Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BG6595

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
31-03-2009
Zaaknummer
08/01312 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BG6595
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatieberoep beschikkingen. Volgens art. 445 Sv staat tegen beschikkingen beroep in cassatie alleen open in de gevallen in dat wetboek bepaald. Nu in dat wetboek geen bepaling voorkomt volgens welke beroep in cassatie openstaat tegen een beschikking a.b.i. art. 410a.4 Sv van de voorzitter van een gerechtshof om een ingesteld h.b. buiten behandeling te laten, kan verdachte in het ingestelde beroep niet worden ontvangen (HR LJN BG4411).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 873
NJ 2010, 338 met annotatie van Y. Buruma
NJB 2009, 879
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/01312 B

Mr. Fokkens

Zitting: 9 december 2008

Conclusie inzake:

[Verzoekster = verdachte]

1. Het cassatieberoep richt zich tegen een beschikking ex art. 410a lid 4 Sv van de voorzitter van het Gerechtshof 's-Gravenhage d.d. 19 november 2007, waarbij de voorzitter heeft bevolen dat het hoger beroep - door de verzoekster ingesteld tegen een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Dordrecht waarbij zij werd veroordeeld tot een geldboete van € 200,- wegens het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk bevel - buiten behandeling wordt gelaten.

2. Tegen een dergelijke beschikking staat geen beroep in cassatie open (zie art. 445 Sv en de Memorie van Toelichting bij de Wet stroomlijnen hoger beroep, TK 2005-2006, 30320, nr. 3, p. 23(1)). Mr. Jebbink, advocaat te Amsterdam, geeft in de door hem ingediende schriftuur echter een uitgebreide, aan de middelen voorafgaande, beschouwing die er op neer komt dat het cassatieberoep in dit geval wel ontvankelijk is.

3. In deze beschouwing betoogt mr. Jebbink dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in deze zaak zal moeten worden doorbroken omdat fundamentele rechtsbeginselen niet zijn nageleefd. Volgens hem zijn in de verlofprocedure de artikelen 14 lid 5 IVBPR(2) en 6 lid 1 EVRM geschonden nu in eerste aanleg is volstaan met een mondeling vonnis en geen proces-verbaal van de terechtzitting is opgemaakt. Daardoor was het niet mogelijk in de verlofprocedure een "full review" van de veroordeling en strafoplegging in eerste aanleg te doen plaatsvinden, zoals op grond van de genoemde verdragsbepalingen vereist zou zijn.

4. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen houdt onder meer in dat de regeling van rechtsmiddelen tegen rechterlijke beslissingen in het Wetboek van Strafvordering als uitputtend moet worden beschouwd (zie o.m. J.B.H.M. Simmelink, Kanttekeningen bij het 'gesloten stelsel van rechtsmiddelen' in: Systeem in Ontwikkeling, Liber amicorum G. Knigge, Nijmegen 2005, p. 463). In de schriftuur wordt betoogd dat deze regel niet absoluut is en dat uit de (civiele) rechtspraak en literatuur blijkt dat er ruimte is voor uitzonderingen.

5. De vraag die voorafgaand aan een eventuele bespreking van de middelen moet worden beantwoord, is of er ruimte is voor de in de schriftuur bepleite doorbreking van het rechtsmiddelenverbod.

6. De in dit verband van belang zijnde bepalingen uit het WvSv luiden als volgt:

- Art. 365a lid 2:

"Een verkort vonnis waartegen een gewoon rechtsmiddel is aangewend wordt aangevuld met de bewijsmiddelen bedoeld in artikel 359, derde lid, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, wordt toegepast, een opgave van bewijsmiddelen tenzij het rechtsmiddel meer dan drie maanden na de uitspraak is aangewend of sprake is van een vonnis als bedoeld in artikel 410a, eerste lid."

- Art. 410a:

"1. Ingeval hoger beroep openstaat en is ingesteld tegen een vonnis betreffende uitsluitend een of meer overtredingen of misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van niet meer dan vier jaren is gesteld, waarbij geen andere straf of maatregel is opgelegd dan een geldboete tot een maximum - of, wanneer bij het vonnis twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum - van € 500, wordt het ingestelde hoger beroep slechts ter terechtzitting aanhangig gemaakt en behandeld indien zulks naar het oordeel van de voorzitter in het belang van een goede rechtsbedeling is vereist.

2. De behandeling ter terechtzitting van een ingesteld hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de rechtbank, niet zijnde de kantonrechter, is in ieder geval in het belang van een goede rechtsbedeling vereist indien de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte niet in persoon is gedaan of betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. De vorige zin is niet van toepassing indien sprake is van een betekening op de voet van artikel 257f, eerste lid, laatste volzin.

3. Indien de voorzitter op grond van de ingediende schriftuur en de stukken van het geding, waaronder het verkorte vonnis of de aantekening van het vonnis, oordeelt dat in het belang van een goede rechtsbedeling behandeling in hoger beroep vereist is, beveelt deze dat de zaak op de voet van artikel 412 in hoger beroep ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt.

4. In het andere geval beslist de voorzitter bij een met redenen omklede beschikking dat het hoger beroep buiten behandeling wordt gelaten. Deze beschikking geldt als een beslissing op het rechtsmiddel als bedoeld in artikel 557, eerste lid.

5. Indien de verdachte ingevolge artikel 408a in de zaak is opgeroepen om tegen een bepaalde datum ter terechtzitting te verschijnen geldt de oproeping als ingetrokken door de in het vierde lid bedoelde beschikking.

6. Een beschikking als bedoeld in het derde en vierde lid wordt aan de verdachte betekend.

7. In het geval, bedoeld in het vierde lid, staat tegen het vonnis waarop de beschikking van de voorzitter betrekking heeft, geen beroep in cassatie open."

7. In het civiele recht geldt dat een wettelijk rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken indien de klacht inhoudt dat de desbetreffende wettelijke regeling door de rechter in de vorige instantie ten onrechte is toegepast, met verzuim van essentiële vormen is toegepast (het moet dan gaan om schending van zo fundamentele beginselen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken) of ten onrechte buiten toepassing is gelaten (zie o.m. HR 29 maart 1985, NJ 1986, 242, HR 24 maart 1995, NJ 1998, 414, HR 22 januari 1999, NJ 1999, 243, HR 22 oktober 1999, NJ 1999, 798, HR 26 januari 2001, NJ 2001, 177 en H.J. Snijders en A. Wendels, Civiel appel, Deventer 2003, p. 299 e.v.). Er is wel bepleit deze jurisprudentie ook toe te passen in het strafrecht (zie G.J.M. Corstens, Onrechtmatige strafrechtspraak, in: Met hoofd en hart, opstellen aangeboden aan prof. Mr. J.C.M. Leijten, Zwolle 1991, p. 208).

8. De civiele aanpak is tot nu toe niet door de strafkamer overgenomen (zie hierover ook mijn ambtgenoten Machielse in zijn conclusie voor het arrest van 14 juni 2005, LJN: AT7031 en Jörg in zijn conclusie voor HR 19 november 2002, LJN: AE9076). Daarbij moet worden aangetekend dat er een verschil is tussen de zaken die tot nu toe aan de Hoge Raad in strafzaken zijn voorgelegd en de civiele zaken waarin het rechtsmiddelenverbod werd doorbroken. De aanleiding om tot de doorbreking van het rechtsmiddelenverbod in civiele zaken over te gaan is steeds te vinden in de wijze waarop de rechter tot zijn beslissing is gekomen. In strafzaken werd tot nu toe het ontbreken van een rechtsmiddel tegen een bepaald soort beslissingen aan de Hoge Raad voorgelegd en niet de vraag of de gang van zaken in een concrete zaak aanleiding kon geven het rechtsmiddelenverbod te doorbreken. Ook hier berust de stelling dat beroep in cassatie wel mogelijk moet zijn op bezwaren tegen de wettelijke regeling als zodanig. Die zou in strijd zijn met art. 14 lid 5 IVBPR.

9. In een aantal zaken heeft de strafkamer expliciet aangegeven dat het openstellen van rechtsmiddelen valt buiten de rechtsvormende taak van de rechter en aan de wetgever moet worden overgelaten. Zo overwoog de Hoge Raad in een zaak waarin beroep in cassatie was ingesteld tegen een beschikking terwijl daartegen voor de verdachte geen cassatie openstond als volgt (zie HR 8 juli 1994, NJ 1995, 30):

"4.2.1. In de namens R. ingediende schriftuur ligt de stelling besloten dat het bepaalde in de art. 445 en 446 Sv in onderling verband en samenhang in strijd is met art. 6 EVRM, waar deze verdragsbepaling aan de verdachte waarborgen geeft voor een eerlijk proces, hetgeen onder meer inhoudt dat aan de verdachte en aan het openbaar ministerie gelijke mogelijkheden moeten open staan met betrekking tot het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een beschikking als die waartegen het cassatieberoep is ingesteld.

4.2.2. Het Wetboek van Strafvordering kent velerlei beschikkingen. Deze hebben betrekking op onderwerpen van onderling verschillende aard. Bij de vraag tegen welke beschikkingen al dan niet hoger beroep en/of cassatie moet kunnen worden ingesteld door de verdachte en/of door het openbaar ministerie zijn verschillende keuzes denkbaar, waarbij uiteenlopende belangen van praktische en meer principiële aard betrokken zijn en die moeten voldoen aan de eisen die aan een samenhangend stelsel kunnen worden gesteld. Daarvan uitgaande moet, daargelaten of er wat betreft de toepassing van de art. 445 en 446 Sv sprake is van strijd met art. 6 EVRM, worden aangenomen dat het openstellen voor de verdachte van hoger beroep en cassatie, als in de hiervoor bedoelde stelling bepleit, valt buiten de rechtsvormende taak van de rechter en aan de wetgever moet worden overgelaten."(3)

10. Voorts heeft de Hoge Raad in zaken waarin een beroep werd gedaan op art. 14 lid 5 IVBPR, overwogen dat deze bepaling niet een voor rechtstreekse toepassing door de rechter vatbaar voorschrift inhoudt, waarbij aan de rechterlijke macht der onderscheiden verdragsstaten een grotere rechtsmacht wordt verleend dan de nationale wet haar toekent (zie HR 18 februari 1986, NJ 1987, 62 (ook met betrekking tot art. 6 EVRM) en HR 6 januari 1998, NJ 1998, 644).

11. In de schriftuur wordt verder nog betoogd dat de Hoge Raad in HR 1 februari 1991, NJ 1991, 413 en HR 18 maart 2005, NJ 2005, 201 een uitzondering op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken heeft aanvaard. Ook dit zijn uitspraken van de civiele kamer. Zij hebben betrekking op de vraag in hoeverre de executie van een vrijheidsstraf kan worden geschorst respectievelijk de Staat gehouden kan zijn een schadevergoeding te betalen wegens onrechtmatige rechtspraak, indien blijkens een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens de beslissing tot stand is gekomen met schending van art. 6 EVRM. Deze jurisprudentie is niet van belang voor de beantwoording van de vraag of er binnen het strafvorderlijk stelsel een rechtsmiddel kan worden toegelaten wanneer de wet dit uitsluit. Zie over dit onderscheid Corstens, Onrechtmatige strafrechtspraak, in: Met hoofd en hart, opstellen aangeboden aan prof. Mr. J.C.M. Leijten, Zwolle 1991, p. 208-209.

12. Uit de jurisprudentie van de strafkamer kan niet anders worden afgeleid dan dat hij geen ruimte ziet voor het maken van een uitzondering op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen als in de schriftuur wordt bepleit. Verzoekster is niet-ontvankelijk in haar beroep en derhalve behoeven de middelen geen bespreking.

13. Ik concludeer dat verzoekster niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 In de schriftuur wordt er van uit gegaan dat cassatieberoep in dit geval niet openstaat o.g.v. art. 410a lid 7 Sv. Volgens deze bepaling is echter slechts cassatieberoep uitgesloten tegen het vonnis waarop de beschikking van de voorzitter betrekking heeft en dus niet tegen de beschikking van de voorzitter zelf.

2 Art. 14 lid 5 IVBPR luidt: "Everyone conficted of a crime shall have the right to his conviction and sentence being reviewed by a higher tribunal according to law".

3 In HR 30 januari 1996, NJ 1996, 288 heeft de Hoge Raad dit herhaald.