Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH1500

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
01-04-2009
Zaaknummer
08/02547 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH1500
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 510
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/02547 B(1)

Mr. Knigge

Zitting: 27 januari 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het cassatieberoep richt zich tegen en beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 11 maart 2008 waarbij klaagster niet-ontvankelijk is verklaard in haar beklag.

2. Namens klaagster heeft mr. J.M. van Dam, advocaat te Den Haag, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel bestaat, blijkens de toelichting, uit drie onderdelen: onderdeel A, B en C.

4. Onderdeel A bevat in de eerste plaats de klacht dat indien het Hof niet beschikte over het klaagschrift zoals ingediend bij de Rechtbank te Utrecht, 's Hofs oordeel reeds hierom onbegrijpelijk is, omdat het voor het Hof dan niet mogelijk is geweest om vast te stellen of er sprake is geweest van nieuwe feiten of omstandigheden.

5. Zoals het Hof echter in zijn beschikking onder 7 overweegt, is zijn oordeel dat er bij het tweede klaagschrift geen sprake is van wezenlijk afwijkende stellingen gebaseerd op hetgeen namens klaagster en door verdachte ter zitting naar voren is gebracht en op hetgeen blijkt uit de beschikking van Rechtbank Utrecht. Het Hof heeft het eerste klaagschrift dus niet betrokken bij zijn oordeel en achtte zich in staat om op basis van de eerdere beschikking van de Rechtbank alsmede hetgeen in zijn raadkamerbehandeling aan de orde is gekomen te beoordelen of er sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden. Mij komt dat niet onbegrijpelijk voor.

6. In de tweede plaats wordt in onderdeel A geklaagd dat het Hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat er geen sprake is van wezenlijk nieuwe feiten en omstandigheden, aangezien zowel in het (tweede) klaagschrift als tijdens de behandeling van dat klaagschrift bij het Hof naar voren is gebracht dat belanghebbende (klaagsters zoon; verdachte in de onderliggende strafzaak) bij de politie heeft verklaard dat de inbeslaggenomen goederen hem toebehoren teneinde te bewerkstelligen dat de waarde van deze goederen in mindering zou worden gebracht op de door hem verschuldigde boete.

7. Deze omstandigheid lag echter in zoverre al in het eerste klaagschrift besloten dat de daarin betrokken stelling dat de auto en de tv's aan klaagster toebehoren impliceerde dat klaagsters zoon bij zijn verhoor door de politie ten onrechte heeft verklaard dat de auto en de tv's aan hem toebehoorden. Dat de zoon bereid is gevonden bij het Hof te verklaren dat - en waarom - hij op dit punt heeft gelogen, heeft het Hof kennelijk niet aangemerkt als een omstandigheid die wezenlijk nieuw is. Onbegrijpelijk kan ik dat niet vinden, in aanmerking genomen dat (1) de Rechtbank Utrecht haar oordeel niet alleen op de eerdere verklaring van klaagsters zoon heeft gebaseerd (maar gewezen heeft op feiten die de juistheid van die verklaring aannemelijk maken), (2) dat uit de bij het Hof afgelegde verklaring van klaagsters zoon blijkt dat hij er niet voor terugschrikt op een opportunistische wijze met de waarheid om te gaan en (3) dat het oordeel van de Rechtbank in overeenstemming met de aan te leggen maatstaf inhield dat niet buiten redelijke twijfel staat dat klaagster als enige eigenaar van het inbeslaggenomen goed moet worden aangemerkt.

8. In de cassatieschriftuur wordt nog gesteld dat een nieuw feit of omstandigheid ook zou zijn dat verdachte inmiddels in de hoofdzaak veroordeeld is door het Hof. Die vlieger gaat reeds niet op omdat klaagster zich niet ten overstaan van het Hof op dit "nieuwe" feit heeft beroepen. Overigens vermag ik niet in te zien waarin de relevantie van dit gegeven is gelegen voor de beoordeling van het klaagschrift.(2)

9. Onderdeel B bevat de klacht dat de overweging van het Hof dat er tegen de beschikking van de Rechtbank Utrecht geen cassatie is ingesteld, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is: de wet kent immers geen verplichting om cassatie in te stellen. Wanneer zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen staat het een klager vrij om een nieuw klaagschrift in te dienen.

10. Die laatste opmerking is inderdaad waar het hier om draait. Het Hof heeft de vrijheid van klaagster om ingeval van nieuwe feiten en omstandigheden een nieuw klaagschrift in te dienen geenszins miskend. Het heeft immers vastgesteld dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Ik laat de klacht daarom verder onbesproken.

11. In onderdeel C wordt geklaagd, onder verwijzing naar T&C Sv, aant. 20 onder d. bij art. 552a, dat het Hof, door de toevoeging van het woord "wezenlijk" aan het criterium "geen nieuwe feiten en omstandigheden", een onjuist criterium heeft gehanteerd.

12. Aant. 20 onder d bij art. 552a Sv (in de 7e druk overigens aant. 21 onder d) houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

"d) Wanneer kan beklag niet meer? (...) - in geval reeds beklag is gedaan en in hernieuwde beklag geen nieuwe feiten en/of omstandigheden worden aangevoerd (vgl. AG Fokkens voor HR 21 oktober 1997, NJ 1998, 172)"

13. Mijns inziens zijn beide criteria wezenlijk hetzelfde. Het spreekt vanzelf dat de "nieuwe feiten" waarop een beroep wordt gedaan, terzake moeten doen. In de conclusie waarin in T&C wordt verwezen wordt gesproken van "relevante" nieuwe omstandigheden. Nu is de verklaring van klaagsters zoon dat hij tegenover de politie heeft gelogen voor de beoordeling van het klaagschrift niet geheel irrelevant. Zij voegt echter zo weinig toe aan hetgeen in het eerdere klaagschrift is aangevoerd, dat het opnieuw indienen van een klaagschrift daarin geen rechtvaardiging kan vinden. Met het Hof ben ik daarom van mening dat ge-eist mag worden dat een beroep wordt gedaan op feiten die de zaak wezenlijk anders maken.

14. Het middel faalt in alle onderdelen en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de strafzaak 07/12444 waarin ik heden eveneens concludeer.

2 Niet als nieuw argument is bij het Hof aangevoerd dat de grond aan het gelegde conservatoire beslag is komen te ontvallen. Onbesproken kan daarom blijven of hetgeen het Hof overweegt met betrekking tot de geldboete die nog zou kunnen worden opgelegd en met betrekking tot de ontnemingsvordering die achterwege zou zijn gebleven, geheel begrijpelijk is. De beschikking van de Rechtbank vermeldt dat het conservatoire beslag is gelegd om een eventuele ontnemingsvordering te kunnen verhalen. Tevens houdt die beschikking in dat de Rechtbank Utrecht op 27 december 2006 in verband met de op dezelfde dag uitgesproken veroordeling van klaagsters zoon in de onderliggende strafzaak een ontnemingsverplichting heeft opgelegd van € 2005,99.