Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BG5586

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-05-2009
Datum publicatie
13-05-2009
Zaaknummer
07/10566 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BG5586
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geen middel van cassatie. Voor het overige: art 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 640
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/10566 E

Mr. Bleichrodt

Zitting 25 november 2008

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 14 juni 2006 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging ter zake van de onder 4 en 5 tenlastegelegde feiten en voorts de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde onder 6. primair (onderdeel voorschrift 12.1), 7. primair (onderdeel mestscheidingsinstallatie), 9. primair (onderdeel mestafscheider) en 11. primair (onderdeel mestscheidingsinstallatie), de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van het bewezenverklaarde onder 6. (onderdelen voorschrift 1.2.5, 1.2.6 en 1.2.8), 8. en 10. en de verdachte ter zake van 1. "medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 14 van de Meststoffenwet, meermalen gepleegd", 2. "medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd", 3. en 6. (onderdeel voorschrift 10.2) telkens opleverende "medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, meermalen gepleegd" en 7. (onderdeel mestzak), 9. (onderdeel mestzak), 11. (onderdeel mestzak) en 12. telkens opleverende "medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair zestig dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden, met een proeftijd van twee jaren.

2. Deze zaak hangt samen met de zaken 07/10550 E ([medeverdachte 1]) en 07/10554 E ([medeverdachte 2]), in welke zaken ik vandaag eveneens concludeer.

3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, heeft een schriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie.

4. Alvorens de middelen van cassatie te bespreken, merk ik het volgende op. [Verdachte] was, naar uit de bewijsmiddelen volgt, in het bewezenverklaarde jaar 1997 enig aandeelhouder en directeur van de rechtspersoon [medeverdachte 1]. Die beheermaatschappij was op haar beurt de enige bestuurder (en niet alleen aandeelhouder, zoals in het vierde middel wordt gesteld) van de in de bewezenverklaring voorkomende B.V.'s, met uitzondering van

a) de Besloten vennootschap [A] B.V. en de Besloten vennootschap [B] B.V., waarvan [verdachte] zelf de bestuurder was en

b) de Besloten Vennootschap [C] B.V., waarvan [betrokkene 1] alleen en zelfstandig bevoegd procuratiehouder was.

De verdachte heeft op drie locaties in [plaats] varkensstallen opgericht, te weten aan de [a-straat], de [b-straat] en de [c-straat]. Die grond en stallen waren telkens eigendom van een van de door bovengenoemde Beheermaatschappij bestuurde B.V.'s. Bij die stallen behoorde slechts een beperkte hoeveelheid grond (in totaal ongeveer 10 ha). Voor de aankoop van voldoende mestrechten zou 2,5 miljoen gulden moeten worden betaald. Vandaar dat de voorkeur werd gegeven aan de nader te noemen constructie.

Verdachte is, kort gezegd, verweten samen met (een van de) de onderscheiden B.V.'s naast de Wet Milieubeheer, ook de Meststoffenwet te hebben overtreden en daarmee samenhangend valsheid in geschrift te hebben medegepleegd. Voor wat betreft de overtredingen van de Meststoffen wet speelt een rol de door het Hof als een schijnconstructie bestempelde contracten met akkerbouwers, die zijn gesloten om te voldoen aan de norm dat niet een grotere hoeveelheid fosfaat mag worden geproduceerd dan 125 kg per hectare van de tot de bedrijven behorende oppervlakte landbouwgrond. Gedeelten van stalcomplexen zijn "verpacht" aan verschillende akkerbouwers, opdat aldus hun grondgebonden mestproductierechten in de berekening konden worden betrokken. De varkens die zich in de stallen bevonden werden verzorgd door personeel van [medeverdachte 2], waarvan [medeverdachte 1] ook de bestuurder was.

5. Ten laste van de verdachte is voor zover voor de middelen van belang(1) bewezen verklaard:

"1.

A.

Hij samen en in vereniging met de rechtspersonen "[D] B.V.", en "[E] B.V.", en "[F] B.V.", en "[medeverdachte 2]. (i.o.)", en een of meer ander(en), in het jaar 1997, in de gemeente Oostburg, opzettelijk, op een aan de [a-straat] gelegen bedrijf waar - vóór inwerkingtreding van de Meststoffenwet - geen productie aan dierlijke meststoffen plaatsvond; en dat

B.

hij samen en in vereniging met de rechtspersonen "[G] B.V."en "[H] B.V.", en "[medeverdachte 2]. (i.o.)", en een of meer anderen in het jaar 1997, in de gemeente Oostburg, opzettelijk, op een aan de [b-straat] gelegen bedrijf waar - vóór inwerkingtreding van de Meststoffenwet - geen productie aan dierlijke meststoffen plaatsvond; en dat

C.

hij samen en in vereniging met de rechtspersonen "[I] B.V.", en "[J] B.V.", en "[medeverdachte 2]. (i.o.)", en een of meer anderen, in het jaar 1997, in de gemeente Oostburg, opzettelijk, op een aan de [c-straat] gelegen bedrijf waar - vóór de inwerkingtreding van de Meststoffenwet - geen productie aan dierlijke meststoffen plaatsvond,

dierlijke meststoffen, te weten varkensmest, heeft geproduceerd telkens in een grotere hoeveelheid dan 125 kilogram fosfaat per hectare per jaar van de tot de (respectievelijk onder A en B en C) genoemde bedrijven behorende oppervlakte landbouwgrond."

6.1 Het eerste middel klaagt over 's Hofs oordeel dat de schending van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging leidt.

6.2 Het middel faalt. Gelet op HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358 rov. 3.21 kan overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging leiden. Dat ook in cassatie de redelijke termijn is overschreden, zoals het middel terecht constateert, doet daaraan niet af. Op laatstbedoelde overschrijding kom ik hierna nog terug.

7.1 Het tweede middel voldoet mijns inziens niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel moeten worden gesteld. Het houdt in dat het Hof "een aantal verweren", waarop het had moeten reageren ten onrechte heeft afgedaan als niet relevant.

7.2 Uit de toelichting kan worden afgeleid dat het gaat om de stellingname van de verdediging dat de door de akkerbouwers gepachte gedeelten van de stallen te [plaats] deel uitmaakten van hun bedrijf. Te dien aanzien is inderdaad omstandig verweer gevoerd, maar het Hof heeft daaraan ook uitvoerig aandacht besteed en het desbetreffende verweer verworpen. In cassatie kan dan niet worden volstaan met de klacht zoals die in de toelichting zonder enige nadere specificatie wordt geformuleerd dat "zowel Rechtbank als Hof op (onderdelen van) die (bewijs)verweren gemotiveerd [hadden] moeten reageren". Dan zal toch in ieder geval moeten worden aangegeven om welke onderdelen van het aangevoerde het gaat en dat en waarom 's Hofs verwerping in het licht daarvan niet toereikend is.(2)

7.3 Dit middel moet dus buiten bespreking blijven.

8.1 Het derde en het vierde middel lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Het derde middel houdt de klacht in dat het Hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het arrest HR 2 juni 1998, NJ 1998, 714 en aan de begrippen "bedrijf" en "houder" van de varkens als bedoeld in de Meststoffenwet. Het vierde middel klaagt erover dat het Hof ten onrechte de verdachte heeft gezien als de verantwoordelijke voor de feitelijke exploitatie van de drie varkensstallen te [plaats].

8.2.1 Ter terechtzitting in hoger beroep van 31 mei 2006 heeft de raadsman overeenkomstig de inhoud van zijn daar overgelegde pleitnota het woord gevoerd.

8.2.2 De daar gevoerde verweren heeft het Hof, voor zover hier van belang, als volgt samengevat en verworpen en wel in zijn toelichting op de bewezenverklaring, waarbij het Hof - behoudens enkele verbeteringen van ondergeschikte aard - de navolgende gedeelten uit het vonnis van de Rechtbank te Middelburg van 6 oktober 2003 heeft overgenomen:

"mestrechten

Vanwege verdachte is aangevoerd, dat geen sprake is van overtreding van het in artikel 14 (oud) van de Meststoffenwet neergelegde verbod, omdat ten behoeve van de stallen wel voldoende mestrechten aanwezig waren. Daartoe is - kort gezegd - aangevoerd dat ook de mestrechten van de akkerbouwers die de stallen gepacht hadden bij de vaststelling van de omvang van die mestrechten moeten worden betrokken.

De rechtbank overweegt daarover als volgt.

Bij de beantwoording van de vraag of artikel 14 van de Meststoffenwet (zoals dat in 1997 luidde) is overtreden, is - nu het hier om een situatie ging waarin tevoren geen productie van dierlijke meststoffen plaatshad als in die wet bedoeld - van belang welke oppervlakte landbouwgrond bij de stallen te [plaats] behoorde, terwijl bovendien dient te worden vastgesteld door wie de productie van de dierlijke meststoffen in die stallen plaatshad.

Volgens de Meststoffenwet vindt deze productie van meststoffen (onder andere) plaats door het houden van dieren. Alleen de hectaren landbouwgrond die behoren tot het bedrijf van de houder van de dieren kunnen derhalve worden meegerekend bij de beantwoording van de vraag of een grotere hoeveelheid fosfaat is geproduceerd per hectare dan 125 kg.

Waar het in dit geval derhalve om gaat, is of de desbetreffende akkerbouwers als houders van de dieren in de stallen te [plaats] kunnen worden aangemerkt, en of de door deze akkerbouwers gepachte gedeelten van de stallen te [plaats] ook deel uitmaakten van hun bedrijf. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit de bewijsmiddelen moet worden afgeleid dat de akkerbouwers weliswaar ieder een deel van de stallen hadden gepacht van de eigenaren van die stallen, maar dat ze daarin zelf geen dieren hebben gehouden. De rechtbank stelt daarbij voorop dat voor het beantwoorden van de vraag wie moet worden aangemerkt als houder van dieren in de zin van de Meststoffenwet mede bepalend is wie de dieren daadwerkelijk verzorgde (HR 26 mei 1998, NJ 1998, 714). Noch de eigendom van de dieren, noch het houderschap in de zin van titel 5 van Boek 3 BW is daarvoor beslissend.

Uit de reeks van overeenkomsten die door ieder van de akkerbouwers met meerdere rechtspersonen - waarvan in ieder geval in 1997 steeds [medeverdachte 1] directeur was - werd gesloten blijkt, dat van meet af aan de bedoeling is geweest dat de daadwerkelijke verzorging van de varkens zou dienen te geschieden door anderen dan de akkerbouwers zelf. Weliswaar hebben de akkerbouwers met [medeverdachte 2] - die eigenaar van de varkens was en bleef - een overeenkomst d.d. 28 oktober 1997 gesloten betreffende het verzorgen van de varkens, maar daarbij waren alle bijkomende kosten (zoals water en elektra) voor rekening van [medeverdachte 2], evenals de risico's van sterfte en ziekte. Bovendien werd bij overeenkomst van dezelfde datum als de eerstgenoemde overeenkomst weer afgesproken dat de daadwerkelijke verzorging door een andere vennootschap, de "vennootschap D", zou geschieden, waarbij deze verzorging geschiedde voor rekening en risico van [medeverdachte 2]. Bij aanvullende overeenkomst van 19 januari 1998 - derhalve na de periode waarop de dagvaarding betrekking heeft - is door partijen afgesproken dat [medeverdachte 2] als deze "vennootschap D" zou worden aangemerkt, maar feitelijk heeft - zoals uit diverse, tot de bewijsmiddelen behorende, verklaringen blijkt - de verzorging, ook in 1997, steeds plaatsgehad door vanwege [medeverdachte 2] aangesteld personeel. Het ontbrak de akkerbouwers ook aan expertise, en deze werd naar eigen zeggen door [verdachte] ingebracht.

Het samenstel van overeenkomsten dat door de akkerbouwers is gesloten kan tot geen andere conclusie leiden dan dat deze constructie erop gericht was de akkerbouwers een vergoeding te geven voor hun mestrechten, zonder dat van hen enige andere prestatie - zoals het daadwerkelijk verzorgen van de varkens in de stallen te [plaats] - werd verlangd. Dit wordt ook bevestigd door diverse verklaringen van akkerbouwers, die zeggen met dit verzoek door of vanwege [verdachte] te zijn benaderd. Bovendien wordt dit bevestigd door een reeks brieven d.d. 13 januari 1998 van [medeverdachte 2] aan verschillende akkerbouwers welke erop neerkomen dat de akkerbouwers weliswaar een pachtvergoeding moeten betalen, waartegenover [medeverdachte 2] een voergeldvergoeding moet betalen, maar waarbij de omvang van de voergeldvergoeding slechts afhankelijk is van het bedrag dat de desbetreffende akkerbouwer moet overhouden, en dus niet is gerelateerd aan daadwerkelijke verzorgingsactiviteiten van deze akkerbouwers. De rechtbank acht het tekenend voor deze schijnconstructie, dat een groot aantal van deze brieven de instructie bevat dat ze bij voorkeur vernietigd en niet bij de administratie van de desbetreffende akkerbouwers bewaard moeten worden.

De feitelijke situatie in de stallen te [plaats] is derhalve steeds aldus geweest (ook in 1997), dat de verzorging van varkens plaats heeft gehad door (personeel van) [medeverdachte 2], dat derhalve als houder van de varkens in de zin van de Meststoffenwet moet worden aangemerkt. De stallen te [plaats] kunnen, gelet op deze feitelijke situatie, ook niet worden aangemerkt als voor het desbetreffende verpachte onderdeel van de stallen deel uitmakend van het desbetreffende bedrijf van de desbetreffende akkerbouwer, maar moeten als een zelfstandig bedrijf worden beschouwd. Ook als ervan moet worden uitgegaan dat in de gehele periode van de tenlastelegging de stallen waren verpacht aan de akkerbouwers leidt dat niet tot een ander oordeel, omdat het enkele feit van die verpachting nog niet met zich meebrengt dat de akkerbouwers daardoor de varkens - al dan niet mede - gingen houden in de hier bedoelde zin.

De akkerbouwers kunnen derhalve niet als houders van de varkens in de zin van de Meststoffenwet worden aangemerkt terwijl hun bedrijven niet als bedrijven als bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet kunnen worden aangemerkt, zodat hun hectaren landbouwgrond ook niet kunnen worden meegerekend bij de beantwoording van de vraag hoeveel hectaren c.q. mestrechten ten behoeve van het bedrijf te [plaats] beschikbaar waren.

Hetgeen de raadsman overigens heeft aangevoerd inzake de definitie van "bedrijf" in de zin van de Meststoffenwet wordt door de rechtbank als niet relevant gepasseerd.

normadressaat

Tot verweer is voorgedragen dat de hierboven genoemde verdachten van de daarbij genoemde feiten moeten worden vrijgesproken, omdat zij niet verantwoordelijk waren voor de feitelijke exploitatie van de drie stallen in [plaats] (dat waren de pachters) of de mengvoederinstallatie te [plaats] (dat was [K] BV). Ten aanzien van de feiten die betrekking hebben op overtredingen van de Wet milieubeheer is daartoe nog aangevoerd dat een milieuvergunning een inrichtinggebonden karakter heeft en zich richt tot degene(n) die de activiteit feitelijk ontplooit. Voor wat betreft de drie inrichtingen in [plaats] kunnen die overtredingen daarom niet door verdachten zijn gepleegd. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

In het dossier is het nodige bewijs voorhanden dat de verdachten, in hun kwaliteit van directeur ([verdachte]) van de directeur ([medeverdachte 1]) van [medeverdachte 2] (i.o.) - feitelijk belast met het verzorgen van de varkens dan wel als onderneming waarbinnen de tenlastegelegde activiteiten werden verricht - niet alleen (opzettelijk) persoonlijk een aantal bestanddelen van de bovengenoemde delicten hebben verwezenlijkt, maar ook dat zij ten aanzien van een aantal van de tenlastegelegde gedragingen hebben gehandeld door middel van (personeel van) de ondernemingen, over wier gedragingen in het kader van hun bedrijfsactiviteiten zij zeggenschap (feitelijk gezag) hadden, zodat ook die delicthandelingen aan de verdachten kunnen worden toegerekend, en wel als medepleger(s) van de bovengenoemde feiten.

De rechtbank verwijst in de eerste plaats naar hetgeen zij onder "mestrechten" heeft overwogen.

Voor wat betreft de verdachte [verdachte] geldt bovendien het volgende.

Door het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte zeggenschap had binnen [medeverdachte 2]. Hij kocht varkens in, werd geraadpleegd inzake de te volgen gang van zaken in de stallen, en bemoeide zich onder meer met het aantrekken van personeel. Hoewel de verdachte (als directeur - van de directeur - van [medeverdachte 2]) daartoe bevoegd en redelijkerwijze ook gehouden was, heeft hij geen maatregelen genomen ter voorkoming van strafbare gedragingen. Sterker nog, zijn enige doel was om met de stallen winst te maken. Voorts is aannemelijk geworden dat hij de benodigde vergunningen voor dat bedrijf niet, althans nagenoeg niet heeft gelezen.

Voor wat betreft [medeverdachte 1] geldt dat zij zich bij herhaling jegens derden, waaronder de vergunningverlener - de gemeente Oostburg -, heeft gepresenteerd als eigenaar/exploitant van de stallen.

De verdachte [verdachte], directeur van die rechtspersoon, verrichtte volgens zijn verklaring werkzaamheden namens [medeverdachte 1], onder andere de aankoop van biggen voor [medeverdachte 2]. [Medeverdachte 1] is weliswaar vanaf 19 januari 1998 formeel uitgetreden uit [medeverdachte 2], maar deze rechtspersoon voerde, blijkens de uittreksels uit de diverse handelsregisters, in de tenlastegelegde perioden wél de directie over (zes) andere BV's die met het oog op de exploitatie van de stallen in [plaats] in de loop van 1997 zijn opgericht en zij voerde tevens de directie over [K] BV, terwijl al die tijd verdachte [verdachte] de directie over [medeverdachte 1] voerde.

Voor wat betreft [medeverdachte 2] geldt het volgende.

De genoemde overtredingen zijn feitelijk door (personeel van) de bedoelde rechtspersoon gepleegd. Hun handelingen betreffende de bedrijfsactiviteiten kunnen aan de rechtspersoon worden toegerekend. Hieruit volgt dat deze personen, terwijl zij wisten dat zij met de constructie van de bedrijven een risico op het plegen van strafbare feiten liepen (als directie) welbewust de aanmerkelijke kans op het plegen van die feiten hebben aanvaard."

8.3 Het volgende wettelijke kader is van belang:

8.3.1 In de hier relevante periode, te weten het jaar 1997, luidde art. 1 (oud) Meststoffenwet als volgt:

"1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(...)

mestoverschot: de hoeveelheid dierlijke meststoffen die op een bepaald bedrijf in een bepaald jaar is geproduceerd of van derden afgenomen, onder aftrek van de hoeveelheid dierlijke meststoffen, die ingevolge het krachtens de Wet bodembescherming bepaalde door dat bedrijf mag worden gebruikt op de in Nederland gelegen oppervlakte landbouwgrond, daaronder niet begrepen de oppervlakte waarop zich de bedrijfsgebouwen en daarbij behorende voorzieningen bevinden, die tot het bedrijf in eigendom behoort, dan wel daartoe behoort ingevolge een zakelijk gebruiksrecht of een door de grondkamer geregistreerde, onderscheidenlijk goedgekeurde pachtovereenkomst als bedoeld in de artikelen 70f, eerste lid, onderscheidenlijk 12, of 70f, vijfde lid, van de Pachtwet ( Stb. 1958, 37);

(...)"

8.3.2 Het hier toepasselijke art. 14 (oud) Meststoffenwet bepaalde, voor zover van belang:

"1. Het is verboden de produktie van dierlijke meststoffen op een bedrijf uit te breiden indien de produktie groter is of daarmee groter wordt dan 125 kilogram fosfaat per hectare per jaar van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond.

2. Indien geen produktie aan dierlijke meststoffen op een bedrijf plaatsvond, is het verboden dierlijke meststoffen te produceren in een grotere hoeveelheid dan 125 kilogram fosfaat per hectare per jaar van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond.

(...)"

8.4 De bij en krachtens de Meststoffenwet gegeven voorschriften strekken er onder meer toe een met het oog op de bescherming van de bodem en het grond- en oppervlaktewater onverantwoorde uitbreiding van de productie en aanwending van dierlijke meststoffen te voorkomen. Bij Nota van Wijziging is art. 14 Meststoffenwet voorgesteld.(3) De Nota naar aanleiding van het eindverslag houdt wat betreft het voorgestelde hoofdstuk IIIb inzake "Regelen ter voorkoming van een onverantwoorde uitbreiding van de productie van dierlijke meststoffen" het volgende in:

"Eveneens bij nota van wijziging hebben wij voorzien in regels met betrekking tot de uitbreiding van de mestproduktie (hoofdstuk IIIb) met als doel een onverantwoorde uitbreiding te voorkomen (...) De regels staan de uitbreiding van de mestproduktie op grondloze bedrijven niet toe. Op bedrijven met grond mogen de mestgebruiksnormen voor de eerste fasen niet leiden tot een uitbreiding van de produktie tot aan genoemde normen waardoor in de toekomst, bij aanscherping van de normen, nieuwe te saneren situaties zouden ontstaan. Tegen het ontstaan van situaties die de milieuhygiënische doelstelling benaderen bestaat echter geen bezwaar. De geïntroduceerde bepalingen laten nieuwe of extra mestproduktie dan ook alleen toe indien de mest verantwoord op het eigen bedrijf kan worden gebruikt. Kan hieraan niet worden voldaan, dan is uitbreiding van de mestproduktie verboden.

Mestproduktie tot aan 125 kilogram P2O5 zal niet onder het verbod vallen. Nieuwe of extra mestproduktie boven de 125 kg P2O5 per hectare zal echter verboden zijn. (...). Het systeem impliceert dat bij bestaande overschotsituaties de aankoop van grond niet tot uitbreidingsmogelijkheden leidt, tenzij het bedrijf als geheel onder de norm van 125 kg P2O5 per hectare komt. Een bedrijf dat een mestoverschot door grondaankoop verkleint maar nog wel behoudt zal derhalve niet kunnen uitbreiden."(4)

8.5 Volgens de steller van het derde middel heeft het Hof "een onjuiste c.q. onbegrijpelijke definitie" gegeven van de termen "bedrijf" en "houder van de varkens", waardoor "onder andere" art. 1 Meststoffenwet is geschonden. Die klacht komt op het volgende neer. Bij de beantwoording van de vraag of artikel 14 van de Meststoffenwet was overtreden, stond het Hof voor de vraag welke oppervlakte landbouwgrond bij de stallen te [plaats] behoorde, terwijl bovendien diende te worden vastgesteld door wie de productie van de dierlijke meststoffen in die stallen plaatsvond. Volgens de Meststoffenwet vindt de productie van meststoffen, voor zover hier van belang, plaats door het houden van dieren.(5) Alleen de hectaren landbouwgrond die behoren tot het bedrijf van de houder van de dieren kunnen worden meegerekend bij de beantwoording van de vraag of een grotere hoeveelheid fosfaat is geproduceerd dan 125 kg per hectare.

8.6 Het oordeel van het Hof komt daarop neer dat de akkerbouwers weliswaar een deel van de stallen hadden gepacht, maar dat zij niet als houders van de varkens konden worden aangemerkt en dat het samenstel van overeenkomsten dat met de akkerbouwers is gesloten er slechts op gericht was dezen een (vaste) vergoeding per hectare te geven voor hun mestrechten, zonder dat van hen enige andere prestatie - zoals het daadwerkelijk verzorgen van de varkens in de stallen te [plaats] - werd verlangd. Dit oordeel van het Hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de door hem blijkens de gebruikte bewijsmiddelen vastgestelde feiten, zoals daarvan onder meer blijkt uit de verklaringen van een aantal akkerbouwers, geenszins onbegrijpelijk.

8.7 In dit verband wordt in de toelichting op het derde middel een beroep gedaan op het arrest van HR 2 juni 1998, NJ 1998, 714, welk arrest het Hof op een onjuiste wijze zou hebben uitgelegd.(6) Zoals opgemerkt kan uit dit arrest worden afgeleid dat degene die door het houden van dieren dierlijke meststoffen produceert, als producent in de zin van art. 14 Meststoffenwet moet worden aangemerkt. Die zaak betrof een kalvermester die kalveren mestte in zijn stallen op basis van een voedercontract. Deze kalvermester werd als producent van meststoffen aangemerkt, waaraan niet kon afdoen dat een ander eigenaar was van de kalveren, het tijdstip van aanvoer en aflevering bepaalde, voedingsmiddelen voorschreef en ter beschikking stelde en het ondernemersrisico droeg.

Het middel leidt uit dat arrest af dat twee elementen van belang zijn bij de beantwoording van de vraag wie als producent heeft te gelden: (1) het beschikken over stalruimte en (2) het verzorgen van dieren en stelt dat deze criteria door het Hof niet zijn gehanteerd, waardoor, zo begrijp ik het middel, het Hof het verweer op ontoereikende gronden heeft verworpen.

8.8 Dit betoog kan ik niet volgen. Het Hof heeft omstandig uitgelegd en gemotiveerd dat de akkerbouwers niets met de verzorging van de dieren te maken hebben gehad, terwijl zowel uit 's Hofs bewijsoverweging als uit de gebezigde bewijsmiddelen zonder meer volgt dat die akkerbouwers feitelijk ook niet de beschikking hadden over het aan hen verpachte gedeelte van de stalruimte, zij veelal ook niet wisten welk gedeelte dat was, laat staan welke dieren daarin werden gehouden.

Dat die ruimte - op papier - aan hen was verpacht is in het licht van de vastgestelde feiten niet relevant. Anders zou het, gelet op art. 1 Meststoffenwet, kunnen zijn indien de verdachte land zou hebben gepacht.(7)

8.9 In een recente conclusie heeft mijn ambtgenoot Machielse het als volgt onder woorden gebracht. Die zaak (nr. 01395/07) had betrekking op de Wet herstructurering varkenshouderij (Whv), maar dat maakt in dit verband geen verschil.

"9.5 (...) Voor de beantwoording van de vraag wie houder van varkens is lijkt mij dus van belang wie op een bepaalde plaats en een bepaald tijdstip voor die varkens verantwoordelijkheid draagt. Die verantwoordelijkheid kan worden afgeleid uit het feit dat men de varkens verzorgt in de eigen stal, maar ook andere omstandigheden kunnen daarbij een rol spelen en het is aan feitenrechter om die omstandigheden te waarderen en te beoordelen. Ik acht het zelfs niet uitgesloten dat de één varkens houdt op het bedrijf van een ander, bijvoorbeeld wanneer hij zijn varkens anders dan krachtens een zakelijk gebruiksrecht of een goedgekeurde pachtovereenkomst onderbrengt in de stal van een ander en daar zelf de varkens verzorgt."(8)

Maar in dat laatste, bijzondere, geval zal men dan wel zelf de varkens moeten verzorgen.

Zoals eerder opgemerkt geeft het desbetreffende oordeel van het Hof, gelet op de door hem vastgestelde feiten niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

8.10.1 Voor de goede orde merk ik ten slotte nog op dat het indertijd geldende art. 1a (oud), van de Meststoffenwet inhield:

"Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt geen rekening gehouden met handelingen waarvan, op grond van de omstandigheid dat zij geen wezenlijke verandering van feitelijke verhoudingen hebben ten doel gehad of op grond van andere bepaalde feiten en omstandigheden, moet worden aangenomen dat zij achterwege zouden zijn gebleven, indien daarmee niet de toepassing van deze wet voor het vervolg geheel of ten dele onmogelijk zou worden gemaakt."

8.10.2 De Memorie van toelichting op het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet waarbij art. 1a in de Meststoffenwet werd ingevoerd, houdt dienaangaande in:

"Met artikel 1a wordt in de Meststoffenwet - evenals in de Wet verplaatsing mestproduktie - een fraus-legisbepaling opgenomen. Deze bepaling dient om evidente schijnconstructies ter ontduiking van de wet tegen te kunnen gaan. Dergelijke constructies zullen veelal betrekking hebben op het in de mestwetgeving centraal gestelde begrip "bedrijf", maar onderhavige fraus-legis bepaling bestrijkt ook andersoortige constructies." (9)

8.10.3 Voor de akkerbouwers veranderde in casu niets, behalve dat zij aanspraak konden maken op een vaste jaarlijkse, aan de omvang van hun bedrijf gerelateerde, vergoeding. Zij waren voorheen geen varkenshouders en waren ook niet van plan dat te worden. Van een "wezenlijke verandering van feitelijke verhoudingen" was dan ook geen sprake.

8.11 Het derde middel faalt.

9.1 Het vierde middel klaagt dat het Hof ten onrechte de verdachte ziet als verantwoordelijke voor de exploitatie van de stallen. Dit middel komt op tegen wat het Hof in navolging van de Rechtbank in de hiervoor onder 8.2.2 weergegeven overwegingen onder het hoofd "normadressaat" heeft overwogen en beslist, en komt erop neer dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte de onder 1 tenlastegelegde feiten heeft begaan.

9.2 Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij tezamen en in vereniging met andere rechtspersonen de feiten onder 1 heeft gepleegd. Hiervoor onder 4 heb ik al aangegeven hoe, gelet op de bewijsmiddelen, de verhouding tussen verdachte, zijn beheermaatschappij en de andere rechtspersonen was. Het Hof is daarop nader ingegaan in zijn hierboven bedoelde overwegingen.

9.3 Het middel stoelt als ik het goed begrijp in ieder geval ten dele weer op de bij de bespreking van het vorige middel aan de orde gekomen opvatting van de verdediging dat niet verdachte of zijn medeverdachten maar de pachters (akkerbouwers) - die, zo wordt gesteld, bepaalde exploitatiehandelingen opdroegen aan [medeverdachte 2]. - verantwoordelijk waren omdat zij als producenten moeten worden aangemerkt. Nu het Hof die opvatting naar ik eerder uiteenzette, mijns inziens zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend gemotiveerd heeft verworpen, ga ik daarop niet meer in.

9.4 Anders dan in de toelichting wordt gesteld kan naar mijn oordeel uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat [verdachte] (mede) varkens heeft gehouden overeenkomstig wat in HR 2 juni 1998, NJ 1998, 714 is beslist. Het is duidelijk dat hij de centrale figuur was zowel bij de oprichting van de stallen als bij de exploitatie daarvan en ook voor zover het betreft de contracten met de akkerbouwers. Ik verwijs onder meer naar de bewijsmiddelen 1, 3, 4, 6, 8, 9, 10, 16, 18, 35. Dat daarbij mede gebruik gemaakt werd van zijn Beheermaatschappij en door die maatschappij bestuurde andere rechtspersonen doet aan het voorgaande niet af.

9.5 Voor zover de toelichting op het middel nog geacht moet worden te klagen over een ontoereikende bewijsvoering, omdat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verweten gedragingen mede aan de [medeverdachte 1] kunnen worden toegerekend, merk ik nog het volgende op.

9.6 In zijn arrest van 21 oktober 2003, NJ 2006, 328 heeft de Hoge Raad overwogen:

"3.3. Blijkens de wetsgeschiedenis kan een rechtspersoon (in de zin van art. 51 Sr) worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Ook in de rechtspraak is die toerekening erkend als grondslag voor het daderschap van de rechtspersoon (vgl. onder meer HR 23 februari 1993, NJ 1993, 605 en HR 13 november 2001, NJ 2002, 219).

3.4. Vervolgens rijst de vraag wanneer een (verboden) gedraging in redelijkheid aan een rechtspersoon kan worden toegerekend.

Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een algemene regel laat zich dus bezwaarlijk formuleren. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is nochtans of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,

- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,

- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf,

- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging (...)."

9.7 In het licht hiervan geven de hiervoor weergegeven overwegingen van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn zij niet onbegrijpelijk. [Medeverdachte 1], die zich onder meer ten aanzien van de gemeente presenteerde als exploitant van de stallen, vermocht erover te beschikken of de strafbare gedragingen in [medeverdachte 2] al dan niet zouden plaatsvinden en het gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Handelingen van haar directeur of van andere personen werkzaam ten behoeve van haar, kunnen immers aan haar worden toegerekend.

9.8 De bewezenverklaring is ook op dit punt toereikend gemotiveerd, zodat het vierde middel faalt.

10. Nu de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden, terwijl de Hoge Raad ook geen uitspraak zal doen binnen twee jaar na het instellen van het cassatieberoep waardoor de redelijke termijn in cassatie overschreden, merk ik ambtshalve op dat dit zal moeten leiden tot strafvermindering.

11. Het tweede middel moet buiten bespreking blijven. De overige middelen falen en kunnen met de aan art. 81 RO te ontlenen korte motivering worden afgedaan. Gronden die tot ambtshalve vernietiging zouden behoren te leiden heb ik overigens niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate waarin de Hoge Raad dat gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden.

1 Met uitzondering van middel 1 waarin de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM aan de orde wordt gesteld, hebben de middelen kennelijk betrekking op de onder 1 bewezen verklaarde overtredingen van de Meststoffenwet.

2 Vgl. HR 11 april 2006, NJ 2006, 393 rov. 3.7.2. Zie tevens HR 12 februari 2008, LJN BC3787.

3 Kamerstukken II, vergaderjaar 1985-1986, 18271, nr. 11, p. 4.

4 Kamerstukken II, vergaderjaar 1985-1986, 18 271, nr. 10, p. 5-6.

5 HR 2 juni 1998, NJ 1998, 714, conclusie van de A-G Machielse onder 5.1, naar welke conclusie de Hoge Raad verwijst.

6 Per abuis heeft het Hof 26 mei 1998 als datum van het arrest genoemd in plaats van 2 juni 1998. Zie p. 8 van het arrest.

7 Hoewel ook dan schijnconstructies door zogenaamde samenwerking met akkerbouwers kunnen optreden, wanneer daardoor zonder formele pachtovereenkomst wordt getracht land van de akkerbouwer als het ware onder de landbouwgrond van de veehouder te doen ressorteren. Vgl. HR 27 maart 2007, nr. 01150/06 E, afgedaan met art. 81 RO.

8 Zie in dit verband ook CBB 20 juni 2006, LJN AY4190, welk arrest in voormelde conclusie is besproken onder 9.6.

9 Kamerstukken II, 1995-1996, 24782, nr. 3, blz. 45.