Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BG5476

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-01-2009
Datum publicatie
21-01-2009
Zaaknummer
01591/07 P
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BG5476
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

De schriftuur bevat geen middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Betrokkene niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 233
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01591/07 P

Mr Machielse

Zitting 25 november 2008

Conclusie inzake:

[Betrokkene = verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft op 17 januari 2007 verdachte de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 16. 979-- (zestienduizendnegenhonderdnegenenzeventig euro) ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. Verdachte heeft tijdig en regelmatig cassatie ingesteld. Mr. T.P. Klaassen, advocaat te Helden, heeft een schriftuur ingezonden.

3. De schriftuur houdt - na er op gewezen te hebben dat de Hoge Raad bij arrest van 11 december 2007(1) de uitspraak van het hof Arnhem in de bijbehorende strafzaak onder meer wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3, 5 en 7 tenlastegelegde en de strafoplegging heeft vernietigd - niet meer dan het volgende in:

"Indien het Gerechtshof te Arnhem na nieuwe behandeling tot de uitspraak komt dat het sub 3, 5, en 7 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen is te achten dan vervalt daarmee ook de grondslag voor de ontnemingsvordering en -veroordeling terzake die feiten sub 3 (32.630,=/4), 5 en 7 (7.286,=/4) en kan die veroordeling niet in stand blijven."

4. Van een middel in de zin van art. 437 lid 2 Sv kan slechts worden gesproken indien dat een (stellige en duidelijke) klacht bevat over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.(2)

Deze schriftuur bevat niets wat als een klacht in deze zin kan worden aangemerkt. De raadsman wijst de Hoge Raad er slechts op dat (een gedeelte van) het arrest in de ontnemingszaak niet in stand kan blijven indien voor de onderliggende feiten in de hoofdzaak waarover nog niet onherroepelijk is beslist, (uiteindelijk) geen veroordeling volgt.(3)

5. Wellicht ten overvloede wijs ik op art. 511i Sv:

"Een uitspraak op de vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht vervalt van rechtswege, doordat de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte, als bedoeld in art. 36e, eerste onderscheidenlijk derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat."(4)

6. Nu de verdachte niet binnen de door art. 437, tweede lid, Sv gestelde termijn door een raadsman een schriftuur met middelen van cassatie heeft doen indienen, kan de verdachte niet in het beroep worden ontvangen.

7. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 11 december 2007, LJN BB7127, nr. 00556/07.

2 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, vijfde druk, p. 85 en de daarin besproken jurisprudentie waaronder HR 13 maart 2001, NJ 2001, 296 en HR 10 juli 2001, NJ 2001, 605.

3 HR 22 oktober 2002, NJ 2003, 154.

4 Zie onder meer HR 14 april 1998, NJ 1999, 75, m. nt. Kn.