Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BG5263

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-01-2009
Datum publicatie
23-01-2009
Zaaknummer
07/11568
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BG5263
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Overeenkomstenrecht. Uitleg van een mondelinge overeenkomst; procesrecht; passeren van een (getuigen)bewijsaanbod als niet terzake dienend. (81 RO)

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 213
JWB 2009/14
Verrijkte uitspraak

Conclusie

07/11568

mr. E.B. Rank-Berenschot

Zitting: 21 november 2008

CONCLUSIE inzake:

[Eiser]

tegen

1. [Verweerster 1]

2. [Verweerster 2]

3. [Verweerster 3]

4. [Verweerder 4]

(als erfgenamen van [betrokkene 1])

Deze zaak heeft betrekking op de uitleg van een mondelinge overeenkomst uit 1980 en op het passeren van een (getuigen)bewijsaanbod.

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten(1):

Eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) was eigenaar van een perceel bollenland te [plaats], met daarin een tot de boezem van het Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: Rijnland) behorende sloot. Op 12 november 1980 heeft Rijnland aan [eiser] vergunning verleend tot het dempen van die sloot. Aan die vergunning was het volgende voorschrift verbonden:

"Als gevolg van de uitvoering en het hebben van de werken mag het boezemwater niet worden verdiept of verontreinigd; evenmin mag de doorstroming op ontoelaatbare wijze worden gehinderd of verstoord."

1.2 In 1980 is [eiser] met [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) mondeling overeengekomen dat deze om niet de sloot met puinafval zou dempen, waarbij [betrokkene 1] zich garant stelde voor een nette en vlakke aflevering, zodat de gedempte sloot als rijpad geschikt zou zijn. [Betrokkene 1] heeft de sloot in 1980 met puinafval gedempt.

1.3 [Eiser] heeft in 1996 het perceel bollenland (met inbegrip van de gedempte sloot) verkocht aan [A] B.V. (hierna: [A]), die het oog heeft op toekomstige woningbouw. In verband daarmee heeft [A] op het perceel bodemonderzoek laten uitvoeren door [B] Adviesbureau (hierna: [B]). In het op 3 januari 1997 door [B] uitgebrachte rapport is geconcludeerd dat het dempingsmateriaal van de sloot plaatselijk sterk is verontreinigd, dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en dat de locatie dient te worden gesaneerd.

1.4 Bij inleidende dagvaarding van 17 mei 1999 heeft [eiser] [betrokkene 1] gedagvaard voor de rechtbank 's-Gravenhage en gevorderd dat [betrokkene 1] zal worden veroordeeld tot vergoeding van de schade nader op te maken bij staat die [eiser] heeft geleden ten gevolge van het toerekenbaar tekortschieten dan wel onrechtmatig handelen van [betrokkene 1] (bestaande in het dempen van de sloot met verontreinigd materiaal). De rechtbank heeft deze vordering toegewezen bij haar op 20 juli 1999 bij verstek gewezen vonnis.

1.5 Tegen dit vonnis is [betrokkene 1] in verzet gekomen, waarna hij op 3 oktober 1999 is overleden. Nadien is het geding hervat door zijn erfgenamen, thans verweerders in cassatie (hierna tezamen: [verweerder] c.s.). De rechtbank heeft, na het wijzen van een tussenvonnis op 18 december 2002(2), bij vonnis van 3 maart 2004 het op 20 juli 1999 uitgesproken verstekvonnis vernietigd en het gevorderde alsnog afgewezen.

1.6 [Eiser] is van beide(3) vonnissen in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof 's-Gravenhage. Bij arrest van 14 juni 2007 heeft het hof de vonnissen waarvan beroep bekrachtigd.

1.7 [Eiser] heeft tegen dit arrest tijdig(4) beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht, waarna [eiser] nog heeft gerepliceerd en [verweerder] c.s. hebben gedupliceerd.(5)

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel is gericht tegen de rechtsoverwegingen 3 tot en met 5 en het daaruit voortvloeiende dictum. Het hof heeft het volgende overwogen:

"3. De eerste grief is gericht tegen het door de bovengenoemde rechtbank in deze zaak gewezen tussenvonnis van 18 december 2002. Het appel strekt zich dus ook uit tegen dat vonnis en [betrokkene 1] heeft dat ook zo begrepen. Met deze grief komt [eiser] op tegen het oordeel van de rechtbank dat het voor de vaststelling van de aansprakelijkheid van [betrokkene 1] van belang was of deze wist of behoorde te weten dat het door hem gebruikte puin verontreinigd was, waar het puin vandaan kwam en of [betrokkene 1] wist of behoorde te weten dat dit een ernstige verontreiniging zou (kunnen) opleveren die (wellicht) gesaneerd zou moeten worden. [eiser] voert aan dat hij, met verwijzing naar de verstrekking van de vergunning door Rijnland uitdrukkelijk met [betrokkene 1] heeft afgesproken dat deze alleen schoon puin zou gebruiken. Hij biedt daarvan bewijs aan. [Eiser] voert voorts aan dat al in 1980 bekend was wat de gevolgen waren van verontreiniging met PAK/zware metalen, en dat de rechtbank dit heeft miskend. De tweede grief valt het eindoordeel van de rechtbank aan dat de vordering dient te worden afgewezen, alsmede de daartoe leidende overwegingen. [Eiser] herhaalt daarbij enige malen dat het storten van dermate ernstig verontreinigd puin reeds in 1980 onrechtmatig was. Hij biedt daarvan bewijs aan. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4. Zelfs al zou [eiser] met [betrokkene 1] zijn overeengekomen dat deze voor het dempen van de sloot uitsluitend "schoon" puin zou gebruiken ([betrokkene 1] betwist dat), dan leidt dit niet tot de slotsom dat [betrokkene 1] toerekenbaar is tekortgeschoten. [Eiser] heeft zijn stelling immers uitdrukkelijk geplaatst tegen de achtergrond van het bovenomschreven vergunningvoorschrift van Rijnland. Dit houdt, voor zover van belang, niet meer in dan dat de gedempte sloot niet mag leiden tot verontreiniging van het boezemwater. De door [eiser] overgelegde rapporten van [B] bevatten geen enkele informatie waaruit volgt dat de in het dempingsmateriaal aangetroffen bodemverontreiniging leidt tot de door Rijnland verboden verontreiniging van de boezem; ander bewijs daarvan is niet in de stukken te vinden en wordt door [eiser] ook niet aangeboden. Dat boezemverontreiniging niet zal optreden volgt ook uit de in het [B]-rapport opgenomen interpretatie (blz. 11) dat uit de resultaten van het uitloogonderzoek blijkt dat de verontreinigingen niet noemenswaardig uitlogen. Het door [eiser] aangeboden bewijs betreffende de overeenkomst met [betrokkene 1] is dus niet van belang voor een door het hof te nemen beslissing. Het hof zal dit bewijsaanbod daarom passeren.

5. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de vraag of [betrokkene 1] door het storten van het litigieuze materiaal als opdrachtnemer onzorgvuldig heeft gehandeld en uit dien hoofde wanprestatie dan wel een onrechtmatige daad heeft gepleegd, dient te worden beoordeeld naar de ten tijde van de uitvoering van de overeenkomst geldende maatstaven. [Eiser] heeft dat ook in hoger beroep betwist, stellende dat die beoordeling dient plaats te vinden naar de maatstaven van vandaag, maar hij heeft deze stelling niet onderbouwd en het hof ziet daartoe ook overigens geen aanleiding. De rechtbank heeft [eiser] in de gelegenheid gesteld aan te geven welke maatstaven in 1980 golden voor de vraag of sprake was van schoon puin of niet. In haar eindvonnis is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat [eiser] van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt en eveneens heeft nagelaten enige stelling te ontwikkelen omtrent wat destijds gebruikelijk was in werken als de onderhavige. Op deze grond heeft de rechtbank geoordeeld dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat [betrokkene 1] destijds als opdrachtnemer onzorgvuldig heeft gehandeld. Voor zover [eiser] tegen dit oordeel heeft gegriefd had het op zijn weg gelegen zijn stelling in hoger beroep wel te onderbouwen. Hij heeft evenwel ook het hof volstrekt in het ongewisse gelaten over het antwoord op de vraag welke eisen in 1980 aan het materiaal voor demping van een (na demping als rijpad te gebruiken) sloot in een perceel bollengrond werden gesteld. Hij heeft volstaan met het enige malen herhalen (telkens in iets andere bewoordingen) van zijn stelling dat het dempingsmateriaal ook naar de maatstaven van 1980 niet aan de eisen voldeed. Het hof acht dit onvoldoende om [eiser] nog toe te laten tot door hem op dit punt aangeboden bewijs."

2.2 Onderdeel 1, dat bestaat uit verscheidene (gedeeltelijk ongenummerde) subonderdelen, heeft betrekking op (het bewijsaanbod omtrent) de "overeenkomst tot het storten van schoon puin" en is gericht tegen rechtsoverweging 4.(6)

2.3 Dit onderdeel moet worden gelezen in het licht van het navolgende. [Eiser] heeft in de eerste plaats aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij - hetgeen [betrokkene 1] betwist (rov. 4 hof) - uitdrukkelijk met [betrokkene 1] heeft afgesproken dat deze voor het dempen van de sloot alleen schoon puin zou gebruiken. [Eiser] heeft van die afspraak bewijs aangeboden (rov. 3 hof). Het hof heeft - er veronderstellenderwijs van uitgaande dat partijen zijn overeengekomen dat [betrokkene 1] voor het dempen van de sloot schoon puin zou gebruiken - overwogen dat dit niet leidt tot de slotsom dat [betrokkene 1] toerekenbaar is tekortgeschoten. Daartoe heeft het hof overwogen dat [eiser] zelf deze stelling uitdrukkelijk heeft geplaatst tegen de achtergrond van het vergunningvoorschrift van Rijnland (hierboven weergegeven onder 1.1). Dit voorschrift houdt volgens het hof niet meer in dan dat de gedempte sloot niet mag leiden tot verontreiniging van het boezemwater. Nu volgens het hof van een dergelijke verontreiniging niet is gebleken, oordeelt het hof het bewijsaanbod betreffende de overeenkomst niet relevant.

2.4 Allereerst wordt geklaagd dat de door het hof gevolgde uitleg van de (veronderstelde) overeenkomst tussen partijen, inhoudende dat het alleen maar ging om puin dat niet het water in de boezem zou verontreinigen, ongeacht of het puin nu schoon of vervuild was, rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk gemotiveerd is. Volgens de klacht heeft het hof miskend dat uitleg van overeenkomsten geschiedt overeenkomstig de zogenaamde Haviltex-formule en niet zozeer op grond van de letterlijke tekst daarvan. Het hof is ten onrechte niet ingegaan op de stellingen van [eiser] over het verloop van de onderhandelingen en het door partijen naar de stellingen van [eiser] met de overeenkomst beoogde doel.(7)

2.5 Deze klacht faalt, reeds omdat zij niet voldoet aan de daaraan ingevolge art. 407 lid 2 Rv. te stellen eisen. Om welke concrete stellingen van [eiser] het gaat en waar die stellingen precies in de gedingstukken staan, is immers niet vermeld. Voor zover in dit verband wordt verwezen naar 'essentiële stellingen'(8) van [eiser] geldt hetzelfde: een blote verwijzing naar de memorie van grieven onder 2, 4, 11, 12, 13 en 15 is onvoldoende. Voor zover met de klacht wordt gedoeld op de stellingen van [eiser] dat bij de afspraak is verwezen naar de vergunning en dat [betrokkene 1] op de hoogte was van de door Rijnland gestelde eisen(9), mist deze feitelijke grondslag. Het hof heeft immers het vergunningvoorschrift uitdrukkelijk in zijn uitleg betrokken.

2.6 Daarnaast wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat de taalkundige betekenis in de overeenkomst tussen partijen van "schoon puin" voor het dempen van de sloot weliswaar niet doorslaggevend, maar ook niet zonder betekenis is, althans zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de taalkundige betekenis van "schoon puin" , mede waar dat expliciet is afgesproken. Subsidiair is een motiveringsklacht toegevoegd.(10) Ter toelichting is in dit verband betoogd (kort samengevat) dat blijkens rov. 4 in de visie van het hof het storten van vervuild puin in de sloot op grond van de overeenkomst was toegestaan, zolang het puin maar niet het water van de boezem vervuilde. Uit haar aard zal een gedempte sloot die haaks op de boezem staat echter niet in aanraking komen met water uit de boezem, zodat het beding tot gebruik van "schoon puin" in de uitleg van het hof (te weten: "puin dat de Leidse Vaart niet vervuilt") zinledig is. Die uitleg is dan ook in strijd met het uitdrukkelijk taalgebruik in de overeenkomst, aldus de klacht.(11)

2.7 Vooropgesteld kan worden dat het, evenals dit ten aanzien van schriftelijk vastgelegde overeenkomsten het geval is, voor de uitleg van een bepaling in een mondelinge overeenkomst aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.(12) In deze maatstaf ligt besloten dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, meer of minder relatief gewicht kan worden gehecht aan objectieve aanknopingspunten - zoals de taalkundige betekenis - respectievelijk de subjectieve betekenis die partijen zelf aan de bewoordingen mogen toekennen.(13) Daarbij is het aan de rechter om, teneinde niet buiten de rechtsstrijd te treden, de door ieder van partijen ter adstructie van de door haar voorgestane uitleg aangevoerde feiten en omstandigheden te wegen. Hij kan op deze wijze ook tot een uitleg komen die geen van partijen heeft verdedigd.(14)

2.8 Uit de overwegingen van het hof kan niet worden afgeleid dat het hof voormelde uitlegregel heeft miskend. Het heeft mede acht geslagen op de door [eiser] zelf aangevoerde omstandigheid dat bij de gestelde afspraak omtrent het gebruik van schoon puin verwezen is naar het vergunningvoorschrift en dat [betrokkene 1] dit kende. Voor het overige is de uitleg van de bepaling voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en kan deze in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. De enkele gestelde omstandigheid dat de door het hof gevolgde uitleg de bepaling in dit concrete geval zinledig maakt brengt niet mee - wat er zij van de juistheid van die stelling - dat het oordeel van het hof niet begrijpelijk is. De klacht faalt.

2.9 Voorts wordt geklaagd dat het hof ten onrechte geen rekening heeft gehouden met "de achtergrond van de aard van het beding en of de overeenkomst waarin het voorkomt".(15) Betoogd wordt dat de aard van de overeenkomst met een professioneel grondbedrijf om 1.600 ton puin te storten in land dat steeds verder weg loopt van de waterkant, zich tegen de door het hof gevolgde uitleg verzet.(16)

2.10 Deze klacht, die verder niet is toegelicht(17), faalt nu zij niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

2.11 Verder wordt geklaagd dat 's hofs uitleg onbegrijpelijk is waar het hof niet althans onvoldoende rekening houdt met de zorgplicht om de bodem niet te verontreinigen.(18) Die uitleg laat, aldus de klacht, een onrechtmatige daad toe, bestaande in het storten van voor de gezondheid van mens en dier zeer gevaarlijk puin, wanneer het maar niet het water in de boezem beïnvloedt.(19) Deze klacht ziet eraan voorbij dat het er thans slechts om gaat om, in het kader van de primaire grondslag van de vordering - de afspraak omtrent het gebruik van schoon puin - , vast te stellen waartoe [betrokkene 1] zich jegens [eiser] heeft verbonden. Dit laat onverlet dat, zoals naar aanleiding van de subsidiaire grondslag ter beoordeling is voorgelegd, door [betrokkene 1] mogelijk ook afgezien van die afspraak tekort is geschoten of onrechtmatig is gehandeld. De klacht faalt derhalve.

2.12 Ook wordt geklaagd dat het hof [eiser] ten onrechte niet heeft toegelaten tot het leveren van bewijs conform zijn aanbod daartoe althans een verboden prognose heeft gemaakt ten aanzien van de uitkomst van het te leveren bewijs.(20)

2.13 Het bewijsaanbod van [eiser] had uitsluitend betrekking op de mondelinge overeenkomst dat [betrokkene 1] schoon puin zou gebruiken bij het dempen van de sloot. Zoals gezegd, is het hof bij de beoordeling veronderstellenderwijs van het bestaan van een dergelijke overeenkomst uitgegaan, maar heeft het de vordering op andere gronden niet toewijsbaar geoordeeld. Het hof kon dit bewijsaanbod derhalve als zijnde niet relevant passeren. Er is dan ook geen sprake van een verboden prognose. De klacht faalt.

2.14 Tenslotte wordt nog geklaagd dat het hof heeft miskend dat de rechter ambtshalve de rechtsgronden aanvult alsmede dat, indien het hof voorgaande rechtsregels niet heeft miskend, het hof niet althans onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe het die regels heeft toegepast.(21)

2.15 Deze klachten, die verder niet zijn toegelicht, voldoen niet aan de daaraan te stellen eisen en falen mitsdien.

2.16 Onderdeel 2 heeft betrekking op de "zorgvuldigheidsnormen uit 1980-1981 ten aanzien van storten van niet verontreinigd ("schoon") puin respectievelijk om niet de bodem te vervuilen" en is gericht tegen rechtsoverweging 5.(22) Het onderdeel valt uiteen in verscheidene subonderdelen.

2.17 Geklaagd wordt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat op [eiser] een stelplicht rust ten aanzien van "wat destijds gebruikelijk was in werken als de onderhavige" en van "welke eisen in 1980 aan het materiaal voor demping van een (na demping als rijpad te gebruiken) sloot in bollengrond werden gesteld"; het hof heeft te hoge eisen gesteld aan de op [eiser] rustende stelplicht, aldus de klacht.(23)

2.18 Voor zover deze klacht, die niet nader is toegelicht, al voldoet aan de daaraan te stellen eisen, valt niet in te zien dat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht van [eiser]. Het hof heeft in rov. 5 - in cassatie niet bestreden - met betrekking tot de subsidiaire grondslag tot uitgangspunt genomen dat de vraag of [betrokkene 1] door het storten van het litigieuze materiaal als opdrachtnemer onzorgvuldig heeft gehandeld en uit dien hoofde wanprestatie dan wel een onrechtmatige daad heeft gepleegd, dient te worden beoordeeld naar de ten tijde van de uitvoering van de overeenkomst geldende maatstaven. Het hof heeft in dit verband terecht geoordeeld dat het op de weg van [eiser] lag feiten en omstandigheden te stellen (onder meer) met betrekking tot de vraag welke eisen in 1980 aan het materiaal voor demping van een (na demping als rijpad te gebruiken) sloot in bollengrond werden gesteld. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de stelplicht. De klacht faalt.

2.19 Voorts wordt geklaagd dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld ten aanzien van de maatstaven van zorgvuldigheid ten aanzien van het storten van al dan niet verontreinigd puin.(24)

2.20 Voor zover met deze klacht wordt betoogd dat het hof ten onrechte, althans op onbegrijpelijke wijze heeft geoordeeld dat [eiser], door (bijvoorbeeld) niet aan te geven welke eisen in 1980 aan het materiaal voor demping van een sloot werden gesteld, onvoldoende heeft onderbouwd dat [betrokkene 1] onzorgvuldig heeft gehandeld, stuit zij af op het hiervoor onder 2.18 gestelde. Voor het overige voldoet deze klacht, die niet is toegelicht, niet aan de daaraan te stellen eisen. Zij faalt derhalve.

2.21 Ook wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat de rechter zélf het recht invult en de maatstaven bepaalt ten aanzien van de normen van zorgvuldigheid; de maatstaf van zorgvuldigheid waaraan had moeten worden voldaan in 1981 wordt niet door partijen vastgesteld. Het hof heeft ten onrechte nagelaten zelf de maatstaven aan te geven en/of aan te vullen waaraan een zorgvuldig handelend opdrachtnemer respectievelijk een willekeurige 'storter van puin' zich diende te houden in 1980-1981. Het hof heeft miskend dat milieuproblematiek al voor 1980 een probleem was en dat bekend was dat zware metalen en stoffen als PAK een grote rol speelden bij vervuiling van de bodem.(25)

2.22 De rechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan (art. 25 Rv.). Partijen dienen echter zelf feiten en omstandigheden aan te voeren ter onderbouwing van hun vordering (art. 24 Rv.). De klacht miskent dat de vraag of [betrokkene 1] als opdrachtnemer onzorgvuldig heeft gehandeld en uit dien hoofde tekort is geschoten dan wel onrechtmatig heeft gehandeld, afhangt van de feiten en omstandigheden van het geval, waaronder de eventuele feitelijke overtreding van geldende wet- en regelgeving. Het had dan ook op de weg van [eiser] gelegen zijn stelling dat het materiaal dat [betrokkene 1] heeft gebruikt voor demping van de sloot ook naar de maatstaven van 1980 niet aan de eisen voldeed, nader met feiten en omstandigheden te onderbouwen. Eerst wanneer die stelling voldoende feitelijk is onderbouwd, kan de rechter de juridische grondslag van de vordering zonodig aanvullen en beoordelen of de vordering op die grondslag toewijsbaar is. Door te oordelen dat in dit geval niet is voldaan aan de stelplicht met betrekking tot de destijds geldende eisen heeft het hof een en ander niet miskend. De klacht faalt.

2.23 Voorts wordt geklaagd dat het hof [eiser] ten onrechte niet heeft toegelaten tot het leveren van bewijs overeenkomstig zijn bij memorie van grieven sub 18 gedane aanbod daartoe althans een verboden prognose heeft gedaan ten aanzien van de uitkomst van het te leveren bewijs. Het gaat hier kennelijk om het aanbod te bewijzen dat de aangetroffen verontreiniging in strijd was met de in 1980 geldende milieuwet- en -regelgeving, dat in 1980 reeds bekend was wat de gevolgen waren van een verontreiniging met PAK/zware metalen, en dat bekend was dat voor een toekomstige eigenaar van de grond een saneringsverplichting hieruit zou kunnen voortvloeien.

2.24 Ook deze klacht faalt. [eiser] is door de rechtbank bij tussenvonnis van 18 december 2002 en in het proces-verbaal van comparitie van 30 januari 2003 uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld aan te geven welke maatstaven in 1980 golden voor de vraag of sprake was van schoon puin of niet.(26) [Eiser] heeft van deze gelegenheid om zijn stellingen aan te vullen geen gebruik gemaakt en heeft nagelaten enige stelling te ontwikkelen omtrent wat destijds gebruikelijk was, waarna de rechtbank heeft geoordeeld dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat [betrokkene 1] destijds als opdrachtnemer onzorgvuldig heeft gehandeld. Voor zover [eiser] tegen dit oordeel van de rechtbank al een grief heeft gericht(27), had het op zijn weg gelegen bij memorie van grieven wél zijn stelling op dit punt te onderbouwen. [eiser] heeft dit echter nagelaten. Het hof is (kennelijk) van oordeel dat [eiser] - door het hof "volstrekt in het ongewisse" te laten - niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Onder deze omstandigheden mocht het hof voorbij gaan aan het (getuigen)bewijsaanbod van [eiser]. Van een ongeoorloofde prognose is geen sprake.

2.25 Tenslotte wordt nog geklaagd dat het hof heeft miskend dat de rechter ambtshalve de rechtsgronden aanvult alsmede dat, indien het hof voorgaande rechtsregels niet heeft miskend, het hof onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe het die regels heeft toegepast althans zijn oordeel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, mede gelet op de essentiële stellingen van [eiser], waarop het hof ten onrechte niet (voldoende) is ingegaan.(28)

2.26 Nu zij niet nader zijn toegelicht, voldoen deze klachten niet aan de daaraan te stellen eisen. Zij falen derhalve.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het arrest van het hof 's-Gravenhage van 14 juni 2007 onder 1.1 tot en met 1.3 in verbinding met het tussenvonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 december 2002 onder 1a tot en met 1c.

2 Op het zich in het A-dossier bevindende vonnis zijn aantekeningen gemaakt.

3 In de appeldagvaarding is uitsluitend het vonnis van 3 maart 2004 genoemd. De eerste grief is echter gericht tegen het tussenvonnis van 18 december 2002. Het appel strekt zich dus ook uit tegen dat vonnis en [verweerder] c.s. hebben dat ook zo begrepen, aldus het hof in rov. 3.

4 De cassatiedagvaarding is op 14 september 2007 uitgebracht.

5 In het B-dossier ontbreekt de conclusie van repliek.

6 Zie de cassatiedagvaarding onder 7 tot en met 13.

7 Cassatiedagvaarding onder 7, 1e en 2e alinea.

8 Cassatiedagvaarding onder 13.

9 Memorie van grieven onder 2 resp. 11.

10 Cassatiedagvaarding onder 7, 3e alinea.

11 Cassatiedagvaarding onder 8.

12 Vgl. HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 m.nt. CJHB.

13 Asser-Hartkamp 4-II (2005), nr. 286a; HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493 m.nt. C.E. du Perron (rov. 4.4).

14 Asser-Hartkamp 4-II (2005), nr. 288; T.F.E. Tjong Tjin Tai, Bewijs van de (inhoud van de) overeenkomst, NJB 2008, p. 813; R.P.J.L. Tjittes, CJHB (Brunner Bundel) (1994), p. 413 e.v.; HR 23 juni 1995, NJ 1996, 566 m.nt. HJS (rov. 3.4.3).

15 Cassatiedagvaarding onder 7, 4e alinea.

16 Cassatiedagvaarding onder 8.

17 Behoudens een blote verwijzing naar HR 1 juli 1985, NJ 1986, 692.

18 Cassatiedagvaarding onder 7, 5e alinea.

19 Cassatiedagvaarding onder 9.

20 Cassatiedagvaarding onder 10.

21 Cassatiedagvaarding onder 11 en 12.

22 Zie de cassatiedagvaarding onder 14 tot en met 24.

23 Cassatiedagvaarding onder 16 en 20.

24 Cassatiedagvaarding onder 17.

25 Cassatiedagvaarding onder 18 en 19.

26 Zie het tussenvonnis van de rechtbank van 18 december 2002 onder 7, 3e liggende streepje resp. het proces-verbaal van comparitie d.d. 30 januari 2003, p. 2, voorlaatste liggend streepje, in verbinding met rov. 5 (hof).

27 Zie rov. 5 (hof).

28 Cassatiedagvaarding onder 22 tot en met 24. Wat betreft de 'essentiële stellingen' wordt, zonder enige toelichting, verwezen naar de memorie van grieven onder 4 en 11 tot en met 15.