Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BG5619

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-01-2009
Datum publicatie
21-01-2009
Zaaknummer
07/11973
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BG5619
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG o.m.: Strafmotivering tav de (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf (incl. het oordeel dat elektronisch toezicht niet aan de orde is) is niet onbegrijpelijk en wekt geen verbazing. HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 224
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/11973

Mr Machielse

Zitting 25 november 2008

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, verdachte op 17 januari 2007 voor 1. subsidiair en 3. "door beloften van geld of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht een persoon, waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen of van hem te dulden" en 2. "door beloften van geld of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht een persoon, waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen of van hem te dulden, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd zoals in het arrest bepaald.

2. Verdachte heeft tijdig cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat een onderdeel van 's hofs strafmotivering onbegrijpelijk is, waardoor de strafoplegging verbazing wekt. Verdachte zou ten onrechte, althans op ontoereikende gronden tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf zijn veroordeeld.

Het hof heeft een straf opgelegd zoals weergegeven hiervoor onder 1. Het middel richt zich tegen de laatste, door mij gecursiveerde, overweging in 's hofs strafmotivering:

"De rechtbank te Arnhem heeft de verdachte voor het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met onttrekking aan het verkeer van de harddisks betrekking hebbende op feit 4 (van welk feit de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken), niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hun vorderingen en gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (tot een bedrag van € 300,-- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3].

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte in hoger beroep voor het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de eerste rechter opgelegd, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 675,-- en van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] elk tot een bedrag van € 500,--, telkens met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht ten behoeve van de benadeelde partij.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 16 november 2006 is de verdachte eerder strafrechtelijk veroordeeld, zij het niet terzake van zedenmisdrijven als de onderhavige.

Het hof heeft kennisgenomen van:

- de over verdachte door de psycholoog [betrokkene 1] uitgebrachte psychologische rapportage van 6 juli 2005,

- het over verdachte door de Reclassering Nederland uitgebrachte voorlichtingsrapport van 28 juni 2006 en

- het rapport van 31 augustus 2006 van de forensisch maatschappelijk werker [betrokkene 2], waarin onder meer de mogelijkheid van oplegging aan verdachte van elektronisch toezicht als bijzondere voorwaarde aan de orde wordt gesteld.

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden- dat verdachte meermalen ontuchtelijke handelingen heeft gepleegd met de meisjes [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], die destijds 13 a 14 jaar oud waren. De verdachte heeft hierbij de bevrediging van zijn seksuele verlangens laten prevaleren boven de Iichamelijke en psychische integriteit van deze meisjes. Verdachte heeft niet alleen misbruik gemaakt van zijn positie als volwassene (in wiens gezin de meisjes wel eens als oppas fungeerden), maar tevens bewust de mogelijkheid aanvaard dat deze meisjes, in het bijzonder gelet op hun jeugdige leeftijd, daardoor psychische schade zouden lijden. De bewezenverklaarde gedragingen kunnen immers, naar de ervaring leert, voor de slachtoffers ervan ernstige psychische gevolgen hebben.

In de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor misdrijven als de onderhavige is veroordeeld, maar ook om verdachte te weerhouden van recidive, heeft het hof aanleiding gevonden te bepalen dat een hierna te noemen gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd.

Gelet op de duur van het onvoorwaardelijk op te leggen deel van de gevangenisstraf, kan een vervanging daarvan door elektronisch toezicht niet aan de orde komen."

3.2. Het middel wijst op de Aanwijzing Elektronisch toezicht (2005A026, Stcrt. 2005, 253), die, voor zover relevant het volgende inhoudt:

"Deze aanwijzing geeft algemene regels voor de vordering van elektronisch toezicht in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis of bij een voorwaardelijke veroordeling. Voor het in enigerlei vorm vorderen van elektronisch toezicht is het noodzakelijk dat een reclasseringsrapport is gevraagd en uitgebracht. (...) In het reclasseringsadvies wordt voorgesteld welk middel gelet op de omstandigheden de voorkeur verdient. (...)

Doelstelling

Deze aangepaste aanwijzing ET heeft tot doel de toepassing van elektronisch toezicht te bevorderen in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis of bij een voorwaardelijke veroordeling. Het is het OM dat op basis van het reclasseringsadvies de naleving van een bijzondere voorwaarde vordert, in combinatie met de toepassing van elektronisch toezicht (bijv. een stadionverbod, een straatverbod c.q. contactverbod, of een lokatiegebod zoals huisarrest op gezette tijden enz.). Uiteindelijk is het vanzelfsprekend de rechter die aard en karakter van de bijzondere voorwaarde bepaalt. De wetgever laat de rechter hierbij in hoge mate vrij. Wordt een bijzondere voorwaarde mede inhoudende de toepassing van elektronisch toezicht verbonden aan de schorsing van het bevel voorlopige hechtenis, dan is het ook aan de rechter te bepalen of, en zo ja in welke mate, hiermee rekening wordt gehouden bij het opleggen van de uiteindelijke straf. De duur en de intensiteit van de bijzondere voorwaarde spelen hierbij vanzelfsprekend een belangrijke rol.

(...)

STRAFVORDERING

I. ET als bijzondere voorwaarde bij de schorsing van het bevel voorlopige hechtenis

(...)

II. ET als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling

Als de officier een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf overweegt kan hij de toepassing van

elektronisch toezicht vorderen.

(...)

III. Ter vervanging van een eis van maximaal 6 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan de officier de vordering van de navolgende bijzondere voorwaarde overwegen.

De bijzondere voorwaarde bestaat uit deelname aan een inhoudelijk programma van minimaal 26 u. per week, in combinatie met de toepassing van elektronisch toezicht.

Het gaat om een alternatief voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal 6 maanden.

De veroordeelde verblijft gedurende de deelname aan het inhoudelijk programma thuis, behalve op de vooraf overeengekomen tijden. De veroordeelde volgt een programma van minimaal 26 uur per week. Het programma bestaat uit werk, scholing en/of training.

Randvoorwaarden zijn: de instemming met en ondertekening van een overeenkomst door de deelnemer, geschikte huisvesting, een zinvolle dagbesteding en de instemming van de huisgenoten.

2. Doelgroep

Verdachten worden niet a priori - bijvoorbeeld op grond van de aard van het delict - van toepassing uitgesloten. De reclasseringsorganisatie zal rapporteren over de geschiktheid. Daarvoor onderzoekt de reclasseringsorganisatie o.a. of de potentiële deelnemer in staat mag worden geacht zich te kunnen houden aan te maken afspraken en of zij het nodig vindt dat controle plaatsvindt op het gebruik van alcohol en drugs. De officier controleert of er nog te executeren rechterlijke uitspraken openstaan (executiedocumentatie). Een nog te ondergane principale vrijheidsstraf en/of de tenuitvoerlegging van een bevel vervangende hechtenis na het mislukken van een werkstraf vormen een contra-indicatie voor het vorderen van de bijzondere voorwaarde.

3. Vervangingswaarde/kenmerken

a. De bijzondere voorwaarde kan worden toegepast als alternatief voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal 6 maanden. Eventuele in voorarrest doorgebrachte tijd kan bij de vordering worden verrekend met een onvoorwaardelijk op te leggen deel (gelijk aan de duur van het voorarrest).

In combinatie met een aansluitende werkstraf kan eventueel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6-12 maanden worden vervangen. Zie verder onder IV.

(...).

IV. Substitutie van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6-12 maanden

1. Indien de officier van mening is dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 - 12 maanden moet worden vervangen, kan aansluitend aan de bijzondere voorwaarde als beschreven onder III. de vordering van een werkstraf worden overwogen.

In dat geval wordt - gelet op de ernst van de zaak - een voorwaardelijke straf van maximaal 6 maanden gevorderd, gevolgd door een werkstraf van maximaal 240 u. (...)"

3.3. Nu het hof een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk heeft opgelegd en het onvoorwaardelijk deel dus eigenlijk twaalf maanden en rekening houdend met de VI-regeling acht maanden betreft, zou 's hofs overweging dat elektronisch toezicht niet aan de orde kan komen onbegrijpelijk zijn, aldus het middel.

3.4. Vooropgesteld moet worden dat de feitenrechter vrij is in de waardering van de factoren die hij voor de straftoemeting van belang acht. Deze afweging is aan hem voorbehouden. In cassatie kan dus niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte.(1) Voorts is het zo dat de feitenrechter niet is gebonden aan richtlijnen of aanwijzingen van het openbaar ministerie.(2) Enkel wanneer de strafoplegging toch verbazing wekt en onbegrijpelijk is, is er voor de cassatierechter reden voor ingrijpen.(3) Tot slot wijs ik erop dat de rechter niet verplicht is bepaaldelijk te beslissen op het verzoek om te bepalen dat de verdachte in aanmerking komt voor elektronisch toezicht. Waar het op aankomt is dat de opgelegde straf toereikend is gemotiveerd.(4)

3.5. Hoewel de rechter dus niet gebonden is aan de Aanwijzing elektronisch toezicht (afkomstig van het College van procureurs-generaal)(5), merk ik voor de duidelijkheid het volgende op. De Aanwijzing houdt als uiterste geval in dat de officier van justitie, indien hij van oordeel is dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 - 12 maanden moet worden vervangen (elektronisch toezicht is immers een alternatief), een straf kan eisen bestaande in een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met als bijzondere voorwaarde elektronisch toezicht alsmede een taakstraf tot 240 uur; zo ook het advies van [betrokkene 2], kort gezegd inhoudende als advies aan het hof om verdachte (slechts) voorwaardelijk te veroordelen met als bijzondere voorwaarde elektronisch toezicht, met daarnaast eventueel een werkstraf ingeval de ernst van de feiten volgens het hof geen recht doet aan elektronisch toezicht alleen.(6)

Het hof nu heeft juist in zijn overwegingen bedoeld tot uitdrukking te brengen dat toepassing van elektronisch toezicht in welke vorm dan ook - en dus het geheel afzien van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf - geen recht doet aan de ernst van de feiten. Het hof heeft immers als uitgangspunt genomen een gevangenisstraf van achttien maanden. In de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor misdrijven als de onderhavige is veroordeeld, maar ook om verdachte te weerhouden van recidive, heeft het hof weliswaar aanleiding gevonden te bepalen dat zes van die achttien maanden voorwaardelijk niet ten uitvoer worden gelegd, maar zoals het hof heeft uiteengezet is de ernst van de feiten in het bijzonder aanleiding geweest voor de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, hetgeen mij niet onbegrijpelijk voorkomt. Met name ook gelet op de omstandigheid dat het hof een lagere straf heeft opgelegd dan in eerste aanleg is opgelegd en door de advocaat-generaal is geëist(7), terwijl deze laatste geen toepassing van elektronisch toezicht heeft geëist, kan niet gezegd worden dat de motivering van de door de feitenrechter opgelegde straf onbegrijpelijk is danwel verbazing wekt.

3.6. Mitsdien faalt het middel.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof het ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde gevoerde alibiverweer en het daaraan verbonden verzoek om nader onderzoek ten onrechte, althans op ontoereikende gronden heeft verworpen danwel afgewezen. Het alibiverweer, kort gezegd inhoudende dat de verklaring van [slachtoffer 1] dat verdachte zich op dinsdagavond 22 februari 2005 even na 18.00 uur in zijn kantoor aan haar heeft vergrepen, niet juist kan zijn nu op dat moment collega [betrokkene 3] in het pand aan het werk was, wordt door het hof weerlegd met de overweging dat niet vast is komen te staan dat het om 22 februari 2005 ging, terwijl daarnaast uit de bewijsmiddelen, met name de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], zou volgen dat het hof wel van die datum als pleegdatum is uitgegaan.

4.2. Het hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"- ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde -

hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 7 april 2005 te Geldermalsen, door beloften van geld of goed (te weten een of meer geldbedragen) of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht (gelet op het leeftijdsverschil en het feit dat [slachtoffer 1] oppaste in de woning van verdachte) een persoon, [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 1991, waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen, te weten het likken van de vagina en betasten van het lichaam en het gedeeltelijk ontkleed doen aannemen van een of meer seksueel getinte houding(en) te plegen of zodanige handelingen van verdachte te dulden;

- ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde -

hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 7 april 2005 te Geldermalsen meermalen door beloften van geld (te weten een of meer geldbedragen) of misbruik van uit feitelijke verhoudingen door voortvloeiend overwicht (gelet op het leeftijdsverschil en het feit dat [slachtoffer 2] oppaste in de woning van verdachte) telkens een persoon, [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 1991, waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, telkens opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen, te weten het (gedeeltelijk) uittrekken van de broek en (vervolgens) tonen van de billen en betasten van de (ontblote) billen en/of het lichaam en (gedeeltelijk) uittrekken van een shirt en/of bh en (vervolgens) tonen van de borsten en het (gedeeltelijk ontkleed) doen aannemen van een of meer seksueel getinte houdingen, te plegen of zodanige handelingen van verdachte te dulden;

- ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde -

hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 7 april 2005 te Geldermalsen door beloften van geld (te weten een of meer geldbedragen) of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht (gelet op het leeftijdsverschil) een persoon, [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum] 1990, waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen, te weten het (gedeeltelijk) uittrekken van de broek en (vervolgens) tonen van de billen en de vagina en (gedeeltelijk) uittrekken van een shirt en bh en (vervolgens) tonen van de borsten en kussen van de borsten en het (gedeeltelijk ontkleed) doen aannemen van een of meer seksueel getinte houdingen, te plegen of zodanige handelingen van verdachte te dulden;"

4.3. 's Hofs verkort arrest houdt voor zover thans van belang het volgende in:

"Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan (...)"

De aanvulling op het arrest bevat het volgende:

"Voor zover hierna wordt verwezen naar het proces-verbaal genummerd PL083R/05-002665, wordt daarmee gedoeld op het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal genummerd PLO83R/05-002665, opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier van politie, getekend en gesloten op 9 juni 2005, met bijlagen.

1. Het (als bijlage bij het proces-verbaal genummerd PL083R/05-002665 gevoegd) in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL083D/05-045846, door [verbalisant 2], brigadier van politie en [verbalisant 3], rechercheur [...], brigadier van politie, getekend en gesloten op 12 april 2005 (pag. 54-63 van proces-verbaal genummerd PL083R/05-002665), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

Ik ben geboren op [geboortedatum] 1991. [Betrokkene 4], [slachtoffer 2] en ik hebben tussen de vijftig en honderd briefjes in de brievenbus gedaan in onze wijk [A] in [plaats] met de mededeling dat wij wel wilden oppassen. In december 2004 of in januari 2005 belde [verdachte] of [betrokkene 5] voor de eerste keer naar [slachtoffer 2]. Er werd daarna gevraagd of wij op gesprek wilden komen. [Slachtoffer 2] en ik zijn op een doordeweekse avond naar [verdachte] en [betrokkene 5] gegaan. [Verdachte] en [betrokkene 5] wonen op de [a-straat 1] in [plaats]. [Betrokkene 5] was daar alleen en wij hebben afgesproken dat wij elke maandagavond zouden komen. [Slachtoffer 2] en ik zouden op maandagavond van 20.00 uur tot 21.45 uur oppassen.

De maandag na dat gesprek gingen wij voor het eerst oppassen. De derde keer dat wij op gingen passen op die maandag was [verdachte] nog thuis. [Slachtoffer 2] vroeg toen aan [verdachte] of zij het ook aan mij mocht vertellen. Ik hoorde dat [verdachte] tegen haar zei dat zij het mocht vertellen, maar dan pas als [betrokkene 5] weg was, want zij hoefde daarvan niets te weten.

Toen [verdachte] en [betrokkene 5] weg waren vertelde [slachtoffer 2] dat ik er geen verkeerde gedachten over moest hebben, dat het strikt geheim was en dat wij modellen mochten zijn op internet. [Slachtoffer 3] zou ook meedoen en [verdachte] zou die avond om 21.00 uur thuis komen om daarover te praten. Die avond om 21.00 uur kwam [slachtoffer 3]. Ik moest naar huis en ik heb [verdachte] die avond niet meer gezien.

De volgende dag sms'te [verdachte] mij dat hij mijn nummer van [slachtoffer 2] had gekregen. In het sms'je stond dat ik van hem wel mocht meedoen. Ik heb zijn telefoonnummer in mijn gsm opgeslagen onder de naam [verdachte] moest ik dat zo noemen. Een kwartier later was ik thuis in mijn kamer en toen ontstond er een sms gesprek tussen hem en mij. Hij vroeg mij via sms of ik die avond om 18.00 uur op zijn kantoor kon komen. Ik vroeg waar het kantoor was. Hij sms'te bij de bieb en ook het adres. Ik vroeg of [slachtoffer 2] mee mocht. Hij sms'te beter van niet. Ik sms'te dat mijn moeder de frieten in de frituur deed en dat ik daarna wel kon komen. Ik moest van hem ook zeggen dat ik moest oppassen.

Na al die sms'jes begreep ik dat ik om 18.00 uur bij zijn kantoor moest gaan staan. Ik stuurde [verdachte] een sms dat ik voor zijn kantoor stond, maar niet wist waar ik moest zijn. Hij sms'te dat zijn collega over vijf minuten weg zou zijn en dat hij mij dan zou komen halen. Ik zag iemand

naar buiten lopen en daarna zag ik [verdachte] staan. Hij stond voor de deur en zei dat ik naar binnen mocht komen. Ik ging naar binnen en ik kwam in zijn kantoor. Ik zag dat [verdachte] achter zijn bureau ging zitten en schermen op zijn pc wegklikte. Daarna stond hij op en ging achter een ander bureau zitten. Ik ging aan de andere kant van dat bureau tegenover hem zitten. Voor de ramen van het kantoor zaten witte luxaflex en deze waren dicht. Het was buiten al wel een beetje donker. In het kantoor van [verdachte] was het ook een beetje donker, maar je kon elkaar wel een beetje zien. Ik zag dat [verdachte] op de schakelaar in zijn kantoor drukte, maar het licht deed het niet. Hij zei: Oh het licht doet het niet, dan maar geen licht. Hij zei dat we het tegen niemand door mochten vertellen. Dat we hem serieus moesten nemen en dat als we het tegen mensen zouden zeggen dat andere mensen jaloers zouden worden, vooral zijn vrouw, want die had niet zo'n perfect lichaam als wij. Hij vroeg of ik met hem wilde zoenen. Ik vroeg of het met de tong was. Hij zei toen dat dat wel echter was. Ik zei dat wil ik dan niet. Hij vroeg of ik een kusje op zijn piemel wilde geven. Ik zei nee. Hij vroeg of ik zijn piemel wilde vastpakken. Ik zei toen nee. Hij vroeg of ik zijn piemel wilde vastpakken met zijn broek aan. Ik zei nee.

Hij zei toen: "oké, doe je broek en onderbroek maar uit". Ik ging naast mijn stoel staan en trok mijn broek en onderbroek uit. Op dat moment stond [verdachte] een stukje bij mij vandaan, geleund tegen de muur bij zijn bureau. Ik liet mijn broek en onderbroek naast de stoel op de grond liggen. Ook mijn schoenen trok ik uit. [Verdachte] zei dat het gevoel dat je hebt ook op de foto's is te zien. Hij zei dat als je er echt zin in had dat je dan op een bepaalde manier ging staan.

Ik zag dat hij dat voor deed. Hierna gingen we standjes doen. [Verdachte] lag op zijn rug op de grond. Hij zei tegen mij dat ik boven op hem moest gaan zitten met mijn hoofd bij zijn kruis. Hij was met zijn hoofd bij mijn kruis. Het heeft een paar seconden geduurd dat wij zo lagen. (opmerking verbalisanten: wij zagen dat [slachtoffer 1] voor deed hoe zij van [verdachte] moest gaan zitten. Wij zagen dat zij op haar handen steunde met gestrekte armen en dat zij op haar knieën steunde en dat haar knieën daarbij wijd uit elkaar stonden)

Ik had toen alleen een truitje en sokken aan, verder was ik naakt. Hierna zei [verdachte] dat ik op mijn rug moest gaan liggen, mijn voeten moest vastpakken en mijn benen wijd moest doen. Ik zag dat [verdachte] aan de andere kant van mij ging zitten, bij mijn voeten. [Verdachte] zei dat ik zo moest blijven liggen. Hij ging mij toen beffen. Met beffen bedoel ik likken aan de vagina. Ik voelde dat [verdachte] met zijn tong aan mijn vagina likte. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat meisjes van mijn leeftijd dat lekker vinden. Het likken heeft een paar minuutjes geduurd.

Op een gegeven moment zei [verdachte] "kom maar overeind" en [verdachte] deed toen voor wat ik moest gaan doen. Ik zag dat [verdachte] op zijn knieën en handen ging zitten. Ik wist toen dat ik ook zo moest gaan zitten. Toen ik zo op handen en knieën zat voelde ik dat [verdachte] met zijn hand op mijn rug duwde. Hij zei dat ik een holle rug moest maken zodat mijn kont naar achter stak. Toen ik zo zat keek ik achterom en ik zag dat [verdachte] bij zijn bureau stond. Ik keek weer naar voren. Ik merkte dat [verdachte] aan de kant van mijn voeten ging zitten. Ik voelde dat [verdachte] iets kouds en glibberigs bij mijn kont en vagina smeerde. Ik heb daarover iets gelezen en ik weet dat het dan gemakkelijker is om een piemel in een vagina te stoppen. Toen ik daar zat wist ik nog niet dat zijn piemel uit zijn broek was. Ik voelde echter wel dat hij met zijn piemel probeerde in mijn vagina te gaan, ik voelde dat dit pijn deed. Ik voelde toen dat hij met zijn beide handen mijn heupen vast hield. Ik voelde dat hij met zijn handen mijn heupen naar zich toe trok. Ik hoorde dat [verdachte] zei: "oh, het lukt niet". Op een gegeven moment stopte [verdachte]. Ik zag dat [verdachte] op zijn billen op de grond zat en ik zag zijn blote piemel. Ik zag dat hij zijn piemel beetpakte en in zijn broek stopte. Ik zag dat die piemel stijf was. Ik kleedde mij aan en ik ging toen weer op de stoel zitten. [Verdachte] ging ook weer zitten. Ik vroeg op een gegeven moment hoeveel geld je zou krijgen voor de foto's. Ik vroeg ook hoe je op de foto zou komen. [Verdachte] zei dat ik dat zelf mocht weten en dat als ik ideetjes had ik dat mocht sms'en. [Verdachte] vertelde mij hoe het zat met een Belgische website en de foto's. Je moest hopen dat je foto werd uitgekozen en dan mocht je met hem foto's gaan maken. Hij vertelde dat de foto's dan gemaakt zouden worden in de kelder van zijn kantoor.

Ik zou dan tussen de vijftig en honderd vijftig euro per uur krijgen. Hoe meer kleding ik uit zou doen, hoe meer geld ik zou krijgen.

[Verdachte] heet voluit [verdachte]. [Verdachte] heeft aan mij gevraagd hoe oud ik was. Ik heb hem toen verteld dat ik dertien jaar oud was.

2. Een proces-verbaal "verhoor van getuigen" van 11 mei 2005, gehouden voor mr. T.H.P. de Roos, rechter-commissaris te Arnhem, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

Ik was gewoon bang. Ik deed gewoon wat hij zei. Ik was bang omdat hij ouder is. Hij zei het ook op zo'n manier alsof het gewoon was. Hij zei het alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.

Ik had niet alles uit. Ik had van boven wel wat aan. Hij heeft niet gezegd dat ik mijn kleren weer aan mocht doen. Het is niet normaal dat ik mijn kleren uit moest doen.

Hij zat aan de andere kant dan mijn hoofd. Hij zat aan de kant van mijn onderlichaam. Ik had mijn benen uit elkaar en toen kon hij met zijn mond bij mijn vagina. Op alles wat hij mij heeft gevraagd heb ik "nee" gezegd. Ik deed het wel want ik was bang.

3. De verklaring van [slachtoffer 1], geboren [geboortedatum] 1991 afgelegd ter terechtzitting van het hof van 4 september 2006 voorzover -zakelijk weergegeven- inhoudende:

Ik weet dat het in februari 2005 was, maar de precieze datum weet ik niet meer

4. Het (als bijlage bij het proces-verbaal genummerd PL083R/05-002665 gevoegd) in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL083D/05-044865, door [verbalisant 2], brigadier van politie en [verbalisant 3], rechercheur [...], brigadier van politie, getekend en gesloten op 13 april 2005 (pag. 31-42 van proces-verbaal genummerd PL083R/05-002665), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:

Ik ben geboren op [geboortedatum] 1991. [Slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [betrokkene 6] zijn mijn vriendinnen. Ik ging met [slachtoffer 1] oppassen en [betrokkene 4] samen met [betrokkene 10]. Ik heb op een gegeven moment een briefje gemaakt om op te passen. We hebben heel veel briefjes gekopieerd. Uiteindelijk hebben [slachtoffer 1] en ik de briefjes in onze wijk verspreid. Later hebben [betrokkene 4] en ik nog briefjes in een straat in onze wijk rondgebracht. Het was toen warm weer en ik denk dat het in de zomer van 2004 was.

Op een gegeven moment belde [betrokkene 5] mij op. Zij had mijn voice mail ingesproken. Ik heb haar toen teruggebeld en wij hebben een afspraak gemaakt om kennis te maken. Het adres dat ik nog goed weet is het adres van [verdachte] en [betrokkene 5], [a-straat 1] in [plaats]. Het was toen net voor de kerstvakantie in 2004. Hun kinderen heten [betrokkene 7], zij is pas vier jaar geworden en [betrokkene 8], zij is net 8 jaar geworden. [Betrokkene 8] zit bij mijn broertje [betrokkene 9] in de klas. Ik weet bijna zeker dat [slachtoffer 1] en ik op donderdag 27 januari 2005 een eerste gesprek hadden met [betrokkene 5] en [verdachte]. Het was 's avonds bij hun in huis. Ik weet die datum bijna zeker omdat ik mijn agenda mee heb genomen en het daarin terug kan vinden.

[Slachtoffer 1] en ik gingen die avond lopend naar het huis van [verdachte] en [betrokkene 5]. Wij kwamen daar aan omstreeks 19.30 uur aan. [Betrokkene 5] was thuis. De kinderen zagen wij heel even want die glipten naar boven. [Betrokkene 5] vroeg of wij op de maandag rond 20.00 of 19.45 uur wilden komen oppassen. Dat zou dan tot 21.30 of 22.00 uur duren. Wij spraken af dat we samen ongeveer 2,50 euro per uur zouden krijgen.

De eerstvolgende keer dat ik ging oppassen bij [betrokkene 5] en [verdachte] was op 7 februari. Ik was toen weer met [slachtoffer 1]. In het begin ging het weer hetzelfde. [Verdachte] kwam die avond weer om 21.30 uur thuis. [Slachtoffer 1] was toen al weer om 21.00 uur naar huis gegaan. Ik was daar toen alleen. [Verdachte] was zichzelf er was verder niets gebeurd. We hebben gewoon gekletst. Het viel mij wel op dat hij vaak over seks sprak. Hij heeft tegen mij gezegd dat hij mij een mooi meisje vond en dat hij mij geschikt vond voor model. Dat was de eerste keer dat hij over het model zijn sprak.

Op 14 februari 2005 kwamen [slachtoffer 1] en ik tegen acht uur binnen. [Betrokkene 5] en [verdachte] waren toen ook nog thuis. [Verdachte] ging weg en zei dat wij nog wel een breezertje mochten pakken. Die avond om 21.00 uur ging [slachtoffer 1] weg. [Verdachte] kwam om omstreeks 21.15 of 21.30 uur thuis. [Verdachte] had het over TMF. [Verdachte] zei dat hij mij mooi vond. Hij zei, je moet het niet zeggen tegen de rest maar ik heb contacten in België waar ik geld mee kan verdienen. Hij vroeg aan mij of ik een beetje mooie lingerie droeg. Ik zei: ik weet het niet. Hij zei toen: doe je broek eens naar beneden. Ik dacht toen dat ik hem kon vertrouwen. Ik deed mijn broek naar beneden tot op mijn enkels. Hij zei: draai je eens om. Hij zei: jij hebt een mooie ronde kont en heupen. Ik droeg toen een zwarte string met touwtjes aan de zijkant en voorop in het rood het woord "Fun". Hij vroeg of ik een beetje kon poseren. Ik moest daar wel om lachen om als fotomodel voor hem te gaan staan. Hij zei dat ik bij hem moest komen. Ik trok mijn lange broek op en liep naar toe. [Verdachte] zat toen op de bank in de woonkamer. Ik trok mijn broek weer naar beneden tot op mijn enkels. Ik moest dat van [verdachte] doen.

[Verdachte] heeft nog wel gezegd dat ik mijn lange broek niet helemaal uit moest doen omdat [betrokkene 5] elk moment thuis zou komen en dat zij zich dan rot zou schrikken. Op dat moment deed [verdachte] voor hoe ik moest poseren. Hij ging op handen en knieën op de bank zitten. Ik moest dat na doen. Ik ging vervolgens op handen en knieën zitten. [Verdachte] zat toen achter mij met zijn billen op de bank en met zijn gezicht naar mijn billen toe. Mijn knieën moesten wijd uiteen en mijn handen naar binnen gedraaid. Ik moest door mijn rug zakken, billen naar achteren en borsten omhoog zodat ik een holle rug had. Ik voelde en zag dat [verdachte] zijn beide handen op mijn billen/heupen hield. Ik keek namelijk steeds achterom. Ik voelde mij er heel erg onprettig bij. Ik heb ook tegen hem gezegd dat ik het een beetje raar en eng vond. Ik voelde dat hij met zijn handen mijn heupen corrigeerde. [Verdachte] vroeg of hij mijn string opzij mocht doen. Op dat moment voelde ik dat hij met zijn hand mijn string aan de zijkant vast hield. Ik zei: nee. Hij vroeg: waarom dan niet. Ik zei dat ik dat raar en eng vond. Ik schrok er gewoon van en reageerde heel duidelijk en wat brutaal met nee. Ik was geschrokken en toen heb ik mijn lange broek omhoog gedaan maar nog niet dichtgemaakt. Mijn gulp en knoop waren nog open.

[Verdachte] zei dat ik tegen de leuning van de bank moest gaan zitten met mijn voeten op de bank. Ik moest mijn benen wijd doen en mijn hoofd naar achteren. Ik zag dat [verdachte] toen met zijn knieën tussen mijn benen zat. Hij zei dat ik zijn hoofd vast moest houden en net moest doen of ik zijn hoofd naar mijn kruis toe trok. Ik vond het echt eng. Ik heb zijn hoofd echt maar heel even vastgehouden. [Verdachte] had toen al zijn kleding aan. Ik ben toen weer gaan zitten. [Verdachte] zei: oké dan weet ik nog wel een andere positie die ook wel mooi is voor een foto. Ik zag dat [verdachte] op zijn rug op de grond ging liggen. Hij zei dat ik boven hem moest gaan zitten op handen en knieën. Het moest op dezelfde manier als daarvoor. Hij gaf duidelijk aan wat ik moest doen. Mijn hoofd was toen ter hoogte van zijn kruis. Zijn hoofd was ter hoogte van mijn kruis. [Verdachte] en ik hadden allebei onze kleding aan. [Verdachte] zei toen dat als hij ook op de foto ging, hij ook naakt zou zijn en dat hij wist dat hij best een mooi lichaam had. Ik zag toen dat hij zijn shirt uit trok. Ik zag toen dat hij een mooi bloot bovenlichaam had. [Verdachte] vroeg of ik aan zijn bovenlichaam wilde zitten. Ik zei nee. Waarom dan niet vroeg hij. Ik zei dat ik het eng vond om aan een man te zitten. Hij bleef zeuren en haalde mij over. Ik moest toen over zijn buik en borst wrijven. Ik ben toen heel snel met mijn hand over zijn buik en borst gegaan. Ik deed het maar een keer want ik vond het niet fijn. Ik ging toen weer snel op de bank zitten.

Op een gegeven moment zei ik tegen [verdachte] dat ik een meisje kende dat bij mij in de klas zat. Ik vertelde dat zij [slachtoffer 3] heette en dat ik dacht dat zij meer geschikt was dan ik, omdat zij meer lef heeft. Ik wilde ook veel liever samen met [slachtoffer 3] op een foto dan met [verdachte]. [Verdachte] vroeg toen aan mij of ik de volgende week [slachtoffer 3] mee wilde nemen tijdens het oppassen. Ik heb gezegd dat ik het aan [slachtoffer 3] zou vragen en aan haar zou vertellen dat [verdachte] foto's van ons wilde maken. [Verdachte] vroeg toen ik weg wilde gaan hoe hij mij kon vertrouwen dat ik mijn mond zou houden over alles wat er was gebeurd. Ik zei dat hij het zelf moest weten of hij mij vertrouwde of niet maar dat ik wel wist dat hij dat kon.

In het begin vertelde [verdachte] dat ik voor foto's met lingerie ongeveer 50 of 100 euro per uur zou krijgen. Hij vertelde dat ik voor naaktfoto's 200 euro per uur zou krijgen. Ik vroeg nog waar hij dat geld zou storten. Hij zei dat hij dan wel een aparte bankrekening zou openen zodat mijn ouders het niet zouden zien. Ik mocht er ook verder niets over zeggen. [Verdachte] had ook gezegd dat hij ook naakt op de foto's met mij samen zou staan. Ik heb toen nog gezegd dat ik het honderd keer fijner zou vinden om alleen op naaktfoto's te staan dan met hem samen. Ik vond het een rare gedachte om met hem samen op een naaktfoto te staan. Hij zei dat de foto's mooier en erotischer zouden zijn als wij er samen naakt op zouden staan.

Op maandag 21 februari 2005 ging ik samen met [slachtoffer 1] oppassen bij [betrokkene 5] en [verdachte]. [Slachtoffer 3] moest die avond tot 20.45 uur dansen en zou om 21.00 uur naar [verdachte]'s huis toe komen. Ik had [slachtoffer 1] niets verteld omdat dat niet mocht van [verdachte]. Voordat [verdachte] die avond ging sporten heb ik aan hem verteld dat [slachtoffer 3] die avond ook zou komen en wel geïntresseerd was. Ik merkte dat [slachtoffer 1] het gesprek had gevolgd. [Slachtoffer 1] was nieuwsgierig. Ik vroeg aan [verdachte] of ik het ook aan [slachtoffer 1] mocht vertellen. [Verdachte] zei dat ik het mocht vertellen. Hij vroeg of ik aan [slachtoffer 1] wilde vragen of zij dat ook wilde. Ik heb [slachtoffer 1] over de foto's verteld en [slachtoffer 1] reageerde erg enthousiast. Ze wilde graag mee doen. Die avond ging [slachtoffer 1] om 21.00 uur weg. Omstreeks 21.05 uur kwam [slachtoffer 3] bij [verdachte]. [Verdachte] kwam omstreeks 21.15 uur thuis. [Verdachte] stelde zich voor en zei dat hij wilde kijken of [slachtoffer 3] ook een mooi lichaam had. Ik hoorde dat hij aan [slachtoffer 3] vroeg of zij haar broek naar beneden wilde doen. Ik zag dat [slachtoffer 3] haar broek naar beneden deed. Ik zag dat zij haar broek tot op haar bovenbenen liet zakken. Daarna deed [slachtoffer 3] haar broek weer omhoog. [Verdachte] vroeg aan ons of wij samen wilden poseren. [Verdachte] vroeg of wij het standje wilden doen. Hij bedoelde dat wij op handen en knieën moesten gaan zitten met een holle rug. Dit was het standje wat ik ook al eerder had moeten doen. [Slachtoffer 3] en ik zaten samen op een grote poef, naast elkaar. Ik ging op handen en knieën zitten en [slachtoffer 3] deed mij na. Op dat moment ging [verdachte] achter ons staan. Ik voelde en zag dat [verdachte] zijn linkerhand op mijn linkerbil Iegde en dat [verdachte] zijn rechterhand op de rechterbil van [slachtoffer 3] lag. Ik kon dat zien. ledereen had zijn kleren aan.

Daarna ging [slachtoffer 3] weer naast mij zitten op de bank tegenover [verdachte]. [Verdachte] begon toen over borsten. [Verdachte] zei tegen ons dat wij volgens hem wel dezelfde grootte aan borsten hadden. [Verdachte] vroeg toen aan ons beiden of hij onze borsten mocht zien. Ik zag dat [slachtoffer 3] vrijwel meteen haar trui omhoog deed. Ik vond dit wel een beetje raar, maar omdat [slachtoffer 3] het had gedaan deed ik ook mijn trui omhoog. Wij hadden wel allebei onze trui nog aan. [Verdachte] zei toen dat hij het natuurlijk zo niet kon zien. Hij vroeg of wij onze bh's uit wilden doen. [Slachtoffer 3] en ik deden toen onze bh's naar beneden. Wij deden de bh's niet helemaal uit maar gewoon naar beneden.

[Verdachte] vroeg aan ons beiden of hij een zoen mocht geven op onze borsten. [Slachtoffer 3] liep vervolgens naar de bank toe waar [verdachte] zat. Ik zag dat [verdachte] de borsten van [slachtoffer 3] kuste. Ik zag dat [slachtoffer 3] een stukje voorover boog en dat [verdachte] de linkerborst van [slachtoffer 3] in zijn hand nam en met zijn mond een kusje gaf op de linkerborst.

Op dinsdag 5 april was [slachtoffer 1] de hele dag bij mij. Tijdens het afruimen van de tafel zei [slachtoffer 1] tegen mij dat zij even met mij moest praten. Zij vertelde dat het iets belangrijks was en dat zij niet wilde dat wij het er op mijn kamer over zouden hebben. Zij wilde dat wij even een rondje gingen lopen.

Wij zijn toen een stukje gaan lopen en ik hoorde dat [slachtoffer 1] tegen mij zei "weet je nog die ene keer dat ik jou dat SMSje stuurde dat ik naar [verdachte] ging?" [Slachtoffer 1] vroeg of [verdachte] die keer dat ik bij [verdachte] was aan mij had gezeten. Ik zei tegen [slachtoffer 1] dat [verdachte] inderdaad aan mij had gezeten. Ik vroeg aan [slachtoffer 1] of [verdachte] aan haar had gezeten. [Slachtoffer 1] vertelde dat [verdachte] ook aan haar had gezeten. [Slachtoffer 1] vertelde toen dat [verdachte] haar had gebeft. Ik weet dat beffen betekent dat je over een kutje likt.

[Slachtoffer 1] vertelde dat [verdachte] haar had ge-SMSt en dat zij naar zijn kantoor moest komen. [Slachtoffer 1] vertelde dat zij ook de standjes moest doen van [verdachte]. Dat [verdachte] haar had gebeft. U vraagt mij of [verdachte] mijn leeftijd wist. Op de blaadjes die wij rond hadden gedeeld voor het oppassen stond onze leeftijd, dertien jaar. Ik heb het [verdachte] ook een keer verteld.

5. Het (als bijlage bij het proces-verbaal genummerd PL083R/05-002665 gevoegd) in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL083D/05-046565, door [verbalisant 4], hoofdagent van politie en [verbalisant 5], rechercheur [...], brigadier van politie, getekend en gesloten op 20 april 2005 (pag. 76-81 van proces-verbaal genummerd PLO83R/05-002665), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3]:

Ik ben geboren op [geboortedatum] 1990.

U vraagt mij wanneer ik voor het eerst van het oppasgezin heb gehoord. Het was in dit schooljaar. Mijn vriendin [slachtoffer 2] sprak mij daarover aan. Zij had mij verteld dat ze op maandag bij aardige mensen oppaste. Ze vertelde dat die mensen heel makkelijk waren en dat ze Barcardi kreeg en dat de kinderen heel lief waren. [Slachtoffer 2] vertelde mij toen we naar school toe fietsten dat die man tegen haar had gezegd dat ze wel geschikt was voor fotomodel. Hij had tegen [slachtoffer 2] gezegd dat hij wel foto's van haar wilde maken en dat hij ook foto's wilde maken van [slachtoffer 2] in lingerie en zo.

[Slachtoffer 2] had had tegen die man gezegd dat ze het eng vond. Die man had toen gezegd dat ze wel een vriendin mocht meenemen. Hij vertelde ook tegen [slachtoffer 2] dat ze er veel geld mee konden verdienen. [Slachtoffer 2] heeft toen gevraagd of ik mee ging. Ik heb toen tegen [slachtoffer 2] gezegd toen zij mij vroeg dat het mij wel leuk leek en dat ik wel mee wilde. [Slachtoffer 2] vroeg later aan mij of ik mee wilde gaan kijken wanneer zij op maandag meest oppassen.

Die maandag erop, [slachtoffer 2] had mij uitgelegd hoe ik moest fietsen, en dan zou ik haar fiets wel bij de woning van die mensen zien staan. Ik zou dan bij dat huis aanbellen. Toen ik daar aanbelde deed [slachtoffer 2] de deur open. Ik was daar om negen uur. [Slachtoffer 1] was er ook. Kort daarna kwam [verdachte] thuis. [Slachtoffer 1] ging naar huis toen [verdachte] eraan kwam. Ik was samen met [slachtoffer 2] en [verdachte] nog daar.

Wij zijn toen op de bank gaan zitten. [Verdachte] vroeg aan ons of wij Barcardi lusten en wij hebben daarop ja gezegd. [Verdachte] heeft toen voor ons ieder een flesje Barcardi gehaald. Daarna begon [verdachte] te vertellen dat hij [slachtoffer 2] geschikt vond als model en dat [slachtoffer 2] een vriendin mocht meenemen. [Verdachte] vertelde dat hij foto's van ons wilde maken en dat hij contact had met een bedrijf dat deze foto's zou gebruiken. [Verdachte] heeft niet verteld hoe het bedrijf heette of waar dit bedrijf was. [Verdachte] vertelde ook dat hij voor die foto's geld zou krijgen en dat wij van [verdachte] geld zouden krijgen. [Verdachte] vertelde ook dat hij een speciale bankrekening zou openen voor ons, voor het geld wat wij zouden krijgen voor de foto's. Hij zou dit doen omdat onze ouders dan niets zouden weten van dit geld. Want de ouders zouden zich dan onnodig zorgen maken en het eng vinden zei [verdachte]. [Verdachte] vertelde ons dat hij foto's zou maken van ons in lingerie. Wij zouden daarvoor 100 euro krijgen. Wij zouden 200 euro krijgen als we geen lingerie droegen. Hij vroeg ons toen of het ons wat leek. Ik zei toen dat ik het wel heel bijzonder vond. Toen zei [verdachte] dat we het eigenlijk moesten zien als een groot compliment dat wij hier geschikt voor waren en dat hij ons daarvoor had gevraagd.

[Verdachte] zei toen dat hij al ideëen kon laten zien hoe wij op de foto moesten staan en hij zei dat we konden oefenen voor de standjes die op de foto's kwamen te staan. [Verdachte] vertelde mij dat het een beetje de" puppystand" was omdat het "op z'n hondjes" was. [Verdachte] zei dat [slachtoffer 2] het al een keer had gedaan en dat [slachtoffer 2] het wel voor zou doen. [Slachtoffer 2] ging op het bankje zitten, dit bankje stond voor de televisie, en zij ging hierop op haar knieën zitten en steunde daarbij op haar beide handen. Ik stond er naast toen [slachtoffer 2] het voordeed. Ik ben daarna ook op dit bankje gegaan en ik heb hetzelfde standje aangenomen als [slachtoffer 2]. Wij zaten met z'n tweëen op dit bankje. Het bankje was een soort groot voetenbankje. [Verdachte] zei toen tegen ons dat we de broek iets naar beneden moesten doen. Hij vertelde dat de foto dan mooier zou worden en dat het spannender zou worden en dat het dan ook een goede prijs zou zijn. [Slachtoffer 2] en ik hebben toen ongeveer tegelijkertijd de broek naar beneden gedaan tot in de knieholte. Wij droegen beiden een string. Toen we de broek naar beneden deden zei [verdachte] tegen ons dat dit een mooie foto zou kunnen worden. Op een gegeven moment zijn [slachtoffer 2] en ik weer gewoon gaan staan en hebben wij allebei onze broek weer omhoog gedaan. [Verdachte] ging toen op de grond liggen, op zijn rug, en ik moest boven hem gaan hangen. [Verdachte] vertelde mij wat ik moest doen. Ik bedoel hiermee dat ik met mijn hoofd boven zijn piemel hing, mijn knieën waren op de grond ter hoogte van de schouders van [verdachte] en mijn kont was ter hoogte van de mond/neus van [verdachte]. Mijn buik was dus in de richting van [verdachte]. [Verdachte] had zijn kleding aan. Ik steunde op mijn armen. [Slachtoffer 2] stond er naast. Daarna moest ik van [verdachte] mijn broek weer iets naar beneden doen. Ik heb mijn broek tot iets boven mijn knieën naar beneden gedaan. [Verdachte] heeft toen mijn string opzij getrokken. Ik ben daarna weer gaan staan en ik heb mijn broek omhoog getrokken. [Verdachte] begon toen te vragen hoe groot onze borsten waren. Hij wilde wel een goed beeld krijgen voor de foto's. [Verdachte] vroeg ons toen om onze shirtjes omhoog te doen. [Slachtoffer 2] en ik hebben toen onze shirtjes omhoog gedaan. Ik had mijn bh nog aan. [Verdachte] zei toen dat het er wel mooi uit zag en dat de vorm goed was. [Verdachte] vroeg toen aan mij of ik er een kusje op durfde te laten geven. Ik zei toen dat ik het misschien wel durfde. [Verdachte] zei toen dat ik dichterbij hem moest komen en vroeg mij mijn bh iets opzij te doen. Ik heb dat toen gedaan. [Verdachte] heeft er toen een kusje op gegeven. Hij gaf mij een kusje iets boven mijn tepel. Ik heb toen mijn shirtje naar beneden gedaan en [slachtoffer 2] ook. [Verdachte] zei toen tegen ons dat we er maar eens over na moesten denken. Hij herhaalde het nog een keer over dat geld verdienen en dat we maar een keer naar zijn kantoor moesten komen. [Slachtoffer 2] en ik zijn daarna naar huis gegaan.

6. Het (als bijlage bij het proces-verbaal genummerd PL083R/05-002665 gevoegd) in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL083R/05-044865, door [verbalisant 6], hoofdagent van politie en [verbalisant 7], hoofdagent van politie, getekend en gesloten op 18 april 2005 (pag. 275-277 van proces-verbaal genummerd PL083R/05- 002665), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik woon met mijn vrouw [betrokkene 5] en mijn kinderen op het adres [a-straat 1] te [plaats]. Mijn bedrijf is gevestigd aan de [b-straat 1] te [plaats]. Mijn hobby is het bezoeken van de sportschool [A] te [plaats]. Ik fitness twee keer per week, meestal op maandag- en woensdagavond. Mijn vrouw [betrokkene 5] sport op dezelfde sportschool. Omdat wij op maandag- en woensdagavond beiden van huis waren regelde [betrokkene 5] een oppas. [Betrokkene 4] en [betrokkene 10] heb ik medio december 2004 voor het eerst ontmoet. Ook hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wel eens bij ons opgepast. De combinaties [betrokkene 4]-[betrokkene 10] en [slachtoffer 2]-[slachtoffer 1] hebben bij ons thuis opgepast.

7. Het (als bijlage bij het proces-verbaal genummerd PL083R/05-002665 gevoegd) in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL083R/05-044865, door [verbalisant 6], hoofdagent van politie en [verbalisant 7], hoofdagent van politie, getekend en gesloten op 18 april 2005 (pag. 278-281 van proces-verbaal genummerd PL083R/05- 002665), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van verdachte:

U vraagt mij of het wel eens voorkwam dat ik alleen met de oppas, dus met [slachtoffer 2], [betrokkene 10], [slachtoffer 1] en [betrokkene 4] was. Dat gebeurde meestal na het sporten. Soms was ik iets eerder thuis.

8. Het (als bijlage bij het proces-verbaal genummerd PL083R/05-002665 gevoegd) in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL083R/05-044865, door [verbalisant 7], hoofdagent van politie en [verbalisant 6], hoofdagent van politie, getekend en gesloten op 19 april 2005 (pag. 282-285 van proces-verbaal genummerd PL083R/05- 002665), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van verdachte:

U vraagt mij of de naam [slachtoffer 3] iets zegt. Volgens mij is het een vriendinnetje van [slachtoffer 2]. Ik kan mij herinneren dat zij een keer met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] is meegekomen om op te passen. Zowel met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als met [betrokkene 10] en [betrokkene 4] heb ik na het sporten wel eens wat gedronken."

4.4. Bij tussenarrest van 18 september 2006 heeft het hof het onderzoek heropend en onder meer de stukken in de handen van de advocaat-generaal gesteld met als doel aanvullend proces-verbaal te laten opmaken met betrekking tot de e-mail van [betrokkene 3] van 22 februari 2005 en verzonden om 18.01 uur aan [betrokkene 11], en de e-mail van [betrokkene 3] van 22 februari 2005 en verzonden te 18.29 uur aan [betrokkene 12].

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 januari 2007 houdt voor zover van belang het volgende in:

"Voorts merkt de voorzitter op dat er naar aanleiding van het tussenarrest van 18 september 2006 aanvullend proces-verbaal is opgemaakt d.d. 13 oktober 2006 met betrekking tot de twee e-mails van [betrokkene 3] aan [betrokkene 11] en [betrokkene 12].

(...)

De raadsman van verdachte, mr Bus, deelt daartoe mede, zakelijk weergegeven:

Ik ben van mening dat de onderste steen boven moet in deze zaak en dat betekent dat er nader onderzoek moet worden gedaan naar de juistheid van de datum en het tijdstip van verzending van de e-mails, die door [betrokkene 3] op 22 februari 2004 (bedoeld moet zijn 2005; AM) om 18:01 uur en 18:29 uur vanuit een computer op het kantoor van verdachte zijn verzonden. [Betrokkene 3] moet eventueel maar ter zitting verklaren hoe het met die e-mails zit.

De advocaat-generaal merkt op, zakelijk weergegeven:

Het openbaar ministerie heeft reeds alle mogelijke moeite gedaan om de gegevens op de computer te achterhalen. Van de verdediging was hierover eerder niets vernomen."

4.5. Het middel doelt op het hiervoor weergegeven ter terechtzitting van 3 januari 2007 gedane verzoek. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer danwel verzoek in zijn arrest als volgt samengevat en verworpen:

"Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep verzocht nog eens nader onderzoek te laten doen naar de juistheid van de datum en het tijdstip van verzending van de e-mails, die door [betrokkene 3] op 22 februari 2005 om 18.01 uur en 18.29 uur vanuit een computer op het kantoor van verdachte naar [betrokkene 11] onderscheidenlijk [betrokkene 12] zouden zijn verzonden.

Dit verzoek wordt afgewezen omdat de noodzaak tot toewijzing ervan niet is gebleken. Het beoogde doel van dit onderzoek hangt immers samen met het aantonen dat die [betrokkene 3] op genoemde tijdstippen in het kantoor van verdachte aanwezig was en dat het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde daarom toen niet kan hebben plaatsgevonden.

Het hof is evenwel van oordeel dat de juistheid van de datum en het tijdstip van verzending van genoemde e-mails in het midden kan blijven, omdat niet is komen vast te staan dat de datum waarop het onder 1 (subsidiair) tenlastegelegde heeft plaatsgevonden 22 februari 2005 is geweest. Aannemelijk is geworden dat dit slechts een datum is [slachtoffer 1], blijkens haar verklaringen bij de rechter-commissaris op 11 mei 2005, samen met [slachtoffer 2] met behulp van een kalender en aan de hand van de agenda van Iaatstgenoemde heeft "teruggerekend".

Overigens acht het hof wel bewezen dat verdachte in de periode zoals tenlastegelegd ontucht heeft gepleegd met de meisjes [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], dit in het bijzonder en in overwegende mate op grond van de verklaringen die deze meisjes daarover ieder zelf hebben afgelegd (voetnoot 1: De verklaringen van [slachtoffer 1], zoals opgenomen in:

- het in de wettelijke vorm door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] opgemaakte proces-verbaal van 12 april 2005 (p. 54 e.v.)

- de processen-verbaal van verhoor van de getuige [slachtoffer 1] van 11 mei 2005 en 20 mei 2005 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Arnhem, alsmede haar verklaring, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 4 september 2006.

De verklaringen van [slachtoffer 2], zoals opgenomen in:

- het in de wettelijke vorm door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] opgemaakte proces-verbaal van 13 april 2005 (p. 31 e.v.)

- het proces-verbaal van verhoor van de getuige [slachtoffer 2] van 26 juli 2005 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Arnhem,

alsmede haar verklaring, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 4 september 2006.

De verklaring van [slachtoffer 3], zoals opgenomen in:

- het in de wettelijke vorm door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] opgemaakte proces-verbaal van 20 april 2005 (p. 76 e.v.),

alsmede haar verklaring, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 4 september 2006.

Die verklaringen van de meisjes [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], in onderling verband en samenhang bezien, worden immers niet alleen door elkaar ondersteund, maar ook door de verklaring van [betrokkene 13] (voetnoot 2: Deze verklaring werd afgelegd tegenover de politie en is opgetekend in het in de wettelijke vorm door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] opgemaakte proces-verbaal van 27 april 2005 (p. 263 e.v.) en is voorts door [betrokkene 13] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep van 3 januari 2007 op overtuigende wijze bevestigd), waarin - naast haar door verdachte benaderd zijn voor modellenwerk - ook verdachtes voorkeur wordt bevestigd voor een bepaalde seksueel getinte houding, die ook door genoemde meisjes is beschreven ("de puppystand met een holle rug").

Deze Iaatste verklaring is te meer betrouwbaar en onverdacht, nu [betrokkene 13] van het door verdachte benaderd zijn voor modellenwerk melding heeft gemaakt bij de politie, nog voordat van ook maar enig feit in de onderhavige zaak sprake was (voetnoot 3: Zie terzake de "melding met rapportage" gemuteerd op 13 oktober 2004 (p. 293).

Ten slotte heeft het hof een betrouwbare indruk gekregen van de verklaringen van de meisjes [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], die tijdens hun verhoor als getuigen ter terechtzitting in hoger beroep (bij welke gelegenheid zij - ook door de verdediging - kritisch zijn bevraagd) in wezenlijke onderdelen bij hun eerder afgelegde verklaringen zijn gebleven.

Een samenzwering van deze meisjes en/of hun families tegen verdachte, zoals gesuggereerd door verdachte, acht het hof niet aannemelijk geworden."

4.6. In cassatie kan niet worden onderzocht of het hof het door de verdediging gedane verzoek tot nader onderzoek ten onrechte heeft afgewezen. Voor zover het middel hier over klaagt, is het ondeugdelijk.(8) Voor zover het middel klaagt dat het hof het verzoek op ontoereikende gronden heeft verworpen, geldt het volgende. Bij de afwijzing van het namens verdachte ter terechtzitting gedane verzoek heeft het hof, door te oordelen dat de noodzaak tot toewijzing van dit verzoek niet is gebleken, de juiste maatstaf gehanteerd.

Anders dan het middel stelt heeft het hof niet vastgesteld - en dus ook niet bewezenverklaard - dat het gewraakte gebeuren heeft plaatsgevonden op 22 februari 2005, maar heeft het hof daarentegen uiteengezet waarom niet aannemelijk is geworden dat de pleegdatum bedoelde datum is. Het hof heeft bewezenverklaard dat het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit zich heeft afgespeeld in de periode van 1 januari 2005 tot en met 7 april 2005. Het hof heeft onder de bewijsmiddelen opgenomen de verklaringen van [slachtoffer 1] (bewijsmiddelen 1 en 2) en [slachtoffer 2] waaruit onder meer volgt dat het feit zich in ieder geval in het bewezenverklaarde tijdvak heeft afgespeeld - hetgeen het hof vrij stond - maar het hof heeft tevens als bewijsmiddel 3 opgenomen de verklaring van [slachtoffer 1] inhoudende dat zij weet dat het in februari 2005 was maar dat zij de precieze datum niet meer weet. Bovendien heeft het hof in zijn bewijsoverweging danwel zijn overwegingen ter afwijzing van het verzoek uiteengezet dat en op welke grond het hof de overtuiging heeft gekregen dat de datum van 22 februari 2005 slechts een teruggerekende, niet precieze datum betreft. Mitsdien volgt niet dwingend uit de bewijsmiddelen dat 22 februari 2005 de pleegdatum is geweest, terwijl de in de bewijsmiddelen opgenomen gegevens wel steun geven aan de bewezenverklaarde pleegperiode.

4.7. Nu 's hofs oordeel, dat niet vast is komen te staan dat het onder 1 bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden op 22 februari 2005, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen het hof daaromtrent in zijn overweging heeft opgemerkt, niet onbegrijpelijk is, heeft het hof het nader onderzoek als verzocht naar de mogelijk op die dag verzonden e-mails, mede tegen de achtergrond van de eerder ter terechtzitting in hoger beroep gedane opmerking van de advocaat-generaal dat het openbaar ministerie reeds alle moeite heeft gedaan om de gegevens op de computer te achterhalen, (maar kennelijk zonder resultaat) - nutteloos en daarom niet noodzakelijk kunnen achten. Het verzoek is dan ook op toereikende gronden afgewezen. Nu, zoals het hof heeft overwogen, het doel van het verzoek samenhing met het aantonen dat de betreffende collega op bedoelde tijdstippen op kantoor was en verdachte daarom het onder 1 tenlastegelegde niet heeft kunnen plegen, is ook het in het middel aangeduide 'alibiverweer' verworpen op gronden die mij niet onbegrijpelijk voorkomen.

Ik neem daarbij - ten overvloede - in ogenschouw dat het hof zich nog expliciet heeft uitgelaten over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de slachtoffers die in hoger beroep als getuigen kritisch zijn ondervraagd. [Slachtoffer 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 4 september 2006 gezegd dat zij op een dinsdag in februari 2005 naar het kantoor van verdachte is gekomen op zijn uitnodiging via een sms en dat zij zijn collega uit het kantoor zag komen waarna zij nog vijf minuten heeft moeten wachten. Tijdens die terechtzitting in hoger beroep is ook [betrokkene 3] gehoord over de e-mails die op 22 februari 2005 door hem zouden zijn verstuurd. In zijn verklaring heeft hij een aantal dingen aangenomen, zoals dat hij die dag na de laatste e-mail nog wat op kantoor heeft gedaan en toen de boel heeft afgesloten, maar zeker is hij daar niet van. Niet uitgesloten is dus dat hij e-mails heeft verstuurd terwijl verdachte nog op kantoor was en dat hij het pand heeft verlaten terwijl [slachtoffer 1] nog buiten stond.

4.8. Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt dat het door de verdediging gevoerd verweer ten onrechte onbesproken is gebleven. Hetgeen is aangevoerd zou evenwel onverenigbaar zijn met de bewezenverklaring onder 3. terwijl het verweer niet wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, zodat het hof ten onrechte, althans op ontoereikende gronden tot het onder 3. bewezenverklaarde zou zijn gekomen. Het middel heeft het oog op de volgende passage uit de pleitnota van de raadsman (p. 5 en 6):

"Die volgende keer is op 21 februari. [Slachtoffer 3] komt om een uur of negen bij de woning van [verdachte]. [Slachtoffer 1] gaat even later (of net daarvoor) weg. [Verdachte] is dan nog aan het sporten en komt tegen half tien thuis. Dan moet er in heel korte tijd zeer veel gebeurd zijn, want [slachtoffer 3] wordt omstreeks diezelfde tijd door haar vader opgehaald. Alles is dan al achter de rug. En dat is nogal wat. Als je het probeert te reconstrueren, dan merk je al snel dat het allemaal niet goed in die paar minuten past. Nadat [verdachte] was thuisgekomen zouden ze, volgens [slachtoffer 3], eerst rustig kennis hebben gemaakt. Daarna zou [verdachte] voor zichzelf en de meisjes een drankje hebben gehaald. Vervolgens zou er een gesprek zijn gevoerd over allerlei aspecten van het modellenwerk. Aansluitend zouden de meisjes standjes hebben geoefend en zouden de ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden. Als je de verklaringen zo leest en je probeert je voor te stellen wat er allemaal gebeurd moet zijn, dan kom je al gauw tot de conclusie dat [verdachte] toch tenminste een half uur met de meisjes samen moet zijn geweest. Dat is ook wat de vader van [slachtoffer 3] van zijn dochter heeft gehoord. Ze zouden zelfs nog meer dan een half uur samen zijn geweest. Volgens zijn verklaring (p. 73) heeft [slachtoffer 3] tegen hem gezegd dat [verdachte] ([verdachte]) thuis kwam toen [slachtoffer 3] al ongeveer een half uur met [slachtoffer 2] in de woning van [verdachte] was. Vervolgens zou zij ongeveer een uur met [slachtoffer 2] en [verdachte] samen zijn geweest voordat de vrouw van [verdachte] thuis kwam. Wanneer we er vanuit mogen gaan dat [slachtoffer 3] omstreeks 9 uur bij [slachtoffer 2] in de woning van [verdachte] zou zijn gekomen, zou - wanneer we deze tijdslijn zouden volgen - [betrokkene 5] pas om half 11 zijn thuisgekomen en zouden de meisjes pas daarna zijn vertrokken. Dit scenario komt niet overeen met de verklaring van de vader van [slachtoffer 3], die zijn dochter omstreeks half 10 zou hebben opgehaald (p. 70). Bovendien waren de meisjes al weg toen [betrokkene 5] na het sporten thuiskwam."

Nu het hiervoor weergegevene niet wordt weerlegd door de bewijsmiddelen is de reële mogelijkheid blijven bestaan, aldus het middel, dat de tijd tussen thuiskomst van verdachte en het vertrek van [slachtoffer 3] te kort was voor het kunnen plaatsvinden van het geheel van verweten gedragingen.

5.2. Voor zover het middel klaagt dat het hof ten onrechte tot de bewezenverklaring onder 3. is gekomen geldt dat die klacht in cassatie niet aan de orde kan worden gesteld. In cassatie kan immers voor zover hier van belang slechts worden onderzocht of de bewezenverklaring uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en of die bewezenverklaring begrijpelijk is gemotiveerd.

5.3. Het hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen geoordeeld dat [slachtoffer 3] de bewuste avond om 21.00 uur (bewijsmiddel 5) à 21.05 uur (bewijsmiddel 4) bij het huis van verdachte is gekomen; dat verdachte - anders dan in de pleitnota wordt gesteld - omstreeks 21.15 uur (bewijsmiddel 4), oftewel kort na dat [slachtoffer 3] was binnengekomen (bewijsmiddel 5) thuiskwam (bewijsmiddel 4), dat zich daarna in enig tijdsbestek de ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden zoals bewezenverklaard onder 3. en dat de meisjes na die handelingen op een gegeven moment zijn weggegaan. Het hof heeft voorts in zijn bewijsoverweging aangegeven dat het hof bewezen acht dat verdachte in de tenlastegelegde periode ontucht heeft gepleegd met alle drie de meisjes, dit in het bijzonder en in overwegende mate op grond van de verklaringen die deze meisjes daarover ieder zelf hebben afgelegd, welke verklaringen volgens het hof in onderling verband en samenhang bezien (onder meer) elkaar ondersteunen, terwijl het hof een betrouwbare indruk heeft gekregen van de verklaringen van de slachtoffers die tijdens hun verhoor als getuigen ter terechtzitting in hoger beroep, bij welke gelegenheid zij ook door de verdediging kritisch zijn bevraagd, in wezenlijke onderdelen bij hun eerder afgelegde verklaringen zijn gebleven. Hiermee is het door de verdediging gevoerde verweer dat de tijd tussen thuiskomst van verdachte en het vertrek van [slachtoffer 3] te kort was voor het kunnen plaatsvinden van de verweten gedragingen zoals zij zijn bewezenverklaard onder 3. volledig en ruim gemotiveerd weerlegd, terwijl die bewezenverklaring ook voor het overige voldoende met redenen is omkleed.

5.4. Het middel faalt.

6. De voorgestelde middelen falen en kunnen met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, vijfde druk, p. 220 en HR 11 april 2006, NJ 2006, 393, m. nt. Y.Buruma, rov. 3.8.1.

2 HR 7 januari 1986, NJ 1986, 463 en HR 17 oktober 1989, NJB 1990, nr. 37.

3 Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, zesde druk, p. 741.

4 HR 26 februari 2002, LJN AD8881; HR 25 maart 2003, LJN AF4212.

5 Aanwijzing electronisch toezicht, Stcrt. 2005, 253, p. 12.

6 Het hof heeft blijkens zijn strafmotivering onder meer ook kennis genomen van het rapport van Reclassering Nederland, inhoudende dat wordt afgezien van strafadvies aangezien verdachte ontkent, terwijl in het rapport onder meer is opgenomen dat verdachte duidelijk aangeeft dat hij geen elektronisch toezicht wil.

7 De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde. Daarop is ook de eis van de advocaat-generaal gebaseerd.

8 Vergelijk onder meer HR 21 oktober 2008, LJN BD7806.