Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH0607

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-01-2009
Datum publicatie
23-01-2009
Zaaknummer
C07/198HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH0607
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Bewijswaardering. (81 RO)

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 212
JWB 2009/15
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C07/198HR

Mr L. Strikwerda

Zitting 14 november 2008

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

[Verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gaat in deze zaak om de vraag of het hof heeft kunnen oordelen dat thans verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], is geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat thans eiser tot cassatie, hierna: [eiser], de bestuurder was van een op naam van [verweerder] gestelde personenauto toen daarmee een ongeval werd veroorzaakt.

2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 2 en 3 van het arrest van het hof van 18 april 2006 in verbinding met r.o. 1 van het vonnis van de rechtbank van 5 juni 2002).

(i) [Verweerder] is van 13 augustus 1999 tot 30 januari 2001 kentekenhouder geweest van de Honda Civic met kenteken [AA-00-BB], hierna: de Honda. Hij had voor de Honda een verzekering voor wettelijke aansprakelijkheid gesloten bij Nationale Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V., hierna: NN.

(ii) De Honda is op 5 oktober 1999 betrokken geraakt bij een verkeersongeval, waarbij door de bestuurder van de Honda geen voorrang werd verleend aan een voor hem van rechts komende personenauto, bestuurd door [betrokkene 1].

(iii) NN is als verzekeraar door de wederpartij bij het ongeval aangesproken en heeft de schade van de wederpartij ten bedrage van f 13.837,- (ofwel Euro 6.278,96) vergoed. [Verweerder] had de verzekeringspremie voor het tijdvak waarin het ongeval plaatsvond, niet voldaan.

3. NN heeft [verweerder] bij exploot van 27 februari 2001 voor de rechtbank 's-Gravenhage gedagvaard tot vergoeding van het door haar ter zake van het ongeval uitgekeerde bedrag.

4. Bij incidenteel vonnis van 25 juli heeft de rechtbank [verweerder] toegestaan om [eiser] in vrijwaring op te roepen.

5. Bij vonnis van 5 juni 2002 heeft de rechtbank in de hoofdzaak geoordeeld dat [verweerder] geen recht had op dekking en de vordering van NN toegewezen, en in de vrijwaringszaak [verweerder] toegelaten te bewijzen dat [eiser] de bestuurder was van de Honda ten tijde van het ongeval.

6. Nadat een getuigenverhoor had plaatsgevonden, heeft de rechtbank bij vonnis van 17 december 2003 in de vrijwaringszaak geoordeeld dat [verweerder] niet is geslaagd het bewijs te leveren en de vordering van [verweerder] afgewezen.

7. [Verweerder] is van het vonnis van de rechtbank van 17 december 2003 in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

8. Bij tussenarrest van 18 april 2006 heeft het hof [verweerder] overeenkomstig diens aanbod tot het leveren van nader bewijs toegelaten te bewijzen dat [eiser] de bestuurder was van de Honda ten tijde van het ongeval.

9. Nadat een getuigenverhoor had plaatsgevonden, heeft het hof bij eindarrest van 20 maart 2007 geoordeeld dat [verweerder] is geslaagd in het leveren van het hem opgedragen bewijs, het beroepen vonnis van de rechtbank vernietigd, en, opnieuw recht doende, de vordering van [verweerder] alsnog toegewezen.

10. [Eiser] is tegen het tussenarrest en het eindarrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel, dat verscheidene klachten bevat. [Verweerder] is in cassatie niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.

11. Het middel stelt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat [verweerder] is geslaagd in het bewijs waartoe hij bij het tussenarrest was toegelaten. Deze stelling wordt uitgewerkt in - als ik het goed zie - negen klachten.

12. Ik stel voorop dat deze klachten niet tot cassatie kunnen leiden voor zover zij het bewijsoordeel van het hof als onjuist bestrijden. Het oordeel van het hof berust op een waardering van het gepresenteerde bewijsmateriaal en kan, feitelijk als dat oordeel is (vgl. Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 103), in cassatie op juistheid niet worden getoetst. Voor zover de klachten de juistheid van het bewijsoordeel van het hof bestrijden, laat ik ze verder onbesproken.

13. De eerste klacht (cassatiedagvaarding, blz. 3, eerste alinea) betreft de weergave door het hof van de naam van [eiser] als "[eiser]". Deze weergave zou onjuist zijn en daaruit mag worden afgeleid, aldus wil de klacht kennelijk betogen, dat het hof ook bij de bewijswaardering onzorgvuldig te werk is gegaan.

14. De klacht faalt. Zij voldoet niet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv aan een cassatieklacht te stellen eisen. De klacht geeft immers niet aan in welk opzicht de beweerde onzorgvuldigheid de motivering die het hof aan zijn bewijsoordeel heeft gegeven onbegrijpelijk of anderszins gebrekkig maakt.

15. De tweede klacht (cassatiedagvaarding blz. 3, tweede alinea) borduurt voort op de eerste klacht en houdt in dat het hof [verweerder] ambtshalve niet-ontvankelijk hadden moeten verklaren in verband met de onjuiste tenaamstelling van [eiser] in de dagvaardingen.

16. De klacht kan geen doel treffen. Geen rechtsregel brengt mee dat het hof ambtshalve [verweerder] wegens het gestelde gebrek niet-ontvankelijk had behoren te verklaren in diens vordering.

17. De derde klacht (cassatiedagvaarding, blz. 3, derde en vierde alinea) komt erop neer dat het hof onbegrijpelijk heeft beslist door, in r.o. 5 van het eindarrest, bewijs te ontlenen aan de verkeersongevallenregistratieset, terwijl daarin onjuiste gegevens staan vermeld.

18. De klacht faalt. Het hof heeft t.a.p. gemotiveerd waarom de bedoelde verschillen tussen de verkeersongevallenregistratieset en het rijbewijs naar zijn oordeel niet afdoen aan het oordeel dat genoegzaam is bewezen dat [eiser] de bestuurder was van de Honda ten tijde van het ongeval. De gegeven motivering berust op een aan het hof als feitenrechter voorbehouden waardering van feitelijke aard en is geenszins onbegrijpelijk.

19. De vierde klacht (cassatiedagvaarding, blz. 4, tweede t/m vierde alinea) begrijp ik zo dat het hof het bewijs niet geleverd had mogen achten, nu (a) er slechts sprake is van algemeen bewijs aangezien de verklaring van getuige [getuige 1] niet berust op waarnemingen op 5 oktober 1999, maar op een beschrijving hoe de verbalisanten in het algemeen te werk gaan, en (b) onduidelijk is of het bij de door de getuige beschreven handelwijze gaat om de handelwijze van de politie toen (ten tijde van het ongeval) of nu (ten tijde van het getuigenverhoor).

20. De klacht is tevergeefs voorgesteld. Het stond het hof vrij bewijs te putten uit de verkeersongevallenregistratieset in samenhang met de verklaring van de getuige [getuige 1] omtrent de gebruikelijke procedure bij het invullen van de registratieset. Het voorschrift van art. 163 Rv staat daaraan niet in de weg, nu niet valt in te zien waarom het begrip "aan de getuige uit eigen waarneming bekende feiten", dat ruim moet worden opgevat (zie H.L.G. Wieten, Bewijs, 3e dr. 2008, blz. 46, met rechtspraakgegevens), niet betrekking zou kunnen hebben op door een getuige waargenomen feiten en omstandigheden met betrekking tot een handelwijze of procedure die gebruikelijk wordt gevolgd. Kennelijk en niet onbegrijpelijk is het hof ervan uitgegaan dat de getuige [getuige 1] heeft verklaard over de gebruikelijke procedure die werd gevolgd bij het invullen van de registratieset ten tijde van het ongeval, nu de getuige blijkens het van het getuigenverhoor opgemaakte proces-verbaal daarover werd ondervraagd.

21. De vijfde klacht (cassatiedagvaarding, blz. 5, tweede en derde alinea) wil kennelijk betogen dat er sprake is van een tegenstrijdigheid tussen r.o. 6 in het tussenarrest en r.o. 4 in het eindarrest, aangezien uit de getuigenverklaring van [getuige 1], zoals weergegeven in r.o. 4 van het eindarrest, niet blijkt dat, als [getuige 1] stelt dat er sprake is van een geldig rijbewijs, dit ook goed onderzocht is, zoals door het hof in r.o. 6 van het tussenarrest is overwogen.

22. De klacht faalt reeds wegens gebrek aan feitelijke grondslag. De klacht gaat kennelijk ervan uit dat hetgeen door het hof in r.o. 6 van het tussenarrest is overwogen een oordeel van het hof weergeeft. Dat is niet het geval. De overweging betreft een weergave van een standpunt van [verweerder]. Van de door de klacht bedoelde tegenstrijdigheid is daarom geen sprake.

23. De zesde klacht (cassatiedagvaarding, blz. 5, laatste alinea, t/m blz. 6 tweede alinea) klaagt dat het hof heeft miskend dat de inhoud van een proces-verbaal van verhoor van [verweerder] d.d. 31 januari 2000 in de weg staat aan het oordeel dat [verweerder] is geslaagd in zijn bewijsopdracht.

24. De klacht kan geen doel treffen. Het bedoelde proces-verbaal is door [verweerder] in het geding gebracht (bij brief van 31 januari 2002 i.v.m. de in eerste aanleg door de rechtbank gelaste comparitie). Uit de gedingstukken blijkt niet (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat [eiser] zich op de inhoud van het proces-verbaal heeft beroepen en daarin vermelde feiten aan zijn verweer ten grondslag heeft gelegd. De vraag of hof, gelet op de inhoud van het proces-verbaal, niet tot zijn bewijsoordeel had kunnen, kan daarom blijven rusten.

25. De zevende klacht (cassatiedagvaarding, blz. 6, tweede alinea, t/m blz. 7, eerste alinea) houdt in dat het hof heeft miskend dat [verweerder] in hoger beroep op ongeoorloofde wijze de grondslag van zijn vordering heeft gewijzigd en daarom niet-ontvankelijk in diens vordering had behoren te worden verklaard.

26. De klacht kan geen doel treffen. Al aangenomen dat gesproken kan worden van een wijziging van de eis, is het uitgangspunt waarop de klacht kennelijk berust, namelijk dat wijziging van de eis in hoger beroep niet mogelijk is, onjuist. Zie Ras/ Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, blz. 22. Voor zover de klacht wil betogen dat het hof de eiswijziging in het onderhavige geval als ongeoorloofd had moeten beschouwen, voldoet de klacht niet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen, aangezien het middel niet aangeeft waarom eiswijziging in het onderhavige geval niet geoorloofd was en uit de gedingstukken niet blijkt (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat [eiser] tegen het beweerdelijke wijzigen van de eis door [verweerder] bezwaar heeft gemaakt.

27. De achtste klacht (cassatiedagvaarding, blz. 7, tweede alinea) strekt ten betoge dat het hof [verweerder] niet in het bewijs geslaagd heeft kunnen oordelen, gelet op de niet betwiste inhoud van de brief d.d. 18 december 2002 van de advocaat van [eiser] aan de rechtbank, waarin wordt vermeld dat [betrokkene 1] (de bestuurster van de andere bij het ongeval betrokken auto) bij confrontatie met [eiser] op het kantoor van die advocaat [eiser] niet herkende als de bestuurder van de Honda.

28. De klacht faalt. Uit het enkele feit dat [betrokkene 1] [eiser] toen niet heeft herkend, kan niet worden afgeleid dat [eiser] niet de bestuurder van de Honda kan zijn geweest.

29. De negende klacht (cassatiedagvaarding, blz. 7, derde alinea) strekt ten betoge dat het hof [verweerder] niet in het bewijs geslaagd heeft kunnen oordelen, gelet op loonspecificatie van [eiser], waaruit blijkt dat hij in de week van het ongeval in ieder geval drie dagen op zijn werk was en derhalve niet op de plaats van het ongeval kon zijn.

30. Ook deze klacht zal niet tot cassatie kunnen leiden. Uit het enkele feit dat [eiser] in de bewuste week drie dagen op zijn werk was, volgt niet dat hij op de dag van het ongeval op zijn werk was en kan dus ook niet worden afgeleid dat hij niet de bestuurder van de Honda kan zijn geweest.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,