Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BG5072

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-01-2009
Datum publicatie
23-01-2009
Zaaknummer
08/00250
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2007:BB8986
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BG5072
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Procesrecht; geschil over de mogelijkheid van optreden als belanghebbende door vennootschap in een procedure over de vaststelling van partner- en kinderalimentatie. (81 RO)

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2009, 41
RvdW 2009, 209
JWB 2009/10
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/00250

Mr. E.M. Wesseling-van Gent

Parket, 21 november 2008

Conclusie inzake:

Pink & Nelson B.V.

tegen

[De vrouw]

In deze zaak gaat het om de vraag of de vennootschap, die stelt belang te hebben bij de vaststelling van de alimentatie, zich als belanghebbende kan voegen in de echtscheidingsprocedure.

1. Feiten en procesverloop(1)

1.1 Op 3 oktober 2006 is ter griffie van de rechtbank 's-Gravenhage van verzoekster tot cassatie, de vennootschap, een verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift ingekomen in de echtscheidingsprocedure tussen de man en verweerster in cassatie, hierna: de vrouw.

Daarbij heeft de vennootschap verzocht de door de vrouw ingediende verzoeken tot vaststelling van kinder- en partneralimentatie af te wijzen en de kinderalimentatie vast te stellen op een bedrag van € 250,- per maand per kind en de partneralimentatie op € 3.010,- bruto per maand.

1.2 De vennootschap heeft aan haar verweerschrift tevens zelfstandig verzoek ten grondslag gelegd dat zij als belanghebbende op grond van art. 282 Rv. een verweerschrift kan indienen. Haar belang bij de vaststelling van de alimentatie is volgens de vennootschap erin gelegen dat de man om een verhoging van de managementfee of het uitkeren van dividend zal moeten vragen, teneinde te kunnen voldoen aan de door de vrouw verzochte bedragen, hetgeen niet in het belang van de vennootschap is. De onderhavige echtscheidingsprocedure heeft volgens de vennootschap dan ook rechtstreeks betrekking op haar rechten en verplichtingen, aldus de vennootschap.

1.3 Op 10 oktober 2006 is de zaak ter terechtzitting van de rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn procureur, de vrouw met haar advocaat en de vennootschap - vertegenwoordigd door haar bestuurder, [betrokkene 1] - met procureur. De vrouw heeft zich tijdens de mondelinge behandeling ertegen verzet dat de vennootschap als belanghebbende wordt ontvangen; de man heeft zich terzake aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

1.4 Bij beschikking van 10 oktober 2006 heeft de rechtbank de vennootschap niet-ontvankelijk verklaard.

1.5 De vennootschap is, onder aanvoering van twee grieven, van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage en heeft daarbij verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat zij ontvankelijk is in haar verweer en zelfstandig verzoek als in die procedures bij verweer- en verzoekschrift van 3 oktober 2006 verwoord, en opnieuw rechtdoende een partner- en kinderalimentatie ten laste van de man vast te stellen, rekening houdend met de draagkracht van de man en berekend naar zijn huidige inkomen van € 150.000,- bruto per jaar, althans de partneralimentatie vast te stellen op een bedrag van € 3.010,- per maand en de alimentatie ten behoeve van de kinderen op € 250,- per maand per kind; danwel (subsidiair) te bepalen dat zij ontvankelijk is in haar verweer en zelfstandig verzoek als in die procedures bij verweer- en verzoekschrift van 3 oktober 2006 verwoord, en te bepalen dat zij alsnog moet worden toegelaten tot de tussen de vrouw en de man aanhangige procedure(s), opdat de rechtbank bij de vaststelling van de partner- en kinderalimentatie ten gunste van de vrouw en ten laste van de man rekening kan houden met het door haar ingestelde verweer en gedane verzoek.

1.6 Noch de man, noch de vrouw heeft een verweerschrift ingediend.

1.7 Het hof heeft de zaak op 5 september 2007 behandeld. Verschenen zijn: namens de vennootschap mr. J.A. Dullaart, en de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. Dr. J.H. van Gelderen. Namens de vrouw is verschenen: mr. C.L.M. Smeets. De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

1.8 Bij beschikking van 17 oktober 2007 heeft het hof de bestreden beschikking bekrachtigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

1.9 De vennootschap heeft tegen deze beschikking tijdig(2) cassatieberoep ingesteld.

De vrouw noch de man heeft verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het middel bevat twee onderdelen (en diverse subonderdelen) en is gericht tegen de rechtsoverwegingen 6, 7 en 8 van de beschikking, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

"6. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de vraag of de vennootschap als belanghebbende in de echtscheidingsprocedure tussen de man en de vrouw kan worden aangemerkt, beantwoord dient te worden aan de hand van (analogische) uitleg van artikel 798 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel 798 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verstaat onder belanghebbende degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Het hof is van oordeel dat in het geschil tussen de man en de vrouw de vennootschap niet kan worden aangemerkt als een partij op wiens rechten of verplichtingen de echtscheidingsprocedure tussen de man en de vrouw rechtstreeks betrekking heeft. Naar het oordeel van het hof gaat het in de echtscheidingsprocedure niet over de rechten of verplichtingen van de vennootschap, maar om die van de man en de vrouw (en hun kinderen). Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de alimentatiebeslissing geen (directe) gevolgen voor de vennootschap heeft; de vennootschap kan in staat worden geacht haar eigen financiële belang te bepalen.

7. Uit het vorenstaande volgt dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

8. Hetgeen partijen overigens nog naar voren hebben gebracht, behoeft in het licht van het vorenoverwogene geen bespreking meer, omdat dit niet tot een ander oordeel kan leiden."

2.2 Kern van het eerste middelonderdeel is dat het hof de vennootschap ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, niet als belanghebbende heeft aangemerkt. Daarbij heeft het hof primair blijk gegeven van een onjuiste rechtstoepassing door art. 282 lid 1 en 4 Rv. (kennelijk) buiten toepassing te laten. Subsidiair heeft volgens het middel te gelden dat indien de alimentatieprocedure wel als echtscheidingsprocedure dient te worden aangemerkt, art. 798 lid 1 Rv. niet (analoog) behoort te worden toegepast, omdat dat artikel niet in de tweede maar in de eerste Afdeling van Titel 6 van Boek 3 Rv. is opgenomen en de tweede Titel dat artikel ook niet expliciet of impliciet van toepassing verklaart. Het hof heeft voorts miskend dat enerzijds de vennootschap in materieel opzicht de enige bron van inkomsten van de man is en anderzijds, en formeel, een zelfstandige entiteit met een veelheid van rechten en plichten (juist en ook) ten opzichte van anderen, niet-zijnde de man, heeft, zodat de rechten en verplichtingen van de vennootschap rechtstreeks betrokken zijn.

2.3 Het onderdeel faalt.

Art. 282 Rv. bepaalt in de eerste volzin van het eerste lid dat iedere belanghebbende tot de aanvang van de behandeling of, indien de rechter dit toestaat, in de loop van de behandeling een verweerschrift kan indienen. Het artikel komt grotendeels overeen met art. 429h Rv. oud(3).

2.4 Het oude noch het vernieuwde wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geeft een nadere bepaling van het begrip belanghebbende. Uit de conclusie van A-G Mok vóór HR 4 maart 1988, NJ 1989, 628 blijkt in ieder geval dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de twaalfde titel van Boek 1 (oud) - waarvan art. 429h onderdeel uitmaakte - kan worden afgeleid dat de wetgever een zeer ruim belanghebbendebegrip voor ogen heeft gestaan(4).

2.5 In zijn beschikking van 25 oktober 1991, NJ 1992, 149 m.nt. Ma heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in de wet niet in het algemeen is aangegeven wie tot de belanghebbende in de zin van deze bepaling zijn te rekenen, maar dat dat voor ieder type verzoekschriftprocedure uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen moet worden afgeleid.

2.6 Boekman meent dat in deze uitspraak van de Hoge Raad, hoewel toegesneden op het rechtspersonenrecht, de essentie van de aan te leggen maatstaf voor het begrip belanghebbende is te vinden: de belanghebbende moet een eigen recht hebben, hetzij uit hoofde van zijn functie, hetzij omdat een eigen recht dreigt te worden geschonden(5).

Volgens Asser is iemand belanghebbende wanneer hij zodanig in een eigen belang wordt getroffen door de eventuele uitkomst van het proces dat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang(6). In het voetspoor van deze schrijvers heeft de Hoge Raad in zijn beschikkingen van 6 juni 2003, NJ 2003, 486 en 10 november 2006, NJ 2007, 45 geoordeeld dat bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, een rol zal spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure aan de orde is, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.

2.7 Een definitie van het begrip 'belanghebbende' is wel gegeven in het per 1 april 1995 in werking getreden nieuwe procesrecht in zaken van personen- en familierecht. Art. 798 lid 1 Rv. bepaalt dat voor de toepassing van dit recht (in andere dan echtscheidingszaken) onder belanghebbende moet worden verstaan 'degene op wiens rechten en verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft'. Dit impliceert, zo is in de Memorie van Toelichting opgenomen, dat niet iedereen die pretendeert een belang in de zin van betrokkenheid bij (sympathie voor) de zaak te hebben ook in de procedure als belanghebbende zal worden erkend(7).

2.8 Het in art. 798 Rv. gegeven beoordelingscriterium komt m.i. in hoge mate overeen met hetgeen de Hoge Raad in zijn hiervoor geciteerde beschikkingen heeft geoordeeld over het begrip 'belanghebbende'. De door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf 'in eigen belang getroffen worden' geeft de feitelijke rechter, zo lijkt het mij, iets meer ruimte voor feitelijke invulling dan bij het begrip 'rechtstreeks', maar verschilt daarvan niet wezenlijk.

2.9 Gelet op het door het hof in de bestreden beschikking onder 6 overwogene dat het in de echtscheidingsprocedure tussen de man en de vrouw niet over de rechten en verplichtingen van de vennootschap gaat, stuit het eerste middelonderdeel reeds op het voorgaande af.

2.10 Ik wijs daarnaast op het volgende.

In de Memorie van Toelichting op art. 798 Rv. is opgenomen dat het begrip belanghebbende in de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure als het een zaak van personen- en familierecht betreft, op de wijze als in artikel 798 lid 1 is bepaald, zal moet worden geïnterpreteerd(8). Nu het hier een echtscheidingsprocedure betreft in welk kader als nevenvoorziening de alimentatie aan de orde is, heeft het hof terecht overwogen dat de vraag of de vennootschap als belanghebbende in de echtscheidingsprocedure tussen de man en de vrouw kan worden aangemerkt, beantwoord dient te worden aan de hand van (analogische) uitleg van artikel 798 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

2.11 Anders dan onderdeel 2 betoogt heeft de vennootschap geen rechtstreeks belang bij de procedure. Het feit dat de man aandeelhouder en bestuurder van Nijenhorst Ventures B.V. is, die op haar beurt 90% aandeelhouder is van de vennootschap, betekent hooguit dat de vennootschap een indirect belang heeft. De klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de vennootschap haar eigen financiële belang kan bepalen, is in tegenspraak met hetgeen de vennootschap zelf in haar verweerschrift, tevens zelfstandig verzoekschrift heeft gesteld, te weten dat ze zich tegen verdere opnames van de man zal verzetten.

Ook jegens de vrouw heeft de vennootschap geen rechtstreekse rechten en verplichtingen, zodat tevens in dat opzicht de vennootschap niet als rechtstreeks belanghebbende kan worden gezien. Het tweede onderdeel faalt mitsdien.

2.12 Nu in deze zaak geen vragen worden opgeworpen die in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoording behoeven, kan het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO worden afgedaan.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Voor zover van belang. Zie de beschikking van de rechtbank van 10 oktober 2006 onder procedure, waarnaar ook het hof verwijst.

2 Het cassatieverzoekschrift is op 17 januari 2008 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.

3 Burgerlijke Rechtsvordering, Schaafsma-Beversluis, art. 282, aant. 1.

4 Zie ook Burgerlijke Rechtsvordering (oud),Wesseling-van Gent, art. 429f, aant. 8 en art. 429h, aant. 3.

5 S. Boekman, De verzoekschriftprocedure, 1996, p. 9-15.

6 W.D.H. Asser, 'Partijbegrip en binding van uitspraken', in: Rechtspleging in het ondernemingsrecht, 1997, p. 59-61.

7 Kamerstukken II, vergaderjaar 1991-1992, 22 487, nr. 3, p. 6.

8 Kamerstukken II, vergaderjaar 1991-1992, 22 487, nr 3, p. 8.