Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH0381

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-03-2009
Datum publicatie
20-03-2009
Zaaknummer
08/00455
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH0381
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over partneralimentatie (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 442
JWB 2009/93
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/00455

mr. Keus

Parket, 16 januari 2009

Conclusie inzake:

[De man]

(hierna: de man)

verzoeker tot cassatie

tegen

[De vrouw]

(hierna: de vrouw)

verweerster in cassatie

Het gaat in deze alimentatiezaak om de behoefte van de man als alimentatiegerechtigde en om een mogelijke miskenning door het hof van art. 1:157 lid 6 BW.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Partijen zijn op 27 oktober 2003 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk zijn geen kinderen geboren. De vrouw heeft de Nederlandse en de man de Kameroense nationaliteit(2).

1.2 Bij verzoekschrift van 18 januari 2006 (op 20 januari 2006 ter griffie ingekomen) heeft de vrouw de rechtbank Groningen verzocht de echtscheiding uit te spreken, te bepalen dat partijen tot boedelscheiding dienen over te gaan en een boedelnotaris alsmede een onzijdig persoon aan te wijzen.

1.3 De man heeft een verweerschrift, tevens houdende een verzoek tot bepaling van een door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in diens levensonderhoud, ingediend. Tegen dit verzoek heeft de vrouw zich verweerd.

1.4 Bij beschikking van 30 mei 2006 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en iedere verdere beslissing aangehouden. De beschikking is op 29 november 2006 in het daartoe bestemde register van de burgerlijke stand ingeschreven. Nadat op 25 juli 2006 een mondelinge behandeling had plaatsgevonden en partijen over en weer stukken hadden nagezonden, heeft de rechtbank bij beschikking van 10 oktober 2006 de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van diens levensonderhoud met ingang van 16 mei 2006 bepaald op een bedrag van € 524,- per maand, welk bedrag met de door de rechtbank berekende draagkracht van de vrouw overeenstemt. De rechtbank heeft over de behoeftigheid van de man als volgt geoordeeld (p. 2):

"Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden, dat de man behoefte heeft aan een bijdrage van de vrouw in zijn kosten van levensonderhoud. Hij heeft namelijk onweersproken gesteld dat door het intrekken van de "partner-verblijfsvergunning" zijn verblijfstitel en ook zijn recht om in Nederland te werken is beëindigd, dat hij probeert een "studie-verblijfsvergunning" te verkrijgen en dat hij daartoe voldoende financiële middelen nodig heeft.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behoefte van de gewezen echtgeno(o)t(e) wordt gesteld op het bedrag, dat nodig is om een staat te voeren die de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid past, daarbij (mede) gelet op de welstand van partijen gedurende de laatste periode van het huwelijk. Mede maatgevend voor de beoordeling van deze welstand is het netto besteedbaar gezinsinkomen, dat hen in die periode ter beschikking stond.

Blijkens de loonspecificaties van Timing Uitzendteam B.V. in Groningen bedragen de netto-inkomsten van de man in de periode van week 7 tot en met week 29 van 2006 gemiddeld (afgerond) € 975,- per maand. De netto-inkomsten van de vrouw bedragen volgens de door haar overgelegde salarisspecificaties over de periode van januari tot en met juli (afgerond) € 1.683,- per maand. De rechtbank gaat daarom uit van een netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen tijdens de laatste periode van hun huwelijk van ongeveer € 2.658,- per maand. De maandelijkse behoefte van de man kan naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs worden gesteld (...) op 60% van dit netto besteedbaar gezinsinkomen, hetgeen neerkomt op een bedrag van (afgerond) € 1.595,-."

1.5 De vrouw heeft van deze laatste beschikking hoger beroep bij het hof Leeuwarden ingesteld. In haar beroepschrift heeft de vrouw - voor zover in cassatie nog van belang - verzocht de beschikking van 10 oktober 2006 te vernietigen voor zover het de vastgestelde partneralimentatie betreft en opnieuw rechtdoende:

"een nader onderzoek naar de behoefte van de man te gelasten met het verstrekken van inlichtingen aan het Gerechtshof en aan appellante en vervolgens bij de uitspraak van het Gerechtshof met bedoelde gegevens rekening te houden, voor zover de behoefte en de draagkracht van de man invloed hebben op de bijdrage levensonderhoud te betalen door de vrouw."

1.6 De man heeft in hoger beroep verweer gevoerd. Tevens heeft hij incidenteel appel ingesteld en daarin - voor zover in cassatie nog van belang - verzocht de beschikkingen van 30 mei 2006 en 10 oktober 2006, onder meer op het punt van de partneralimentatie, te vernietigen en het door de vrouw aan de man te betalen bedrag aan partneralimentatie op € 820,- per maand, verhoogd met de wettelijke indexering per 1 januari 2007, vast te stellen. De vrouw heeft in het incidentele beroep verweer gevoerd.

1.7 Nadat de man aanvullende stukken aan het hof had gezonden, is de zaak ter zitting van 24 juli 2007 behandeld. De man is niet in persoon ter zitting verschenen. De advocaat van de man heeft ter zitting opgemerkt dat de man moest terugkeren naar Kameroen om aldaar een machtiging tot voorlopig verblijf aan te vragen teneinde een studie in Nederland te kunnen volgen. Volgens zijn advocaat is het beroep van de man tegen intrekking van de partnerverblijfsvergunning ongegrond verklaard en is deze beslissing onherroepelijk(3). De man is op 14 of 15 juli 2007 naar Kameroen vertrokken(4).

1.8 Het hof heeft in zijn beschikking van 31 oktober 2007 de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen de beschikking van 30 mei 2006, omdat hij daartegen geen grieven heeft aangevoerd(5). Het hof vernietigde de beschikking van 10 oktober 2006 voor zover deze beschikking de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van diens levensonderhoud betreft en bepaalde, in zoverre opnieuw beslissende, de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage:

- met ingang van 16 mei 2006 tot 15 juli 2007 op € 631,- per maand;

- vanaf 15 juli 2007 tot 15 januari 2008 op € 315,- per maand;

- en vanaf 15 januari 2008 op nihil.

Het hof heeft bepaald dat deze bijdragen, voor zover de termijnen niet zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan de man dienen te worden voldaan. Het hof heeft de beschikking waarvan beroep voor het overige bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen.

1.9 Over de behoefte van de man heeft het hof in de rov. 8-11 het volgende overwogen:

"8. De behoefte van de man wordt door het hof bezien in twee verschillende perioden, aangezien de man, zoals blijkt uit de verklaringen van zijn advocaat ter zitting, per half juli 2007 is vertrokken naar Kameroen. Volgens zijn raadsman is hij naar het land van herkomst teruggekeerd om daar een machtiging voorlopig verblijf voor studie in Nederland aan te vragen.

De periode tot het vertrek van de man uit Nederland.

9. Namens de man is aangevoerd dat hij, in verband met zijn verblijfstitel, niet in Nederland kan en mag werken en hij daarom niet in eigen levensonderhoud kan voorzien.

Het hof volgt de man niet in die stelling en neemt de behoefteberekening, zoals deze door de rechtbank is gemaakt, over. Immers, door de vrouw is onbestreden gesteld dat de man nog tot vlak voor zijn vertrek naar Kameroen in Nederland heeft gewerkt en daaruit inkomen heeft ontvangen, hetgeen het hof aannemelijk voorkomt, gelet op het feit dat ook uit de stukken blijkt dat de man tot april 2007 nog in Nederland gewerkt heeft en inkomen heeft ontvangen.

Ten tijde van het samenwonen van partijen bedroeg het netto gezinsinkomen € 2.658,-- per maand. Immers, de vrouw genoot een inkomen van circa € 1.683,-- netto per maand; de man een inkomen van circa € 975,-- netto per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de man is derhalve 60% van (1683+975=) € 2.658,-- en dus € 1.595,-- netto per maand. Op deze behoefte dient het bedrag dat de man zelf verdient in mindering te worden gebracht, zodat het hof de behoefte van de man vaststelt op (1595-975=) € 620,-- netto per maand.

De periode na vertrek van de man uit Nederland.

10. Alimentatie kan worden toegekend aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven.

Of de man in Kameroen geen inkomen heeft of zich in redelijkheid niet kan verwerven is onduidelijk. Namens de man is dit wel gesteld, maar niet onderbouwd. Ook de stelling dat de man voornemens is om terug te keren naar Nederland en hier een studie wil afronden is onvoldoende onderbouwd en bovendien is het een keuze van de man (om te studeren in plaats van zich inkomen te verwerven) die hij financieel niet op de vrouw kan afwentelen.

Ten slotte is het onzeker of de man wel kan en zal terugkeren naar Nederland.

11. Het hof acht het, enerzijds gelet op het gestelde in rechtsoverweging 10 en anderzijds gelet op de huwelijkse band die tussen partijen heeft bestaan, redelijk en billijk dat de vrouw nog een korte periode in enige mate bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van de man na zijn vertrek uit Nederland.

Het hof stelt de duur van die tweede periode in redelijkheid op zes maanden en de bijdrage ten behoeve van die periode in redelijkheid op de helft van de draagkrachtruimte van de vrouw. Hiermee is het principaal appel behandeld."

1.10 Het hof heeft de draagkrachtruimte van de vrouw in afwijking van de rechtbank op € 631,- bruto per maand vastgesteld(6).

1.11 De man heeft tijdig(7) beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft in cassatie geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1 De man heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel komt op tegen de rov. 8 en 9 in samenhang met de rov. 17 en 22 en de vervolgens gegeven beslissing, en betreft de vaststelling van de behoefte van de man voor de periode vanaf december 2006 tot zijn vertrek uit Nederland, medio juli 2007. Het middel betoogt naar de kern genomen dat het hof het recht heeft geschonden dan wel zijn oordeel niet naar behoren heeft gemotiveerd door bij de bepaling van de behoefte van de man in voornoemde periode geen rekening te houden met het (dreigende) verval van zijn verblijfsvergunning en het daarmee volgens het middel samenhangende feit dat de man vanaf december 2006 geen reguliere betrekkingen meer kon aanvaarden en vanaf dat moment daadwerkelijk minder inkomsten uit arbeid genereerde.

2.2 De omvang van de alimentatie wordt bepaald aan de hand van enerzijds de draagkracht en anderzijds de behoefte. Daarnaast kunnen niet-financiële factoren een rol spelen(8). In de meeste gevallen blijft de draagkracht van de alimentatieplichtige achter bij de behoefte van de alimentatiegerechtigde waarin moet worden voorzien, zodat deze behoefte niet exact behoeft te worden berekend. De behoefte is met name van belang indien de draagkracht van de alimentatieplichtige groot is of indien de alimentatiegerechtigde voor een belangrijk deel in het eigen onderhoud kan voorzien, in welk laatste geval moet worden vastgesteld welke aanvulling op het inkomen noodzakelijk is(9). Het hof heeft in de onderhavige procedure de omvang van de door de vrouw aan de man te betalen alimentatie voor de periode vanaf december 2006 tot het vertrek van de man uit Nederland (medio juli 2007) bepaald op het bedrag dat de vrouw kan dragen, nu dit bedrag de behoefte van de man niet overstijgt(10). De man heeft in cassatie niet geklaagd over de bepaling van de draagkracht van de vrouw. Daarom mist hij belang bij zijn klacht over de vaststelling van zijn behoefte over de bedoelde periode. Aangezien de door het hof vastgestelde (en door de man in cassatie bestreden) behoefte de vastgestelde draagkracht van de vrouw reeds overstijgt, zal vaststelling van een (nog) hogere behoefte niet tot toekenning van een hogere, door de vrouw aan de man te betalen uitkering tot levensonderhoud kunnen leiden.

2.3 Voor zover het middel ten betoge strekt dat het hof bij de bepaling van de behoefte heeft miskend dat de man in de periode vanaf december 2006 tot aan zijn vertrek uit Nederland, medio juli 2007, geen reguliere betrekking meer kon aanvaarden en vanaf dat moment daadwerkelijk minder inkomsten uit arbeid genereerde, geldt overigens dat deze stelling geen steun vindt in de stukken. Het hof oordeelde immers in rov. 9 dat door de vrouw onbestreden is gesteld dat de man nog tot vlak voor zijn vertrek naar Kameroen in Nederland heeft gewerkt en daaruit inkomen heeft ontvangen, hetgeen het hof aannemelijk heeft geacht, gelet op het feit dat ook uit de stukken blijkt dat de man tot april 2007 nog in Nederland heeft gewerkt en inkomen heeft ontvangen. Daarenboven wordt in het cassatierekest zelf (onder 8.3) verwezen naar door de man in hoger beroep betrokken stellingen die impliceren dat de man van 5 februari 2007 tot 13 juli 2007 een baan bij de gemeente had. Het middel faalt.

2.4 Het tweede middel komt op tegen de rov. 10 en 11 in samenhang met de rov. 17, 18 en 22 en de vervolgens gegeven beslissing, en betreft de vaststelling van de alimentatie voor de periode na het vertrek van de man uit Nederland.

Het middel poneert dat, gelet op het bepaalde in art. 1:157 lid 6 BW, de alimentatie-uitkering na de echtscheidingsbeschikking en de inschrijving daarvan tenminste nog doorloopt voor een periode gelijk aan de duur van het huwelijk tot de datum van inschrijving. Volgens het middel is er geen rechtsgrondslag voor de beperking in de tijd die het hof in rov. 11 heeft aangebracht, terwijl zijn oordeel omtrent de berekende behoefte reeds in het kader van middel 1 is aangevallen, zodat er (aldus) ook geen rechtsgrondslag is voor een halvering van de bijdrage door die te stellen op de helft van de draagkrachtruimte van de vrouw.

In verband met rov. 10 wijst het middel erop dat ter zitting zijdens de man is aangegeven dat de man in Kameroen de beslissing van de IND op zijn verzoek tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) onder het doel "studie in Nederland" moet afwachten en pas na verkregen machtiging in Nederland kan terugkeren. Volgens het middel is er ook op gewezen dat die "mvv" enkel kan zien op studie en juist niet op reguliere arbeid omdat de man daarvoor niet in aanmerking komt nu zijn huwelijk gerekend vanaf het inleidend verzoekschrift tot echtscheiding geen drie jaar heeft geduurd. Het hof heeft volgens het middel niet kunnen oordelen dat het onzeker is of de man wel kan en zal terugkeren naar Nederland, dat de stelling dat de man voornemens is terug te keren naar Nederland en hier een studie wil afronden, onvoldoende is onderbouwd en dat de man zijn keuze om te studeren in plaats van zich inkomen te verwerven niet op de vrouw kan afwentelen, nu hij, gelet op de in het cassatierekest bedoelde Vw/Vb/WAV-bepalingen(11), die keuze in het geheel niet heeft en behoeftig is of blijft, omdat hij op basis van een "mvv" voor studie ten genoegen van de IND dient aan te tonen dat hij over toereikende inkomsten beschikt. Een "mvv" voor studie laat volgens het middel niet toe dat betrokkene in Nederland full-time werkt. Aan het hof is, nog steeds volgens het middel, de strekking en/of de draagwijdte van de mededelingen van de advocaat van de man ter zake van de bedoelde vreemdelingenbepalingen (geheel) ontgaan.

Het middel besluit met de opmerking dat de door het hof in rov. 18 vastgestelde bijdrage van de vrouw en de opnihilstelling daarvan met ingang van 15 januari 2008 in verband met de behoeftigheid van de man een deugdelijke rechtsbasis ontberen.

2.5 Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop dat de rechter een belangrijke discretionaire bevoegdheid heeft bij de vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud. De rechter kan een uitkering toekennen; hij is daartoe bevoegd, niet verplicht. Bij de vaststelling geniet de rechter grote vrijheid en zijn beslissing is volgens vaste rechtspraak slechts in beperkte mate toetsbaar in cassatie. Aan beslissingen die uitsluitend het vaststellen en wegen van de door partijen met het oog op hun draagkracht en behoefte aangevoerde omstandigheden betreffen, kunnen in het algemeen niet al te hoge motiveringseisen worden gesteld. Wel geldt ook ten aanzien van een beslissing als de onderhavige het grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden - ingeval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Hoe ver de motiveringsplicht van de rechter reikt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoort mede het aan de beslissing ten grondslag liggende partijdebat(12).

2.6 De klacht dat het hof art. 1:157 lid 6 BW heeft miskend, acht ik ongegrond. Als een huwelijk kort (niet langer dan vijf jaar) heeft geduurd en kinderloos is gebleven, eindigt de verplichting tot levensonderhoud volgens dit artikel van rechtswege na een termijn die gelijk is aan de huwelijksduur. Zou de rechter een termijn vaststellen, dan kan deze in beginsel wel korter, maar niet langer zijn dan voornoemde termijn(13). Het binden van de alimentatie aan een termijn moet overigens worden onderscheiden van het "op nihil stellen" van het alimentatiebedrag na verloop van een bepaalde tijd. Een opnihilstelling van de alimentatie op grond van een toekomstige omstandigheid - zoals in het bijzonder de omstandigheid dat de alimentatiegerechtigde in het eigen levensonderhoud zal (kunnen) gaan voorzien - is geen limitering van de alimentatieplicht als bedoeld in art. 1:157 lid 3 respectievelijk lid 6 BW(14). Nog daargelaten dat art. 1:157 lid 6 BW de alimentatieplicht limiteert en geenszins beoogt een minimumduur van de alimentatieuitkering te verzekeren, heeft het hof die bepaling ook daarom niet miskend, omdat het hof de alimentatieplicht niet heeft gelimiteerd in de zin van art. 1:157 lid 3 respectievelijk lid 6 BW, maar de alimentatieuitkering heeft afgebouwd en met ingang van zekere datum op nihil heeft gesteld, over de periode waarover het hof de behoefte van de man niet aangetoond oordeelde. Zodanige afbouw en opnihilstelling doorkruist de regeling van art. 1:157 lid 6 BW niet.

2.7 De beslissing van het hof in de rov. 10 en 11 om voor de periode na het vertrek van de man uit Nederland de alimentatie te beperken en uiteindelijk op nihil te stellen, is hierop gebaseerd dat de man niet heeft onderbouwd dat hij in Kameroen geen inkomen heeft en zich in redelijkheid geen inkomen kan verwerven, dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat hij voornemens is voor het afronden van een studie naar Nederland terug te keren (waarbij een keuze om te studeren in plaats van zich inkomen te verwerven naar het oordeel van het hof overigens voor rekening van de man blijft) en dat onzeker is of de man wel kan en zal terugkeren naar Nederland. Dat het hof de alimentatie niet aanstonds, te rekenen vanaf het vertrek van de man uit Nederland, op nihil heeft gesteld, vindt hierin zijn oorzaak dat het hof, gelet op de huwelijkse band die tussen partijen heeft bestaan, het redelijk en billijk achtte dat de vrouw nog gedurende een korte periode in enige mate in de kosten van levensonderhoud van de man na diens vertrek uit Nederland bijdraagt.

2.8 Het oordeel van het hof dat de man zijn stellingen - dat hij in Kameroen geen inkomen heeft en zich in redelijkheid geen inkomen kan verwerven(15) en dat hij voornemens is naar Nederland terug te keren om hier een studie af te ronden - niet of onvoldoende heeft onderbouwd en dat onzeker is of de man wel kan en zal terugkeren naar Nederland, is gelet op de stukken van het geding niet onbegrijpelijk. De klachten van het middel herhalen de in de feitelijke instanties opgeworpen stelling dat de man geen verblijfsvergunning kan verkrijgen op basis waarvan hij zou zijn gerechtigd in Nederland (fulltime) arbeid te verrichten. Deze stelling doet echter niet af aan 's hofs oordeel dat de man niet of onvoldoende heeft onderbouwd dat hij in Kameroen geen inkomen heeft en zich in redelijkheid ook geen inkomen kan verwerven en dat hij voor het voltooien van zijn studie wederom tot Nederland zal worden toegelaten, en aan de opvatting van het hof dat de financiële consequenties van de keuze van de man voor een studie in Nederland - wat daarvan ook zij - voor zijn rekening dienen te blijven. Gelet op het processuele debat, waaronder begrepen de betwisting van de behoeftigheid van de man door de vrouw, is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd en geeft het evenmin van een onjuiste rechtsopvatting blijk.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie rov. 1-5 van de bestreden beschikking.

2 Zie het inleidende verzoekschrift van de vrouw van 18 januari 2006 onder 2 en 3.

3 P. 2 proces-verbaal van 24 juli 2007.

4 P. 3 proces-verbaal van 24 juli 2007.

5 Rov. 23.

6 Rov. 13-17.

7 Het cassatierekest van 30 januari 2008 is op 31 januari 2008 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen; de bestreden beschikking dateert van 31 oktober 2007.

8 Personen- en familierecht 3, aant. 2 op art. 1:157 BW (S.F.M. Wortmann; 2007).

9 Asser-De Boer (2006), p. 491.

10 Rov. 17.

11 Het middel spreekt onder 9.4 van "deze" Vw/Vb/WAV-bepalingen (waarbij de gebruikte afkortingen kennelijk staan voor de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en de Wet arbeid vreemdelingen), maar verduidelijkt (afgezien van een verwijzing naar "art. 26 Uitvoeringsregels WAV") niet op welke bepalingen van de betrokken regelingen het doelt. Wel worden in het cassatierekest onder 4 met betrekking tot de betekenis en de beëindiging van een afhankelijke verblijfsstatus enkele bepalingen van die regelingen genoemd. In de voor de behandeling bij het hof op 24 juli 2007 bestemde toelichting van mr. Van Balen wordt, op p. 2, overigens eveneens zonder verwijzing naar concrete bepalingen, betoogd dat de man, nu zijn afhankelijke verblijfsstatus een einde heeft genomen, een "mvv" en vervolgens (als hij aantoont over financiële middelen voor een studie te beschikken) een "vtv" (vergunning tot verblijf) voor studiedoeleinden kan aanvragen, welke vergunning ook mogelijk zou maken dat een potentiële werkgever een tewerkstellingsvergunning voor maximaal 10 uur per week aanvraagt.

12 Zie, met verwijzingen naar de jurisprudentie, Asser-De Boer (2006), p. 487-488, alsmede Personen- en familierecht 3, aant. 2 op art. 1:157 BW (S.F.M. Wortmann; 2007).

13 Van Mourik-Verstappen, Nederlands vermogensrecht bij scheiding (2006), p. 718.

14 Zie, met verwijzing naar HR 30 januari 2004, NJ 2004, 294, m.nt. SW, T&C BW (2007), aant. 4 op art. 1:157 BW (M.J.C. Koens).

15 De advocaat van de man heeft tijdens de mondelinge behandeling van 24 juli 2007 desgevraagd slechts verklaard dat de man in Kameroen moeilijk aan werk kan komen. Voorts heeft hij gesteld dat de man in Kameroen vervolgingsvrees heeft en onder druk staat, hetgeen door de advocaat van de vrouw is betwist (proces-verbaal van 24 juli 2007, p. 2 en 4).