Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BG5846

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-01-2009
Datum publicatie
30-01-2009
Zaaknummer
08/00732
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BG5846
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheidsrecht; bevrijdende verjaring; hoger beroep, devolutieve werking van het appel; verwijzing naar schadestaatprocedure, maatstaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 81
RAV 2009, 34
RvdW 2009, 244
NJB 2009, 339
JWB 2009/19
JBPR 2009/23 met annotatie van M.O.J. de Folter
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/00732

Mr L. Strikwerda

Zt. 28 nov. 2008

conclusie inzake

Universiteit van Amsterdam

tegen

[Verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak betreft een vordering uit onrechtmatige daad tot vergoeding van schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. In cassatie gaat het om de vraag of het hof, dat met vernietiging van het afwijzende vonnis van de rechtbank de vordering toewijsbaar heeft geoordeeld en de zaak naar de schadestaatprocedure heeft verwezen, heeft miskend dat verwijzing naar de schadestaatprocedure niet mogelijk is zonder dat de aansprakelijkheidsvraag is beantwoord, dan wel zijn oordeel omtrent de aansprakelijkheidsvraag ontoereikend heeft gemotiveerd.

2. Uit de gedingstukken blijkt het volgende.

(i) Thans verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], heeft bij exploot van 17 november 2004 thans eiseres tot cassatie, hierna: de UvA, gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd - zakelijk weergegeven - dat de UvA wordt veroordeeld tot vergoeding van schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, die [verweerder] stelt te hebben geleden en te zullen lijden als gevolg van een door de UvA jegens hem gepleegde onrechtmatige daad.

(ii) De UvA heeft verweer gevoerd tegen de vordering. Zij heeft onder meer een beroep gedaan op verjaring van de door [verweerder] ingestelde rechtsvordering en voorts (subsidiair) bestreden dat zij onrechtmatig jegens [verweerder] heeft gehandeld en, zo al, dat causaal verband bestaat tussen de gestelde onrechtmatige daad en de schade die [verweerder] stelt te hebben geleden en te zullen lijden.

(iii) De rechtbank heeft bij vonnis van 3 mei 2006 het door de UvA gedane beroep op verjaring gegrond geoordeeld en de vordering van [verweerder] afgewezen. Aan behandeling van het subsidiaire verweer van de UvA kwam de rechtbank niet toe.

(iv) [Verweerder] is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Amsterdam met vier grieven, gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep van de UvA op verjaring slaagt.

(v) De UvA heeft, onder handhaving van haar in eerste aanleg aangevoerde stellingen, de door [verweerder] aangevoerde grieven bestreden.

3. Het hof heeft bij arrest van 15 november 2007 geoordeeld dat de vordering van [verweerder] niet is verjaard (r.o. 3.19) zodat de door [verweerder] tegen het vonnis van de rechtbank aangevoerde grieven slagen (r.o. 3.20), het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw recht doende, de UvA veroordeeld om aan [verweerder] te vergoeden de door de onzorgvuldige handelwijze van de UvA door [verweerder] geleden en te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

4. Het hof overwoog onder meer (r.o. 3.22):

"Het hof is van oordeel dat [verweerder], gelet op de door hem overgelegde producties en het in de onderhavige procedure verhandelde, de (mogelijkheid van) nog niet vergoede schade die hij stelt te hebben geleden tengevolge van de onzorgvuldige handelwijze van de UvA, voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Nu de omvang van de door [verweerder] geleden en te lijden schade thans niet is vast te stellen, zal de UvA conform het door [verweerder] - ook in hoger beroep - gevorderde worden veroordeeld tot het vergoeden aan [verweerder] van de door hem ten gevolge daarvan geleden en te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet."

5. De UvA is tegen het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel, dat een rechtsklacht en, alternatief, een motiveringsklacht behelst. [Verweerder] heeft geconcludeerd tot referte.

6. Het middel betoogt dat het hof, door de vordering van [verweerder] alsnog toe te wijzen zonder in zijn arrest op kenbare wijze aandacht te schenken aan het door de UvA opgeworpen, in eerste aanleg niet besproken en in hoger beroep door de UvA niet prijsgegeven (subsidiaire) verweer op het punt van de onrechtmatigheid en het punt van het causaal verband, hetzij rechtens onjuist heeft geoordeeld, hetzij zijn oordeel ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Het oordeel is onjuist, voor zover het aldus moet worden begrepen dat verwijzing naar de schadestaat mogelijk is zonder beslissing over die punten, althans over de onrechtmatigheid; indien het arrest niet zo moet worden begrepen, is het oordeel ondeugdelijk gemotiveerd omdat het hof dan niet had mogen nalaten over de onrechtmatigheid en/of het causaal verband (uitdrukkelijk) te beslissen, aldus het middel.

7. In de schadestaatprocedure wordt niet beslist over de grondslag van de aansprakelijkheid voor de schade, maar nog slechts over de omvang van de verplichting tot schadevergoeding. Omtrent de grondslag van de aansprakelijkheid voor de schade kan in de schadestaatprocedure niet worden geoordeeld; dat dient in de hoofdprocedure te gebeuren. Zie o.m. HR 30 mei 1997, NJ 1998, 381 en HR 14 maart 2003, NJ 2004, 49. Zie voorts Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 21e dr. 2006, nr. 172, en T.F.E. Tjong Tjin Tai, De ambivalente regeling van de schadestaatprocedure, TCR 2008, blz. 1 e.v.

8. Uit de gedingstukken blijkt dat de UvA de grondslag die [verweerder] heeft meegegeven aan zijn vordering tot schadevergoeding, te weten een door de UvA jegens hem gepleegde onrechtmatige daad, heeft aangevochten. De UvA heeft niet alleen bestreden dat zij onrechtmatig jegens [verweerder] heeft gehandeld, maar ook dat, indien al sprake zou zijn van een onrechtmatige daad, causaal verband bestaat tussen de gestelde onrechtmatige daad en de schade die [verweerder] stelt te hebben geleden en te zullen lijden. Zie o.m. conclusie van antwoord nr. 19 t/m 24 en conclusie van dupliek nr. 8 t/m 14. Uit de gedingstukken blijkt niet (het hof heeft dat ook niet vastgesteld) dat de UvA dit verweer, aan de behandeling waarvan de rechtbank in eerste aanleg niet was toegekomen, in hoger beroep heeft prijsgegeven.

9. De positieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat in eerste aanleg buiten behandeling gebleven verweren van de oorspronkelijk gedaagde, gentimeerde in hoger beroep, die in hoger beroep niet zijn prijsgegeven, door de appelrechter alsnog moeten worden onderzocht, voor zover het hoger beroep de toewijsbaarheid van de vordering opnieuw aan de orde stelt. Zie Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nr. 76, en Snijders/Wendels, Civiel appel, 2003, nr. 219 e.v., telkens met rechtspraakgegevens.

10. Of het hof de door de UvA in eerste aanleg aangevoerde, in hoger beroep niet prijsgegeven verweren tegen de grondslag van de door [verweerder] ingestelde vordering alsnog heeft onderzocht, blijkt niet duidelijk uit het bestreden arrest. De hierboven onder 4 aangehaalde r.o. 3.22 is voor tweeërlei uitleg vatbaar: het hof heeft ofwel geoordeeld dat verwijzing naar de schadestaat mogelijk is zonder dat is beslist over de door [verweerder] gestelde doch door de UvA bestreden grondslag van de aansprakelijkheid van de UvA voor de schade, ofwel geoordeeld dat de gestelde grondslag van de aansprakelijkheid vaststaat, omdat de daartegen aangevoerde verweren geen doel kunnen treffen.

11. Indien wordt uitgegaan van de eerstbedoelde uitleg, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het in dat geval heeft miskend dat omtrent de grondslag van de aansprakelijkheid voor de schade niet in de schadestaatprocedure kan worden geoordeeld. Indien de laatstbedoelde uitleg als juist moet worden aanvaard, heeft het hof zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd aangezien in het arrest niet wordt aangegeven op grond waarvan het hof tot het oordeel is gekomen dat de door UvA aangevoerde verweren tegen de door [verweerder] gestelde grondslag van de aansprakelijkheid van de UvA, geen doel kunnen treffen.

12. Hieruit volgt dat het middel, hetzij in zijn rechtsklacht, hetzij in zijn motiveringsklacht, doel treft en dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven.

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het gerechtshof te Amsterdam en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,