Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH0383

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-03-2009
Datum publicatie
20-03-2009
Zaaknummer
08/01254
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH0383
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht; verdeling van huwelijksgemeenschap na echtscheiding. Geschil tussen voormalige echtelieden over waardering van door man gedreven eenmanszaak (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 443
JWB 2009/88
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/01254

mr. Keus

Parket, 16 januari 2009

Conclusie inzake:

[De vrouw]

verzoekster tot cassatie

tegen

[De man]

verweerder in cassatie

Het gaat in deze zaak in het bijzonder om de waardering van de door de man gedreven eenmanszaak in het kader van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Partijen zijn op 22 oktober 1993 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk zijn drie thans nog minderjarige kinderen geboren.

1.2 De man heeft in eerste aanleg verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Daarnaast heeft de man verzocht een omgangsregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen en partijen te veroordelen tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap over te gaan. De vrouw heeft bij zelfstandig verzoek onder meer verzocht te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 250,- per kind per maand dient te voldoen. Daarnaast heeft zij verzocht de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen vast te stellen.

1.3 Partijen zijn overeengekomen dat zowel voor de bepaling van de omvang als voor de bepaling van de waarde van de huwelijksgoederengemeenschap als peildatum 7 oktober 2005 moet worden gehanteerd(2). Voorts hebben partijen overeenstemming bereikt over toedeling van de eenmanszaak [A] aan de man. De man is van mening dat de helft van het negatief eigen vermogen dat uit de stelselmatig te hoge privé-opnamen van beide partijen zou voortvloeien, aan de vrouw dient te worden toegedeeld. De vrouw heeft zich hiertegen in de feitelijke instanties verzet.

1.4 Bij beschikking van 21 november 2006 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts heeft de rechtbank een omgangsregeling tussen de man en de kinderen vastgesteld en aan de man een alimentatie opgelegd van € 175,- per kind per maand met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Ten slotte heeft de rechtbank de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen vastgesteld. De beschikking is bij aantekening houdende verbetering van 26 februari 2007 hersteld voor wat betreft de in het dictum genoemde huwelijksplaats van partijen, en is op 23 maart 2007 in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven.

1.5 Ten aanzien van de eenmanszaak en het negatief eigen vermogen heeft de rechtbank het volgende overwogen (p. 5):

"Eenmanszaak [A] en negatief vermogen (nrs. 2 en 17)

Partijen hebben overeenstemming over toedeling van de eenmanszaak [A] aan de man. De man is van mening dat het negatief eigen vermogen van de eenmanszaak van € 22.312,-- bij helfte moet worden verdeeld, nu dit negatief eigen vermogen volgt uit de stelselmatig te hoge privé-opnamen van beide partijen. De vrouw voert hiertegen verweer.

De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft de stelling van de man dat er tijdens het huwelijk structureel teveel privé-opnamen plaatsvonden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende betwist. De man heeft met overlegging van de jaarstukken van de eenmanszaak over de jaren 2003, 2004 en 2005 aangetoond dat het negatief eigen vermogen is veroorzaakt doordat partijen tijdens het huwelijk structureel teveel gelden aan de zaak onttrokken voor privé-gebruik. Naar het oordeel van de rechtbank moet het negatief vermogen van de eenmanszaak van € 22.312,-- bij helfte tussen partijen worden verdeeld.

De eenmanszaak wordt toegedeeld aan de man, onder betaling door de vrouw aan de man van de helft van het negatief eigen vermogen van € 22.312,--, zijnde een bedrag van € 11.156,--."

1.6 Van de beschikking van de rechtbank heeft de vrouw bij het hof 's-Hertogenbosch hoger beroep ingesteld. Zij heeft verzocht de beschikking op een aantal punten te vernietigen en onder meer te bepalen dat de eenmanszaak inclusief het negatief vermogen daarvan geheel aan de man wordt toebedeeld. De man heeft verweer gevoerd en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

1.7 Nadat op 20 september 2007 de mondelinge behandeling had plaatsgehad, heeft het hof bij beschikking van 20 december 2007 de beschikking van de rechtbank van 21 november 2006 vernietigd, doch uitsluitend voor zover daarbij het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man de helft van de door haar over de periode van 7 oktober 2005 tot 4 april 2006 gemaakte en aan de echtelijke woning verbonden kosten van € 4.378,80 aan haar dient te voldoen, is afgewezen. In zoverre opnieuw rechtdoende heeft het hof bepaald dat de man aan de vrouw een bedrag van € 513,50 dient te voldoen ter zake van de door haar betaalde verzekeringspremies, verbonden aan de Levob-polis, de Goudse Levensverzekeringspolis en de Axa-polis, over de periode van 7 oktober 2005 tot en met 4 april 2006. Voor het overige heeft het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigd.

1.8 Voor zover in cassatie van belang heeft het hof in de rov. 4.8.1-4.8.3 ten aanzien van het negatief eigen vermogen van de eenmanszaak het volgende overwogen:

"4.8.1. De vrouw kan instemmen met de toebedeling van de eenmanszaak [A] aan de man, maar zij kan zich niet verenigen met de toebedeling van de helft van het negatief eigen vermogen van de eenmanszaak aan haar. De vrouw is van mening dat de waarde van de eenmanszaak hoger dan wel gelijk is aan het negatief eigen vermogen. Zij voert daarbij aan dat de man in de afgelopen jaren in de regio Oss een goede naamsbekendheid heeft opgebouwd, welke naamsbekendheid de man extra inkomen in de vorm van goodwill oplevert. Daarnaast stelt de vrouw dat bij de eenmanszaak van de man altijd genoeg opdrachten zijn binnengekomen en dat er geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat de man thans veel minder opdrachten kan verwerven.

4.8.2. De man brengt naar voren dat het negatief eigen vermogen van de eenmanszaak is ontstaan doordat partijen feitelijk meer geld uitgaven dan er door de man met zijn eenmanszaak verdiend werd. Er is bovendien slechts sprake van persoonlijk belichaamde goodwill, aldus de man, te weten dat klanten vertrouwen hebben in het metselwerk van de man. De man brengt tenslotte naar voren dat de man op dit moment de grootste moeite heeft om tegen een fatsoenlijk tarief werk te bemachtigen gelet op de omstandigheid, dat de Nederlandse grenzen zijn opengesteld voor Oost-Europese werknemers.

4.8.3 Het hof stelt vast dat de grief van de vrouw niet is gericht tegen de vaststelling door de rechtbank dat de eenmanszaak een negatief vermogen heeft. De vrouw stelt in haar grief daarentegen dat een negatief vermogen niets zegt over de werkelijke waarde van de eenmanszaak en dat in dat kader gekeken dient te worden naar de door de man binnen de eenmanszaak opgebouwde goodwill. Mede gelet op het feit dat de eenmanszaak van de man een metselbedrijf betreft en de man werkzaam is als zzp'er (zelfstandige zonder personeel), acht het hof het voldoende aannemelijk dat binnen de onderneming van de man voornamelijk sprake is van goodwill, gelegen in de persoon van de man zelf (persoonlijke goodwill). Bij persoonlijke goodwill leunt de reputatie van een bedrijf geheel en uitsluitend op de bekendheid, capaciteiten en kwaliteiten van de eigenaar, in dit geval de man. Het zal bij een eventuele verkoop voor de waarde van het bedrijf uitmaken of de man wel of niet verbonden blijft aan het bedrijf. Blijft hij niet verbonden aan het bedrijf, hetgeen voor de hand ligt, dan zal de zuiver persoonlijke goodwill, die niet overdraagbaar is, teniet gaan. Naar het oordeel van het hof wordt de waarde van de eenmanszaak dan ook niet positief beïnvloed door de binnen de eenmanszaak opgebouwde goodwill. Daarnaast heeft de vrouw de stelling van de man, inhoudende dat het negatieve vermogen binnen de eenmanszaak met name is veroorzaakt doordat partijen tijdens het huwelijk boven hun stand hebben geleefd niet, althans onvoldoende weersproken. Gelet op het voorgaande, het feit dat partijen in gemeenschap van goederen waren gehuwd en het feit dat tussen partijen niet in geschil is dat de eenmanszaak aan de man wordt toebedeeld, is het hof met de rechtbank van oordeel dat de vrouw de helft van het negatieve vermogen van de eenmanszaak aan de man dient te voldoen. Dit geldt temeer, nu de vrouw, indien er sprake zou zijn geweest van een positief vermogen binnen de eenmanszaak, bij toedeling van de eenmanszaak aan de man ook aanspraak zou hebben gemaakt op de helft van dat positieve vermogen.

In zoverre faalt de grief van de vrouw."

1.9 De vrouw heeft tijdig(3) cassatieberoep doen instellen. De man heeft in cassatie geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 De vrouw heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel poneert dat, anders dan de rechtbank en het hof hebben geoordeeld, het (negatieve) eigen vermogen van de eenmanszaak niet onverkort aan de hand van de door de man overgelegde jaarstukken kan worden vastgesteld, nu het hier slechts fiscale jaarstukken zou betreffen en uit deze gegevens het feitelijke vermogen van de onderneming niet zou kunnen worden afgeleid. Volgens het middel zou de man tijdens de mondelinge behandeling bij het hof desgevraagd hebben toegegeven dat de overgelegde jaarstukken slechts fiscale jaarcijfers betreffen en zou hij in verband daarmee hebben verklaard dat het vermogen van de eenmanszaak is beïnvloed door reserveringen die slechts op papier zijn gedaan om de belastingdruk te verminderen. Naar het middel voorts vermeldt, vermoedt de vrouw dat een en ander mogelijk is vastgelegd in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 september 2007. Het middel concludeert dat het hof op grond van de door de man verstrekte informatie nimmer tot bekrachtiging van het door de rechtbank vastgestelde (negatieve) eigen vermogen van de eenmanszaak had kunnen overgaan en dat het werkelijke eigen vermogen van de eenmanszaak eerst dient te worden vastgesteld alvorens tot verdeling van dit vermogen kan worden overgegaan.

Bij brief van 7 mei 2008 heeft de vrouw het proces-verbaal van de zitting van 20 september 2007 nagezonden, overigens zonder op de inhoud van dit proces-verbaal in relatie tot de klachten van het middel in te gaan.

2.2 Bij de beoordeling van de klachten van het middel stel ik voorop dat het hof de grief van de vrouw met betrekking tot het negatieve eigen vermogen van de eenmanszaak (in cassatie onbestreden) aldus heeft opgevat dat die grief niet is gericht tegen de vaststelling door de rechtbank dat de eenmanszaak een negatief vermogen heeft (zie rov. 4.8.3, eerste volzin, waarin het hof met "een negatief vermogen" kennelijk heeft gedoeld op een negatief vermogen van een omvang als door de rechtbank is vastgesteld), maar dat "(d)e vrouw (...) in haar grief daarentegen stelt dat een negatief vermogen niets zegt over de werkelijke waarde van de eenmanszaak en dat in dat kader gekeken dient te worden naar de door de man binnen de eenmanszaak opgebouwde goodwill". Onbegrijpelijk is die uitleg van de grief niet. In het beroepschrift van de vrouw onder 2.3 wordt het door de rechtbank vastgestelde negatieve eigen vermogen van de eenmanszaak kennelijk als uitgangspunt aanvaard en wordt slechts de toedeling van de helft daarvan aan de vrouw bestreden, omdat de rechtbank geen rekening zou hebben gehouden met de mede door goodwill bepaalde waarde van de onderneming ("(...) De vrouw kan zich echter niet verenigen met de toedeling van de helft van het negatief eigen vermogen van de eenmanszaak aan de vrouw. De vrouw acht zulks niet redelijk. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank geen rekening heeft gehouden met de waarde van de onderneming. De man heeft in de afgelopen jaren met zijn eenmanszaak een goede naamsbekendheid opgebouwd. (...) Deze naamsbekendheid levert de man, volgens de vrouw, extra inkomen op. Dit extra inkomen kan worden uitgedrukt in goodwill. (...)"). Overigens heeft de vrouw ook bij de mondelinge behandeling ten overstaan van het hof het door de rechtbank vastgestelde negatieve eigen vermogen van de eenmanszaak op zichzelf niet ter discussie gesteld. Wel heeft (de advocaat van) de vrouw tijdens die mondelinge behandeling herhaald dat het negatieve eigen vermogen niets over de waarde van de eenmanszaak zegt en heeft zij in dat verband wederom op een zekere waarde van de eenmanszaak in verband met goodwill gewezen (zie de verklaring van mr. Laeyendecker, weergegeven op p. 4 van het proces-verbaal: "Het feit dat de eenmanszaak een negatief vermogen heeft, zegt niets over de waarde van de eenmanszaak. Er is bijvoorbeeld wel een fiscale oudedagsreserve. De vrouw is van mening dat de eenmanszaak een zekere waarde vertegenwoordigt. Doorgaans bedraagt de goodwill tenminste eenmaal het bedrijfsresultaat van de onderneming in een jaar. De activa dienen weggestreept te worden tegen de passiva.").

Bij die stand van zaken kan de vrouw in cassatie niet klagen dat, anders dan de rechtbank en het hof hebben geoordeeld, het (negatieve) eigen vermogen van de eenmanszaak niet onverkort aan de hand van de door de man overgelegde jaarstukken kan worden vastgesteld en dat het hof (in de woorden van het middel) "op grond van de door de man verstrekte informatie nimmer tot bekrachtiging van het door de Rechtbank vastgestelde (negatief) eigen vermogen van de eenmanszaak had kunnen overgaan." Al om die reden kan het middel niet tot cassatie leiden.

2.3 Overigens mist het middel feitelijke grondslag, waar het is gegrond op de veronderstelling dat de man ter zitting van 20 september 2007 zou hebben toegegeven dat de overgelegde jaarstukken slechts "fiscale jaarcijfers" betreffen, dat de man zou hebben verklaard "dat het vermogen van de eenmanszaak is beïnvloed door reserveringen welke slechts op papier zijn gedaan om de belastingdruk te verminderen" en dat van de zijde van de man hierbij werd opgemerkt "dat deze gelden feitelijk nog niet zijn gereserveerd". Anders dan in het cassatierekest is aangenomen, blijkt van dit alles niets uit het proces-verbaal(4).

Uit (p. 4 van) het proces-verbaal laat zich wel afleiden dat mr. Laeyendecker, de advocaat van de vrouw, ter zitting de fiscale oudedagsreserve ter sprake heeft gebracht, kennelijk ter illustratie van haar standpunt dat het negatieve eigen vermogen op zichzelf niet bepalend kan zijn voor de waarde van de onderneming ("Er is bijvoorbeeld wel een fiscale oudedagsreserve."). Nadat mr. Van Zandvoort, de advocaat van de man, erop had gewezen dat de man na beëindiging van de eenmanszaak over de fiscale oudedagsreserve belasting dient te betalen (proces-verbaal, p. 5), is van de zijde van het hof opgemerkt dat "(d)e oudedagsreserve, het privé-gebruik van de auto en de telefoonkosten (...) geen feitelijke uitgaven (zijn), maar (...) de belasting (drukken)". Althans wat betreft de fiscale oudedagsreserve(5) is die opmerking juist, in die zin dat de fiscale oudedagsreserve een belastingtechnische voorziening is, waaraan de ondernemer jaarlijks een toevoeging kan doen; over die toevoeging behoeft de ondernemer (nog) geen belasting te betalen. Dit leidt opzichzelf echter niet tot een vermindering van het eigen vermogen (of tot de vorming van een buiten het eigen vermogen vallende reserve(6)), zeker niet wanneer, zoals de man volgens het middel zou hebben opgemerkt, de betrokken gelden feitelijk nog niet (voor een oudedagsvoorziening) zijn gereserveerd.

2.4 Iets geheel anders is, maar dat stelt het middel mijns inziens niet aan de orde, dat het eigen vermogen van een onderneming niet noodzakelijkerwijs de waarde van die onderneming in het economisch verkeer behoeft te reflecteren. Dat is echter niet door het hof miskend. Het hof heeft immers gerespondeerd op de stellingen van de vrouw, die het aldus heeft opgevat dat de vrouw, in verband met de in aanmerking te nemen waarde van de onderneming, op de door de man opgebouwde goodwill heeft gewezen. In rov. 4.8.3 heeft het hof geoordeeld dat de bedoelde goodwill zuiver persoonlijke goodwill is die niet overdraagbaar is en teniet zal gaan als de man niet langer aan het bedrijf blijft verbonden en dat de waarde van de eenmanszaak daarom niet positief door de binnen de eenmanszaak opgebouwde goodwill wordt beïnvloed. Dit oordeel getuigt mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

Bij het oordeel in rov. 4.8.3 teken ik nog aan dat voor het antwoord op de vraag of de (waarde van de) goodwill van de onderneming van een van de echtgenoten in de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap dient te worden betrokken, volgens de Hoge Raad beslissend is of die waarde als zelfstandige waarde kan worden gerealiseerd(7). In dit verband pleegt men te onderscheiden tussen belichaamde goodwill enerzijds en onbelichaamde goodwill anderzijds, waarbij met belichaamde goodwill wordt gedoeld op de goodwill die onverbrekelijk met de vermogensbestanddelen van de onderneming is verbonden en die in de meerwaarde van die vermogensbestanddelen in hun geheel bij voortzetting van de onderneming boven de som van de waarden van de afzonderlijke vermogensbestanddelen tot uitdrukking komt(8). Belichaamde goodwill komt tot uitdrukking in de waarde van de ondernemingsactiva en dient steeds in aanmerking te worden genomen(9). Belichaamde goodwill kan als zelfstandige waarde worden gerealiseerd en voldoet aan het door de Hoge Raad geformuleerde criterium(10). De onbelichaamde goodwill manifesteert zich vooral in die gevallen waarin voor de onderneming de factor kapitaal slechts een geringe rol speelt, alsmede in gevallen waarin een vrij beroep in enge zin - zoals een medische of juridische praktijk - wordt uitgeoefend. In zulke gevallen kan de goodwill veelal niet in een verhoogde waardering van de daaraan dienstbare activa tot uitdrukking worden gebracht. Dan is er ook geen reden de goodwill als een tot de gemeenschap behorend goed in de zin van art. 1:94 jo 3:1 BW te erkennen; het gaat dan slechts om de mogelijkheid een transactie te sluiten door verkoop van de affaire of de praktijk. Een verder onderscheid is dat tussen persoonlijke en zakelijke onbelichaamde goodwill. Persoonlijke onbelichaamde goodwill (zoals het hof in de bestreden beschikking heeft aangenomen) is de persoonsgebonden "earning capacity" van de ondernemer of beoefenaar van een vrij beroep, die niet overdraagbaar is en bij zijn overlijden teloor gaat. Deze goodwill is, naar men algemeen aanvaardt, niet als een goed in de zin van art. 1:94 jo 3:1 BW te beschouwen en vormt geen activum van de huwelijksgemeenschap(11). Giele concludeert dat een onderneming die niet kan worden vervreemd geen goodwill heeft. Dat geldt vooral voor zelfstandige beroepen. Zogenaamde "persoonlijke" goodwill is volgens hem geen goodwill(12). Met deze onbelichaamde goodwill, voorzover gelegen in de persoon en de kwaliteiten van de ondernemer, dient bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap geen rekening te worden gehouden(13). Anders oordeelt men wel ten aanzien van de zakelijke onbelichaamde goodwill, mits die goodwill als zelfstandige waarde kan worden gerealiseerd(14). Onbelichaamde goodwill is slechts een goed indien het een "zelfstandige waarde" vertegenwoordigt, hetzij doordat de goodwill overdraagbaar is aan een opvolger, hetzij doordat bij het overlijden van de beroepsbeoefenaar een op geld waardeerbare aanspraak ontstaat(15).

2.5 Ten slotte meen ik dat het bestreden oordeel evenmin van een onjuiste rechtsopvatting getuigt of onbegrijpelijk is, voor zover het hof, evenals de rechtbank, de waarde van de eenmanszaak aan het eigen vermogen van de eenmanszaak heeft gerelateerd.

Evenmin als voor de bepaling van de waarde van incourante aandelen(16) is voor de (van de bijzondere omstandigheden van het geval afhankelijke) waardering van een aan de voortzettende echtgenoot toe te delen onderneming een algemeen geldende maatstaf te geven. De maatstaf waarnaar in een gegeven geval die waardering heeft plaatsgevonden, kan in beginsel, als berustende op de keuze en waardering van de feitenrechter, niet op juistheid worden getoetst; wel kunnen die keuze en de toepassing van de gekozen maatstaf in cassatie met motiveringsklachten worden bestreden(17).

Tot de verschillende wijzen van waardering die in dit verband in de literatuur(18) worden onderscheiden, behoort, naast een waardering op grond van winst (rentabiliteit)(19) en een waardering op grond van kasstromen (discounted cash flow)(20), ook de (in wezen door hof en rechtbank toegepaste) waardering op grond van de onderliggende activa en passiva, waarbij met de stille reserves en/of voorzieningen rekening wordt gehouden. Zeker voor MKB-ondernemingen is deze wijze van waardering niet ongebruikelijk; Giele geeft er zelfs de voorkeur aan bij de waardering van zulke ondernemingen uit te gaan van de balans en met name van de harde bezittingen en de harde verplichtingen, waarop eventueel correcties kunnen worden aangebracht(21). Tegen die achtergrond en in het licht van het processuele debat, waarin de vrouw slechts heeft gewezen op de volgens haar in de waardering te betrekken goodwill maar geen wezenlijk andere methode van waardering van de eenmanszaak heeft bepleit, noch daarvoor concrete aanknopingspunten heeft geboden, is de keuze van het hof voor een waardering aan de hand van de activa en passiva zoals beschreven in de jaarstukken noch onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie in het bijzonder de rov. 4.1-4.4 van de bestreden beschikking.

2 Zie de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 november 2006, p. 4, vierde alinea.

3 Het cassatierekest van 19 maart 2008 is op diezelfde dag per telefax en op 20 maart 2008 per gewone post ter griffie van de Hoge Raad ingekomen, terwijl de bestreden beschikking van 20 december 2007 dateert.

4 Zie, wat de aard van de overgelegde stukken betreft, overigens de als bijlage bij de brief van mr. Van Zandvoort van 13 oktober 2006 aan de rechtbank gezonden belastingaangifte van de man over 2005, waarin (op p. 2) de vraag of in het betrokken boekjaar de commerciële jaarstukken van de fiscale jaarstukken afwijken, in ontkennende zin is beantwoord.

5 Dat de in de jaarstukken opgevoerde kosten van het privégebruik van de auto en de telefoonkosten niet met feitelijke uitgaven zouden corresponderen, lijkt mij niet juist. Overigens leidt het afsplitsen van privé-kosten tot lagere bedrijfskosten en daarmee juist tot een hogere belaste winst.

6 Het eigen vermogen omvat mede de reserves.

7 HR 31 mei 2002, NJ 2003, 342, m.nt. HJS.

8 M.J.A. van Mourik en L.C.A. Verstappen, Nederlands vermogensrecht bij scheiding (2006), p. 139.

9 Klaassen-Eggens-Luijten-Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht deel 1 (2005), p. 125; Asser-De Boer (2006), p. 255; C.A. Kraan, Het huwelijksvermogensrecht (2008), p. 80.

10 M.J.A. van Mourik en L.C.A. Verstappen, a.w., p. 139.

11 Klaassen-Eggens-Luijten-Meijer, a.w., p. 125. Zie ook Asser-De Boer (2006), p. 255.

12 J.F.M. Giele, (Het afschrijven op) de goodwill, EB 2008-5, p. 87.

13 M.J.A. van Mourik en L.C.A. Verstappen, a.w., p. 507; Klaassen-Eggens-Luijten-Meijer, a.w., p. 126. Asser-De Boer (2006), p. 255.

14 Asser-De Boer (2006), p. 255; Klaassen-Eggens-Luijten-Meijer, a.w., p. 126.

15 Klaassen-Eggens-Luijten-Meijer, a.w., p. 126.

16 Zie daarover HR 2 maart 2001. NJ 2001, 584, m.nt. SW.

17 Zie de in voetnoot 16 reeds genoemde beschikking, rov. 3.3. Zie voor de gelding van de daarin gegeven regels voor de waardering van een aan de voortzettende echtgenoot toe te delen onderneming S.F.M. Wortmann in haar noot bij die beschikking onder 5 en de conclusie van A-G Wesseling-van Gent vóór HR 24 september 2004, JOL 2004, 484, LJN: AQ8178, onder 2.10.

18 A.N. Labohm, Goodwill in het kader van het huwelijksvermogensrecht, EB Klassiek (2003), p. 62; A.N. Labohm, Waardering van ondernemingsvermogen en de prijs van de onderneming, EB 2006-9, p. 160.

19 Daarbij wordt niet alleen acht geslagen op de winsthistorie, maar ook op de winstverwachting. Voorts maakt men daarbij doorgaans gebruik van een winstcijfer dat met een bepaalde factor wordt vermenigvuldigd.

20 Daarbij wordt de economische waarde van de activa vastgesteld door de toekomstige vrije geldstromen contant te maken tegen een gewogen gemiddelde marginale vermogenskostenvoet en wordt de waarde van het eigen vermogen bepaald door op de economische waarde van de activa de economische waarde van de schulden in mindering te brengen.

21 J.F.M. Giele, a.w., p. 88.