Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BG5558

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
28-01-2009
Zaaknummer
01705/07
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BG5558
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 359.1 Sv. In het arrest is niet een kopie van de inleidende dagvaarding gevoegd. Gelet op hetgeen het arrest inhoudt, voldoet het aan het ook in h.b. toepasselijke voorschrift van art. 359.1 Sv dat de uitspraak het tenlastegelegde dient te bevatten. Het handgeschreven onderschrift “Deze uitdraai zien als dagvaarding. Origineel is zoek!” in het arrest doet daaraan niet af, reeds omdat het middel niet klaagt dat de in het arrest weergegeven tekst van de tll niet overeenstemt met de tll die is opgenomen in de inleidende dagvaarding, waarvan het origineel aan verdachte is betekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 265
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01705/07

Mr. Knigge

Zitting: 25 november 2008

Conclusie inzake:

[verdachte](1)

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam op 1 maart 2007 voor 1. "de voortgezette handeling van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en afpersing terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" en 2. "poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarde als nader in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof beslissingen genomen ten aanzien van het inbeslaggenomene, een en ander als nader in het arrest omschreven.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt erover dat, anders dat het verkorte arrest vermeldt, niet een kopie van de inleidende dagvaarding in het arrest is gevoegd, maar in plaats daarvan - naar moet worden aangenomen - een "uitdraai" uit een computersysteem van het Gerechtshof of het Openbaar Ministerie. Derhalve zou het arrest niet de tenlastelegging bevatten zoals die in de inleidende dagvaarding aan de verdachte is betekend.

5. In het arrest van het Hof is de tekst van een tenlastelegging opgenomen. Daarbij is kennelijk mee gekopieerd de volgende handgeschreven tekst: "Deze uitdraai zien als dagvaarding. Origineel is zoek!".

6. Ik stel voorop dat art. 415 Sv jo. 359 lid 1 Sv niet eist dat het arrest een kopie van de inleidende dagvaarding bevat. De tekst van de daarin opgenomen tenlastelegging moet worden vermeld, met eventuele wijzigingen die daarin zijn aangebracht. Voor zover het middel erover bedoelt te klagen dat in het arrest een kopie van de inleidende dagvaarding ontbreekt, kan het niet tot cassatie leiden.

7. Iets anders is dat - zoals de steller van het middel terecht opmerkt - dat de in het arrest opgenomen tekst moet overeenstemmen met de tekst van de tenlastelegging zoals die bij inleidende dagvaarding aan de verdachte is betekend. In het algemeen geldt dat aangenomen mag worden dat dit het geval is als de opgenomen tekst gelijkluidend is aan de tekst die voorkomt op het zich in het dossier bevindende "dubbel" van de dagvaarding.(2) In de toelichting op het middel wordt gesteld dat zich bij de stukken geen kopie van de inleidende dagvaarding bevindt. Bedoeld is kennelijk dat het dubbel van de dagvaarding ontbreekt. Aan dit ontbreken wordt de conclusie verbonden dat het arrest niet de tekst van de tenlastelegging bevat die voorkomt op de aan de verdachte betekende dagvaarding.

8. Dat laatste lijkt mij een stap te ver. Als het dubbel ontbreekt (en het aan de verdachte uitgereikte origineel niet wordt geproduceerd), kan (juist daarom) niet vastgesteld worden dat de tekst in het arrest afwijkt van die in de inleidende dagvaarding. In zoverre mist het middel dus feitelijke grondslag.

9. Ik neem echter aan dat het middel er ook over bedoelt te klagen dat het ontbreken van het dubbel van de dagvaarding maakt dat niet meer vastgesteld kan worden wat de originele tekst van de tenlastelegging is, zodat evenmin gecontroleerd kan worden of de rechter heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van die tenlastelegging.

10. De zaak kent een ietwat afwijkende voorgeschiedenis. Het onderzoek naar - kort gezegd - de overval op de woongroep te Velserbroek en - kort gezegd - de poging tot overval op de DIDI te Amsterdam is gestart onder leiding van het Amsterdamse parket. In december 2005 is de zaak kennelijk overgedragen naar het Haarlemse parket, waarbij de zaak een nieuw, Haarlems, parketnummer toegewezen heeft gekregen. Op 7 maart 2006 heeft de zaak op zitting gestaan bij de Haarlemse Rechtbank, alwaar verdachte en zijn raadsvrouw ook zijn verschenen. Een kopie van de dagvaarding met daarin opgenomen een tenlastelegging bevindt zich bij deze stukken. De zaak is vervolgens geschorst voor onbepaalde tijd. Op 10 mei 2006 is verdachte weer opgeroepen voor een zitting bij de Rechtbank Haarlem. Aan deze oproeping (waarvan zich een kopie bij de stukken bevindt) zit een nadere omschrijving tenlastelegging ex art. 314a Sv. Van de zitting op 10 mei 2006 heb ik geen stukken aangetroffen in het dossier, maar uit het proces-verbaal van de terechtzitting bij de Amsterdamse Rechtbank van 6 juni 2006 kan worden afgeleid dat op 18 mei 2006 de Haarlemse Rechtbank een beslissing heeft genomen. Navraag bij de griffie in Haarlem leert dat op 18 mei 2006 de Rechtbank Haarlem zich - naar aanleiding van een verweer van de raadsvrouw - onbevoegd heeft verklaard, omdat de vervolging is aangevangen in Amsterdam en de overdracht aan Haarlem door middel van een brief van het parket in Amsterdam aan het parket in Haarlem niet de conclusie wettigt dat daarmee de vervolging in Amsterdam zou zijn geëindigd.

11. Op 6 juni 2006 diende de zaak voor de Amsterdamse Rechtbank, onder het oorspronkelijke Amsterdamse parketnummer. Op de zitting is verdachte met zijn raadsvrouw verschenen. Als het goed is, is de behandeling door de Amsterdamse Rechtbank ingeleid met een nieuwe dagvaarding. De voor de Rechtbank Haarlem ingestelde vervolging was immers geëindigd met een einduitspraak. Bij de stukken van het geding heb ik echter noch het dubbel van de dagvaarding, noch een (daaraan gehechte) akte van uitreiking aangetroffen. Wel bevindt zich bij de stukken een kopie van een dagvaarding, gedateerd 24 mei 2006, waarbij de verdachte wordt opgeroepen om te verschijnen op de zitting van 6 juni 2006. Op deze kopie zijn (door de griffier?) handgeschreven aantekeningen geplaatst. Bovendien is deze kopie op onderdelen vrijwel onleesbaar. Voor zover echter valt na te gaan is de tekst van de tenlastegging in deze kopie gelijkluidend aan de tekst van de nadere omschrijving tenlastelegging zoals die was gehecht aan de oproeping voor de Haarlemse Rechtbank voor 10 mei 2006. Op 6 juni 2006 is de zaak vervolgens geschorst tot de zitting van 27 juni 2006, alwaar de zaak in aanwezigheid van verdachte en zijn raadsvrouw inhoudelijk is behandeld.

12. In HR 14 april 1987, NJ 1988, 84 leidde een vergelijkbaar geval tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Ik merk daarbij op dat de nietigheid van de inleidende dagvaarding als einduitspraak de tegenwoordige inzichten van de Hoge Raad vermoedelijk beter weergeeft. Ook de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient immers op grondslag van de tenlastelegging te worden beoordeeld. Vergelijk HR 12 februari 2002, NJ 2002, 302, dat betrekking had op het zoekgeraakt zijn van het hele dossier.

13. Ik heb mij afgevraagd of in de onderhavige zaak onverkort moet worden vastgehouden aan de strenge lijn die in NJ 1988, 84 is uitgezet. Ik wijs er daarbij op dat in eerste aanleg niet door of namens de verdachte is aangevoerd dat de verdachte de inleidende dagvaarding (met daarin de tenlastelegging) niet heeft ontvangen.(3) Op de zitting van 6 juni 2006 (en hetzelfde geldt voor de zitting van 27 juni 2006) spreekt verdachtes raadsvrouw onbekommerd van de "tenlastegelegde feiten", kennelijk wetend wat die feiten inhielden. Ik ga er daarom - met de steller van het middel - vanuit dat de verdachte de inleidende dagvaarding heeft ontvangen.

14. De steller van het middel wijst er terecht op dat in het vonnis van de Rechtbank (in weerwil van hetgeen onder het kopje tenlastelegging staat vermeld) de tekst van de inleidende dagvaarding niet is opgenomen. Wel bevat het vonnis bewezenverklaringen die sporen met de tekst van de vordering wijziging tenlastelegging (zoals die was gevoegd bij de oproeping van 10 mei 2006) en - voorzover vanwege de gebrekkige leesbaarheid ervan valt na te gaan - met de tenlastelegging in de hiervoor bedoelde kopie van de inleidende dagvaarding. In hoger beroep is door of namens de verdachte niet aangevoerd dat verdachte door de Rechtbank is veroordeeld voor andere feiten dan hem bij inleidende dagvaarding waren tenlastegelegd. Als dat het geval was geweest, had een klacht daarover voor de hand gelegen.

15. Een en ander maakt dat verdachte - naar ik met enige aarzeling zou willen verdedigen - bij zijn klacht redelijk belang mist. Het is mijns inziens mede gelet op de hiervoor vermelde opstelling van de verdediging in feitelijke aanleg niet aan redelijke twijfel onderhevig dat de door het Hof gebezigde uitdraai (waarvan de tekst overeenkomt met die van de meergenoemde vordering en kopie), de tenlastelegging weergeeft zoals die in de inleidende dagvaarding was opgenomen.

16. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] (nr. 01706/07), in welke zaak ik heden eveneens concludeer.

2 Het originele, aan de verdachte uitgereikte exemplaar is echter beslissend. Zie HR 25 mei 1993, NJ 1993, 783 m.nt. Van Veen.

3 Verdachte was destijds gedetineerd.