Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BG9142

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-04-2009
Datum publicatie
21-04-2009
Zaaknummer
01939/07
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BG9142
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Schuld i.d.z.v art. 6 WVW 1994. Verdachte is met een trekker met oplegger een voorrangskruising opgereden zonder voorrang te verlenen aan een van links komend personenbusje. Met zijn overweging dat verdachte het personenbusje voorrang had moeten geven en om die reden zijn snelhei d had moeten aanpassen, heeft het Hof niet alleen tot uitdrukking gebracht dat verdachte ten onrechte geen voorrang heeft verleend aan het naderende personenbusje, maar ook dat hij bij het naderen van het kruispunt – ongeacht de vraag of er verkeer van links kwam en of hij dat had gezien – gegeven de omstandigheden ter plaatse en het feit dat hij een trekker met oplegger bestuurde een lagere snelheid had dienen aan te houden en die snelheid had dienen aan te passen aan de mogelijkheid van van links komend verkeer. Dat oordeel is onjuist, noch onbegrijpelijk. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 209
RvdW 2009, 599
VR 2009, 63
NJB 2009, 1057
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01939/07

Mr Machielse

Zitting 6 januari 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op 25 oktober 2006 voor primair "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

2. Mr. H. Sytema, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet, althans niet zonder meer kan volgen dat verdachte het kruispunt is genaderd met een gelet op de situatie ter plaatse te hoge snelheid, althans dat het hof daartoe ten onrechte onder meer heeft overwogen dat verdachte het busje niet heeft gezien, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

3.2. Het hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 11 augustus 2003 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig trekker met oplegger, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Magallanesstraat en de kruising van die weg en de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Malakkastraat, welk onoplettend en onvoorzichtig rijgedrag hierin heeft bestaan dat verdachte toen daar, terwijl

- die wegen ter plaatse waren gelegen buiten de bebouwde kom en voor motorvoertuigen een maximumsnelheid gold van 80 kilometer per uur en

- de Malakkastraat ter plaatse bestond uit twee, door middel van een groenstrook gescheiden, rijbanen en

- aan het verkeer naderend voormeld kruispunt over de door verdachte bereden Magallanesstraat, door middel van een bord van het model B6 van Bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en op het wegdek aangebrachte haaietanden, werd kenbaar gemaakt dat het voorrang diende te verlenen aan bestuurders op de kruisende weg de Malakkastraat en

- een over de noordelijke rijbaan van de Malakkastraat rijdend, voor verdachte van links komend motorvoertuig, zijnde een personenbusje, dat kruispunt dicht was genaderd,

dat kruispunt is genaderd met een gelet op de situatie ter plaatse en de op hem, verdachte rustende voorrangsplicht te hoge snelheid en aldus rijdend genoemd van links komend, op een voorrangsweg rijdend personenbusje niet heeft opgemerkt en voornoemd kruispunt is opgereden en is gaan oversteken teneinde linksaf de zuidelijke rijbaan van de Malakkastraat op te rijden en daarbij geen voorrang heeft verleend aan dat van links komende voertuig, zulks op een zodanig moment dat een aanrijding met dat van links komende voertuig onvermijdelijk was, zijnde verdachte toen met het door hem bestuurde voertuig tegen de rechter zijkant van meergenoemd personenbusje aangereden, ten gevolge waarvan dat busje is omgeslagen en over de kop is gegaan,

waardoor

een in dat busje aanwezig kind, genaamd [slachtoffer 1] werd gedood, en drie andere inzittenden van dat busje, genaamd [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht,

(te weten:

* [slachtoffer 2] een gescheurde milt en kneuzingen van de lever en een gebroken rib en

* [slachtoffer 3] een gebroken bekken en een hoofdwond en

* [slachtoffer 4] een gebroken been en een hersenschudding)."

3.3. 's Hofs arrest bevat onder meer het volgende:

"Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte primair het verweer gevoerd - kort gezegd - dat verdachte niet onoplettend en/of onvoorzichtig heeft gereden, laat staan aanmerkelijk onoplettend en/of onvoorzichtig. Als subsidiair verweer voert de raadsvrouw aan dat het rijgedrag van de bestuurder van het busje, het feit dat niet alle inzittenden in het busje een riem droegen en de omstandigheid dat er te veel mensen in het busje zaten van invloed kan zijn geweest op het ongeluk, zodat de vraag gerechtvaardigd is of het ongeval redelijkerwijs aan de culpoze gedraging van de verdachte is toe te rekenen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan onder meer het volgende worden vastgesteld. De verdachte is met een snelheid van 75 km/uur aan komen rijden in de richting van een hem bekende kruising met een voorrangsweg. Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur voor beide kruisende wegen. Bij nadering van de kruising heeft hij door gas terug te nemen c.q. los te laten die snelheid verminderd en voordat hij de kruising opreed heeft hij verder afgeremd, maar hij is niet gestopt voor de kruising. Zijn snelheid beliep 32 km/uur op het moment van de botsing met het hierna nog nader te noemen busje. Wat betreft de snelheid van het busje op het moment van de botsing is gebleken dat er een kans is van 99% dat deze meer dan 46 km/uur, c.q. dat deze minder dan 81 km/uur beliep. De kruising van de door de vrachtwagen en het busje bereden wegen en de omgeving daarvan waren overzichtelijk. Voor verkeer komend uit dezelfde richting als verdachte was er goed en vrij zicht op van links de kruising naderend verkeer. Er waren geen het zicht belemmerende obstakels, het was daglicht en droog weer. Verdachte bevond zich op de bestuurdersplaats van een vrachtwagen, derhalve relatief hoog boven het wegdek, hetgeen zijn uitzicht op de omgeving nog ten goede moet zijn gekomen. Het voertuig waarmee de vrachtwagen in botsing is gekomen betrof een busje, merk Volkswagen type Combi B62, derhalve een voertuig van aanmerkelijke hoogte en omvang. De weg waarlangs dit busje de kruising is genaderd bestond uit twee rijbanen, een noordelijke en een zuidelijke, met onderling tegengestelde rijrichtingen. Deze rijbanen bestonden beide uit twee rijstroken met dezelfde rijrichting. De rijbanen waren van elkaar waren gescheiden door een strook van zodanige breedte dat de vrachtwagen van verdachte daarop zonder enige hinder voor het verkeer waaraan hij voorrang diende te verlenen kon staan na de eerste (de noordelijke) rijbaan te zijn overgestoken en alvorens de tweede (de zuidelijke)op te rijden. In de door het busje bereden noordelijke rijbaan was, gezien vanuit de rijrichting van het busje, kort voor het kruisingsvlak een bocht naar links gelegen. Gelet op al deze feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat het de kruising naderende busje voor de verdachte vanaf grote afstand zichtbaar is geweest, alsmede dat het, gelet op de breedte van de tussenstrook, ook juist en allereerst het eventuele, voor kruisend verkeer zoals verdachte van links komend verkeer was dat de aandacht vergde. De verdachte heeft evenwel consequent verklaard dat hij het busje niet heeft waargenomen voordat zijn vrachtwagen ermee in botsing kwam. Nu er geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die erop duiden dat deze verklaring onjuist is en meer in het bijzonder ook de tachograafschijf geen aanwijzing daarvoor oplevert gaat het hof van de juistheid van deze verklaring uit. Dit noopt tot de conclusie dat de verdachte, anders dan hij voorts heeft verklaard, niet of slechts ontijdig of slechts onoplettend naar links gekeken heeft alvorens de kruising op te rijden. Door in de genoemde omstandigheden het naderende busje niet op te merken respectievelijk de voorrangskruising op te rijden zonder zich ervan te vergewissen dat dit veilig was heeft de verdachte aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig gehandeld en is het dientengevolge ontstane ongeval aan zijn schuld te wijten.

Gelet op het feit dat het door verdachte bestuurde voertuig een vrachtwagen was, dat deze vrachtwagen met een snelheid van circa 32 km/uur tegen het busje is gebotst, dat het busje op dat moment een snelheid had van tussen 46 en 81 km/uur, dat de bestuurder van het busje nog naar links heeft gestuurd om zoveel mogelijk in dezelfde rijrichting als de vrachtwagen te komen, dat het busje ten gevolge van de botsing over de kop is geslagen en voorts gelet op het feit dat als gevolg van het ongeval acht van de tien inzittenden van het busje gewond zijn geraakt, van wie een persoon dermate ernstig dat hij is overleden en van wie ook anderen ernstig letsel opliepen, doet de aangevoerde omstandigheid dat niet alle inzittenden van het busje een veiligheidsgordel droegen en dat er meer dan acht personen in het busje zaten niet af aan het oordeel van het hof dat het ontstane zwaar lichamelijk letsel, in één geval geleid hebbend tot de dood van het slachtoffer, redelijkerwijs als gevolg van de door verdachte veroorzaakte aanrijding aan hem kan worden toegerekend, zodat aan het dubbele causaliteitsvereiste van art. 6 WVW is voldaan.

Het hof verwerpt het (primaire en het subsidiaire) verweer.

3.4. 's Hofs bijlage houdende de bewijsmiddelen bevat het volgende:

1. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 24 oktober 2005 verklaard - zakelijk weergegeven - :

Ik was op 11 augustus 2003 om 5.00 uur begonnen. Ik reed mijn laatste rit. Ik reed over de Magallanesstraat. Ik kende de situatie daar een beetje. De situatie aldaar is overzichtelijk te noemen. Ik heb niet stilgestaan bij het kruispunt, omdat hier geen stopbord stond. Op het kruispunt kon ik goed naar links kijken. Ik heb het busje echter niet gezien. Pas toen ik het busje in de flank raakte, zag ik het busje. Ik heb toen geremd en ben uit de auto gestapt om te gaan kijken bij het busje. Op de vraag van de oudste raadsheer om op de kaart in het dossier (X-Polnr: 2003290581) aan te wijzen wanneer ik voor het eerst keek of ik het kruispunt kon oversteken, kan ik u dit als volgt aanwijzen. Ik wijs u aan, bezien vanuit de richting van de Madoerastraat, dat ik halverwege de verbreding van de weg, maar wel vóór de zogeheten 'haaientanden' heb gekeken. Terwijl ik keek heb ik het busje niet gezien. Als u mij zegt dat er verklaringen zijn van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] die zeggen dat ik naar rechts heb gekeken, dan kan ik u zeggen dat ik uit automatisme even naar rechts heb gekeken. Ik ben al 22 jaar chauffeur van beroep. Ik kan niet verklaren waarom ik het busje niet heb gezien. Ik kan mij alles van het ongeluk herinneren, maar ik heb het busje niet gezien. Het was de dag van het ongeluk mooi weer.

2. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ik reed op 11 augustus 2003 met mijn trekker met oplegger op kruising van de Magellanesstraat met de Malakkastraat te Rotterdam. Ik naderde die kruising in de wetenschap dat het een voorrangskruising was waarbij ik het kruisend verkeer voorrang moest verlenen. Ik wilde linksaf de Malakkastraat opdraaien. Ik kon de kruising goed overzien. Er kwam een vrachtwagen van rechts aan en ik wilde naar het tussenstuk rijden en daar wachten tot die vrachtwagen was gepasseerd. Ik moest eerst twee rijbanen met dezelfde rijrichting oversteken om op het middenstuk te komen. Ik ben overgestoken. Ik heb helemaal geen van links komend verkeer gezien. Ik reed tegen dat busje, dat voor mij van links kwam, aan. Nadat ik het busje heb geraakt, ben ik gaan remmen. Ik zag het busje over de kop slaan, ik zag van alles door de lucht vliegen. Ik had direct in de gaten dat het flink ernstig was.

3. Het proces-verbaal van politie Rotterdam Rijnmond, eenheid Forensische Technische Ondersteuning, afdeling Technische- en Ongevallendienst, X-Pol nummer 2003 290581, d.d. 16 augustus 2 003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], ongevalsanalist, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Dit procesverbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

als relaas van deze opsporingsambtenaren:

Op 11 augustus 2003 vond een ongeval plaats op de Malakkastraat te Rotterdam. Het ongeval heeft plaatsgevonden op de T-kruising van de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de Malakkastraat met de Magallanesstraat te Rotterdam. De Malakkastraat is ter plaatse van de aanrijding middels een grasstrook verdeeld in een noordelijke en een zuidelijke rijbaan. De noordelijke rijbaan bestaat voor het kruisingsvlak met de Magallanesstraat uit twee rijstroken en een voorsorteerstrook voor rechtsafslaand verkeer. De genoemde wegen zijn voor het openbaar verkeer openstaande wegen en zijn gelegen buiten de bebouwde kom in de gemeente Rotterdam. De maximum toegestane snelheid is ter plaatse 80 km/h voor motorvoertuigen. De Malakkastraat is middels borden model Bl van bijlage I van het RVV 1990 aangeduid als voorrangsweg, met dien verstande dat de bestuurders rijdende op de Magallanesstraat voorrang dienen te verlenen aan de bestuurders rijdende op de Malakkastraat. Daartoe is op de Magallanesstraat duidelijk zichtbaar geplaatst bord model B6 van de bijlage 1 R W 1990 (verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg) en zijn op het wegdek haaientanden aangebracht. Voor zover door ons kon worden nagegaan waren ten tijde van het ongeval de navolgende factoren van belang:

Lichtgesteldheid: daglicht

Weersgesteldheid: droog

De bestuurder van voertuig 1 (trekker met oplegger, merk Daf, kenteken [AA-00-BB]) heeft gereden op de Magellanesstraat. De bestuurder van voertuig 2 (personenbusje, merk Volkswagen, type Combi B62) heeft gereden op de Malakkastraat, komende vanuit de richting van de Europaweg en gaande in die van de Dardanellestraat. Op het kruisingsvlak van de noordelijke rijbaan van de Malakkastraat en de westelijke rijbaan van de Magallanesstraat botste voertuig 1 tegen voertuig 2. Aan de hand van de snelheidscurve op de tachograaf van de vrachtauto (trekker met oplegger) 'zagen wij dat de bestuurder van de vrachtauto kort voor het punt van botsing moet hebben gereden met een snelheid van ongeveer 8 0 km/h. De botsing met voertuig 2, personenbusje, heeft plaatsgevonden met een snelheid van ongeveer 32 km/h. Na de botsing voerde de bestuurder van de vrachtauto pas een noodremming uit. Wij zagen aan voertuig 2 (het personenbusje) de volgende schade: deuken en zware deformatie van plaatwerk aan de rechterzijkant van het voertuig. Het registratieblad van de in de vrachtauto aanwezige tachograaf is door ons in bewaring genomen.

4. Geschriften, te weten de situatiefoto's nummer 17, 18, 19 en 20, deel uitmakend van bijlage 1 bij voormeld proces-verbaal.

Deze foto's betreffen, blijkens desbetreffende vermelding op pagina 6 van bedoeld proces-verbaal, alle het blikveld vanuit de Magallanesstraat in de richting vanwaar voertuig 2 (het personenbusje) het kruisingsvlak naderde. Meer in het bijzonder tonen zij, zakelijk weergegeven:

Foto 17: het zicht kort voor de bocht naar rechts, vóór het kruisingsvlak Magallanestraat/Malakkastraat, bezien vanuit de Magallanesstraat. Foto 18 en 19: het zicht op de weg links in de bocht naar rechts voor het kruisingsvlak Magallanesstraat/Malakkastraat, bezien vanuit de Magallanesstraat.

Foto 20: het zicht op de weg links op het kruisingsvlak Magallanesstraat/Malakkastraat, bezien vanuit de Magallanesstraat.

5. Geschriften, te weten de luchtfoto's nummer 1, 2 en 4, als bijlage 2 behorende bij eerder vermeld proces-verbaal.

Deze foto's houden blijkens pagina 6 van bedoeld procesverbaal in, zakelijk weergegeven:

Foto 1 en 2 : twee maal een opname van het kruisingsvlak Magallanesstraat/Malakkastraat, waarbij de rode pijl de rijrichting van voertuig 1 (de vrachtauto) aangeeft en de blauwe pijl de rijrichting van voertuig 2 (het personenbusje).

Foto 4: een opname van de sporen op het wegdek.

6. Een deskundigenrapport, op 2 juni 2 006 opgemaakt en ondertekend, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, door ing. W.J. Makkinga, verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk. Dit rapport houdt onder meer in - zakelijk weergegeven:

als bevindingen van de deskundige Makkinga:

Kenmerk: Xpol 2003 290581.

Vraagstelling: Wat was de snelheid van de Volkswagen personenbus op het moment van de botsing met de Daf vrachtautocombinatie?

Conclusie: Er is een kans van 99 procent op een botssnelheid hoger dan circa 46 km/h en een kans van 99 procent dat de botssnelheid lager was dan circa 81 km/h.

7. Het proces-verbaal tachograafschijf onderzoek van het Korps Landelijke Politie Diensten LVBT, nr. 060126T1.0819, d.d. 20 april 2006, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], inspecteur van politie. Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

als bevindingen van deze opsporingsambtenaar:

Betrokkene: een vrachtauto, trekker met oplegger, kenteken [AA-00-BB]. Kenmerk: x-pol nr. 2003.290581. Stukken van overtuiging: een tachograafschijf [AA-00-BB]. Vraagstelling: Wat was het rijgedrag kort voorafgaand aan het ongeval. Ons onderzoek richtte zich op het laatste deel van de registratie tussen 15.25 en 17.07 uur. Vanaf de kruising Magallanesstraat/Koerilenstraat werd zonder onderbrekingen rechtstreeks over de Magallanesstraat naar de ongevalplaats gereden.

Aan de hand van het tachograafschijf onderzoek is het volgende gevonden: De tachograaf kan na de laatste ijking enkele kilometers per uur zijn gaan afwijken. De onnauwkeurigheid van de geregistreerde snelheden mag maximaal 6 km/u zijn. De combinatie trok vanuit stilstand op een rustige en gelijkmatige wijze op naar 75 km/u. Vanaf deze snelheid werd er een vertraging ingezet die tussen de 75 en 62 km/u geleidelijk overging van het niveau van het gas minderen tot die van maximaal het gas loslaten. Kort voor de bocht naar rechts, voor het kruisingsvlak Magallanestraat/Malakkastraat, ving een lichte remming tussen 62 en 31 km/u aan, die doorliep tot aan de botsplaats. De botssnelheid van de vrachtauto was 31 km/u.

8. Het proces-verbaal van verhoor, politie Rotterdam-Rijnmond, district 12 zeehavenpolitie, D12 wijkpolitie, nr. 2003290581-9, d.d. 22 augustus 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], agent van politie, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

als de op 14 augustus 2 003 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [betrokkene 2] (geboren op [geboortedatum] 1961) :

Op 11 augustus 2003 ging ik met mijn gezin en het gezin [A] gezamenlijk in mijn volkswagenbusje een dagje naar het strand. Het gezin [A] bestaat uit vier personen, te weten [betrokkene 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]. Mijn gezin bestaat uit mijzelf, [betrokkene 3 t/m 7]. Wij reden op de Malakkastraat. Ik reed op de rechterrijbaan. Toen ik de kruising met de Magallanestraat naderde, zag ik van rechts een vrachtauto naderen. Ik zag dat de vrachtauto langzaam reed. Ik had de indruk dat de vrachtauto niet ging stoppen. Daarna ging alles heel snel. Ik ben naar de linkerbaan gegaan om de afstand tot de vrachtwagen te vergroten. Ik zag de vrachtwagen steeds dichterbij komen. Toen ik ongeveer ter hoogte van de vrachtwagen was, voelde ik dat deze ons raakte. Ik voelde dat de bus op zijn linkerkant ging en dat we over de kop gingen.

9. Het proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, district 12 zeehavenpolitie, D12 wijkpolitie, nr. 2003290581-1, d.d. 3 november 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Dit procesverbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

als relaas van deze opsporingsambtenaren:

Ongeval op 11 augustus 2003 omstreeks 17.10 uur op de kruising Malakkastraat met de Magallanesstraat. Gewonden :

[slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 1966;

[slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum] 1997;

[slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum] 1999.

10.Het proces-verbaal onnatuurlijke dood van politie Rotterdam-Rijnmond, district 12 zeehavenpolitie, D12 wijkpolitie, nr. 2003290581-8, d.d. 14 augustus 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4], brigadier van politie. Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

als relaas van deze opsporingsambtenaar:

[Slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum]-1993) was als inzittende van een personenauto betrokken bij een aanrijding met een trekker met oplegger, welke heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2003. Tengevolge van deze aanrijding werd het slachtoffer met ernstige verwondingen opgenomen in het Sophia kinderziekenhuis te Rotterdam. Op 13 augustus 2003 is het slachtoffer aldaar overleden aan zijn verwondingen.

11.Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring d.d. 14 augustus 2003, opgemaakt en ondertekend door J.R. van Leeuwen, lijkschouwer der gemeente Rotterdam.

Deze geneeskundige verklaring houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van deze arts:

[Slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum]-1993): de dood is niet ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak. Uit informatie van het Sophia kinderziekenhuis blijkt dat er sprake was van diverse breuken in de schedel, breuken in beide oogkassen, gebroken rechterbovenbeen en ernstige schade aan de hersenen.

12. Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring d.d. 7 november 2 003, opgemaakt en ondertekend door E. Molenaar, forensisch arts van Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond. Deze geneeskundige verklaring houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van deze arts:

Auto ongeval 11 augustus 2003. Letselbeschrijving [slachtoffer 2]: gescheurde milt en kneuzing van de lever, gebroken rib. Genezing zal nog een paar maanden duren.

13. Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring d.d. 7 november 2 003, opgemaakt en ondertekend door E. Molenaar, forensisch arts van Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond. Deze geneeskundige verklaring houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van deze arts:

Vanaf 11 augustus 2003 opgenomen. Letselbeschrijving [slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum] 1999): hersenschudding en een gebroken bovenbeen. Genezingsduur minimaal 6 weken.

14. Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring d.d. 21 juni 2 004, opgemaakt en ondertekend door P.P.M. Bender, forensisch arts van Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond. Deze geneeskundige verklaring houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van deze arts:

Letselbeschrijving [slachtoffer 3], (geboren [geboortedatum]-1997).

Auto ongeval 11 augustus 2003. Hoofdwond en hersenschudding, bekkenbreuk met urineblaasbeschadiging en leverkneuzing. Geschatte genezingsduur 6 maanden.

Bewijsoverweging

Uit bewijsmiddel 2 blijkt dat de verdachte met zijn vrachtauto op het kruispunt Magallanestraat/Malakkastraat afreed in de wetenschap dat het een voorrangskruising was waarbij hij voorrang zou dienen te verlenen aan van links komend verkeer. Uit bewijsmiddel 3 blijkt dat zich ter plaatse een verkeersbord model Bl bevindt en dat de verdachte derhalve het kruisingsvlak zou hebben mogen oprijden indien er geen verkeer van links was gekomen. Uit bewijsmiddelen 3, 6 en 8 blijkt dat op hetzelfde moment dat de vrachtauto op het kruispunt Magallanestraat/Malakkastraat afreed een personenbusje naar voornoemd kruisingsvlak reed dat voorrang had op de vrachtwagen. Nu de verdachte, gelet op dit naderende personenbusje, dit personenbusje voorrang had moeten geven en om die reden zijn snelheid aan had moeten passen is de verdachte het kruispunt genaderd met een gelet op de situatie ter plaatse en de op hem, verdachte, rustende voorrangsplicht te hoge snelheid, welke op het moment van de botsing - gelet op bewijsmiddel 7 - nog meer dan 30 km/u beliep."

3.5. Het middel wijst erop dat door verdachte ter terechtzitting in hoger beroep onder meer is gesteld dat hij het busje niet heeft gezien. Voorts wijst het middel op de volgende passage uit de pleitnota van de raadsvrouwe:

"Evenmin kan uit de snelheid worden afgeleid dat hij onvoorzichtig heeft gereden. Volgens de tachograaf heeft cliënt voorafgaand aan de botsing weliswaar met een snelheid van 80 km/per uur gereden, hetgeen de toegestane snelheid is, maar ten tijde van de botsing met het Volkswagenbusje reed de vrachtauto slechts 32 km/per uur, hetgeen voor die overzichtelijke verkeerssituatie geen onvoorzichtig rijgedrag oplevert, getuige de verklaring van getuige [getuige 1 en 2].

De verklaring van [getuige 1] luidt - voor zover van belang - als volgt:

"Toen ik het kruispunt naderde, reed ik ongeveer 30 à 40 km. Per uur. Harder ging niet omdat de vrachtwagen voor mij het kruispunt ook naderde en aan het afremmen was. Ik zag dat de vrachtwagen heel langzaam het kruispunt op reed. Dit kan ik zeggen omdat ik zelf achter de vrachtwagen langzaam reed."

De verklaring van getuige [getuige 2] luidt - voor zover van belang - als volgt:

"Ik zag de vrachtwagen langzaam de kruising op rijden. Ik zag dat de vrachtwagen zo'n 30 km/per uur reed."

Aannemelijk is dan ook dat cliënt zijn snelheid voor die situatie voldoende heeft aangepast."

3.6. Het middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen (met name bewijsmiddelen 1, 2. en 3.) en de bewijsoverweging opgenomen in 's hofs aanvulling niet volgt dat de te hoge snelheid (mede) oorzaak is geweest van de botsing, nu het hof immers heeft vastgesteld dat verdachte het busje niet heeft opgemerkt en derhalve pas is gaan remmen nadat de botsing had plaatsgevonden. De overweging van het hof dat verdachte, gelet op het naderende personenbusje, het busje voorrang had moeten verlenen en om die reden zijn snelheid aan had moeten passen - hetgeen niet is geschied zodat verdachte het kruispunt genaderd zou zijn met een te hoge snelheid - is derhalve, aldus het middel, niet te verenigen met 's hofs vaststelling dat verdachte het personenbusje niet heeft opgemerkt. Betreffende overweging van het hof zou immers impliceren dat verdachte zijn snelheid had moeten aanpassen, welk verwijt verdachte alleen gemaakt kan worden - aldus het middel - indien vaststaat dat verdachte het busje heeft waargenomen.

3.7. Vooropgesteld moet worden dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 - in het onderhavige geval het bewezenverklaarde aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig rijden - uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.(1)

De snelheid waarmee verdachte heeft gereden op het moment van de botsing is door het hof te hoog geacht gelet om de omstandigheid dat een busje, waaraan verdachte voorrang had behoren te geven, die kruising al dicht was genaderd. Verdachte heeft gesteld naar links te hebben gekeken maar het busje niet te hebben gezien. Deze stelling is door het hof niet weerlegd, zodat van de juistheid ervan in cassatie dient te worden uitgegaan. Evenmin heeft het hof vastgesteld dat de snelheid waarmee verdachte de kruising is opgereden onverantwoord hoog was als er geen verkeer zou zijn genaderd. De verdediging heeft steeds het standpunt ingenomen dat het een overzichtelijke kruising was die bij het ontbreken van ander verkeer kon worden overgestoken met de snelheid die verdachte ook heeft gereden.

3.8. In 2008 is een aantal arresten door de Hoge Raad gewezen die van belang zijn voor het leerstuk van de culpa. In die arresten is een tweedeling te constateren. In de eerste plaats zijn er arresten waarin de bewezenverklaring van de culpa in cassatie is aangevochten, maar tevergeefs. In de tweede plaats zijn er arresten waarin de klacht over de bewezenverklaring van de culpa wel succes heeft gehad. In HR 29 april 2008, NJ 2008, 439 m.nt. Keijzer had verdachte 's nachts een persoon die gedeeltelijk op de rijbaan was gezeten niet opgemerkt. Verdachte is zonder snelheid te verminderen tegen die persoon aangereden. Verdachte had teveel gedronken. Het oordeel van het hof dat de omstandigheid dat de verdachte, (mede) onder invloed van alcohol in de mate als vastgesteld,(2) het slachtoffer niet heeft opgemerkt en in het geheel niet heeft geremd, duidt op een zodanig onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag dat sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, en was evenmin onbegrijpelijk.

Hoewel niet met zoveel woorden gezegd is toch aannemelijk dat het hof van oordeel is geweest dat het alcoholgebruik door de bestuurder van invloed was op het ontstaan van het ongeval.

In HR 24 juni 2008, NJ 2008, 442 m.nt. Keijzer was verdachte in zijn auto een oversteekplaats van fietsen en bromfietsen genaderd met een te hoge snelheid. Hij bemerkte te laat dat fietsers aan het oversteken waren en kon niet meer voorkomen dat hij tegen een van die fietsers is aangereden. Het hof had vastgesteld dat verdachte in de schemering 11 tot 19 kilometer harder had gereden dan de toegestane snelheid van 80 kilometer per uur, dat verdachte niet heeft afgeremd toen hij de oversteekplaats naderde en de fietsers eerst heeft opgemerkt toen dezen zich al midden op de weg bevonden. Voorts gaf het hof te kennen dat verdachte in staat zou zijn geweest het ongeval te voorkomen als hij zich aan de maximumsnelheid had gehouden. Dit oordeel gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het evenmin onbegrijpelijk was.

In deze twee zaken is er dus niet enkel sprake van dat verdachte niet heeft gezien wat hij had kunnen en behoren (te) zien, maar hebben tevens aan verdachte toe te rekenen omstandigheden, bestaande in een overtreding van enigerlei verkeersregel, invloed gehad op de gebrekkige waarneming van verdachte. In zijn noot schrijft Keijzer dat in beide gevallen de bestuurder een zo ernstig risico heeft genomen dat, als zich mede als gevolg daarvan een ongeval voordoet, dit reeds om die reden aan grove schuld van de bestuurder kan worden geweten. Alcoholgebruik en onverantwoord snel rijden brengen als regel elk op zich reeds culpa mee aan een daaruit voortvloeiend verkeersongeval. In beide ligt de onvoorzichtigheid besloten.

3.9. Als er enkel sprake is geweest van een gebrekkige waarneming is het aannemen van culpa problematischer. Dat blijkt uit de volgende arresten.

In HR 29 april 2008, NJ 2008, 440 m.nt. Keijzer was verdachte een weg opgereden vanuit een uitrit van het benzinestation en in botsing gekomen met een motorrijdster die hij voorrang had moeten verlenen maar die hij niet had gezien, hoewel hij wel links over zijn schouder heeft gekeken in de richting waaruit de motorrijdster naderde. De Hoge Raad overwoog dat het enkele feit dat verdachte de motorrijdster niet heeft gezien terwijl hij haar wel had kunnen zien onvoldoende is om grove schuld aan te nemen. Een aanrijding tussen een automobilist en een fietser is het onderwerp in HR 27 mei 2008, NJ 2008, 441 m.nt. Keijzer. Verdachte had aan de fietser geen voorrang verleend omdat hij deze niet had gezien, en was met 20 à 30 kilometer per uur de kruising opgereden. Het regende, het was nog donker en het zicht was slecht. Verdachte was ter plekke goed bekend. Ook in deze zaak kwam de Hoge Raad tot het oordeel dat uit het enkele feit dat de verdachte in de omstandigheden van het geval de fietser aan wie hij voorrang had moeten verlenen niet heeft gezien hoewel die wel voor hem waarneembaar moet zijn geweest en verdachte daarop zijn rijgedrag moet hebben kunnen afstemmen, niet volgt dat er sprake is geweest van grove schuld. Tot slot past HR 28 oktober 2008 LJN BE9800 in dit rijtje. De verdachte sloeg met zijn auto linksaf zonder voorrang te verlenen aan een hem naderende motorfiets. Hij had, in tegenstelling tot de achter hem rijdende automobilist, de motorfiets niet zien aankomen. De Hoge Raad herhaalde dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte in de door het Hof vastgestelde omstandigheden van het geval de motorrijder aan wie hij voorrang had dienen te verlenen niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en de verdachte daarop zijn rijgedrag moet hebben kunnen afstemmen, niet volgen dat de verdachte, zoals is bewezenverklaard, zich "aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig" heeft gedragen.

3.10. In de onderhavige zaak is, zo komt het mij voor, hetzelfde aan de hand. Verdachte heeft het busje dat hij had kunnen zien naderen niet gezien en is de kruising opgereden met een snelheid waarvan het hof niet heeft vastgesteld dat die gelet op de omstandigheden ter plekke onverantwoord zou zijn geweest ook als er achteraf bezien geen kruisend verkeer was geweest. Verdachte heeft naar links gekeken en het busje helaas niet gezien. Van een extra fout die een bijdrage kan hebben geleverd aan deze gebrekkige waarneming kan niet blijken. Deze zaak past mijns inziens zonder wringen in de tweede categorie van gevallen, hetgeen betekent dat ook naar mijn oordeel de bewezenverklaring van de culpa ontoereikend met redenen is omkleed.

3.11. Het middel slaagt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat de raadsvrouwe in hoger beroep onder meer heeft betoogd dat de bestuurder van het busje zijn snelheid niet voldoende heeft gematigd zodat het verkeersongeval niet toe te rekenen is aan verdachte en het hof op dit uitdrukkelijk onderbouwd standpunt niet heeft gereageerd terwijl het verweer niet wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

4.2. Het middel doelt op de volgende passage uit de pleitnota van de raadsvrouwe:

"Redelijke toerekening

Slechts indien u van oordeel bent dat cliënt aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden, resteert de vraag of het verkeersongeval is toe te rekenen aan het culpoze gedrag van cliënt. In dit verband kan niet genoeg benadrukt worden hoezeer cliënt de gevolgen betreurt echter voor de beantwoording van deze vraag is van belang of en zo ja in hoeverre het rijgedrag van de andere partij van invloed zou kunnen zijn geweest op deze gevolgen.

Hoewel nader onderzoek door het NFI helaas geen duidelijkheid heeft kunnen geven over de snelheid van het busje voorafgaand aan de aanrijding, onder meer doordat de politie cruciale gegevens niet heeft gerelateerd, concludeert het NFI als volgt over de botssnelheid van het busje. Er is een kans van 99% op een botssnelheid van het busje hoger dan 46 km/uur en een kans van 99% dat de botssnelheid lager was dan 81 km/uur.

Dit zou wellicht een aanwijzing kunnen zijn dat, gelet op de maximumsnelheid ter plaatse, de bestuurder van het busje zijn snelheid niet voldoende heeft gematigd.

Dit kan overigens ook worden afgeleid uit de terzake afgelegde verklaring van [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Ondanks het feit dat [betrokkene 1], de bestuurder van het busje, [betrokkene 2], tot drie keer toe heeft gewaarschuwd ("aangeraden langzamer te rijden", "kijk uit" en "rij rustig"), en beide heren de vrachtwagen hadden zien rijden en verklaard hebben dat de chauffeur alleen maar naar rechts keek, is niet, althans onvoldoende gebleken dat [betrokkene 2] al de nodige maatregelen genomen heeft om deze aanrijding te voorkomen. Zo verklaart hij dat hij bijvoorbeeld niet heeft geremd, hetgeen in een dergelijke situatie toch mag worden verwacht. Ondanks het feit dat hij het idee had dat cliënt hen niet opmerkte, zei hij tegen [betrokkene 1]: "ik zie de vrachtwagen maar ik heb voorrang." Hoewel het hebben van voorrang een van de basisregels is in het verkeer, geldt ook hier dat je niet te allen tijde voorrang moet nemen."

4.3. Voor de overzichtelijkheid geef ik hieronder opnieuw de van belang zijnde overweging van het hof weer (zie hiervoor onder 3.3):

"Nadere bewijsoverweging

(...) Als subsidiair verweer voert de raadsvrouw aan dat het rijgedrag van de bestuurder van het busje, het feit dat niet alle inzittenden in het busje een riem droegen en de omstandigheid dat er te veel mensen in het busje zaten van invloed kan zijn geweest op het ongeluk, zodat de vraag gerechtvaardigd is of het ongeval redelijkerwijs aan de culpoze gedraging van de verdachte is toe te rekenen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

(...)

Gelet op het feit dat het door verdachte bestuurde voertuig een vrachtwagen was, dat deze vrachtwagen met een snelheid van circa 32 km/uur tegen het busje is gebotst, dat het busje op dat moment een snelheid had van tussen 46 en 81 km/uur, dat de bestuurder van het busje nog naar links heeft gestuurd om zoveel mogelijk in dezelfde rijrichting als de vrachtwagen te komen, dat het busje ten gevolge van de botsing over de kop is geslagen en voorts gelet op het feit dat als gevolg van het ongeval acht van de tien inzittenden van het busje gewond zijn geraakt, van wie een persoon dermate ernstig dat hij is overleden en van wie ook anderen ernstig letsel opliepen, doet de aangevoerde omstandigheid dat niet alle inzittenden van het busje een veiligheidsgordel droegen en dat er meer dan acht personen in het busje zaten niet af aan het oordeel van het hof dat het ontstane zwaar lichamelijk letsel, in één geval geleid hebbend tot de dood van het slachtoffer, redelijkerwijs als gevolg van de door verdachte veroorzaakte aanrijding aan hem kan worden toegerekend, zodat aan het dubbele causaliteitsvereiste van art. 6 WVW is voldaan.

Het hof verwerpt het (primaire en het subsidiaire) verweer."

4.4. Daargelaten of hetgeen door de raadsvrouwe is aangevoerd als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan worden aangemerkt, geldt dat het hof hetgeen is betoogd omtrent de gestelde eigen schuld van het slachtoffer - te rekenen tot de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan, zie NJ 2005, 252 - heeft meegewogen in zijn beoordeling.

In de hiervoor weergegeven overwegingen heeft het hof juist tot uitdrukking gebracht dat de snelheid van het busje c.q. het rijgedrag van het slachtoffer mede een omstandigheid oplevert op grond waarvan het ontstane letsel, in één geval geleid hebbend tot de dood van het slachtoffer, aan verdachte kan worden toegerekend; laat staan dat genoemde factoren een voor verdachte disculperende omstandigheid zouden opleveren. Het busje heeft immers gereden met een snelheid tussen de 46 en 81 km/uur, terwijl zoals het hof ook heeft overwogen, dit busje op een voorrangsweg reed waar een maximumsnelheid gold van 80 km/per uur, en de bestuurder van het busje nog heeft getracht de overstekende vrachtwagen te ontwijken. Ook voor het overige geeft 's hofs verwerping van het subsidiair gevoerde verweer geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting terwijl die overwegingen evenmin onbegrijpelijk zijn. Het enkele feit dat een passagier van het busje de bestuurder heeft gewaarschuwd voor de verkeerssituatie is onvoldoende voor een ander oordeel. Iedere weggebruiker weet dat er een kleine kans is dat degene die voorrang behoort te verlenen dat om wat voor reden dan ook niet doet, maar het moderne verkeer zou tot stilstand komen wanneer degene die recht op voorrang heeft er niet meer op zou mogen vertrouwen dat hij dat ook krijgt. Het hof heeft de uitlatingen van de passagier kennelijk niet aldus verstaan dat deze uitlatingen zijn gedaan op het moment waarop al duidelijk was dat de vrachtwagen door zou rijden. Uit het antwoord van de bestuurder blijkt - zo zal het hof hebben gemeend - dat hij er op heeft vertrouwd dat de doorgang door de vrachtwagen zou worden vrijgelaten.

4.5. Het middel faalt.

5. Ambtshalve merk ik op dat de zaak ter terechtzitting van de Hoge Raad van 4 november 2008 voor de eerste maal is behandeld hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaar zijn verstreken na het instellen (op 7 november 2006) van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

6. Het tweede middel faalt en kan met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het eerste middel komt mij gegrond voor. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. Als het hof opnieuw tot een veroordeling zou komen en tot strafoplegging zal het daarbij rekening moeten houden met de geconstateerde schending van de redelijke termijn in cassatie.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. HR 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005, 252.

2 Een ruim een uur na het ongeluk afgenomen ademanalyse gaf als resultaat 435 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.