Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH0766

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
27-03-2009
Zaaknummer
08/01150
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH0766
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Huurrecht; ontbinding van huurovereenkomst kantoorruimte (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 469
JWB 2009/104
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 08/01150

Mr. Huydecoper

Zitting van 23 januari 2009

Conclusie inzake

[Eiseres]

tegen

[Verweerster]

Deze zaak komt volgens mij in aanmerking voor afdoening op de voet van art. 81 RO; terwijl ook met een verkorte conclusie kan worden volstaan.

1. Het geschil betreft de vraag of de eiseres tot cassatie, [eiseres], met recht aanspraak maakt op verlengde of voortdurende huurrechten (betreffende een als kantoor verhuurde bedrijfsruimte in [plaats]) na 1 april 2004. Dat is de datum waarop, volgens een vaststelling van de rechter in de eerste aanleg, de aanvankelijk tussen partijen geldende huurovereenkomst was geëindigd. Ten betoge dat er inderdaad aanspraak op verlengde huurrechten bestond had [eiseres] zich erop beroepen dat partijen over een verlengde (of nieuwe) huurovereenkomst overeenstemming hadden bereikt. Omdat de verweerster in cassatie, [verweerster], dit tegensprak heeft het hof in een in cassatie mede bestreden tussenarrest, [eiseres] bewijs van deze stelling opgedragen. Bij het eindarrest is geoordeeld dat het bewijs niet was geleverd, met de voor de hand liggende uitkomst dat ook overigens ten nadele van [eiseres] werd beslist.

2. Namens [eiseres] is tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld(1). [Verweerster] is in cassatie niet verschenen. Van de kant van [eiseres] is afgezien van schriftelijke toelichting.

Bespreking van het middel

3. Ik maak uit het middel drie klachten op.

De eerste klacht, blijkend uit alinea's 1.1 en 1.2 van de cassatiedagvaarding, berust erop dat uit de daar aangehaalde overwegingen van het tussenarrest zou mogen worden afgeleid dat het hof, voorlopig oordelend, van het bestaan van een voortgezette huurovereenkomst is uitgegaan (wat dan, volgens het middel, tot gevolg zou (kunnen) hebben dat [verweerster] en niet [eiseres] met bewijs van de juistheid van haar standpunt had moeten worden belast).

4. Voor het uitgangspunt van deze klacht(en) ontbreekt feitelijke grondslag. De overwegingen uit het tussenarrest stellen buiten twijfel dat het hof [eiseres]'s stellingen betreffende een voortgezette/nieuwe huurovereenkomst als voldoende weersproken heeft aangemerkt, en ook geen aanleiding heeft gezien om uit de in de klacht bedoelde aanwijzingen voorlopige conclusies omtrent de juistheid van [eiseres]s stellingen te trekken. Tegen die achtergrond wordt vergeefs bezwaar gemaakt tegen de beslissing om [eiseres] bewijs op te dragen.

5. Alinea 1.3 van de cassatiedagvaarding wijst een aantal gegevens aan die ertoe zouden leiden dat 's hofs oordeel omtrent het aan [eiseres] opgedragen bewijs onbegrijpelijk zou zijn. Op mijn beurt begrijp ik de klacht niet. De bedoelde gegevens zijn in het geheel niet onverenigbaar met de verder door het hof ontwikkelde gedachtegang.

Ik denk overigens dat de onderhavige klacht voortbouwt op het misverstand waarop ook de klacht van de alinea's 1.1 en 1.2 berust; en dat de (tweede) klacht al daarom doel mist.

6. Als derde klacht, omschreven in de alinea's 1.4 en 1.5 van de cassatiedagvaarding, wordt aangevoerd dat het hof het bepaalde in art. 7:230 BW zou hebben miskend. Daar staat - in mijn parafrase - dat wanneer na ommekomst van een huurovereenkomst het gebruik van het gehuurde met goedvinden van de verhuurder wordt voortgezet, behoudens blijk van andere bedoelingen ervan uit wordt gegaan dat een verlenging van de overeenkomst voor onbepaalde tijd heeft plaatsgehad.

7. In dit geval lagen er in de stellingen van partijen over en weer talrijke aanwijzingen besloten dat géén verlenging voor onbepaalde tijd aan de orde was, en dat de clausulering die art. 7:230 BW in dat opzicht inhoudt dus aan de orde was. ([Eiseres] stelde immers dat een nadere overeenkomst voor bepaalde tijd zou zijn aangegaan, terwijl [verweerster] dat weersprak, en erop wees dat zij, [verweerster], nadat [eiseres] voorstellen van haar kant voor een voortzetting van het gebruiksrecht voor een beperkte tijd niet had aanvaard, is overgegaan tot aanzegging van de ontruiming. Beide standpunten zijn niet te rijmen met een op goedvinden van de verhuurder berustende voortzetting voor onbepaalde tijd.)

8. Tegen die achtergrond zou, wilde het hof toepassing van art. 7:230 BW in overweging hebben mogen nemen, er véél nadere toelichting (van de kant van de meest gerede partij, i.c.: [eiseres]) vereist zijn geweest die de mogelijke toepasselijkheid van die bepaling had kunnen verduidelijken.

Er wordt in cassatie niet aangevoerd dat in de feitelijke instanties überhaupt op mogelijke toepasselijkheid van art. 7:230 BW is gewezen/gezinspeeld, en er wordt dus ook niet aangegeven met welke stellingen een beroep op die bepaling zou zijn onderbouwd. Ik heb in het dossier ook niets aangetroffen dat hiertoe zou hebben kunnen dienen.

Daarom zou het het hof niet vrij hebben gestaan, zich over deze mogelijkheid een oordeel te vormen; en daarom kan het het hof niet worden verweten, dat het dat niet heeft gedaan.

9. In alinea 1.6 van de cassatiedagvaarding - de enig overblijvende alinea - tref ik geen zelfstandige klacht aan.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Het eindarrest is van 16 oktober 2007. De cassatiedagvaarding is op 15 januari 2008 uitgebracht.