Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BG8786

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-02-2009
Datum publicatie
20-02-2009
Zaaknummer
08/04022
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BG8786
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Op voordracht rechter-commissaris bevolen opheffing faillissement (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 419
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 328
JWB 2009/57
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/04022

Mr L. Strikwerda

Zt. 19 dec. 2008

conclusie inzake

[Verzoeker]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het tijdig door verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden van 11 september 2008. Bij deze beschikking heeft het hof op het hoger beroep van [verzoeker] een beschikking van de rechtbank Groningen van 15 juli 2008, waarbij op voordracht van de rechter-commissaris de opheffing van het faillissement van [verzoeker] wegens de toestand van de boedel is bevolen, bekrachtigd.

2. Het cassatieberoep berust op één middel dat twee klachten bevat. Naar mijn oordeel kunnen de aangevoerde klachten niet tot cassatie leiden en nopen zij niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.

3. Het middel keert zich tegen de verwerping door het hof van het betoog van [verzoeker] dat hij na zijn detentie in staat en bereid zal zijn inkomsten te genereren en de schuldeisers daardoor gedeeltelijk tegemoet te komen. Het hof heeft dit betoog niet aannemelijk geoordeeld op de grond (a) dat uit de stukken naar voren komt dat [verzoeker] geen opleiding heeft voltooid en dat van een relevant arbeidsverleden niet is gebleken, en (b) dat vaststaat dat [verzoeker] voortvluchtig is (r.o. 3).

4. De eerste klacht van het middel keert zich tegen de onder (a) bedoelde grond met de stelling dat het hof ten onrechte deze grond aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, omdat [verzoeker]s oude werkgever, een uitzendbureau in de bouw, bereid is [verzoeker] weer in dienst te nemen tegen een salaris van ongeveer Euro 2.000,-, zodat te verwachten is dat binnen redelijke termijn wel voldoende baten beschikbaar zullen komen voor de voldoening van de faillissementskosten en de overige boedelschulden.

5. De klacht kan niet tot cassatie leiden, reeds omdat uit de gedingstukken niet blijkt (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat [verzoeker] in feitelijke instantie heeft aangevoerd dat zijn oude werkgever bereid is hem weer in dienst te nemen. De stelling moet derhalve worden beschouwd als een ontoelaatbaar novum in cassatie.

6. De tweede klacht van het middel is gericht tegen de onder (b) bedoelde grond en houdt in dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat [verzoeker] voortvluchtig is.

7. Voor zover deze klacht strekt ten betoge dat de bedoelde overweging van het hof onjuist is, faalt zij omdat de overweging een feitelijk oordeel van het hof betreft, welk oordeel in cassatie op juistheid niet kan worden onderzocht. Voor zover de klacht wil betogen dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende is gemotiveerd, kan zij evenmin doel treffen. Ter terechtzitting van het hof is, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, op grond van mededelingen van het kantoor van de advocaat van [verzoeker] gebleken dat [verzoeker] zich aan zijn detentie heeft onttrokken (proces-verbaal, blz. 1, laatste alinea). In dit licht is de overweging van het hof niet onbegrijpelijk. De namens [verzoeker] in cassatie aan de Hoge Raad toegezonden afschriften van een proces-verbaal van verhoor voor inverzekeringstelling en van een bevel tot inverzekeringstelling behoren niet tot de stukken van het geding en daarin kan derhalve de feitelijke grondslag van de klacht niet worden gevonden (art. 419 lid 2 Rv).

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,