende partij om zich naar behoren te kunnen verweren).

7. Ik merk ten overvloede nog op dat de stelling waar de klacht op doelt - aan [verweerster] zou bekend zijn dat zij en haar echtgenoot in rechte zijn aangesproken - mij irrelevant voorkomt. Aan die stelling kan immers niet de gevolgtrekking worden verbonden dat [verweerster] ook bekend was met het mede tegen haar gewezen verstekvonnis, terwijl van een gedraging van [verweerster] waaruit de bedoelde bekendheid zou volgen(5) al helemaal geen sprake is.

Daarom zou het hof, ware een stelling van deze strekking wel aangevoerd, daaraan geredelijk voorbij hebben kunnen gaan.

8. Ook onderdeel 2, vervat in alinea's 2 en 2.1 van de cassatiedagvaarding, is gericht op het betoog van de kant van [eiser] dat ertoe strekte dat [verweerster] niet tijdig verzet had gedaan. In dit onderdeel wordt opnieuw naar een aantal stellingen verwezen die dit betoog zouden ondersteunen, en wordt het hof verweten daaraan (zonder draagkrachtige motivering) voorbij te zijn gegaan.

9. Hier is echter het met betrekking tot onderdeel 1 opgemerkte van overeenkomstige toepassing: uit het middelonderdeel blijkt niet waar de daarin aangehaalde stellingen in de stukken zijn te vinden (en bij het doornemen van de stukken heb ik, voeg ik volledigheidshalve toe, het merendeel van de hier opgeworpen stellingen ook niet aangetroffen)(6). Verder geldt ook hier dat de stellingen waarnaar dit onderdeel verwijst geen van alle opleveren dat aan [verweerster] enige daad kan worden toegerekend waaruit van haar bekendheid met het verstekvonnis zou voortvloeien; zodat ook deze stellingen, waren die wel aangevoerd, als irrelevant terzijde hadden kunnen worden gelaten.

10. Ik wil niet onvermeld laten dat een deel van het in dit onderdeel betoogde mij onbegrijpelijk voorkomt. Dat geldt bijvoorbeeld voor de derde subalinea van alinea 2.1: ik kan niet bevatten in welk opzicht het feit dat [verweerster]s echtgenoot (lang daarvoor) de als "eigendomspapieren" aangeduide stukken betreffende de woning van [verweerster] aan [eiser] zou hebben overhandigd, enig licht kan werpen op de vraag of [verweerster] pas verzet heeft ingesteld nadat stappen waren gezet om tot executoriale verkoop van de woning te geraken.

Ik laat dan maar daar, dat uit de in de procedure vastgestelde gang van zaken onontkoombaar naar voren komt dát het verzet pas is gedaan nadat de bedoelde executie was aangekondigd, zodat moeilijk valt in te zien waarom [eiser] "deze stelling" zou willen of kunnen bestrijden (zoals in deze subalinea van het middel wordt geponeerd).

Ik ga ervan uit dat in art. 407 lid 2 Rv. ook mag worden "ingelezen" dat cassatieklachten aan de wetten van elementaire logica moeten beantwoorden. Met het oog daarop merk ik deze klacht ook in zoverre als ondeugdelijk aan.

11. In dit onderdeel wordt nog geklaagd dat het hof zonder nader onderzoek zou hebben aangenomen dat een passage uit de getuigenverklaring van [betrokkene 2] (de in het onderdeel bedoelde broer van [verweerster]s (ex-)echtgenoot) van een vergissing blijk geeft. Het hof heeft in rov. 5.4 op plausibele gronden uiteengezet waar deze gevolgtrekking op berust. Het valt niet in te zien hoe of waarom in dit opzicht "nader onderzoek" van de rechter zou kunnen worden gevergd.

12. Onderdeel 3, uitgewerkt in alinea's 3 en 3.1 van de cassatiedagvaarding, klaagt in wezen dat [eiser], anders dan het hof heeft aangenomen, niet de bewijslast droeg van het door [verweerster] betwiste gegeven dat de handtekeningen op een aantal stukken betreffende de lening waarop [eiser] een beroep deed, van haar afkomstig waren(7).

13. Volgens art. 159 lid 2 Rv. levert een onderhandse akte geen bewijs op wanneer de partij tegen welke de akte dwingend bewijs zou opleveren de ondertekening stellig ontkent, zolang niet bewezen is van wie de handtekening afkomstig is.

Ofschoon men zou kunnen beweren dat de wettekst niet precies aangeeft op welke partij dan de bewijslast terzake van de afkomst van de handtekening rust, ligt in de strekking van de bepaling wel besloten dat dat de partij is die zich op de bewijskracht van de akte wil beroepen; en zo wordt de bepaling dan ook bestendig uitgelegd(8).

14. Het arrest HR 15 januari 1993, NJ 1993, 179, waarop dit middelonderdeel een beroep doet, zou volgens mij inderdaad zo gelezen kunnen worden dat daarin een andere bewijslastverdeling is aanvaard. Blijkens de zojuist aangehaalde bronnen mag die strekking echter niet aan dit arrest worden toegekend: de daar aanvaarde regel ziet op het geval dat niet de echtheid van de handtekening onder een akte wordt betwist, maar dat de betwisting de "echtheid" van de tekst (inhoud) van de akte betreft.

De door het hof aanvaarde bewijslastverdeling sluit aan bij de in de vorige alinea aangehaalde bronnen. Daarom denk ik dat het middel zich daar tevergeefs tegen keert.

15. Onderdeel 3 klaagt verder dat het hof geen aandacht heeft besteed aan een namens [eiser] gedaan beroep op art. 1:92 BW. Ik denk dat het hof dit argument onbesproken heeft gelaten omdat het van oordeel was dat art. 1:92 BW ziet op (heel) andere gevallen dan er in deze zaak aan de orde waren. Er is in deze zaak immers geen sprake van mogelijke onduidelijkheid over de vraag wie van de betrokken echtgenoten het bestuur over een bepaald goed had, en ook niet van tijdens het huwelijk ontstane vermogensverschuivingen.

Het oordeel dat ik hier aan het hof toedenk, lijkt mij juist. De klacht verdient daarom niet te slagen.

16. De klachten van onderdeel 4, uitgewerkt in alinea's 4 en 4.1 van de cassatiedagvaarding, heb ik niet kunnen begrijpen. Wat daar overigens van zij, deze klachten bestrijden een overweging van het hof die logisch houdbaar en ook overigens goed te begrijpen is: het hof leest in de namens [eiser] voorgestelde Grief IV geen klachten die ertoe strekken dat [verweerster] wél volmacht zou hebben verleend, maar alleen argumenten die ertoe strekken dat [eiser] mocht vertrouwen op de schijn dat er volmacht was verleend. De vaststelling van de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat er volmacht was verleend, moet dan als (onbetwist) gegeven worden aanvaard.

Daar is geen speld tussen te krijgen.

17. Onderdeel 5, uitgewerkt in de alinea's 5 en 5.1 van de cassatiedagvaarding, poneert dat 's hofs oordeel over [eiser]' beroep op toerekenbare schijn van volmacht (op de voet van art. 3:61 lid 2 BW) van schending van het recht blijk zou geven; maar het middelonderdeel geeft niet of nauwelijks aan waarop deze stelling berust. Wat de klacht wel aanvoert, is volgens mij als onderbouwing voor deze stelling onvoldoende.

18. Ik lees in de klacht namelijk (niet méér dan):

- dat [verweerster]s echtgenoot [eiser] zou hebben verteld waar [verweerster] werkzaam was(9);

- dat [verweerster] met [betrokkene 1] getrouwd was; en

- dat [betrokkene 1] in het bezit was van "eigendomspapieren"(10) van het pand [a-straat 1] te [plaats](11).

19. Aan deze gegevens kan men onmogelijk de gevolgtrekking verbinden dat [eiser] er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat [verweerster] volmacht had gegeven tot het verrichten van enige voor haar belastende rechtshandeling. Dat het hof die gevolgtrekking niet heeft willen maken is dan het tegendeel van onbegrijpelijk (en is natuurlijk ook niet met enige rechtsregel in strijd).

Aan de vraag of een vertrouwen aan de kant van [eiser] met het oog op aan [verweerster] toe te rekenen feiten gerechtvaardigd zou kunnen zijn, komen wij dan helemaal niet toe.

De klacht gaat al om die reden niet op.

20. Op verschillende plaatsen in het middel wordt aangevoerd dat het hof bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of van het EVRM zou hebben miskend, zonder dat verder wordt aangegeven, in welk opzicht dit het geval zou zijn. Aan deze klachten besteed ik geen afzonderlijke aandacht. Zij zijn uiteraard ongegrond, zowel omdat dergelijke klachten de precisie missen die klachten op grond van art. 407 lid 2 Rv. wél moeten hebben, alsook omdat bij het doornemen van het dossier niets aan het licht komt dat grond voor deze klachten zou kunnen opleveren. Het hof heeft in deze zaak zijn werk goed gedaan (en dat mag ook wel eens gezegd worden).

21. Uit het feit dat van de kant van [verweerster] is afgezien van schriftelijke toelichting lijkt mij op te maken dat voor het verweer in cassatie aanmerkelijk minder moeite en kosten zijn besteed dan wanneer, zoals gebruikelijk, wél schriftelijke toelichting zou zijn gegeven. (Ik herinner er, uiteraard ten overvloede, aan dat het inhoudelijke verweer aan de kant van de verweerder in cassatie bij conclusie van antwoord ongemotiveerd pleegt te zijn (wat ook in deze zaak het geval was); en dat de inhoudelijke argumenten aan de kant van de verweerder pas bij schriftelijke toelichting plegen te worden aangevoerd.)

Ik zou daarin aanleiding vinden om bij de kostenveroordeling een sterk verminderd bedrag aan salaris voor de advocaat te hanteren.

22. Ik meen dat de klachten in deze zaak geen vragen aansnijden die met het oog op de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling beantwoording behoeven.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping, met een beslissing omtrent de kosten zoals in alinea 21 aangegeven.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Het hof ontleent de feitenvaststelling (in rov. 1 van zijn arrest) aan de rov. 1.1-1.5 van een tussenvonnis uit de eerste aanleg van 9 maart 2005.

2 Het bestreden arrest is van 9 mei 2007. De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 9 augustus 2007.

3 Het middel - dat passim blijk geeft van de wel vaker aan het licht tredende misvatting dat een gerechtshof vrouwelijk zou zijn - leidt deze klacht in met een aantal argumenten gericht tegen 's hofs beoordeling van de feitenvaststelling uit de eerste aanleg. Deze feitenvaststelling heeft geen betrekking op (feiten die relevant zijn voor) de vraag of [verweerster] tijdig verzet heeft gedaan. De daartegen gerichte klachten zijn daarom irrelevant. Zij zijn overigens ook ongegrond, nu het hof aan de hand van een begrijpelijke uitleg van de partijstellingen tot de desbetreffende vaststellingen is gekomen.

4 Ik vermeld volledigheidshalve dat ik in de grieven ook geen doelgericht betoog van de in het middel omschreven strekking kan "inlezen" (zodat ik er begrip voor kan opbrengen dat het hof dat ook niet heeft gedaan); en dat de getuigenverklaringen die zich in het dossier bevinden ook geen in het oog lopende aanknopingspunten bevatten voor de stelling die deze klacht aanwijst.

5 Zie art. 143 lid 2 Rv. en bijvoorbeeld HR 23 september 2005, NJ 2005, 487, rov. 3.3 - 3.5. Ik maak de kanttekening dat dit arrest op uitleg van het "oude" art. 81 Rv. betrekking heeft. Zie voor het "nieuwe" recht bijvoorbeeld alinea 2.4 van de conclusie van A - G Wesseling-Van Gent voor het aangehaalde arrest; Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Von Schmidt auf Altenstadt, art. 143, aant. 14 en 15; Hugenholtz - Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 2006, nr. 141.

6 Ten dele betoogt het onderdeel overigens dat het zou gaan om vaststaande feiten, terwijl de desbetreffende feiten niet door de rechters van de feitelijke aanleg zijn vastgesteld (en die ook niet waren aangevoerd en niet weersproken, in welk geval een beroep op de zgn. "hypothetische feitelijke grondslag" denkbaar zou zijn, vgl. Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nr. 170; Asser, Civiele Cassatie, 2003, p. 40). Dat geldt bijvoorbeeld voor de stellingen dat [verweerster] in de relevante periode met haar echtgenoot samenwoonde en dat de woning van [verweerster] aan beide echtelieden zou toebehoren.

7 De klacht stelt merkwaardigerwijs voorop dat namens [eiser] zou zijn aangevoerd dat deze handtekeningen door [verweerster]s echtgenoot waren vervalst. Aangezien die stelling noodzakelijkerwijs met zich meebrengt dat de handtekeningen niet van [verweerster] afkomstig waren, valt niet goed in te zien waarom vervolgens (zoals de klacht blijkbaar wil verdedigen) toch nog bewijs van dat feit zou moeten worden bijgebracht. Men is geneigd te denken dat dat feit dan als onbestreden vaststaat.

8 HR 28 februari 1997, NJ 1997, 330, rov. 3.2 en 3.3 en alinea 2.12 van de conclusie van A - G Asser voor dit arrest, waar naar verdere vindplaatsen wordt verwezen; Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Rutgers, art. 159, aant. 2; T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Beenders, 2008, art. 159, aant. 2 en 4.

9 Volledigheidshalve wijs ik erop dat dit niet een door de rechters in de feitelijke instanties vastgesteld feit is. Voor zover ik heb kunnen nagaan was op dit feit in de eerdere instanties geen beroep gedaan. Het middelonderdeel geeft dan ook niet aan, waar dat gebeurd zou zijn.

10 Hiermee wordt vermoedelijk gedoeld op een kopie van de transportakte, door de inschrijving waarvan [verweerster] de eigendom verwierf (een dergelijke kopie was bij (het aanbrengen van) de verzetdagvaarding - dus nota bene van de kant van [verweerster] - in het geding gebracht).

Ik herinner er aan dat zo'n document via de openbare registers van het Kadaster kan worden geraadpleegd, en ook in kopie worden verkregen. Aan het feit dat iemand over een kopie van een dergelijk document beschikt kunnen, zonder dat van bijkomende aanwijzingen sprake is, in elk geval geen conclusies omtrent de zeggenschap of bevoegdheid van de betrokkene worden verbonden.

11 Dit is kennelijk de woning van [verweerster] waarvan elders in de stukken sprake is.