Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BG7404

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-01-2009
Datum publicatie
23-01-2009
Zaaknummer
08/04448
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BG7404
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

BOPZ. Voortzetting van de inbewaringstelling; cassatieberoep betrokkene niet-ontvankelijk bij gebrek aan belang wegens verstreken termijn van verleende machtiging.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 22
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 27
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2009, 40
RvdW 2009, 211
JWB 2009/11
BJ 2009/8
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/04448

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 5 december 2008

Conclusie inzake:

[Betrokkene]

tegen

Officier van Justitie te Maastricht

Art. 22 Wet Bopz schrijft voor dat de burgemeester die een last tot inbewaringstelling afgeeft, ervoor zorg draagt dat de betrokkene binnen 24 uur wordt bijgestaan door een raadsman. Wat is het gevolg van een overschrijding van deze termijn wanneer de rechtbank nadien moet beslissen over een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling?

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Op 29 september 2008 heeft de burgemeester van de gemeente Valkenburg aan de Geul ten aanzien van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) een last tot inbewaringstelling afgegeven als bedoeld in art. 20 Wet Bopz. Betrokkene is diezelfde dag op grond van die last in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen.

1.2. Op 2 oktober 2008 heeft de officier van Justitie in het arrondissement Maastricht aan de rechtbank aldaar verzocht machtiging te verlenen tot voortzetting van de inbewaringstelling (art. 27 Wet Bopz). Bij het verzoek was een afschrift gevoegd van de hiervoor genoemde last en van een geneeskundige verklaring, opgemaakt en ondertekend door de arts [betrokkene 3], psychiater in opleiding.

1.3. Op 3 oktober 2008 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld, waarbij betrokkene en zijn raadsman, de echtgenote en een dochter van betrokkene, de behandelend arts [betrokkene 1] en de verpleegkundige [betrokkene 2] aanwezig waren. Blijkens het proces-verbaal heeft de raadsman als verweer onder meer aangevoerd:

"Ik verzoek u de machtiging voortzetting inbewaringstelling niet te verlenen om de volgende redenen:

- zowel de raadsman alsmede de officier van justitie zijn niet door de burgemeester geïnformeerd;

- de geneeskundige verklaring is opgesteld door een psychiater in opleiding. De Hoge Raad heeft recent hierin een uitspraak gedaan.

- (...)."

1.4. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend. In reactie op het verweer overwoog de rechtbank:

"In de omstandigheid dat de advocaat, naar zijn zeggen, niet geïnformeerd is over de inbewaringstelling van betrokkene ziet de rechtbank geen aanleiding het in geding zijnde verzoek af te wijzen. Dat de geneeskundige verklaring is opgesteld door een psychiater in opleiding kan niet in strijd met de Wet worden geacht."

1.5. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In het cassatierekest is een voorbehoud gemaakt tot aanvulling van het cassatiemiddel nadat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling zal zijn ontvangen. Op grond van dit voorbehoud is een aanvullend cassatierekest ingediend. In cassatie is geen verweer gevoerd.

2. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1. Ingevolge art. 30 Wet Bopz is de geldigheidsduur van de door de rechtbank verleende machtiging inmiddels verstreken, zodat betrokkene naar vaste rechtspraak rechtens geen belang meer heeft bij zijn beroep. De conclusie zal daarom strekken tot de niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene in zijn cassatieberoep.

2.2. Ingevolge het bepaalde in art. 29 lid 5 Wet Bopz staat geen cassatieberoep open tegen een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. In het cassatierekest is deze tegenwerping onderkend, maar is betoogd dat er gronden zijn om het wettelijk rechtsmiddelenverbod te doorbreken.

2.3. Naar vaste rechtspraak kan een rechtsmiddelenverbod worden doorbroken indien in cassatie erover wordt geklaagd dat de rechter in de vorige instantie het desbetreffende artikel ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, ten onrechte heeft toegepast (dan wel buiten het toepassingsgebied van het artikel is getreden) of met verzuim van essentiële vormen heeft toegepast. Voor een doorbreking van een rechtsmiddelenverbod op de grond dat essentiële vormen zijn verzuimd, is nodig dat aan de klacht ten grondslag ligt dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken, zoals in geval van veronachtzaming van het beginsel van hoor en wederhoor(1). Op geen van deze doorbraakgronden is in deze zaak beroep gedaan.

2.4. In HR 26 september 2008 (BJ 2008, 58 m.nt. W. Dijkers) heeft de Hoge Raad de hiervoor genoemde doorbrekingsgronden uitgebreid. Evenals in de onderhavige zaak, bevatte in die zaak het cassatiemiddel de klacht dat de rechtbank ten onrechte een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling had verleend zonder te beschikken over een geneeskundige verklaring, opgesteld door een specialist - een psychiater - die betrokkene daartoe persoonlijk heeft onderzocht. Onder verwijzing naar HR 21 februari 2003, NJ 2003, 484 m.nt. JdB overwoog de Hoge Raad dat het middel aldus klaagde over het niet inachtnemen van een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid, in die zin dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald. Volgens de Hoge Raad leverde die klacht een grond op voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod.

2.5. Onderdeel 2 is gericht tegen de verwerping van het verweer dat de geneeskundige verklaring is opgesteld door een arts die geen psychiater is (maar een psychiater in opleiding), hetgeen volgens betrokkene in strijd is met de Wet Bopz. Onder verwijzing naar de genoemde beschikking van de Hoge Raad van 26 september 2008 wordt geklaagd dat de rechtbank de verzochte machtiging niet had mogen toewijzen zonder te beschikken over een verklaring van een niet behandelend psychiater die betrokkene daartoe persoonlijk heeft onderzocht, althans dat de beslissing op dit punt ontoereikend is gemotiveerd. Gelet op de genoemde beschikking van de Hoge Raad is deze rechtsklacht voldoende om het wettelijk rechtsmiddelenverbod te doorbreken. De vraag of de klacht gegrond is, komt hierna in rubriek 3 aan de orde.

2.6. Onderdeel 1 is gericht tegen de verwerping van het verweer dat de burgemeester niet tijdig de advocaat van betrokkene (althans een advocaat) heeft ingelicht over de inbewaringstelling. De rechtsklacht houdt in dat sprake is van schending van een fundamenteel rechtsbeginsel, te weten het beginsel dat degene die van zijn vrijheid is beroofd zo spoedig mogelijk, althans binnen de in de wet bepaalde termijn, rechtsbijstand geniet. Volgens de klacht is art. 22 Wet Bopz geschonden, omdat de burgemeester niet ervoor zorg heeft gedragen dat betrokkene binnen 24 uur is bijgestaan door een raadsman. Subsidiair wordt geklaagd dat de rechtbank niet voldoende inzicht heeft gegeven in haar gedachtegang bij haar beslissing om de verzochte machtiging te verlenen zonder enig gevolg te verbinden aan de schending van het voorschrift van art. 22 lid 1 Wet Bopz: hetzij door verkorting van de termijn waarvoor de machtiging wordt gegeven, hetzij door afwijzing van het verzoek(2). De motiveringsklacht in het aanvullend cassatierekest houdt in dat de rechtbank heeft verzuimd in te gaan op het ter zitting dienaangaande gevoerde verweer.

2.7. Onderdeel 3 is eerst voorgedragen in het aanvullend cassatierekest. De rechtsklacht houdt in dat de rechtbank het verzoek niet had mogen toewijzen omdat de burgemeester (ook) het voorschrift van art. 25 lid 1 Wet Bopz, strekkende tot het onverwijld in kennis stellen van de officier van justitie, niet heeft nageleefd. Subsidiair wordt - samengevat - geklaagd dat de rechtbank had behoren te motiveren waarom de schending van dit voorschrift niet in de weg staat aan toewijzing van het verzoek. In ieder geval is volgens het middelonderdeel onduidelijk waarom de rechtbank geen enkel gevolg heeft verbonden aan de schending van dit voorschrift, zoals een verkorting van de geldigheidsduur van de machtiging.

2.8. Het komt mij voor dat de in de onderdelen 1 en 3 aangevoerde gronden niet voldoende zijn voor een doorbreking van het wettelijk rechtsmiddelenverbod. Niet-inachtneming van het vereiste van voorafgaand onderzoek door een niet bij de behandeling betrokken psychiater, zoals aan de orde was in HR 26 september 2008, kan tot gevolg hebben dat de betrokkene van zijn vrijheid wordt beroofd buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald. Indien de burgemeester heeft verzuimd de advocaat en/of de officier van justitie tijdig in te lichten, kan dit leiden tot het oordeel dat de gemeente onrechtmatig jegens de betrokkene heeft gehandeld, maar het vitieert niet rechtstreeks de rechterlijke machtiging die wordt gegeven nadat de officier van justitie (alsnog) van de last tot inbewaringstelling in kennis is gesteld en nadat betrokkene (alsnog) rechtsbijstand heeft ontvangen. Ten overvloede zal ik de klachten hieronder toch inhoudelijk bespreken.

2.9. Het aanvullende cassatierekest is nog binnen de cassatietermijn bij de Hoge Raad ingekomen. Aan de vraag of kennisneming van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling nodig was om middelonderdeel 3 te kunnen opstellen(3), kom ik om die reden niet toe.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1. Over onderdeel 2 kan ik kort zijn. In de genoemde beschikking van 26 september 2008 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen (rov. 4.3):

"(...) De leden 1 en 2 van art. 21 laten de mogelijkheid open dat de burgemeester een inbewaringstelling gelast op basis van een schriftelijke verklaring van een arts die geen psychiater is, en wel indien het niet mogelijk is dat een psychiater de verklaring verstrekt. Met inachtneming van de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot vrijheidsontneming van als geestesziek aangemerkte personen (art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de door dat hof gestelde eis van "objective medical expertise" aldus moet worden verstaan dat die - behoudens in noodsituaties - een persoonlijk voorafgaand onderzoek van de betrokkene door een specialist, dat wil zeggen een psychiater als bedoeld in art. 1 lid 1, aanhef en onder j, Wet Bopz, veronderstelt. In een geval waarin de inbewaringstelling gelast is op basis van een schriftelijke verklaring van een arts die geen psychiater is, brengt de bepaling van art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM dan ook mee dat de rechter, onverminderd het bepaalde in art. 29 lid 2 Wet Bopz, een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling slechts mag verlenen na te hebben kennisgenomen van een schriftelijke - dan wel ter zitting mondeling afgelegde en in het proces-verbaal van de zitting te vermelden - verklaring van een niet behandelend psychiater die persoonlijk de betrokkene na diens inbewaringstelling heeft onderzocht (...)"

3.2. De primaire rechtsklacht is gegrond. In de onderhavige zaak is de inbewaringstelling gelast op basis van een schriftelijke verklaring van een arts die op het moment van afgifte (nog) geen psychiater was(4). Dit brengt met zich mee dat de rechtbank de verzochte machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling slechts kon verlenen na kennis te hebben genomen van een schriftelijke, dan wel ter zitting mondeling afgelegde en in het proces-verbaal van de zitting te vermelden, verklaring van een niet behandelend psychiater die persoonlijk de betrokkene na diens inbewaringstelling heeft onderzocht. Uit niets blijkt dat deze regel in dit geval is nageleefd. De subsidiaire motiveringsklachten van dit middelonderdeel behoeven om die reden geen bespreking meer.

3.3. Voor wat betreft onderdeel 1 merk ik op dat betrokkene, blijkens de beschikking en het proces-verbaal, tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek is bijgestaan door een advocaat. Er is geen uitstel van behandeling verzocht om de verdediging behoorlijk voor te bereiden. In eerste aanleg is niet gesteld dat betrokkene door een te late mededeling van de inbewaringstelling aan zijn advocaat op enigerlei wijze is geschaad in zijn verdediging(5). Aan het niet inachtnemen door de burgemeester van het voorschrift in art. 22 Wet Bopz behoefde de rechtbank niet de gevolgtrekking te verbinden dat de verzochte machtiging wordt afgewezen: het verzuim is hersteld vóórdat de rechtbank haar beslissing nam. De klacht, indien ontvankelijk, leidt niet tot cassatie. Het voorgaande betekent overigens niet dat de betrokkene rechteloos is indien de burgemeester niet voldoet aan zijn verplichting op grond van art. 22 Wet Bopz: indien de betrokkene door het niet inachtnemen van dit voorschrift materieel of immaterieel nadeel heeft ondervonden, heeft hij de mogelijkheid om op de voet van art. 28 Wet Bopz schadeloosstelling te verzoeken.

3.4. Voor wat betreft onderdeel 3: art. 25 lid 1 Wet Bopz bepaalt dat de burgemeester zorg draagt dat onverwijld de officier van justitie telefonisch of mondeling van de inbewaringstelling op de hoogte wordt gesteld. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de burgemeester zo spoedig mogelijk nadat de beschikking is gegeven, doch in elk geval niet later dan de volgende dag (die niet is een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag als bedoeld in de Algemene termijnenwet) een afschrift van zijn beschikking en van de geneeskundige verklaring aan de officier van justitie zendt.

3.5. Indien de officier van justitie na ontvangst van deze bescheiden van oordeel is dat het in art. 20 lid 2 Wet Bopz bedoelde gevaar zich voordoet, dient hij uiterlijk een dag later (indien deze dag niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is) bij de rechtbank een verzoek in tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling (art. 27 Wet Bopz). De rechtbank beslist binnen drie dagen (art. 29 lid 3 Wet Bopz(6)). In dit wettelijke systeem wordt ten spoedigste een beslissing van de rechter verkregen over voortzetting van de inbewaringstelling.

3.6. Wanneer de burgemeester niet op tijd de officier van justitie inlicht en de stukken inzendt, kan de officier pas op een later tijdstip dan normaal het verzoek om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling bij de rechtbank indienen. De duur van de inbewaringstelling wordt hierdoor `gerekt'. Deze problematiek is onder de vroegere Krankzinnigenwet al eens aan de Hoge Raad voorgelegd(7). De Hoge Raad overwoog toen:

"De in het middel besloten stelling dat zulk een termijnoverschrijding tot gevolg heeft dat de Pres. niet meer op de daartoe strekkende vordering van de officier de voortzetting van de inbewaringstelling kan bevelen, vindt evenwel geen steun in het recht. Dat betekent overigens niet dat die termijnoverschrijding geen enkele consequentie zou hebben: het is een omstandigheid die de Pres. bij zijn beslissing omtrent de voortzetting van de inbewaringstelling in aanmerking kan nemen, bijvoorbeeld door, indien hij de voortzetting beveelt, bij het bepalen van de termijn van de voortzetting rekening te houden met de sedert de inbewaringstelling verstreken tijd, of, indien de omvang van de termijnoverschrijding in verband met de termijnen van art. 35j [Krankzinnigenwet] daartoe aanleiding geeft, de vordering af te wijzen." (rov. 3.3)

3.7. Indien deze beslissing in Wet Bopz-zaken overeenkomstig wordt toegepast, is daarmee in elk geval het verweer van de baan dat de rechtbank vanwege dit verzuim van de burgemeester geen machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling had mogen verlenen(8).

3.8. Voor zover de klacht ertoe strekt dat de rechtbank ten minste had behoren te motiveren waarom zij in de te late berichtgeving aan de officier van justitie geen aanleiding zag om de geldigheidsduur van de onderhavige machtiging te bekorten, miskent de klacht dat het (hiervoor geciteerde) verweer daartoe niet uitnodigde. De rechtbank behoefde niet te motiveren waarom zij ambtshalve geen aanleiding zag tot verkorting van de geldigheidsduur van de machtiging.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene in zijn cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1Vaste rechtspraak, zie bijv.: HR 26 november 2004, NJ 2005, 257 m.nt. PCEvW (rov. 3.3).

2 Het onderdeel verwijst in dit verband naar HR 24 april 1987, NJ 1987, 629. Die uitspraak - zie hieronder nader - heeft volgens mij betrekking op een ander onderwerp.

3 Zie daarover: HR 23 december 2005, NJ 2006, 31.

4 Zie voor het begrip `psychiater": art. 1, aanhef en onder j, Wet Bopz.

5 Vgl. Rb. Amsterdam 13 november 1998, kBJ 1999, 6; Rb. Haarlem 22 augustus 2002, BJ 2003, 12. Zie voor strafzaken o.m.: HR 21 juni 1988, NJ 1989, 214.

6 Op deze termijn van drie dagen is de Algemene termijnenwet van toepassing verklaard.

7 HR 24 april 1987, NJ 1987, 629; in het aanvullend cassatierekest wordt een beroep op deze uitspraak gedaan.

8 Vgl. Rb. Haarlem 22 augustus 2002, BJ 2003, 12, reeds aangehaald. Zie voorts: de wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, losbl., aant. 5 op art. 20 en aant. 3 op art. 29 (W. Dijkers).