Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH1224

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
27-03-2009
Zaaknummer
08/01833
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2008:BC3204
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH1224
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Afgewezen verzoek van vader aan school op grond van art. 1:377c BW aan hem informatie over zijn meerderjarig geworden dochter te (blijven) verstrekken; ontvankelijkheid; cassatieberoep niet-ontvankelijk bij gebrek aan belang door ontvallen grondslag aan verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 165
RvdW 2009, 463
JWB 2009/108
JPF 2009/113 met annotatie van PVl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/01833

Mr. D.W.F. Verkade

Parket 23 januari 2009

Conclusie inzake:

[De vader]

(hierna: 'de vader')

tegen:

Stichting Regionaal Opleidingen Centrum Drenthe

(hierna: 'de School')

1. Inleiding

1.1. De vader heeft de School op de voet van art. 1:377c BW verzocht om informatie omtrent zijn dochter [de dochter]. De rechtbank en het hof hebben het verzoek van de vader afgewezen. [De dochter] is inmiddels (tijdens het hoger beroep) meerderjarig geworden.

1.2. In cassatie is vooreerst de vraag aan de orde of de vader in zijn verzoek ontvankelijk is, nu zijn dochter inmiddels meerderjarig is geworden. De School voert in cassatie dan ook aan dat het verzoek van de vader moet worden verworpen wegens gebrek aan belang.

1.3. De cassatieklachten van de vader hebben vooral betrekking op de verhouding tussen de bepaling van art. 1:377c BW en de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Het middel klaagt voorts dat het hof de Wbp onjuist heeft toegepast en dat het hof ook aan art. 1:377c BW een onjuiste rechtstoepassing heeft gegeven.

2. Feiten en procesverloop

2.1. Zo min als de rechtbank, heeft het hof heeft in zijn beschikking niet vastgesteld van welke feiten is uitgegaan. Aan rov. 1 van 's hofs beschikking kan evenwel worden ontleend dat de moeder het eenhoofdig gezag heeft over [de dochter] (geboren op [geboortedatum] 1989(1)) en dat de vader [de dochter] heeft erkend.

2.2. De vader heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 27 september 2006(2), de rechtbank Assen verzocht te bepalen dat de School op grond van art. 1:377c BW aan de vader, samengevat, de volgende informatie omtrent [de dochter] zal (blijven) verstrekken:

- afschrift van alle schoolrapporten, cijferlijsten en (stage)beoordelingen, mede over de periode vanaf juni 2005,

- afschrift van de schoolkrant of ouderbulletins, mede over de periode vanaf juni 2005,

- informatie over eventueel gemaakte schoolfoto's met de adresgegevens van de schoolfotograaf,

- informatie over en uitnodigingen voor 10-minutengesprekken,

- informatie over alle schoolactiviteiten (zoals toneelstukjes, excursies, schoolreisjes, enz.).

2.3. De School heeft een verweerschrift ingediend.

2.4. Het verzoek is op 30 januari 2007 ter terechtzitting behandeld.

2.5. Bij beschikking van 28 maart 2007 heeft de rechtbank het verzoek van de vader afgewezen.

De rechtbank oordeelde, samengevat, dat de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) niet van toepassing is op het verzoek van de vader en toetste het verzoek aan de criteria van art. 1:377c BW. Vanwege de bijna meerderjarige leeftijd van [de dochter] heeft de rechtbank bij de te maken afweging van alle betrokken belangen meer gewicht toegekend aan de visie en de belangen van [de dochter] en vervolgens overwogen dat haar belang zich ertegen verzet dat de verzochte informatie door de School aan de vader wordt verstrekt.

2.6. De vader is bij op 22 juni 2007 ter griffie van het hof binnengekomen verzoekschrift van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Leeuwarden, onder aanvoering van drie grieven. Daarbij heeft de vader het hof verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen en opnieuw beslissende, het verzoek alsnog toe te wijzen voor wat betreft:

- de afschriften van alle schoolrapporten, cijferlijsten en (stage)beoordelingen, in de periode vanaf juni 2005 tot het moment waarop [de dochter] de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt,

- de afschriften van de schoolkrant of ouderbulletins, in de periode vanaf juni 2005 tot het moment waarop [de dochter] de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt,

- bekendheid van gemaakte schoolfoto's en bekendheid van adresgegevens van de schoolfotograaf, in de periode vanaf juni 2005 tot het moment waarop [de dochter] de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt,

- een éénmalig gesprek met een leerkracht over de schoolontwikkelingen en resultaten.

2.7. De School heeft de grieven bestreden.

2.8. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft op 17 december 2007 plaatsgehad.

2.9. Het hof heeft bij beschikking van 30 januari 2008(3) de beschikking van de rechtbank vernietigd en opnieuw beslissende, de vader niet-ontvankelijk verklaard in het inleidend verzoek. Voor zover in cassatie van belang, luiden de overwegingen van het hof ten deze:

'4. Naar het oordeel van het hof betreft dit verzoek deels geen informatie als bedoeld in artikel 1:377c BW (te weten de schoolkrant, ouderbulletins, schoolfoto's en het adres van de schoolfotograaf), en deels informatie die onder het begrip "persoonsgegeven" als bedoeld in art. 1 onder a Wbp valt. Het verzochte gesprek met een leerkracht vat het hof op als een afgeleid verzoek dat geen zelfstandige behandeling behoeft; het betreft in elk geval geen rechtstreekse informatie als bedoeld in art. 1:377c BW maar slechts de vorm waarin deze ten dele verstrekt zou kunnen worden.

5. Voor verstrekking van informatie welke geen informatie is als bedoeld in art. 1:377c BW bestaat geen rechtsgrond, zodat de vader in zijn verzoek voor zover het om die informatie gaat niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

6. Anders dan de vader (en de rechtbank), is het hof van oordeel dat de verwerking van persoonsgegevens en daarmee ook - gezien art. 1 onder b Wbp - de verstrekking van persoonsgegevens in overeenstemming met de Wbp dient te geschieden. Art. 1:377c BW was al van kracht vóórdat de Wbp in werking trad. Het feit dat art. 1:377c BW niet verwijst naar de Wbp, noch de leeftijd van de minderjarige vermeldt, brengt niet mee dat de Wbp buiten toepassing zou blijven. Art. 2 en 3 Wbp bepalen bovendien dat de Wbp op een aantal situaties niet van toepassing is. Daarbij wordt art. 1:377c BW expliciet noch impliciet genoemd.

7. Verstrekking van persoonsgegevens kan ingevolge art. 8 Wbp slechts plaatsvinden wanneer voldaan wordt aan één van de zes aldaar opgesomde criteria.

8. Voor de beoordeling van het verzoek in deze zaak kunnen de onder a, c en f van genoemd artikel opgesomde criteria van belang zijn.

(...)

11. Uit art. 8 onder f Wbp volgt dat een verstrekking van persoonsgegevens toelaatbaar kan worden geacht indien de verstrekking noodzakelijk is met het oog op de gerechtvaardigde belangen van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt en het belang van degene wiens gegevens worden verwerkt niet prevaleert. De school heeft bestreden dat de vader een belang heeft bij het verkrijgen van de gegevens. De vader heeft weliswaar aangevoerd dat de informatie handig kan zijn in het contact met [de dochter] en in het bijsturen van problemen door uitleg van de vader aan de school, maar de vader heeft niet gesteld dat de verstrekking van de gegevens noodzakelijk is bijvoorbeeld met het oog op de verzorging, opvoeding of de emotionele ontwikkeling van [de dochter] en bovendien is [de dochter] inmiddels meerderjarig.

12. Nu er geen grond is voor verstrekking van de gegevens over [de dochter] door de school, kan de vader niet worden ontvangen in zijn verzoek om informatie. De toetsing van het verzoek aan het bepaalde in art. 1:377c BW behoeft dan ook geen verdere bespreking.'

2.10. De vader is van deze beschikking tijdig(4) in cassatie gekomen.

De School heeft een verweerschrift ingediend.

3. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.1. Uit de bestreden beschikking van het hof blijkt dat [de dochter] op [geboortedatum] 1989 is geboren en derhalve op 13 juni 2007, tijdens de procedure in hoger beroep, de meerderjarige leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. Naar aanleiding van dit feit betoogt de School in cassatie dat het hof de vader terecht, zij het op grond van een andere motivering, niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn inleidend verzoek (ook al had de vader zijn verzoek reeds aan de inmiddels bereikte meerderjarigheid van zijn dochter aangepast(5)). Hierop voortbouwend stelt de School dat het cassatieberoep van de vader moet worden verworpen wegens gebrek aan enig belang, omdat het op art. 1:377c BW gebaseerde verzoek nimmer meer kan worden toegewezen.

3.2. De vraag die hier rijst - kan een op art. 1:377c BW gebaseerd verzoek worden toegewezen, ook al heeft het kind om wie het gaat reeds de meerderjarige leeftijd bereikt - is in de procedure in hoger beroep ook al onderkend door de vader. In hoger beroep heeft de vader aangevoerd dat hij ondanks het bereiken van de meerderjarige leeftijd tijdens de appelprocedure nog steeds een belang heeft bij een gedeelte van zijn verzoek, nu zijn verzoek ziet op een periode vanaf juni 2005 (toen [de dochter] 16 jaar oud was) tot het moment waarop [de dochter] de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt(6).

3.3. Het hof is niet expliciet op de bovenbedoelde vraag ingegaan, maar heeft dit punt haast terloops aan het slot van rov. 11 toegevoegd, in aanvulling op zijn oordeel dat de vader niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verstrekking van de verzochte informatie noodzakelijk is. Het hof heeft de vader vervolgens niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om informatie, omdat krachtens de Wbp (zie rov. 6-11) geen grond bestaat voor de verstrekking van de verzochte gegevens over [de dochter] door de School (rov. 12). Aan toetsing van het verzoek aan de bepaling van art. 1:377c BW is het hof niet toegekomen.

3.4. Nu het verzoek van de vader echter op dat artikel is gebaseerd, dient ook op grond van de bepaling van art. 1:377c BW te worden beoordeeld of de vader thans in cassatie kan worden ontvangen en nog voldoende belang heeft bij zijn verzoek om informatie.

3.5. Artikel 1:377c BW geeft de niet met het gezag belaste ouder het recht informatie op te vragen bij derden, zoals leerkrachten en schooldecanen, die beroepshalve beschikken over informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen. Hoewel dit niet expliciet in art. 1:377c BW staat, volgt uit die bepaling dat het om informatie omtrent nog minderjarige kinderen gaat, aangezien ingevolge art. 1:245 BW alleen minderjarigen onder gezag staan. Het informatierecht komt derhalve niet toe aan ouders van meerderjarige kinderen.

Resteert de vraag of de ouder van een inmiddels meerderjarig geworden kind, die niet met het gezag belast is geweest, niettemin kan worden ontvangen in het verzoek om informatie van derden die betrekking heeft op een periode in het verleden, toen het kind nog minderjarig was, respectievelijk in het appel of cassatieberoep ten aanzien van tot een zodanig verzoek dat betrekking heeft op een tijdvak waarin het kind nog minderjarig was.

3.6. Ten aanzien van deze vraag zou men kunnen denken aan een parallel met beschikkingen tot ondertoezichtstelling, uithuisplaatsing of tot het vaststellen of onthouden van een omgangsregeling, waaraan een termijn is verbonden. Volgens vaste rechtspraak wordt de betrokkene door de rechter bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaard in het rechtsmiddel wanneer dat rechtsmiddel wordt ingesteld tegen een beschikking waaraan een geldigheidsduur is gekoppeld die op het moment dat de hogere rechter daarover oordeelt, reeds is verstreken(7),(8). In dat geval heeft het geen zin de bestreden beschikking te vernietigen, aangezien het eindigen van de getroffen voorziening reeds is bereikt door het verstrijken van de geldigheidsduur van die voorziening.

3.7. De zojuist bedoelde rechtspraak met betrekking tot de omgangsondertoezichtstelling en uithuisplaatsing betreft echter voorzieningen die in het verleden zijn geëffectueerd en niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt. Bij de regeling van art. 1:377c BW gaat het om informatie jegens derden, die zowel betrekking kan hebben op een periode die in de toekomst is gelegen als (al dan niet uitsluitend) op een afgesloten periode in het verleden. Een afgewezen verzoek om informatie, dat betrekking heeft op een afgesloten periode in het verleden, kan later wél worden hersteld door de (dan weliswaar gedateerde) informatie alsnog te verstrekken.

De vraag is vervolgens (opnieuw) of dáárbij een voldoende rechtens te respecteren belang bestaat. Daarbij valt mede een vergelijking te maken met een geval waarin bijvoorbeeld de niet met het gezag belaste ouder informatie opvraagt over de schoolresultaten van de basisschool, terwijl het kind reeds in het voortgezet of hoger onderwijs zit(9). Een dergelijke beperking ten aanzien van het recht op informatie, gerelateerd aan een zekere tijdspanne, kent de wettelijke bepaling van art. 1:377c BW als zodanig niet.

3.8. De strekking van art. 1:377c BW is de niet met het gezag belaste ouder de mogelijkheid te bieden betrokken te blijven bij de ontwikkeling van het minderjarige kind, waartoe de ouder ook via door een derde te verschaffen informatie in staat moet worden gesteld(10).

Artikel 1:377c BW kent slechts twee gronden waarop het verstrekken van de verzochte informatie over het kind geweigerd kan worden.(11) Indien de derde de informatie niet op gelijke wijze zou verschaffen aan de gezagsouder, behoeft de derde deze informatie ook niet op diens verzoek aan de niet met het gezag belaste ouder te verstrekken. De tweede weigeringsgrond is het (aangenomen) belang van het kind, dat zich verzet tegen het verstrekken van de verzochte informatie.

3.9. Uit de in nr. 3.8 aangegeven strekking van art. 1:377c BW - het betrokken blijven bij de ontwikkeling van het minderjarige kind - laat zich afleiden dat het moet gaan om informatie die het minderjarige kind op het moment van het verschaffen van de gegevens en/of vanaf dat moment aangaat(12). Indien dit tot uitgangspunt wordt genomen - en daarvoor kies ik - brengt dat met zich dat het inmiddels meerderjarige kind zelf dient te kunnen beslissen over het verstrekken van de desbetreffende inlichtingen uit de minderjarigheidperiode aan de tijdens de minderjarigheid niet met gezag belaste ouder, en dat dit kind niet meer afhankelijk is van de afweging van zijn belang tegenover de wens van die ouder van het beleid van de in art. 1:377c bedoelde derde, respectievelijk van het oordeel van de rechter.

Tot hetzelfde resultaat leidt de redenering dat het verzoek van de niet met gezag belaste ouder na het bereiken van de meerderjarige leeftijd van het kind betrekking heeft op een afgesloten minderjarigheidperiode in het verleden, zodat de ouder geen belang meer heeft bij zijn verzoek krachtens art. 1:377c BW.

Tegen deze achtergrond zal ik concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van de vader in zijn cassatieberoep.

3.10. Ik heb mij afgevraagd of ik hiermee kan volstaan, of dat ik nadere aandacht zou moeten geven aan het cassatiemiddel. In de in voetnoot 7 vermelde rechtspraak heeft de Hoge Raad, ondanks de niet-ontvankelijkheid van de verzoekers in cassatie wegens het verstreken zijn van de geldingsduur van de in de bestreden beschikking gegeven voorziening, aanleiding gezien (ten overvloede) enige overwegingen te wijden aan de door de cassatiemiddelen aan de orde gestelde rechtsvragen.

Het in het cassatierekest neergelegde verzoek zijdens de vader aan de Hoge Raad om zich mede in het belang van de rechtseenheid en rechtsontwikkeling uit te spreken over enige in het middel neergelegde kwesties, is mij zeker niet onsympathiek. Ik constateer voorts dat de School in haar verweerschrift aan die kwesties ook enige aandacht heeft willen geven.

3.11. Toch zie ik van een bespreking van de middelonderdelen af, om de volgende redenen.

Het middel stelt (met name) aan de orde:

- (i) de - in feitelijke instanties verschillend beoordeelde(13) - (voorrangs-)verhouding tussen art. 1:377c BW en de Wbp (zie nrs. 1.6, 2.4 en 3.3 van het cassatieverzoekschrift);

- (ii) de (criteria voor beantwoording van) de vraag op welke informatie art. 1:377c BW al dan niet betrekking heeft (zie nr. 1.4a(14) en 1.7 van het cassatieverzoekschrift).

3.12. Ad (i). Over de verhouding tussen enerzijds art. 1:377c BW en anderzijds art. 1, art. 3 en art. 8 Wbp heeft discussie tussen partijen plaats gevonden. Ik heb evenwel geen debat aangetroffen over de volgende, minstens potentieel relevante kwesties.

- (i.i). De Wbp is krachtens art. 2, lid 1 'van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede op de niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen'. Volgens art. 1, onder c, verstaat de Wbp onder een 'bestand': 'elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens (...), dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op meerdere personen'. Een bespreking van de vraag of elk van de diverse onderwerpen van het informatieverzoek van de vader (zie nrs. 2.2 en 2.6) wél of niét deel uitmaakt van een 'bestand'(15) ontbreekt in de uitspraken in feitelijke instanties en in de door partijen gewisselde stukken.

- (i.ii). De Wbp strekt mede tot uitvoering van Richtlijn 95/46/EG betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van de gegevens (PbEG L281). Vragen omtrent de verhouding van art. 1:377c BW tot die Richtlijn, en met name vragen omtrent het al dan niet maximaal harmoniserend karakter daarvan, alsmede de toepasselijkheid daarvan op puur nationale verhoudingen, zijn in de uitspraken in feitelijke instanties en in de door partijen gewisselde stukken evenmin onder ogen gezien.

3.13. Ad (ii) (van nr. 3.11). Artikel 1:377c BW verplicht derden, zoals de School, tot informatieverstrekking ter zake van (ii.i) 'belangrijke' feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen, tenzij (ii.ii) de derde 'de informatie niet op gelijke wijze zou verschaffen aan degene die met het gezag over het kind is belast' (en behoudens het geval dat het belang van het kind zich tegen het verschaffen van de informatie verzet).

Het komt mij voor dat de beantwoording van de onder (ii) bedoelde vraag in vergaande mate afhankelijk is van de met (ii.i) en (ii.ii) aangeduide criteria. Uit het dossier blijkt dat over het met (ii.ii) aangeduide criterium het nodige debat tussen partijen heeft plaatsgevonden. Debat tussen partijen over het onder (ii.i) bedoelde criterium 'belangrijke' was evenwel (zo goed als) afwezig(16); de vader heeft niet eens gesteld dat het bij de onderscheiden door hem verlangde informatie-items steeds om 'belangrijke' feiten en omstandigheden in de zin van art. 1:377c BW zou gaan.

3.14. Niettegenstaande de mogelijkheid die art. 25 Rv tot op zekere hoogte biedt voor ambtshalve aanvulling van rechtsgronden, meen ik dat hetgeen in nrs. 3.12-3.13 is vermeld, meebrengt dat het niet opportuun is om - bij niet-ontvankelijkverklaring van de vader - 'ten overvloede' op de onderdelen van het cassatiemiddel in te gaan.

3.15. Mocht Uw Raad hierover anders denken - of mocht Uw Raad het cassatieverzoek wél ontvankelijk achten - dan houd ik mij op afroep tot een nadere conclusie bereid.

3.16. Ik veroorloof mij terzijde nog de opmerking dat het mij voorshands hoogst twijfelachtig lijkt of de materiële uitkomst van de beoordeling van een verzoek als het onderhavige anders zal uitvallen indien die beoordeling hetzij onder art.1:377 BW, hetzij onder (per saldo) art. 8, onder f Wbp zou dienen plaats te vinden, hetzij onder een combinatie van beide bepalingen. Daarbij neem ik in aanmerking dat de noodzaak van afweging van de belangen van de verzoekende, niet met gezag belaste ouder, tegenover de privacybelangen van het kind (en de belangen van een derde zoals de School) zowel (specifiek) in art. 3:177c BW als (in het algemeen) in het Wbp-regime is neergelegd. Enig verschil in terminologie doet daaraan m.i. niet af, te minder nu in het kader van de belangenafweging aan de hand van de open normen in beide regimes over en weer rekening gehouden kan worden met nadrukken die in de ene wetsgeschiedenis wellicht wat anders zijn gelegd dan in de andere wetsgeschiedenis.

De weging, aan de hand van wettelijke criteria die niet wezenlijk verschillen, zal door de feitenrechter moeten geschieden. In beide regimes zal de controle in cassatie beperkt zijn tot controle of de juiste (als gezegd: in wezen niet verschillende) maatstaven zijn toegepast, en controle op begrijpelijkheid (niet: juistheid) van de motivering. Verschillen in weging tussen de feitenrechters zullen op cassatieniveau niet kunnen worden weggenomen; of hoogstens in zekere mate, door precisering van uitleg van regels of door aanscherping van motiveringseisen, maar ook dat is onafhankelijk van het toepasselijke regime. Verschillen in kwaliteit van de wijze van procederen door partijen, met de mogelijk belangrijke gevolgen van dien, zullen er altijd blijven.

Eventuele jurisdictie van het HvJEG bij toepasselijkheid van Richtlijn 95/46/EG zal daarin geen verandering brengen. De jurisdictie van het EHRM en zijn beoordeling op basis van art. 8 EVRM wordt door toepasselijkheid van het ene of het andere nationale regime (of een combinatie) ook niet beroerd.

5. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de vader in zijn cassatieverzoek.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Zie p. 1 van de bestreden beschikking.

2 Deze datum blijkt (slechts) uit de aan het verzoekschrift in hoger beroep gehechte afschrift, met griffiestempel van de rechtbank.

3 LJN BC3204 (alsmede verkorte en bewerkte tekst, die inhoudelijk verschilt van de bestreden beschikking in RFR 2008, 46).

4 Het verzoekschrift is op 29 april 2008 per fax, gevolgd door schriftelijke indiening, bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen.

5 Zie zijn gewijzigd verzoek in hoger beroep, zoals hiervoor in nr. 2.6 weergegeven.

6 Zie het hoger beroepschrift, p. 2 in verbinding met het op p. 6 geformuleerde verzoek.

7 Zie bijv. HR 13 april 2001, NJ 2002, 4 en 5 m.nt. JdB (inmiddels afgelopen omgangsondertoezichtstelling); HR 31 januari 2003, NJ 2003, 271 (en de conclusie van A-G Langemeijer) (inmiddels verstreken uithuisplaatsing); HR 6 februari 2004, NJ 2004, 250 m.nt. SW (inmiddels verlopen machtiging uithuisplaatsing).

8 Een recente beschikking in deze zin is die van HR 19 december 2008, nr. 08/01225, LJN BF8932 (rov. 3.1) m.b.t. een ondertoezichtstelling.

9 Vgl. de opmerking van mr. De Ruijter op de terechtzitting van het hof blijkens het proces-verbaal van 17 december 2007, p. 2.

10 Vgl. Kamerstukken II, 1992-1993, 23 012, nr. 3, p. 29. Zie voorts M.Y. Nethe, Informatieverschaffing door derden aan de niet met het ouderlijk gezag belaste ouder (art. 1:377c BW), WPNR 6310 (1998), p. 263; Wortmann, (losbl.) Personen- en Familierecht, art. 377c, aant. 2 (slot).

11 Naast deze twee weigeringsgronden bevat de bepaling van art. 1:377c BW overigens nog een aantal beperkende voorwaarden: zie Kamerstukken II, 1993-1994, 23 012, nr. 8, p. 14-15, Asser-De Boer, Personen- en Familierecht (2006), nr. 1023; P. Vlaardingerbroek e.a., Het hedendaagse personen- en familierecht (2008), p. 474. Zie ook hierna nr. 3.13.

12 Ik sluit niet uit dat onder omstandigheden een verzoek om informatie uit een verder verleden gedaan kan worden met een beroep op het belang daarvan voor begrip van de huidige ontwikkelingsfase van het kind, maar dat zal dan ten minste een desbetreffende (gemotiveerde) stellingname behoeven.

13 Vgl. ook Rb. Utrecht 17 augustus 2005, LJN AU1068 (verkort: FJR 2006, 7 m.nt. PD).

14 Er komen in de middelonderdelen twee nrs. 1.4 voor; ik duid ze aan als 1.4a en 1. 4b.

15 Zie over het begrip 'bestand' HR 3 juni 2005, nr. R04/072, LJN AT1093, rov. 3.4.2 en 3.5.2 en HR 29 juni 2007, nr. R06/045, LJN AZ4663, NJ 2007, 638 m.nt. EJD, rov. 3.7-3.8 en 3.13-3.14.

16 Het cassatieverzoekschrift refereert daar ook niet aan.