Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BG9187

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-03-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
07/11343
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BG9187
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. De aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat, gelet op de artt. 7 en 8 EVRM, de resultaten van het onderzoek o.b.v. de op 01-02-2005 inwerkinggetreden Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden onrechtmatig zijn verkregen, is onjuist (vgl. EHRM 07-12-2006, LJN BA0291).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 141
RvdW 2009, 401
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/11343

Mr. Vellinga

Zitting: 6 januari 2009 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens 1. "diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak" en 2. "diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden.

2. Namens verdachte heeft mr. J.M. Lintz, advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 06 maart 2004 en/of 07 maart 2004 te [plaats A] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een motorbeunschip heeft weggenomen een dvd-speler en afstandsbedieningen en een laptop en een USB-key en vaarkaarten toebehorende aan [betrokkene 1] waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

hij op 26 februari 2004 te [plaats B] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een woning gelegen aan de [a-straat] heeft weggenomen een telefoon en oplader en een geldbedrag en een scanner en pakjes sigaretten toebehorende aan [betrokkene 2] waarbij de verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak".

4. Het eerste middel klaagt over de verwerping door het Hof van het verweer dat de resultaten van twee DNA-onderzoeken niet voor het bewijs gebezigd kunnen worden, omdat de afname van het DNA-referentiemateriaal onrechtmatig was.

5. In het bestreden arrest heeft het Hof het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Beroep op onrechtmatig verkregen bewijs

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de uit het verrichte DNA-onderzoek voortvloeiende resultaten onrechtmatig zijn verkregen en mitsdien niet tot bewijs van het tenlastegelegde mogen worden gebezigd, aan welk standpunt - kort gezegd - de stelling ten grondslag ligt dat van de verdachte in strijd met het bepaalde in de artikelen 7 en 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) DNA-materiaal is afgenomen.

Het hof overweegt dienaangaande het navolgende.

Blijkens de stukken van het voorbereidend onderzoek is op 9 maart 2005 van de verdachte, gegeven zijn veroordeling in de zaak onder parketnummer 11/006182/04 - in welke zaak hij, gezien het op zijn naam gestelde uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister, op 31 augustus 2004 tot drie jaren onvoorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld, onder meer wegens, kort gezegd, poging tot diefstal met bedreiging met geweld, gepleegd op 22 januari 2004 -, celmateriaal (een referentiemonster wangslijmvlies) afgenomen ten behoeve van DNA-onderzoek. De strafvorderlijke bevoegdheid daartoe is ontleend aan de per 1 februari 2005 in werking getreden Wet DNA onderzoek bij veroordeelden, bij welke wet in artikel 8, eerste lid, uitdrukkelijk is voorzien in de mogelijkheid om - onder de nader in die bepaling genoemde voorwaarden - bij personen, die vóór de inwerkingtreding van die wet zijn veroordeeld, celmateriaal voor het bepalen en verwerken van hun DNA-profielen af te nemen.

Vorenbedoelde wettelijke bepaling is naar het oordeel van het hof noch in strijd met artikel 7 EVRM, onder meer inhoudende dat geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was, noch in strijd met artikel 8 EVRM, kort en zakelijk weergegeven inhoudende dat inbreuken op de persoonlijke levenssfeer bij wet moeten zijn voorzien.

Waar de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden blijkens de wetsgeschiedenis, zoals ook valt af te leiden uit artikel 2, vijfde lid, van die wet, beoogt een bijdrage te leveren aan de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten - ook die strafbare feiten die, zoals de in de onderhavige zaak tenlastegelegde feiten, vóór 1 februari 2005 zijn gepleegd - en aan het in die wet voorziene DNA-onderzoek (mitsdien) geen punitief oogmerk ten grondslag ligt, valt dat onderzoek naar het oordeel van het hof niet aan te merken als een straf in de zin van artikel 7 EVRM. De met een dergelijk onderzoek gepaard gaande inbreuken op de lichamelijke integriteit en de privacy en de zonodig in het kader van een dergelijk onderzoek te hanteren dwangmiddelen, die bij de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden zijn voorzien, zijn ook niet dermate ingrijpend dat op grond daarvan schending van artikel 7 EVRM dient te worden aangenomen.

Het in artikel 8 EVRM besloten liggende vereiste, dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer voorzienbaar moet zijn, heeft in de onderhavige context naar het oordeel van het hof betrekking op het moment waarop die inbreuk wordt gemaakt - in casu: 9 maart 2005, op welke datum aan dat vereiste was voldaan -, niet op het moment waarop de betrokkene een strafbaar feit pleegt - in casu: 22 januari 2004 - op grond waarvan, na veroordeling, DNA-onderzoek plaatsvindt, noch op het moment waarop de betrokkene een strafbaar feit pleegt - in casu: 26 februari 2004 respectievelijk 6/7 maart 2004 - ter zake waarvan hij, met behulp van dat DNA-onderzoek, als verdachte in beeld komt. Het belang van zo'n verdachte, tevens veroordeelde vóór inwerkingtreding van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden - die zijn handelen op laatstbedoelde momenten niet heeft kunnen afstemmen op de nadien bij de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden voorziene strafvorderlijke bevoegdheid - om het risico dat hij als dader van de door hem gepleegde strafbare feiten wordt opgespoord, vervolgd en berecht tot een minimum te beperken, is een belang dat door het EVRM niet wordt beschermd, noch overigens in rechte bescherming verdient.

De uit het verrichte DNA-onderzoek naar voren gekomen resultaten zijn mitsdien niet onrechtmatig verkregen en worden door het hof tot bewijs van het tenlastegelegde gebezigd."

6. In de toelichting op het middel wordt geklaagd over (de motivering van) 's Hofs oordeel dat art. 8 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Stb. 2004, 465; hierna ook: de Wet) niet in strijd is met de artt. 7 en 8 EVRM. Daartoe wordt aangevoerd dat het Hof, gelet op de uitspraken in zaken Welch (EHRM 9 februari 1996, NJ 1995, 606) en Jamil (EHRM 8 juni 1995, NJ 1996,1) van het Europese Hof, een te beperkte maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van de vragen of gedwongen afname van DNA-materiaal als straf in de zin van art. 7 EVRM dient te worden aangemerkt, en of die gedwongen afname in de zin van art. 8 EVRM ten tijde van het plegen van het delict voor de verdachte voorzienbaar was.

7. In de zaak Van der Velden tegen Nederland(1) ging het Europese Hof in op de verhouding tussen art. 8 van de Wet en de artt. 7 en 8 EVRM:

"The Court notes that the DNA Testing (Convicted Persons) Act entered into force after the applicant had committed the offences for which he was convicted and sentenced. The only relevant question is, therefore, whether the order to provide cellular material and the compilation and storage of the applicant's DNA profile can be considered a "penalty" within the meaning of the second sentence of Article 7 § 1 (see Adamson v. the United Kingdom (dec.), no. 42293/98, 26 January 1999).

The Court reiterates that the concept of "penalty" in Article 7 of the Convention is an autonomous concept: it is for the Court to determine whether any particular measure is a "penalty". The second sentence of Article 7 § 1 indicates that the starting point of such a determination is whether the measure in question was imposed following conviction of a "criminal offence". Other relevant factors are the characterisation of the measure under domestic law, its nature and purpose, the procedures involved in its making and implementation, and its severity (see Welch v. the United Kingdom, judgment of 9 February 1995, Series A no. 307, p. 13, §§ 27 and 28).

As already noted above, there is a clear link in the present case between the conviction and the impugned measure: the provisions of the Act automatically applied to the applicant because, at the time of the entry into force of the Act, he was serving a sentence following his conviction of a criminal offence carrying a statutory maximum prison sentence of at least four years.

As to the domestic characterisation of the impugned measure, the Court notes that a separate law, the DNA Testing (Convicted Persons) Act, was enacted in order to allow for DNA testing of convicted persons to take place. Although this element is not by itself sufficient to conclude that DNA testing as prescribed in the Act is not characterised as belonging to the realm of criminal law, it is nevertheless to be noted that an order for DNA testing to be carried out is not listed among the penalties and measures provided for in the Criminal Code (see Relevant domestic law above).

The Court further observes that the applicant has not indicated to what extent the measure has a "punitive" nature or purpose under Article 7, other than that it was imposed following a criminal conviction. It notes in this context that the aim of the Act, as set out in the explanatory memorandum, is "the prevention, detection, prosecution and trial of criminal offences" - i.e. criminal offences that the convicted person has previously committed or may commit in the future, and not the particular criminal offence of which he or she was convicted. Having regard to the stated aim of the Act and also to the nature of the Act's requirements, the Court considers that the purpose of the measure in question is to assist in the solving of crimes, including bringing their perpetrators to justice, since, with the help of the database, the police may be enabled to identify perpetrators of offences faster, and to contribute towards a lower rate of re-offending, since a person's knowledge that his or her DNA profile is included in a national database may dissuade him or her from committing further offences. The Court considers that, seen in this light, the Act merely employs the applicant's conviction as a criterion by means of which he could be identified as a person who has shown himself capable of committing an offence of a certain seriousness, rather than that the measure in question is to be seen as intending to inflict a punishment upon him in relation to the particular offences of which he has been convicted.

As for the procedures involved in the imposition of the order and its implementation, the Court accepts that it was imposed on the applicant by a public prosecutor, i.e. an official belonging to the criminal justice system. Nevertheless, the order was given as a matter of law, with no additional procedure, following conviction of an offence carrying a statutory maximum prison sentence of at least four years. Beyond the requirement to provide cellular material, no further procedures were involved in the implementation of the order on the part of the applicant. It is moreover to be noted that in case of a failure to comply with the order, the Act provides for the arrest of the person concerned and for his or her detention for a limited period in order for his or her identity to be established and cellular material to be obtained. There is thus no question of the original sentence, imposed at the time of the conviction which rendered the convicted person liable to DNA testing pursuant to the Act, being increased (cf. Welch, cited above, p. 9, § 14).

Finally, as to the severity of the measure imposed, the Court reiterates that the severity of a measure is not decisive (ibid., p. 14, § 32). In any case, it does not find that the obligation to provide cellular material can, in itself, be regarded as severe.

Overall, the Court considers that, given in particular the way in which the measure imposed by the Act operates completely separately from the ordinary sentencing procedures, and the fact that it does not, ultimately, require more than a mouth swab from the applicant, it cannot be said that the measure imposed on him amounted to a "penalty" within the meaning of Article 7 of the Convention.

(...)

The Court should first consider whether the impugned measure amounted to an interference with rights protected by Article 8 since, if this is not the case, there is no need for a justification of the measure. As far as the taking of a mouth swab in order to obtain cellular material from the applicant is concerned, the Court accepts that this amounted to an intrusion upon the applicant's privacy. As regards the retention of the cellular material and the subsequently compiled DNA profile, the Court observes that the former Commission held that fingerprints did not contain any subjective appreciations which might need refuting, and concluded that the retention of that material did not constitute an interference with private life (see Kinnunen v. Finland, no. 24950/94, Commission decision of 15 May 1996). While a similar reasoning may currently also apply to the retention of cellular material and DNA profiles, the Court nevertheless considers that, given the use to which cellular material in particular could conceivably be put in the future, the systematic retention of that material goes beyond the scope of neutral identifying features such as fingerprints, and is sufficiently intrusive to constitute an interference with the right to respect for private life set out in Article 8 § 1 of the Convention.

The Court next reiterates that, according to its settled case law, the expression "in accordance with the law" not only requires that the impugned measure should have some basis in domestic law, but also refers to the quality of the law in question, requiring that it should be accessible to the person concerned and foreseeable as to its effects. A rule is "foreseeable" if it is formulated with sufficient precision to enable any individual - if need be with appropriate advice - to regulate his conduct (see, inter alia, Rotaru v. Romania [GC], no. 28341/95, §§ 52 and 55).

It is true that at the time the applicant committed the offences of which he was convicted, the DNA Testing (Convicted Persons) Act had not yet entered into force. Nevertheless, there is no suggestion that the criminal law provisions which were in force at that time were not sufficiently clear for the applicant to be aware that the acts he was committing constituted criminal offences and to enable him to regulate his conduct. By the time the interference with the applicant's right to respect for his private life took place, the Act had entered into force, and the measure in question is set out in clear terms under the Act. The Court is therefore satisfied that the impugned measure was "in accordance with the law"."

8. Het Hof heeft derhalve terecht overwogen dat de regeling van art. 8 (jo. artt. 2 en 5) van de Wet geen strijd oplevert met de artt. 7 en 8 EVRM, nu de afname van DNA-materiaal in de zin van de Wet niet als "straf" in de zin van art. 7 EVRM kan worden aangemerkt, en deze inbreuk op de persoonlijke levenssfeer voorts "voorzienbaar" was in de zin van art. 8 EVRM. 's Hofs oordeel dat de uit het verrichte DNA-onderzoek naar voren gekomen resultaten niet onrechtmatig zijn verkregen en derhalve voor het bewijs van het tenlastegelegde gebezigd kunnen worden, getuigt dus niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, gezien het voorgaande, evenmin onbegrijpelijk.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel klaagt dat het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

11. Het Hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de navolgende bewijsmiddelen:

"Ten aanzien van feit 1:

1. Het proces-verbaal van aangifte van de politie Zuid-Holland-Zuid, Surveillance-dienst District 2, mutatienummer PL1820/04-027567, d.d. 12 maart 2004, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden agent van politie Zuid-Holland-Zuid, district Alblasserwaard/Vijfheerenlanden. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 7 maart 2004 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van aangever [betrokkene 1]:

"Ik ben mede-eigenaar van het bedrijf, genaamd: [A] v.o.f. Ik doe aangifte van inbraak in mijn bedrijf. Het bedrijf betreft een motorbeunschip. Deze is gelegen aan de werf achter perceel [b-straat 1] te [plaats A]. Op zaterdag 6 maart 2004 om 22.15 uur is het schip op voornoemd adres rondom slotvast afgesloten. Toen ik op zondag 7 maart 2004 om 10.15 uur bij het schip kwam, zag ik, dat men had ingebroken. Ik zag dat men het schip is binnengekomen door een openslaand raam van het woongedeelte van het schip aan stuurboordzijde met een onbekend voorwerp op te breken. Hierdoor braken beide raamuitzetjes, waardoor men naar binnen kon klimmen. Ik zag dat mijn DVD-speler was weggenomen. Tevens had men vijf afstandbedieningen weggenomen. Ik zag dat mijn laptop uit de stuurhut is weggenomen. In deze laptop zat een USB key van het GPS-systeem en vaarkaarten. Deze zijn nu dus ook weggenomen. De weggenomen goederen zijn mijn eigendom. Ik gaf aan niemand het recht of de toestemming dit feit te plegen."

2. Het proces-verbaal Onderzoek technische recherche van de Regiopolitie Zuid-Holland-Zuid, Technische Recherche, mutatienummer 04-027567, d.d. 9 maart 2004, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], inspecteur. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven-: als relaas van deze opsporingsambtenaar:

"Proces-verbaal van het op 7 maart 2004 door mij ingesteld onderzoek in verband met een inbraak in een binnenvaartschip aan de [a-straat] te [plaats A], waarvan aangifte werd gedaan door [betrokkene 1]. Bevindingen: op de kastdeur in de slaapkamer trof ik een bloedveegje aan. Tijdens het ingestelde onderzoek zijn de volgende sporen in beslag genomen:

spoornummer: 04-027567/4/3

spoortype: biologische sporen

spooromschrijving: bloed

vindplaats: deur slaapkamerkast

De daarvoor in aanmerking komende sporen worden voor nader onderzoek, voorzien van de daarvoor bestemde bescheiden, overgebracht naar het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk (ZH).

Identiteitszegel AFY328,"

3. Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te 's-Gravenhage, NFI-zaaknummer 2005.05.23.095, d.d. 18 augustus 2005, opgemaakt en ondertekend door de vast gerechtelijk deskundige mw. Drs. H.N. Bauer. Dit rapport houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als relaas van deze deskundige:

"Aan het referentiemonster wangslijmvlies van de Veroordeelde ([verdachte], geboortedatum [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats]) is DNA-onderzoek verricht. Bij deze vergelijking zijn 2 overeenkomstige DNA-profielen gevonden. Het referentiemonster van de veroordeelde en de overeenkomstige DNA-profielen zijn bij het NFI geregistreerd als profielcluster 2622.

Overzicht van de met elkaar overeenkomende DNA-profielen welke bij het NFI geregistreerd staan als profielcluster 2622, onder andere :

NFI-zaaknummer: 2004.06.08.080

Stuk van overtuiging: bloed

Identiteitszegel: AFY328

Frequentie DNA-profiel: minder dan één op één miljard"

Ten aanzien van feit 2:

4. Het proces-verbaal van aangifte van de politie District Oosterhout/Team Werkendam, mutatienummer PL2041/04-052970, d.d. 26 februari 2004, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4], agent van politie Midden en West Brabant. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 26 februari 2004 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van aangever [betrokkene 2]:

"Ik ben eigenaar van de woning welke is gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats B]. Op donderdag 26 februari 2004, omstreeks 16:30 uur, verliet mijn man de woning. Omstreeks 15:35 uur (het hof begrijpt: 17:35 uur gezien de eerder opgegeven tijd) kwam mijn dochter thuis, langs de achterzijde van de woning en zij zag dat het kiepraam openstond, dat het kozijn rondom beschadigd was en dat de gordijnroede op de vensterbank lag. Ik kwam even later thuis en toen kwam ik erachter dat het volgende was weggenomen:

- huistelefoon + oplader

- geldbedrag van € 112,00

- scanner

- 2 pakjes sigaretten.

De weggenomen goederen zijn mijn eigendom. Ik gaf aan niemand het recht of toestemming tot het plegen van dit feit."

En als relaas van deze opsporingsambtenaar:

"Men heeft aan de achterzijde een kiepraam verbroken met een breekvoorwerp, waarschijnlijk een schroevendraaier."

5. Het proces-verbaal van de politie Midden en West Brabant, Unit Forensisch Technisch Onderzoek, mutatienummer PL2044/04- 052970, d.d. 27 februari 2004, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5], brigadier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als relaas van deze opsporingsambtenaar:

"Op 27 februari 2004 werd op verzoek door mij een onderzoek naar sporen ingesteld in/rond perceel [a-straat 1] te [plaats B] naar aanleiding van een diefstal door middel van braak in een woning.

Benadeelde: [betrokkene 2]

Gepleegd op: 26 februari 2004

Tijdens het onderzoek werd het in onderstaande sporenlijst vermelde sporenmateriaal inbeslaggenomen en gewaarmerkt :

spoornummer: PL2044/04-052970/006/001

spoortype: biologisch

spooromschrijving: bloed

vindplaats spoor: op enveloppe in keuken

Het in de bovenstaande sporenlijst vermelde biologische sporenmateriaal werd voor vergelijking van DNA-profielen inbeslaggenomen en voorzien van de vereiste extra waarmerking met identiteitszegels. Het betreffende sporenmateriaal is op de voorgeschreven wijze voor verdere verwerking aangeboden aan het Nederlands Forensisch Instituut.

Identiteitszegel AFS159."

6. Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te 's-Gravenhage, NFI-zaaknummer 2005.05.23.095, d.d. 18 augustus 2005, opgemaakt en ondertekend door de gerechtelijk deskundige mw. Drs. H.N. Bauer. Dit rapport houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als relaas van deze deskundige:

"Aan het referentiemonster wangslijmvlies van de veroordeelde ([verdachte], geboortedatum [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats]) is DNA-onderzoek verricht. Bij deze vergelijking zijn 2 overeenkomstige DNA-profielen gevonden. Het referentiemonster van de veroordeelde en de overeenkomstige DNA-profielen zijn bij het NFI geregistreerd als profielcluster 2622.

Overzicht van de met elkaar overeenkomende DNA-profielen welke bij het NFI geregistreerd staan als profielcluster 2622, onder andere:

NFI-zaaknummer: 2004.04.21.002

Stuk van overtuiging: bloed

Identiteitszegel: AFS159

Frequentie DNA-profiel: minder dan één op één miljard""

12. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het onbegrijpelijk is dat het Hof voor de bewezenverklaring redengevend heeft geacht dat op de plaatsen van het delict bloed van de verdachte is aangetroffen, nu lichaamsmateriaal op allerlei manieren en op allerlei momenten op de plaats van het delict terecht kan komen.

13. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof en de daaraan gehechte pleitnotitie van de raadsman van de verdachte kan niet blijken dat aldaar is aangevoerd dat het DNA-materiaal van de verdachte op een andere manier of op een ander moment op de plaats van het delict is geraakt dan door verdachtes aanwezigheid ter plaatse ter gelegenheid van de diefstallen. Nu door het Hof in dat verband voorts niets is vastgesteld, kan een dergelijke stelling niet (voor het eerst) in cassatie worden betrokken.(2) Daar komt bij dat in cassatie slechts kan worden getoetst of het bewezenverklaarde uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Bij gebreke van enige andersluidende verklaring van de verdachte voor het aantreffen van zijn bloed op niet de plaats van één delict maar op de plaatsen van beide delicten, is dat het geval.

14. Het middel faalt.

15. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

16. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte en zijn raadsman hebben op 17 juli 2006 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan twee jaren zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.

17. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 EHRM 7 december 2006 (Van der Velden vs. The Netherlands), EHRC 2007, 40 m. nt. Koops.

2 HR 25 maart 2003, LJN AF5388.