Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH1541

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
27-03-2009
Zaaknummer
08/00407
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH1541
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht (levering keukeninrichting); betaling openstaande facturen (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 468
JWB 2009/102
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 08/00407

Mr. Huydecoper

Zitting van 23 januari 2009

Conclusie inzake:

[Eiser],

eiser tot cassatie

tegen

Arkel Interieur Vormen B.V.,

verweerster in cassatie

1. Het gaat hier om een zaak die, volgens mij, voor afdoening op de voet van art. 81 RO in aanmerking komt; en waarin bovendien de cassatieklachten van dien aard zijn dat met een verkorte conclusie kan worden volstaan.

Feiten(1) en procesverloop

2. De eiser tot cassatie, [eiser], heeft aan de verweerster in cassatie, Arkel, opdracht gegeven voor levering van een keukeninrichting. Daarbij werd een prijs overeengekomen van € 15.357,- exclusief BTW. De opdracht is vastgelegd in een orderbevestiging van 21 april 2003. Deze bepaalt onder meer:

"levertijd: 2de week mei 2003 (woensdag-donderdag en vrijdag)

Betalingscondities:

1ste termijn: bij opdracht

2de termijn: bij aanvang stellen

3de termijn: na oplevering."

3. Nadat [eiser] de eerste termijn overeenkomstig Arkels factuur had betaald en Arkel de keuken(inrichting) in de tweede helft van mei 2003 had geplaatst, is tussen partijen geschil ontstaan over de betaling van Arkels verdere facturen en over een door [eiser] geclaimde boete wegens te late oplevering.

4. In de eerste aanleg heeft Arkel betaling gevorderd van het volgens haar verschuldigde factuurbedrag van in totaal € 9.691,36.

[eiser] beriep zich op ontbinding van de overeenkomst wegens tekortkomingen aan de kant van Arkel en vorderde boetebedragen omdat die volgens hem overeengekomen zouden zijn, en ook door Arkel zouden zijn verbeurd.

5. In de eerste aanleg heeft de rechtbank, na de nodige verwikkelingen, [eiser] veroordeeld tot betaling van € 7.140,-, en de vorderingen van [eiser] afgewezen.

In hoger beroep heeft het hof deze beslissing bekrachtigd.

6. Namens [eiser] is tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld(2). Tegen Arkel is verstek verleend. [eiser] heeft de middelen schriftelijk laten toelichten.

Bespreking van de cassatiemiddelen

7. Sub 1 - 1.2 klaagt het middel over rov. 6 van het bestreden arrest. Het middel voert aan dat zou vaststaan dat Arkel werkzaamheden die zij in de eerste termijn moest uitvoeren niet deugdelijk had uitgevoerd en dat de overeenkomst (daarom?) terecht buitengerechtelijk is ontbonden.

Daarnaast zou het hof hebben miskend dat reeds bij inleidende dagvaarding was erkend dat Arkel wanprestatie had gepleegd.

8. Deze klachten wijzen geen bronnen aan waaruit zou blijken dat bij werkzaamheden "in de eerste termijn"(3) tekortkomingen hebben plaatsgehad. Zij voldoen daarom niet aan de in art. 407 lid 2 Rv. besloten liggende maatstaf.

Ik merk op dat de Memorie van Grieven bij Grief II eveneens een beroep doet op werkzaamheden die in de eerste termijn niet of niet behoorlijk zouden zijn uitgevoerd. Daarbij wordt zonder verdere uitleg verwezen naar de Conclusie van Antwoord. In de Conclusie van Antwoord tref ik (op blz. 2) dezelfde formulering aan, maar opnieuw zonder dat duidelijk wordt gemaakt wat daarmee wordt bedoeld. Op blz. 2 - 3 van dit stuk staat wel een opsomming van beweerde tekortkomingen, maar ik kan daaruit niet opmaken in welke periode of "termijn" deze tekortkomingen volgens de steller zouden hebben plaatsgehad(4).

9. Dat geeft nader accent aan de bevinding dat deze klacht, waar het gaat om de beweerdelijk "in de eerste termijn" plaatsgevonden hebbende tekortkoming(en), de van een cassatiemiddel te vergen duidelijkheid en precisering mist.

"By the same token" geldt dat de klacht niet duidelijk maakt waar de feitelijke grondslag daarvoor kan worden gevonden (waarbij ik ten overvloede herhaal dat ik ook geen stellingen heb aangetroffen die daarvoor zouden kunnen dienen). Er moet dus ook van uit worden gegaan dat de klacht feitelijke grondslag mist.

10. Voor de klacht dat onvoldoende zou zijn ingegaan op een "erkenning" in de inleidende dagvaarding geldt mutatis mutandis hetzelfde: er wordt niet aangegeven waar men de desbetreffende erkenning zou kunnen aantreffen.

Alinea 2 van de inleidende dagvaarding stelt overigens expliciet dat Arkel, totdat [eiser] haar op 25 juni 2003 "van het werk stuurde", aan al haar verplichtingen had voldaan. Al daarom valt te begrijpen dat het hof - aan wie de uitleg van de partijstellingen is voorbehouden(5) - in de inleidende dagvaarding geen erkenning van op enig relevant tijdstip plaatsgevonden hebbende tekortkomingen aan de kant van Arkel heeft "ingelezen".

De onder 1 voorgedragen klacht is (al) om de hiervóór opgesomde redenen ondeugdelijk.

11. Sub 2 klaagt het middel over de waardering, door het hof, van het van de kant van [eiser] te leveren (getuigen)bewijs.

Waardering van dergelijk bewijs behoort bij uitstek tot het terrein van de feiten, en dus tot het terrein waarbinnen, ingevolge art. 419 lid 3 Rv., in cassatie geen (her)beoordeling mag worden verlangd(6).

12. Voor zover dit middel(onderdeel) ook beoogt te klagen dat de bewijswaardering door het hof een motiveringsgebrek zou vertonen faalt het al daarom, omdat niet - of zo men wil: onvoldoende - wordt aangegeven in welk opzicht dit het geval zou zijn.

13. Gegevens zoals de in deze klacht vermelde (waarnaar, voeg ik volledigheidshalve toe, in de Memorie van Grieven inderdaad terloops en in algemene bewoordingen werd verwezen) zijn niet van dien aard dat de rechter in de motivering van zijn bewijswaardering expliciet zou moeten aangeven dat hij die in aanmerking heeft genomen (laat staan: welk gewicht hij daaraan heeft toegekend)(7).

De andere opvatting die de klacht lijkt te huldigen, zou leiden tot een motiveringsplicht die ik in ongeveer gelijke mate als zinloos en als onhanteerbaar zou kwalificeren.

14. Opnieuw volledigheidshalve merk ik op dat de zogenaamde "Haviltex-norm" waarnaar de klacht aan het slot van onderdeel 2.1 verwijst, mij niet toepasselijk lijkt op de uitleg, door de rechter, van hem voorgelegde bewijsgegevens. Ook - maar zeker niet alleen - daarom behoefde het hof aan [eiser]' beroep op die norm geen specifieke aandacht te besteden.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Vooral ontleend aan het in cassatie bestreden arrest, rov. 3.

2 Het eindarrest van het hof is van 9 oktober 2007. De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 9 januari 2008.

3 De aanhalingstekens zijn ingegeven door het feit dat de eerste betalingstermijn blijkens de orderbevestiging (zie alinea 1 hiervóór) bij de opdracht verschuldigd werd. Van ondeugdelijk verrichte werkzaamheden kan in dat stadium nog geen sprake zijn geweest. Kennelijk heeft de klacht het oog op "eerste termijn" in een andere betekenis; maar welke betekenis dat is, wordt niet opgehelderd.

4 De betreffende gegevens staan ook opgesomd in alinea 4 van de inleidende dagvaarding. Het daar gestelde roept de indruk op dat in geen geval van in een "eerste termijn" te plaatsen tekortkomingen kan worden gesproken.

5 HR 14 november 2008, NJ 2008, 588, rov. 3.5.4; HR 31 oktober 2008, RvdW 2008, 985, rov. 3.4; HR 27 juni 2008, RvdW 2008, 683, rov. 3.4; HR 13 juni 2008, NJ 2008, 338, rov. 3.3.4; Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nrs. 103, 121, 169; Ras-Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nr. 40.

6 HR 15 februari 2008, NJ 2008, 449, rov. 3.7; HR 9 februari 2007, NJ 2007, 105, rov. 3.4.1; HR 1 december 2006, NJ 2007, 385, rov. 3.11.2.

7 Ik laat dan maar terzijde dat ik niet kan begrijpen hoe het (in deze klacht aangehaalde) gegeven dat de getuigen niet met de overeenkomst van partijen (kennelijk is bedoeld: de overeenkomst waarop de bewijsopdracht betrekking had) bekend waren, iets aan de bewijslevering (in voor [eiser] positieve zin) kan bijdragen. Verklaringen van getuigen die niet met een overeenkomst bekend zijn kunnen allicht maar weinig aan bewijs betreffende bijzonderheden van die overeenkomst opleveren. De gedachte dat de rechter, als hij het bewijs niet geleverd oordeelt, aan dat aspect in zijn motivering bijzondere aandacht zou moeten besteden, gaat dan (ook) mijn begripsvermogen te boven.