Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH0185

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-05-2009
Datum publicatie
12-05-2009
Zaaknummer
08/00040 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH0185
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Onjuiste uitleg vergunningsvoorschrift. 2. Geen sprake van medeplegen. Ad 1. Het middel, dat berust op de stelling dat het Hof bij de uitleg van het vergunningsvoorschrift zich niet had mogen beperken tot de bewoordingen van dit voorschrift en tot het ontbreken in de vergunning van elke verwijzing naar een toetsing op jaarbasis, doch bij die uitleg had behoren te betrekken dat de wetgever in de Meststoffenwet, de (Interim)wet ammoniak en veehouderij, en de Wet Herstructurering Varkenshouderij rekent met jaargemiddelden, faalt. De uitleg van een vergunningsvoorschrift als het onderhavige is van feitelijke aard, zodat ’s Hofs oordeel slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst (vgl. HR NJ 1995, 695). Een dergelijk oordeel kan in cassatie dan ook niet met vrucht met een rechtsklacht worden bestreden. Ad 2. ’s Hofs oordeel dat verdachte zo nauw en volledig met de A B.V. heeft samengewerkt bij de exploitatie van de varkenshouderij dat te dezen sprake was van het medeplegen van het tlg. feit, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is -mede gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen- toereikend gemotiveerd. Hetgeen names de verdachte is aangevoerd, noopte het Hof niet tot bredere motivering van dat oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 648
NJB 2009, 1162
Milieurecht Totaal 2009/5145
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/00040 E

Mr. Vellinga

Zitting: 13 januari 2009 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens "Het medeplegen van: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon" veroordeeld tot een geldboete van € 50.000,-.

2. Namens de verdachte heeft mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel bevat - in lijn met een bij het Hof gevoerd verweer - de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat met een eenmalige telling kon worden volstaan om het relevante aantal aanwezige varkens te bepalen.

4. Het Hof heeft bewezenverklaard dat:

"verdachte op 8 januari 2004 in de gemeente Buren, terwijl aan [verdachte] door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Buren bij besluit van 30 juli 1996 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente op een perceel gelegen aan de [a-straat] te [vestigingsplaats] oprichten en in werking hebben van een inrichting (varkenshouderij en -mesterij) als bedoeld in categorie 8 van bijlage I van het "Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer", tezamen en in vereniging met een ander zich, opzettelijk, heeft gedragen in strijd met voorschrift 1.2 verbonden aan voormelde vergunning, aangezien:

- in die inrichting meer dan 382 stuks kraamzeugen (met biggen tot spenen) aanwezig waren;

- in die inrichting meer dan 1250 stuks guste en dragende zeugen aanwezig waren;

- in die inrichting meer dan 5096 stuks gespeende biggen aanwezig waren;

- in die inrichting meer dan 6752 stuks mestvarkens aanwezig waren".

5. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

"een ambtsedig hoofdproces-verbaal met bijlagen, voorzien van het dossiernummer PL083G/04-005586, opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, Team Buren, gesloten en ondertekend op 24 augustus 2004, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant -zakelijk weergegeven-:

Bij controle op 8 januari 2004 van verdachte, bleek dat er een overtreding plaats vond van de vergunningsvoorwaarden.

Op 8 januari 2004 was ik bij de telling (het hof verstaat (p.8): van een aantal varkens) aanwezig. De tellingen zijn steeds uitgevoerd onder leiding van een toezichthouder van de provincie Gelderland.

In de door burgemeester en wethouders afgegeven revisievergunning van 30 juli 1996 onder nummer MV 036 is onder de voorwaarden 1.1 en 1.2 opgenomen het aantal te houden dieren.

In de vergunningsvoorwaarden staat onder 1.1 en 1.2 dat het volgende aantal dieren gehouden mag worden. Biggen 5096, Kraamzeugen 382, Guste- / Dragende Zeugen 1250, Vleesvarkens 6752.

Bij een telling op 8 januari 2004 is is bij verdachte het aanwezige aantal dieren geteld. Het aantal aanwezige dieren was: Biggen 7491, Kraamzeugen 430, Guste- / Dragende Zeugen 1549, Vleesvarkens 8386. Dit is een overschrijding van: Biggen 2395, Kraamzeugen 34, Guste- / Dragende zeugen 299, Vleesvarkens 1634.

2 een schriftelijk bescheid ex artikel 344 lid 4 van het Wet boek van Strafvordering inhoudende de rapportage van de op 8 januari 2004 bij verdachte gehouden telling, op 16 januari 2004 op schrift gesteld door [betrokkene 1], toezichthouder van de Provincie Gelderland (als bijlage gevoegd bij het hoofdproces-verbaal met dossiernummer PL083G/04-005586), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op dinsdag 6 januari 2004 is [betrokkene 2] (adviseur van [verdachte]) telefonisch op de hoogte gebracht van de controle op 8 januari 2004. Tijdens dit gesprek is aangegeven dat de dieraantallen geteld gaan worden. Op 7 januari 2004 is tevens [betrokkene 3] (bedrijfsleider) telefonisch hiervan op de hoogte gebracht. De boven- en onderverdieping van [verdachte] is onderverdeeld in twaalf telvakken (iedere verdieping 6). Er zijn vier teams van twee personen geformeerd die ieder drie telvakken toebedeeld hebben gekregen. Voor de controle is middels een briefing aan de betrokken medewerkers de opzet van de controle uitgelegd. Op donderdag 8 januari 2004 hebben wij ons om circa 13.00 uur gemeld bij [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Zij gaven aan geen bezwaar te hebben tegen het uitvoeren van de tellingen. De telteams hebben zich vervolgens gedoucht en gereed gemaakt om te starten met het uitvoeren van de tellingen. Aan [betrokkene 2] is vervolgens de opzet van de telling uitgelegd. Vervolgens heb ik met [betrokkene 3] de indeling van dieren in de stal doorgenomen.

In de telvakken 7 t/m 12 zijn de dieren enkelvoudig geteld. De biggen in de telvakken 6 en 6 zijn in duplo geteld. Tijdens de telling is ook de zeugenuitloop (in de voerhal) gecontroleerd. In deze hal liepen 28 zeugen.

Tijdens de tellingen heeft [verbalisant 1] van de politie, team Buren, zich via [betrokkene 3] bij [betrokkene 1] gemeld. [Verbalisant 1] heeft zich aan het einde van de telling wederom op de hoogte laten stellen van de uitgevoerde telling.

De meting is beëindigd om circa 15.30 uur.

Telgegevens:

Telvak Biggen Guste-/ dragende zeugen Kraamzeugen Vleesvarkens

1 593

2 688

3 240 143

4 287

5 4064

6 3427

7 745 ((opfok)zeugen)

8 1704 9 1326

10 1695

11 1139

12 1777

Zeugen-

uitloop 28

Totaal 7491 1549 430 8386

Vergunde

dieren

1996 5096 1250 382 6752

Te veel

dieren 2395 299 48 1634

3. een schriftelijk bescheid ex artikel 344 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering inhoudende inhoudende de beschikking van burgemeester en wethouders van Buren op de aanvraag van verdachte om een vergunning voor een varkensfokkerij en -mesterij, genummerd MV 036 en gedateerd 30 juli 1996, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Beschikking op de aanvraag van [verdachte], [a-straat 1] te [vestigingsplaats] om een nieuwe, de gehele inrichting omvattende, vergunning voor een varkensfokkerij en -mesterij, gelegen aan de [a-straat 1] te [vestigingsplaats], kadastraal bekend als gemeente Buren, sectie [A], nummer [001].

De inrichting kan worden gerekend tot de categorie van inrichtingen als bedoeld in categorie 1,1, onder a en c, categorie 2.1 onder a, categorie 4.1 onder a, categorie 7.1 onder a en categorie 8.1 onder in bijlage I van het lnrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Derhalve valt dit bedrijf onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer.

3. De bedrijfsactiviteiten omvatten het fokken en mesten van varkens.

Voorschriften behorende bij de vergunning ingevolge de Wet milieubeheer MV 036 van [verdachte], [a-straat 1], [...] [vestigingsplaats], Varkensfokkerij/mesterij.

1.1.

De inrichting moet, behoudens voorzover daar in deze bijlage van wordt afgeweken, in werking zijn in overeenstemming met de in de stukken, behorende bij de aanvraag, vermelde gegevens.

1.2.

In de inrichting mogen ten hoogste de navolgende aantallen dieren aanwezig zijn:

-382 stuks kraamzeugen met biggen tot spenen;

-1250 stuks guste en dragen zeugen;

-5096 stuks gespeende biggen;

-6752 stuks mestvarkens.

4. een schriftelijk bescheid ex artikel 344 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering inhoudende de voergeld overeenkomst inzake varkens, gesloten tussen verdachte en [A] B.V., ongedateerd, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

1. [Verdachte], gevestigd te [a-straat 2], [...] [vestigingsplaats], in deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door [betrokkene 4], directeur, hierna te noemen "[verdachte]" is eigenaar van de productielocatie en de productierechten.

2. [A] B.V., gevestigd te [a-straat 2], [...] [vestigingsplaats], in deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door [betrokkene 4], directeur, hierna te noemen "varkenshouder", is eigenaar van de in deze overeenkomst genoemde varkens.

In aanmerking nemende:

-dat varkenshouder te [vestigingsplaats] aan de [a-straat 2] voor eigen rekening en risico een varkensbedrijf uitoefent in stalruimte beschikbaar gesteld door [verdachte];

-dat varkenshouder het onderhavige varkenshouderijbedrijf exploiteert, rekening houdend met een maximaal gemiddeld aantal aanwezige varkens conform de aanwezige varkens productierechten en overeenkomstig actuele wetgeving;

-dat het de ondergetekende wenselijk is voorgekomen deze overeenkomst schriftelijk vast te leggen en zij met elkaar een voergeld overeenkomst inzake het houden van varkens zijn aangegaan onder de navolgende voorwaarden en bepalingen.

Artikel 1 (doel)

3. Varkenshouder verplicht zich tot het volledig benutten van de productierechten, maar ook niet meer dan dat, overeenkomstig actuele wetgeving.

Artikel 2 (duur)

Deze overeenkomst gaat in op 1 april 1998 of zoveel eerder als mogelijk is en is aangegaan voor de Iooptijd van 6 jaar. Deze overeenkomst wordt stilzwijgend verlengd met steeds 1 jaar.

Artikel 8 (boekhoudplicht)

[Verdachte] verplicht zich de Minasboekhouding bij te houden.

[Verdachte] verplicht zich de Minasboekhouding voor de door Bureau Heffingen bepaalde datum aan Bureau Heffingen aan te bieden. Varkenshouder zal medewerking verlenen aan de verzameling van de benodigde gegevens.

[Verdachte] is verantwoordelijk voor de Minasheffingen.

Artikel 9 (recht en toegang)

[Verdachte] heeft te allen tijden het recht van toegang tot het bedrijf en plaats waar de dieren zijn ondergebracht, evenals de aan- en afvoerwagens van varkens, voer en mest.

Artikel 10 (vervreemding)

Varkenshouder is niet gerechtigd om de dieren te vervreemden dan wel te bezwaren in welke zin dan ook.

Artikel 11 (einde van de overeenkomst)

Na beëindiging van de overeenkomst, kan varkenshouder geen recht doen gelden op de productierechten.

Tevens is varkenshouder er mee bekend dat er nimmer sprake kan zijn van welke vorm dan ook van een pachtverhouding tussen beide partijen."

6. Het bestreden arrest houdt voor zover hier van belang het volgende in:

"De raadsman heeft betoogd dat de Provincie Gelderland met het uitvoeren van één telling op 8 januari 2004 heeft nagelaten te onderzoeken hoe hoog de veebezetting gedurende het hele jaar 2004 was en dat daarmee niet anders geconcludeerd kan worden dan dat niet aangetoond is dat voorschrift 1.2 behorende bij de op 30 juni 1996 verleende milieuvergunning is overtreden. Volgens de raadsman speelt daarbij een belangrijke rol dat deze vergunning ten aanzien van de daarmee samenhangende emissiefactoren ook uitgaat van een 100% bezetting gedurende het hele jaar, waarmee de raadsman kennelijk bedoelt dat de vergunning is verleend om gedurende het gehele jaar de in die vergunning gevoerde maximale hoeveelheid veebezetting op basis van een gemiddelde aanwezig te hebben. Overschrijding van de maximaal toegestane hoeveelheid veebezetting op het ene moment in het jaar kan, aldus de raadsman, gecompenseerd worden door een lagere dan de maximale toegestane hoeveelheid veebezetting op een ander moment in datzelfde jaar.

Dit verweer wordt verworpen. Uit de vergunning zelf - en daarbij in het bijzonder voorschrift 1.2. - blijkt op geen enkele wijze dat de daarin genoemde maximale veebezetting over een volledig jaar moet worden getoetst. Voorschrift 1.2. hanteert slechts een bovengrens voor het aantal te houden varkens nu daarin expliciet wordt voorgeschreven dat er ten hoogste (cursivering door het Hof, WHV) 382 stuks kraamzeugen met biggen tot spenen, 1250 stuks guste en dragende zeugen, 5096 stuks gespeende biggen, 6752 stuks mestvarkens en 11 stuks dekberen in de onderhavige inrichting aanwezig mogen zijn. Dat betekent dat deze aantallen op geen enkel moment mogen worden overschreden."

7. Art. 18.18 van de Wet milieubeheer luidt, en luidde ten tijde van het bewezenverklaarde handelen, als volgt:

"Een gedraging in strijd met een voorschrift dat is verbonden aan een krachtens deze wet verleende vergunning of ontheffing, is verboden."

8. De uitleg van vergunningvoorwaarden is van feitelijke aard en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.(1) De uitleg die het Hof heeft gegeven aan de in bewijsmiddel 3 onder 1.2. vermelde vergunningsvoorwaarde is gelet op de tekst van die voorwaarde, waarin immers wordt gesproken van "ten hoogste" aanwezig zijn van aantallen dieren, niet onbegrijpelijk. Gelet op de tekst van de voorwaarde doet aan de begrijpelijkheid van die uitleg niet af dat in de in de toelichting op het middel genoemde bepalingen uit wetten die (eveneens) beogen de landbouwsector met het oog op bescherming van het milieu te reguleren (straf)bepalingen voorkomen waarin van gemiddelde aantallen dieren per jaar of hoeveelheden uitgestoten stof per jaar wordt uitgegaan. Had de vergunningverlenende instantie bij die wetten willen aansluiten, dan had immers het bezigen van "ten hoogste" in de formulering van de voorwaarde niet voor de hand gelegen.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof zonder toereikende motivering een verweer heeft verworpen dat inhield dat niet de verdachte maar [A] BV feitelijk de inrichting dreef.

11. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte en aldaar voorgedragen pleitnota houdt voor zover hier van belang het volgende in:

"[Verdachte] is van oordeel dat de artikelen 8.1 lid 1 Wmb en 18.18 Wmb zich richten tot degenen die beschikking over de inrichting, degenen die in de inrichting de vergunningplichtige activiteit ontplooien. Vandaar ook dat een milieuvergunning niet een persoons- maar een inrichtingsgebonden karakter heeft. Ongeacht de tenaamstelling van een vergunning dient deze nageleefd te worden door degene die de activiteit ontplooit die bij overtreding van een verleende vergunning nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken.

[Verdachte] is weliswaar eigenaar van de onroerende zaak maar exploiteert niet de varkenhouderij aan de [a-straat 2] te [vestigingsplaats]. [Verdachte] heeft de onroerende zaak ter beschikking gesteld tot de Besloten Vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] B .V., eveneens gevestigd aan de [a-straat 2] te [vestigingsplaats]. Ik overleg u een afschrift van het uittreksel uit het handelsregister van deze besloten vennootschap waaruit blijkt dat deze als doelomschrijving heeft:

"Eexploitatie van een landbouwbedrijf, waaronder uitdrukkelijk de varkenshouderij, deelnemen in andere ondernemingen, financieren, stellen van zekerheden, beheer, het sluiten van overeenkomsten van levensverzekering".

Een afschrift van het uittreksel is aan deze pleitnotitie gehecht.

De [A] B.V. is dan ook de entiteit die aangemerkt moet worden als degene die de activiteit ontplooit die bij overtreding van een verleende vergunning nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Hierbij zij overigens benadrukt dat van nadelige gevolgen voor het milieu in de onderhavige zaak sowieso niet gebleken is.

Ik toon u een afschrift van de jaarrekening 2003/2004 waaruit blijkt dat de varkenshouderij aan de locatie [a-straat 2] te [vestigingsplaats] wordt geëxploiteerd door [A] in het door [verdachte] van haar ter beschikking gestelde stallencomplex.

Uit het bovenstaande volgt naar het oordeel van [verdachte] reeds afdoende dat de opsporingsambtenaren en het Openbaar Ministerie ten onrechte hun pijlen op haar hebben gericht. Voor zover al sprake zou zijn van overtreding van de artikel 18.18 Wmb -quod non, zie hieronder- dan is deze overtreding in elk geval niet gepleegd door [verdachte]. Het is dan ook volstrekt onbegrijpelijk dat, nu de feitelijke verhoudingen binnen de inrichtingen bij het Openbaar Ministerie volstrekt bekend zijn, in 2002 heeft immers een groot strafrechtelijk onderzoek door AID en politie plaatsgevonden, geen enkel moment daarnaar onderzoek is gedaan. Wat hier ook van moge zijn, in het dossier is niet het minste bewijs aanwezig waaruit volgt dat [verdachte] het in de dagvaarding genoemde voorschrift zouden hebben overtreden.

Ik concludeer op grond van het bovenstaande dan ook tot vrijspraak van de aan [verdachte] verweten gedragingen."

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover hier van belang, in dat de raadsman heeft aangevoerd:

"De voergeldovereenkomst is geldig. Ik zie geen reden dat niet te achten. De dieren zijn eigendom van [A] B.V. De milieuvergunning van 1996 is inrichtingsgebonden[.] Verdachte was niet meer degene die de inrichting dreef."(2)

12. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt verworpen:

Uit artikel 8 van deze overeenkomst (wat er ook zij van de rechtsgeldigheid van deze overeenkomst, welke zowel namens verdachte als namens de [A] B.V. is ondertekend door de (on)middelijk directeur [betrokkene 4]) blijkt dat krachtens die overeenkomst de verplichtingen met betrekking tot de zogenaamde Minasboekhouding op verdachte bleven rusten. Van een betrokkenheid van verdachte bij de inrichting uitsluitend als verhuurder van de opstallen was derhalve geen sprake. Voorts blijkt uit deze overeenkomst op geen enkele wijze hoe de verplichtingen, voortvloeiend uit de hierboven genoemde revisievergunning, tussen de in de overeenkomst genoemde partijen (verdachte en de [A] B.V.) is geregeld. Het hof is van oordeel dat er sprake was van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de [A] B.V. bij de exploitatie van de varkenshouderij dat van medeplegen sprake was."

13. Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte als verhuurder van de opstallen optrad en dat de verplichtingen met betrekking tot de zogenaamde minasboekhouding op de verdachte rustten. Voorts in aanmerking genomen dat er volgens de gebezigde bewijsmiddelen een personele unie bestond tussen verdachte en [A] B.V. in de vorm van één en dezelfde directeur voor verdachte en [A] B.V., verdachte dus invloed had op het aantal dieren dat in de door haar verhuurde stallen werd gehouden(3) en zij in de vorm van het verzorgen van de minasboekhouding betrokken was bij (het beheersen van) de effecten van de exploitatie van de varkenshouderij op het milieu, heeft het Hof uit één en ander geredelijk kunnen afleiden dat de verdachte zo nauw en bewust met [A] B.V. heeft samengewerkt bij het in de inrichting aanwezig hebben van meer varkens dan volgens de in de bewezenverklaring genoemde vergunning was toegestaan, dat ter zake van medeplegen kan worden gesproken. Daaraan doet niet af dat het Hof overweegt dat uit de door de verdediging ter ondersteuning van haar in het middel bedoelde verweer in het geding gebrachte overeenkomst niet blijkt hoe de verplichtingen voortvloeiend uit de vergunning waren geregeld. Met die overweging heeft het Hof kennelijk slechts duidelijk willen maken dat verdachte en [A] B.V. hun onderlinge verhouding niet aldus hebben geregeld dat [A] B.V. door de verdachte was opgedragen bij de exploitatie van de varkenshouderij de voorwaarden van de aan verdachte verleende milieuvergunning na te leven, hetgeen tegen het aannemen van medeplegen zou hebben gesproken (maar dit overigens niet zou hebben uitgesloten).

14. Het middel faalt.

15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 14 december 2004, LJN AR4900, HR 23 mei 1995, NJ 1995, 695, m.nt. MS

2 Het is op zich juist dat de milieuvergunning gebonden is aan de inrichting en niet aan de persoon van de aanvrager. Zie F.C.M.A. Michiels, De wet milieubeheer, 4e, p. 75, die schrijft: "De vergunning geldt voor de drijver van de inrichting (art. 8.20). Dit betekent dat deze de voorschriften moet naleven. Het betekent ook dat de vergunning niet alleen de aanvrager-vergunninghouder begunstigt, doch ook diens rechtsopvolgers. (...) De vergunning heeft, anders gezegd, een zaaksgebonden karakter." Ook als [A] B.V. als (nieuwe) drijver van de inrichting zou zijn gaan optreden, zouden derhalve de voorwaarden van de vergunning voor haar zijn blijven gelden (en kon de verdachte aan overtreding van die voorwaarden deelnemen).

3 Zie voor het belang voor het daderschap hiervan HR 9 maart 2004, LJN AN9919 waar werd aangenomen dat de verdachte had gehandeld in strijd met een aan haar verstrekte milieuvergunning onder meer omdat de verdachte kon bewerkstelligen dat aan een situatie in strijd met de voorwaarden van een aan verdachte verstrekte milieuvergunning een einde werd gemaakt. Zie voorts HR 4 november 2003, waar de eigenaar van een tankstation, niet zijnde de exploitant, werd aangemerkt als degene die een tankstation drijft in de zin van art. 3 Besluit tankstations milieubeheer gelet op de zeggenschap die de verdachte had over de inrichting van het tankstation (verdachte had onder meer opdracht gegeven een noodinstallatie aan te leggen), alsmede HR 22 juni 2004, LJN AO8801, NJ 2004, 441 waar de verdachte, een oliemaatschappij, werd aangemerkt als degene die het tankstation dreef in de zin van art. 2 lid 1 (oud) Besluit tankstations milieubeheer, omdat zij eigenaar was van de niet aan de eisen van het besluit voldoende installatie en de exploitant niet gerechtigd was die installatie te wijzigen, te vervangen of daaraan zelfstandig reparaties uit te voeren.