Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BH0046

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-04-2009
Datum publicatie
07-04-2009
Zaaknummer
08/00846 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH0046
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Pv niet overeenkomstig art. 152 Sv: bewijsuitsluiting? Begrippen “gezondheidscertificaat”, “zenden” en “vergezellen” a.b.i. art. 8 lid 3 van de EG verordening nr. 1774/2002. Strafmotivering. HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 537
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/00846 E

Mr. Knigge

Zitting: 13 januari 2009 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. Het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, heeft - voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen - verdachte bij arrest van 3 april 2007 voor 1. en 2. telkens: "Medeplegen van: Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 19 van de Landbouwwet, opzettelijk begaan" veroordeeld tot een geldboete van € 2.500,- subsidiair tweeënveertig dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren.

2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. A. Klaassen, advocaat te Veenendaal, zes middelen van cassatie voorgesteld.

4. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

"1. verdachte op 25 september 2003 in de gemeente Barneveld, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, dierlijke bijproducten, te weten (pluimvee)mest, in strijd met artikel 8, derde lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002 naar een andere lidstaat (Duitsland) heeft gezonden, aangezien die mest niet vergezeld ging van een gezondheidscertificaat.

"2. verdachte op 9 september 2003 in de gemeente Barneveld, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, dierlijke bijproducten, te weten (pluimvee)mest, in strijd met artikel 8, derde lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002 naar een andere lidstaat (Duitsland) heeft gezonden, aangezien die mest niet vergezeld ging van een gezondheidscertificaat."

5. Art. 8 lid 3 van de in de bewezenverklaarde genoemde Verordening schrijft met betrekking tot de verzending van dierlijke bijproducten (waaronder ook mest valt(2)) naar andere lidstaten voor dat deze producten moeten "vergezeld gaan van een handelsdocument of, wanneer deze verordening dat voorschrijft, een gezondheidscertificaat". Art. 20 lid 1 Verordening bepaalt voorts dat de lidstaten er onder meer op moeten toezien dat de in bijlage VIII genoemde dierlijke bijproducten slechts in de handel worden gebracht of uitgevoerd worden indien zij voldoen aan de in bijlage VIII vastgestelde specifieke eisen. Hoofdstuk III van genoemde bijlage VIII bevat blijkens het opschrift eisen voor mest, verwerkte mest en verwerkte producten van mest. Art. 2 sub c van dit hoofdstuk (geplaatst onder "I. Niet verwerkte mest" sub "A. Handelsverkeer") bepaalt voor zover hier van belang dat "voor het handelsverkeer in niet verwerkte mest" als eis geldt: "de mest moet vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat waarvan het model is vastgesteld volgens de procedure van artikel 33, lid 2".

6. Het (impliciete) oordeel van het Hof dat in casu sprake was van handelsverkeer waarvoor de Verordening een gezondheidscertificaat voorschrijft (zodat in strijd met art. 8 lid 3 Verordening wordt gehandeld als de mest niet vergezeld gaat van een gezondheidscertificaat), wordt in de cassatiemiddelen niet bestreden.(3)

7. Het eerste middel klaagt erover dat de verklaring van verdachte ten onrechte, althans zonder begrijpelijke en toereikende motivering, voor het bewijs is gebezigd. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat van dit verhoor van verdachte, in strijd met art. 152 Sv, niet ten spoedigste proces-verbaal is opgemaakt, dat de juistheid van het gerelateerde door verdachte is bestreden en dat het Hof bij deze ernstige inbreuk op de wettelijke regeling de sanctie van bewijsuitsluiting had dienen toe te passen.

8. Ik stel voorop dat het niet ten spoedigste opmaken van een proces-verbaal niet met nietigheid is bedreigd en dat dit verzuim ook niet de wettige vorm van het ambtsedig proces-verbaal (en daarmee de wettigheid van het bewijsmiddel) raakt. Het belang dat het bedoelde vormvoorschrift beoogt te beschermen is gelegen in de betrouwbaarheid van het proces-verbaal. Voor bewijsuitsluiting is dan ook alleen reden als het desbetreffende proces-verbaal als gevolg van het verzuim, bezien in het licht van hetgeen daaromtrent is komen vast te staan en van het overige bewijsmateriaal, niet betrouwbaar moet worden geacht.(4)

9. Mede gelet op het voorgaande is het niet onbegrijpelijk dat het Hof het door de raadsman blijkens diens pleitnota ter terechtzitting aangevoerde uitsluitend heeft opgevat als een verweer dat de betrouwbaarheid van het bedoelde proces-verbaal aanvocht.(5) Het Hof heeft in zijn verwerping van het verweer erkend dat art. 152 Sv is geschonden en heeft gemotiveerd aangegeven waarom deze verklaring toch als betrouwbaar kan worden aangemerkt.(6) Over die motivering wordt in cassatie niet inhoudelijk geklaagd. Onbegrijpelijk is die motivering niet.

10. Het eerste middel faalt.

11. Het tweede middel klaagt dat het Hof een te ruime interpretatie heeft gegeven aan het begrip "gezondheidscertificaat" als bedoeld in art. 8 lid 3 van EG-Verordening nr. 1744/2002.

12. Het middel komt op tegen de verwerping van een bij het Hof gevoerd verweer. Verweer en middel berusten op de opvatting dat gelet op de onduidelijke regelgeving gebruik kan worden gemaakt van een willekeurig certificaat dat niet op de te transporteren vracht betrekking heeft. Die opvatting is onjuist. Het voorschrift dat de uitgevoerde producten voorzien moeten zijn van een gezondheidscertificaat zou volslagen zinloos zijn als dat certificaat geen betrekking zou behoeven te

hebben op die producten.

13. Het middel faalt.

14. Het derde middel klaagt dat het Hof ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd het verweer heeft verworpen dat aan het vereiste van "zenden naar een andere lidstaat" nog niet is voldaan indien het transport richting de grens wordt gezonden in afwachting van de definitieve bestemming.

15. Het Hof heeft dit verweer (dat alleen betrekking had op feit 1, het transport van 25 september 2003) in het arrest gemotiveerd verworpen door diverse stukken en verklaringen aan te halen waaruit het heeft afgeleid dat de desbetreffende produkten Duitsland als bestemming hadden en dat dat ook bij de vervoerders bekend was. Het Hof heeft in het bijzonder niet aannemelijk geacht dat voor een binnenlandse bestemming zou worden gekozen als de vereiste documenten voor de bestemming Duitsland niet zouden afkomen. Tegen dat feitelijke en niet onbegrijpelijke oordeel (uit de verklaringen waarop het Hof zich baseert, blijkt dat alleen dan niet zou doorgereden worden naar Duitsland als de vrachtwagen zou worden gecontroleerd door de AID) komt het middel tevergeefs op. Het kennelijke oordeel van het Hof dat aldus sprake is van het verzenden als bedoeld in art. 8 van de Verordening (EG) nr. 1774/2002 getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.

16. Het middel faalt.

17. Het vierde middel klaagt dat het Hof ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd het verweer heeft verworpen dat aan het vereiste van vergezellen als bedoeld in art. 8 van de Verordening reeds (het middel luidt abusievelijk "niet reeds") is voldaan indien de chauffeur in staat is het gezondheidscertificaat "in bekwame tijd" aan een controlerend ambtenaar te overleggen.

18. Het Hof heeft dit verweer verworpen door te oordelen dat ten behoeve van een doelmatige handhaving het vereiste certificaat zich van meet af aan bij het transport dient te bevinden. Die uitleg van de Verordening - die strookt met de taalkundige betekenis van het begrip "vergezellen" - komt mij juist voor. Ik merk overigens nog op dat voor het Hof niet is aangevoerd dat de chauffeur in casu in staat was om bij controle het vereiste certificaat te produceren (zodat het transport in feite wel gedekt werd door een certificaat). Integendeel, met betrekking tot feit 1 is juist aangevoerd dat de RVV (Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees) weigerde een certificaat af te geven. Uit bewijsmiddel 24 blijkt ten aanzien van feit 2 dat zelfs geen gezondheidcertificaat was aangevraagd.

19. Het middel faalt.

20. Het vijfde middel klaagt dat het Hof ten onrechte bij de strafoplegging heeft betrokken dat de verdachte het beleid van de EG lidstaten terzake van volksgezondheid welbewust heeft doorkruist.

21. Ter toelichting verwijst de steller van het middel naar de hypothetische situatie dat België het land van bestemming zou zijn en dat in dat geval de certificaten wel waren uitgereikt. Daargelaten de vraag of deze verwijzing deugdelijk is, doet zij niet af aan hetgeen het Hof heeft overwogen. Het beleid bracht namelijk in elk geval mee dat voor vervoer naar Duitsland certificaten zijn vereist. Dat beleid is door verdachte doorkruist.

22. Het middel faalt.

23. Het zesde middel klaagt over overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg. Daartoe is ook bij het Hof verweer gevoerd. Het Hof heeft dat verweer toereikend gemotiveerd verworpen. In zoverre faalt het middel.

24. Het middel slaagt evenwel voor zover het tevens betreft de klacht over schending van de inzendtermijn. Verdachte heeft op 16 april 2007 cassatieberoep ingesteld. De stukken van het geding zijn op 20 februari 2008 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat betekent dat de inzendtermijn met meer dan twee maanden is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.

25. De middelen 1 tot en met 5 kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

26. Ik heb overigens geen gronden voor cassatie aangetroffen.

27. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de oplegging van straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 5] (08/00769 E), [medeverdachte 2] (08/00847 E), [medeverdachte 3] (08/00849 E) en [medeverdachte 4] (08/00894 E), in welke zaken ik heden eveneens concludeer.

2 Zie de definitie in art. 2 lid 1 sub a Verordening in verbinding met art. 5 Verordening. Mest is aldus categorie-2 materiaal (zie art. 2 lid 1 sub c Verordening).

3 De Rechtbank wees expliciet op Bijlage VIII, hoofdstuk III, onderdeel I.A.2.c (zie het verkorte vonnis, p. 6).

4 Vgl. HR 19 september 1988, NJ 1989, 378, r.o. 7.1.

5 Uit het proces-verbaal van de terechtzitting, noch uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota valt op te maken dat een verweer strekkende tot bewijsuitsluiting op voet van art. 359a Sv of een andere sanctie door de raadsman is gevoerd. De enkele opmerking dat "dit onacceptabel [is] als bewijs", is daarvoor niet voldoende.

6 Het Hof heeft de verklaring (die is opgenomen in een proces-verbaal van bevindingen) onder 24 tot het bewijs gebezigd.