Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH0379

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-03-2009
Datum publicatie
13-03-2009
Zaaknummer
R07/026HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH0379
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Alimentatie gewezen echtgenoten; procesrecht; afwijzing door appelrechter van tijdens mondelinge behandeling door procespartij gedaan aanbod om bepaalde stukken over te leggen; geen afwijking in cassatie van de regel dat in verzoekschriftprocedures tussen gewezen echtgenoten de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 410
JWB 2009/82
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. R07/026HR

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Parket, 16 januari 2009

Conclusie inzake:

[De man]

tegen

[De vrouw]

1. Feiten(1) en procesverloop(2)

1.1 Verzoeker tot cassatie, de man, en verweerster in cassatie, de vrouw, zijn op 20 augustus 1994 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd, welk huwelijk op 22 maart 2006 is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 oktober 2005 in de registers van de burgerlijke stand.

1.2 Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank 's-Gravenhage op 28 december 2004, heeft de vrouw de rechtbank verzocht de echtscheiding uit te spreken en de man te veroordelen om haar een bijdrage in haar levensonderhoud van € 1.500,-- per maand te betalen, bij vooruitbetaling te voldoen, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Aan dit verzoek heeft de vrouw ten grondslag gelegd dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en dat zij de gevorderde alimentatie nodig heeft om in haar levensonderhoud te voorzien.

1.3 De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd en daarbij betwist dat het huwelijk duurzaam is ontwricht(3) en dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud. De man heeft daarbij aangevoerd dat hij de gevorderde alimentatie niet kan betalen.

1.4 De rechtbank heeft de zaak ter zitting van 16 september 2005 behandeld in aanwezigheid van partijen en hun procureurs, waarbij partijen over en weer nog verzoeken hebben gedaan.

1.5 Vervolgens heeft de rechtbank bij beschikking van 14 oktober 2005 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en uitvoerbaar bij voorraad bepaald dat de man met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud zal voldoen van € 1.458,-- per maand.

1.6 De man is van deze beschikking, onder aanvoering van vier grieven, in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage en heeft daarbij verzocht de beschikking van de rechtbank voor zover daarbij een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw is bepaald te vernietigen en, in zoverre opnieuw beschikkende, het verzoek van de vrouw tot het bepalen van een bijdrage in haar levensonderhoud af te wijzen voor zover deze een bedrag van € 77,-- per maand overstijgt, althans deze bijdrage te stellen op € 77,-- per maand.

1.7 De vrouw heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot - zakelijk weergegeven - bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank, dan wel tot een beslissing als het hof in goede justitie vermeent te behoren.

1.8 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter zitting op 9 juni 2006, in aanwezigheid van de man en zijn advocaat en de vrouw en haar procureur.

1.9 Bij beschikking van 15 november 2006 heeft het hof de beschikking van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigd en opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw ten laste van de man met ingang van 22 maart 2006 vastgesteld op € 1.208,-- per maand, wat de na 15 november 2006 te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen.

1.10 Tegen deze beschikking heeft de man tijdig(4) cassatieberoep ingesteld.

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van het hof.

De man heeft in maart 2008 een - onvolledig - procesdossier overgelegd. Van de vrouw is, ondanks diverse verzoeken van de griffie van de Hoge Raad, geen procesdossier in het geding gebracht.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1 Het cassatieberoep bevat twee middelen.

2.2 Het eerste middel is gericht tegen rechtsoverweging 7, waarin het hof - voor zover van belang - als volgt heeft geoordeeld:

"(...) In hoger beroep betwist de man blijkens zijn pleitnota alleen de huurlast van € 950,- per maand, waarmee de rechtbank rekening heeft gehouden. De man betwist dat de vrouw sedert november 2004 woonachtig is in de woning te [woonplaats] en daarvoor deze huur betaalt. Het hof is van oordeel dat de man zijn stelling dat de vrouw niet in de hier bedoelde woning woont en deze woonlast niet heeft, niet heeft onderbouwd. Daarbij is de man in zijn stelplicht tekortgeschoten; hij stelt geen omstandigheden waaruit zou moeten blijken dat de vrouw niet in de woning te [woonplaats] woont. Ter zitting heeft de man ter staving van zijn voormelde stelling nog aangeboden een onderzoeksrapport, alsmede een uittrekstel uit de gemeentelijke basisadministratie over te leggen. De vrouw heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het hof heeft dit aanbod van de man ter zitting afgewezen, nu dit in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde."

2.3 Het middel klaagt onder 1.5 dat het hof ten onrechte het aanbod van de man om een onderzoeksrapport over te leggen heeft afgewezen op grond van strijdigheid met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Hierbij neemt het middel onder 1.3-1.5 tot uitgangspunt dat de afwijzende beslissing van het hof is gebaseerd op artikel 5 van het Uniform reglement van de gerechtshoven voor rekestprocedures in familiezaken.

Deze veronderstelling vindt echter geen steun in de beschikking van het hof, zodat het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

2.4 Overigens geeft het oordeel van het hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Het gaat in deze zaak niet om (kort) vóór de zitting overgelegde stukken, maar om het aanbod ter zitting om bepaalde bewijsstukken over te leggen. De rechtspraak van Uw Raad waarin bescheiden in het geding waren gebracht nadat de daarvoor in het Uniform reglement genoemde termijn was verstreken, maar wel vóór de mondelinge behandeling(5), alsmede de vaste rechtspraak met betrekking tot tijdens de mondelinge behandeling ter tafel komende bescheiden(6), is derhalve niet van toepassing. Hetzelfde geldt voor de in het cassatieverzoekschrift genoemde rechtspraak over toelaatbaarheid van nieuwe grieven en nieuwe feiten.

2.5 In de onderhavige zaak heeft de man in zijn vierde grief slechts een algemene klacht gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde hoogte van de behoefte van de vrouw. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man vervolgens betwist dat de vrouw in een huurwoning in [woonplaats] woonachtig is en de huurlasten daarvan draagt(7) en heeft hij aangeboden om het onderzoeksrapport van een detective waaruit een en ander zou blijken(8), in het geding te brengen. De vrouw heeft daartegen bezwaar gemaakt(9).

2.6 De man heeft niet vermeld op welk moment hij de beschikking kreeg over het onderzoeksrapport, dat volgens hem uit een groot aantal observaties en foto's bestaat, dertig waarnemingen, verdeeld over een periode van ruim een maand(10).

Wel blijkt uit het cassatieverzoekschrift dat het rapport in ieder geval ten tijde van de mondelinge behandeling voor de man beschikbaar was(11). Hij heeft het rapport echter niet overgelegd, naar zijn zeggen omdat de vrouw dan de gelegenheid zou hebben gehad haar standpunt zodanig te wijzigen dat van het rapport niets meer zou overblijven (cassatieverzoekschrift, p. 4).

2.7 Nu voor het in geding brengen van een (bewijs)stuk geen opdracht van de rechter is vereist(12), is het voor risico van de man dat hij daarmee heeft gewacht en dat het hof dit aanbod, mede gelet op het bezwaar van de vrouw, als in strijd met de goede procesorde terzijde heeft geschoven.

2.8 Het middel faalt mitsdien.

2.9 Middel 2 is gericht tegen navolgende vermelding van het hof onder 'procesverloop in hoger beroep' (p. 1):

"De man heeft het hof bij brief, ingekomen op 9 mei 2006, verzocht ter gelegenheid van de mondelinge behandeling een tweetal getuigen te doen horen. Het hof heeft dit verzoek afgewezen."

Het middel klaagt dat het hof ten onrechte aan het bewijsaanbod van de man is voorbijgegaan, althans dat de beslissing van het hof onvoldoende is gemotiveerd.

2.10 Ook dit middel mist feitelijke grondslag.

Uit de door mij ambtshalve opgevraagde brief van 9 mei 2006 blijkt dat de advocaat van de man het hof heeft bericht dat hij ter gelegenheid van de mondelinge behandeling twee getuigen wilde doen horen en dat hij van het hof wilde vernemen of genoemde getuigen konden worden gehoord, zodat hij voor oproeping kon zorg dragen.

Het hof heeft dit verzoek afgewezen.

Anders dan het middel betoogt, heeft het hof aldus niet een bewijsaanbod gepasseerd, maar het verzoek van de man om ter gelegenheid van de mondelinge behandeling getuigen te horen afgewezen. Een dergelijke ordemaatregel behoeft geen nadere motivering.

Gesteld noch gebleken is dat de man ter zitting een bewijsaanbod heeft gedaan.

Middel 2 faalt derhalve eveneens.

2.11 De vrouw heeft in haar verweerschrift verzocht de man in de proceskosten te veroordelen omdat de man in strijd met de wettelijke regels handelt.

Ingevolge art. 429 lid 3 Rv. geeft de Hoge Raad omtrent de kosten van het geding een zodanige beslissing als hij vermeent te behoren. In verzoekschriftprocedures tussen gewezen echtelieden worden de proceskosten doorgaans tussen de partijen gecompenseerd aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Niettemin kan de rechter - al dan niet ambtshalve(13) - een proceskostenveroordeling uitspreken (zie art. 289 in verbinding met 362 Rv.). Zo kunnen kosten die zijn ontstaan door een onredelijke houding van de wederpartij als nodeloze kosten ten laste worden gebracht van de partij die ze veroorzaakte. Onder deze nodeloze kosten worden ook gerekend de kosten die zijn veroorzaakt als gevolg van de overbodigheid van het proces(14). Het instellen van cassatie is niet een dergelijke overbodigheid. Het verzoek van de vrouw dient m.i. te worden afgewezen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Zie de bestreden beschikking, p. 2, alsmede de beschikking van de rb. Den Haag van 14 oktober 2005.

2 Voor zover thans van belang.

3 De man heeft dit verweer tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank ingetrokken.

4 Het cassatieverzoekschrift is op 12 februari 2007 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.

5 Zoals bijvoorbeeld HR 7 december 2007, NJ 2008, 554 m.nt. H.J. Snijders.

6 Zie de vaste rechtspraak dat de eisen van een behoorlijke procesorde, waaronder het beginsel van hoor en wederhoor, meebrengen dat de rechter slechts mag beslissen aan de hand van stukken tot kennisneming waarvan en uitlating waarover aan partijen voldoende gelegenheid is gegeven (o.m. HR 12 maart 1999, NJ 1999, 400) en dat deze regel ook betrekking heeft op het kennis kunnen nemen en adequaat kunnen reageren op bescheiden die (kort) vóór of bij gelegenheid van een terechtzitting waarop zij aan de orde komen, worden overgelegd (o.m. HR 17 februari 2006, NJ 2006, 156; HR 29 november 2002, NJ 2004, 172 m.nt. HJS)

7 Zie pleitnotitie van de man onder 'behoefte van de vrouw', aangehecht aan het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in beroep.

8 Proces-verbaal van 9 juni 2006, p. 3.

9 Proces-verbaal van 9 juni 2006, p. 4.

10 Cassatieverzoekschrift 2.2, p. 4.

11 In het cassatieverzoekschrift wordt vermeld dat de waarnemingen zijn gedaan in de periode dat partijen in de gelegenheid waren om processtukken bij het hof in te dienen (onder 2.2, p. 4).

12 HR 19 maart 1999, NJ 1999, 496 (rov. 3.7); zie voorts HR 27 juni 1997, NJ 1998, 328 m.nt. HJS (rov. 3.7) en de noot van Vranken onder HR 5 maart 1999, NJ 1999, 676 onder 4-6.

13 Zie o.a. de noot van Heemskerk onder HR 15 mei 1981, NJ 1982, 185.

14 Zie voor gegevens mijn conclusie vóór HR 19 maart 2004, LJN: AO1990 onder 2.7-2.8.