Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BG5048

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-01-2009
Datum publicatie
16-01-2009
Zaaknummer
08/04437
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BG5048
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bopz; voorwaardelijke machtiging; aan behandelingsplan te stellen eisen (art. 14a lid 5 nieuw); verwachting omtrent naleving van de voorwaarden, zelfstandig onderzoek rechter; kennisneming van gegevens en verklaringen van anderen dan de behandelaar, hoor en wederhoor (art. 19 Rv).

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 14a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 437 met annotatie van J. Legemaate
RFR 2009, 28
RvdW 2009, 185
NJB 2009, 242
BJ 2009/7 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/04437

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Parket, 14 november 2008

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

tegen

Officier van justitie te Utrecht

In deze Bopz-zaak is een voorwaardelijke machtiging verleend. Het cassatiemiddel heeft betrekking op de vereiste passage in het behandelingsplan als bedoeld in art. 14a lid 5 Wet Bopz.

1. Feiten en procesverloop(1)

1.1 Verzoeker tot cassatie, hierna: betrokkene, woont en verblijft in een asielzoekerscentrum in Leusden. Bij beschikking van 29 februari 2008 is ten aanzien van betrokkene een voorlopige machtiging voor de duur van zes maanden gegeven, waaruit hem voorwaardelijk ontslag is verleend.

1.2 Bij inleidend verzoekschrift van 25 juli 2008 heeft de officier van justitie de rechtbank Utrecht verzocht ten aanzien van betrokkene een voorwaardelijke machtiging te verlenen. Bij het verzoekschrift waren de geneeskundige verklaring, het behandelingsplan en de voortgangsaantekeningen gevoegd.

1.3 De rechtbank heeft het verzoek op 19 augustus 2008 mondeling behandeld in aanwezigheid van betrokkene, zijn raadsvrouw, een tolk in de taal Farsi en een ambulant verpleegkundige en de behandeling vervolgens aangehouden teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een nieuw geactualiseerd en op het onderhavige verzoek gericht behandelingsplan over te leggen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de behandelend psychiater bij de vervolgzitting aanwezig dient te zijn(2).

1.4 Het geactualiseerde behandelingsplan van 25 augustus 2008 is bij fax van 2 september 2008 door de officier van justitie aan de rechtbank overgelegd.

1.5 Op 8 september 2008 is de mondelinge behandeling voortgezet, waarbij de bij de eerste behandeling aanwezige personen zijn verschenen, alsmede [betrokkene 1], psychiater.

1.6 Bij beschikking van 15 september 2008 heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend voor de duur van zes maanden (ingaande op 15 september 2008 en eindigende op 15 maart 2009) onder de voorwaarde dat betrokkene zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het behandelingsplan van 25 augustus 2008.

1.7 Namens betrokkene is tijdig(3) beroep in cassatie ingesteld.

In cassatie is geen verweer gevoerd(4).

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het middel is gericht tegen de laatste alinea op pagina twee van de beschikking en de eerste alinea op pagina drie, waarin de rechtbank als volgt heeft geoordeeld:

"De rechtbank heeft vastgesteld dat het overgelegde, op 25 augustus 2008 gedateerde, behandelingsplan is opgesteld door de behandelaar na overleg met de betrokkene. Het behandelingsplan vermeldt een voorstel voor de aan de voorwaardelijke machtiging te verbinden voorwaarden, te weten dat hij zich onder behandeling stelt van de behandelaar, overeenkomstig het behandelingsplan en met inachtneming van de volgende, ter zitting nader toegelichte, voorwaarden:

- betrokkene zal zich houden aan zijn medicatievoorschrift,

- betrokkene zal de bezoek- en controleafspraken met zijn psychiater en sturend behandelaar nakomen,

- betrokkene zal, indien zijn behandelend psychiater of sturend behandelaar dit nodig acht, meewerken aan spiegelbepalingen in het bloed van de gebruikte medicatie, ter controle van de medicatie inname, en meewerken aan screening van urine en/of bloed o[f] drugsgebruik.

- betrokkene zal minderen met het gebruik van cannabis.

Het behandelingsplan vermeldt dat betrokkene a[kk]oord is gegaan met deze voorwaarden en deze heeft ondertekend, maar dit is niet gebleken.

In tegendeel, uit het behandelingsplan en wat er ter zitting naar voren is gebracht, blijkt dat betrokkene zich niet [kan] vinden in het medicatievoorschrift. Kennelijk is in het behandelingsplan bedoeld dat, op grond van het feit dat betrokkene zich in het kader van het voorwaardelijk ontslag uit de bij beschikking van 29 februari 2008 verleende voorlopige rechte[r]lijke machtiging heeft gehouden aan de daaraan gestelde, gelijkluidende, voorwaarden, redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarde dat hij zich overeenkomstig het overgelegde behandelingsplan onder behandeling stelt, ook zal naleven.

De rechtbank neemt in overweging dat, hoewel betrokkene aangeeft dat behandeling niet meer nodig is en dat hij geen medicatie meer wil gebruiken, hij toch, weliswaar onder protest, tot op heden steeds heeft meegewerkt aan zijn behandeling, en in dat kader ook enkele malen aan het toedienen van de depotmedicatie, en bovendien heeft voldaan aan de overige voorgestelde voorwaarden. Omdat er geen aanwijzingen zijn van het tegendeel, is daarom redelijkerwijs aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden ook in het kader van de onderhavige voorwaardelijke machtiging zal naleven."

2.2 Het middel klaagt dat de beslissing van de rechtbank onjuist, althans onbegrijpelijk of niet naar de eisen der wet met redenen is omkleed, nu aan de door de rechtbank afgegeven voorwaardelijke machtiging geen behandelingsplan ten grondslag ligt dat aan de wettelijke vereisten van art. 14a lid 5 Wet Bopz voldoet, zoals luidend met ingang van 1 juni 2008. In het behandelingsplan staat enerzijds dat betrokkene akkoord is met de voorwaarden en deze heeft ondertekend (maar van ondertekening blijkt niet) en anderzijds dat van overeenstemming geen sprake is en niet blijkt op welke grond de behandelaar tot het oordeel is gekomen dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de bedoelde voorwaarden zal naleven. Het middel vervolgt in onderdeel 2 dat het gebrek niet kan worden geheeld, omdat de behandelend psychiater die het behandelingsplan heeft opgesteld, ter zitting van 8 september 2008 niet aanwezig was.

2.3 De artikelen die betrekking hebben op de voorwaardelijke machtiging zijn in de Wet Bopz ingevoegd bij de Wet van 13 juli 2002(5) en vervolgens gedeeltelijk gewijzigd bij de Wet van 25 februari 2008(6). Voor zover thans van belang bepaalde art. 14a Wet Bopz (oud) in het vijfde lid dat de rechter een voorwaardelijke machtiging slechts verleent indien een behandelingsplan wordt overgelegd dat met instemming van de betrokkene is opgesteld door de psychiater die verantwoordelijk zal zijn voor de behandeling(7) en in lid 8 dat de rechter slechts een voorwaardelijke machtiging verleent indien de betrokkene zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden.

2.4 Bij de Wet van 25 februari 2008 zijn deze bepalingen gewijzigd, welke wijzigingen blijkens de toelichting zijn ingegeven door het geval zoals aan de orde was in de zaak die leidde tot de beschikking van de Hoge Raad van 29 april 2005, NJ 2006, 287(8). In die zaak wilde de betrokken patiënt het behandelingsplan en de daarin opgenomen voorwaarden niet ondertekenen, maar oordeelde de rechtbank dat desalniettemin sprake was van de in art. 14a lid 5 bedoelde instemming omdat de rechtbank verwachtte dat betrokkene na het verlenen van de voorwaardelijke machtiging toch overeenkomstig de voorwaarden zou handelen. Naar het oordeel van de Hoge Raad gaf de rechtbank aldus blijk van een onjuiste rechtsopvatting nu de wetgever zich de voorwaardelijke machtiging heeft voorgesteld als een keuzemogelijkheid voor de groep patiënten die ervan blijk geeft in te zien dat behandeling noodzakelijk is en die in staat is te overzien dat alsnog een gedwongen opname volgt indien zij niet of niet meer bereid zijn de voorwaarden na te leven(9).

2.5 Thans is het instemmingsvereiste vervangen door de eis om met de patiënt overleg te plegen over het behandelingsplan teneinde te voorkomen dat "patiënten van wie redelijkerwijs wel kan worden aangenomen dat zij - nadat een machtiging is verleend - de voorwaarden in de praktijk zullen naleven, maar die de bereidheid daartoe niet kunnen of willen uitspreken uitsluitend de optie van de daadwerkelijke opname openstaat" (10).

2.6 In de memorie van toelichting is omtrent de eis om met de patiënt in overleg te treden, het volgende opgemerkt(11):

"Instemming van de patiënt met het behandelingsplan is weliswaar zeer wenselijk, maar niet strikt noodzakelijk. (...) Als echter het bereiken van de instemming niet mogelijk is - bijvoorbeeld ten gevolge van het ontbreken van voldoende ziekte-inzicht - mag dit het verlenen van een voorwaardelijke machtiging niet belemmeren. Dat zou immers leiden tot de gedwongen opneming die de voorwaardelijke machtiging nu juist probeert te voorkomen.

Uiteraard moet men er wel van uit kunnen gaan dat de patiënt feitelijk meewerkt aan de benodigde behandeling, maar instemming met het behandelingsplan is daarvoor niet noodzakelijk. Voldoende is dat redelijkerwijs is aan te nemen dat de patiënt het behandelingsplan zal naleven.

Als de patiënt niet (expliciet) met het behandelingsplan instemt, zal de behandelaar daarmee bij het opstellen van het behandelingsplan rekening moeten houden. Kan hij geen behandelingsplan opstellen waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de patiënt zich eraan zal houden, dan is de voorwaardelijke machtiging geen geschikt instrument. In die situaties is een voorlopige machtiging aan de orde."

2.7 Daarnaast is aan art. 14a lid 5 Wet Bopz een nieuwe volzin toegevoegd die aan de rechter de informatie verschaft die nodig is om te toetsen of van de patiënt verwacht kan worden dat hij zich overeenkomstig het behandelingsplan zal laten behandelen(12). Daarvan mag worden uitgegaan als hij met het behandelingsplan instemt. De formulering is zodanig gekozen dat het bereiken van overeenstemming het uitgangspunt is:

"maar niet meer als conditio sine qua non voor het verlenen van een voorwaardelijke machtiging. De rechter kan slechts een voorwaardelijke machtiging verlenen indien een behandelingsplan wordt overgelegd waarover met de patiënt overleg is geweest èn waarvan hij van oordeel is dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de betrokkene zich aan de voorwaarden zál houden."(13).

2.8 Indien van instemming geen sprake is, zal de behandelaar in het behandelingsplan een passage moeten opnemen waarom hij verwacht dat de patiënt zich desondanks zal laten behandelen. Op deze wijze, aldus de minister van Justitie, worden de inspanningen van de behandelaar om instemming te kunnen krijgen, toetsbaar(14).

2.9 De tweede belangrijke wijziging van art. 14a Wet Bopz betreft de toevoeging in het achtste lid dat de rechter een voorwaardelijke machtiging kan afgeven indien redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven. Volgens de toelichting wordt

"[m]et de voorgestelde wijziging [...] ook voorzien in de situatie waarin iemand bijvoorbeeld niet volledig in staat is de reikwijdte te overzien van de voorwaarden, van de gevolgen daarvan en van die van het eventueel niet naleven van de voorwaarden. Het kan zelfs gaan om situaties waarin betrokkene uitdrukkelijk aangeeft niét in te stemmen met het behandelingsplan, maar niettemin - gelet op de in het dossier voorhanden informatie en inlichtingen van bijvoorbeeld de behandelaar, andere geraadpleegde deskundigen en familieleden - redelijkerwijs aangenomen kan worden dat betrokkene de voorwaarden wél zal naleven.

Van belang is of uiteindelijk de rechter van oordeel is dat redelijkerwijs - dat wil zeggen in zekere mate objectiveerbaar - kan worden aangenomen dat betrokkenen de voorwaarden zal naleven, eventueel in weerwil van hetgeen deze daadwerkelijk uit. Voor deze oordeelsvorming is onontbeerlijk dat de rechter beschikt over de informatie bedoeld in artikel 14a, vijfde lid."(15).

2.10 Naar aanleiding van vragen van de CDA-fractie hebben de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de minister van Justitie een nadere uitleg gegeven aan het begrip 'redelijkerwijs' in art. 14a lid 8:

"Voor het oordeel van de rechter is onontbeerlijk dat hij beschikt over voldoende informatie, afkomstig van de behandelaar, van de patiënt zelf en van andere betrokken personen. Bij zijn oordeelsvorming kunnen verschillende elementen een rol spelen, zoals ervaringen die in het verleden met deze patiënt zijn opgedaan en het ziektebeeld van betrokkene. Zoals gezegd, betekent de eis dat "redelijkerwijs is aan te nemen" dat betrokkene zich aan de voorwaarden zal houden, niét dat daarover 100 procent zekerheid dient te zijn. Deze zekerheid is niet te geven, maar dat is niet anders bij iemand die zich wel bereid verklaart. Het gaat om een verstandige inschatting, op basis van de voorhanden informatie, van de aannemelijkheid - met andere woorden: de waarschijnlijkheid - dat betrokkene zich aan de voorwaarden zal houden. Deze inschatting dient wel geobjectiveerd te worden en toetsbaar te zijn; daartoe strekt de term "redelijkerwijs".(16)'

2.11 Voorts is in de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer opgemerkt dat niet meer de instemming van patiënt de lakmoesproef is, maar de verwachting van de rechter dat de patiënt de voorwaarden in de praktijk zal naleven(17).

2.12 Doel en strekking van het huidige en op deze zaak toepasselijke art. 14a Wet Bopz is dat een voorwaardelijke machtiging de gedwongen opneming probeert te voorkomen. Daarbij heeft het behandelingsplan blijkens de hiervoor geciteerde parlementaire geschiedenis de functie van toetssteen voor zowel de behandelaar als de rechter. De behandelaar moet een behandelingsplan opstellen waarmee de patiënt hetzij instemt hetzij waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de patiënt zich eraan zal houden. Voor de rechter vormt het behandelingsplan waarmee de patiënt instemt of waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze zich eraan zal houden, een van de min of meer objectieve maatstaven voor zijn oordeelsvorming of redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de patiënt zich overeenkomstig het behandelingsplan zal laten behandelen en de voorwaarden dus zal naleven, ook als hij zegt dat hij dat niet zal doen. Doorslaggevend is echter het oordeel van de rechter(18). Bij diens oordeelsvorming speelt het behandelingsplan weliswaar een niet onbelangrijke, maar niet allesoverheersende rol. Ook de in het dossier voorhanden informatie en inlichtingen van bijvoorbeeld de behandelaar, andere geraadpleegde deskundigen en familieleden kunnen door de rechter voor zijn oordeelsvorming worden gebruikt(19).

2.13 De rechtsklacht van het middel dat in de kern de stelling bevat dat het niet volledig naleven van art. 14a lid 5 Wet Bopz, te weten het niet naleven van het voorschrift dat aan het behandelingsplan een passage wordt toegevoegd waaruit blijkt op welke grond de behandelaar tot het oordeel komt dat redelijkerwijs is aan te nemen dat de betrokkene de in het behandelingsplan opgenomen voorwaarden zal naleven, aan de weg staat aan het door de rechter verlenen van een voorwaardelijke machtiging, stuit op het voorgaande af.

2.14 In deze zaak is allereerst door de officier van justitie een behandelingsplan van 14 juli 2008 overgelegd, waarin het volgende is opgenomen:

"Problematiek volgens[...] [Betrokkene] [b]lijft aangeven moeite te hebben met de patiënt/gezaghebbende depot medicatie, heeft bij ontslag wel aangegeven deze de ouderskomende maanden te blijven gebruiken (heeft voorwaarden voor ontslag ondertekend)

[...]

DoelstellingBehandeling van patients waanstoornis door middel van dwangbehandeling middels medicatie [...] wordt ambulant voortgezet, dhr. Heeft een R.M. t/m 25-07-2007, verlenging wordt aangevraagd.

Pt is akkoord met onderstaande voorwaarden en heeft ondertekend.

Voorwaarden aan het ontslag zijn:

- [betrokkene] zal zijn medicatie (cisordinol depot) volgens voorschrift innemen en verschijnen op de afspraken voor de depot medicatie toediening

[...]

Overeenstemming

RM Ja

RM Soort Voorwaardelijke machtiging

Overeenstemming patient/ Nee

wett.vert

[...]

Opmerkingen Dhr vindt niet dat hij behandeling nodig heeft en wil stoppen met zijn depotmedicatie"

2.15 Vervolgens is op verzoek van de rechtbank een tweede, geactualiseerd behandelingsplan overgelegd dat, voor zover van belang, het volgende inhoudt:

"DoelstellingBehandeling is gericht op stabilisatie van psychiatrische problematiek en inname van medicatie.

Pt is akkoord met onderstaande voorwaarden en heeft deze ondertekend.

Voorwaarden aan het verblijf op AZC zijn:"

In cassatie is niet bestreden dat dit tweede behandelingsplan van 25 augustus 2008 door de behandelaar na overleg met de betrokkene is opgesteld.

2.16 De rechtbank heeft geconstateerd dat het behandelingsplan wel vermeldt dat betrokkene akkoord is gegaan met de voorwaarden, waaronder de toediening van depotmedicatie, en deze voorwaarden heeft getekend, maar dat daarentegen is gebleken dat betrokkene zich niet kan vinden in het medicatievoorschrift. De in art. 14a lid 5, tweede volzin Wet Bopz bedoelde overeenstemming ontbreekt mitsdien.

2.17 Vervolgens heeft de rechtbank - in cassatie niet bestreden - geoordeeld dat kennelijk in het behandelingsplan is bedoeld dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene, op grond van het feit dat hij de voorwaarden heeft nageleefd die hem waren opgelegd in het kader van het voorwaardelijk ontslag uit de verleende voorlopige rechterlijke machtiging en die gelijkluidend zijn aan de voorwaarden van het bestreden verzoek, deze voorwaarden ook thans zal naleven. In dit oordeel ligt besloten dat aan het vereiste van art. 14a lid 5, tweede volzin Wet Bopz dat aan het behandelingsplan een passage wordt toegevoegd waaruit blijkt op welke grond de behandelaar tot het oordeel komt dat redelijkerwijs is aan te nemen dat de betrokkene de in het behandelingsplan opgenomen voorwaarden zal naleven, is voldaan.

2.18 Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden ook in het kader van de onderhavige voorwaardelijke machtiging zal naleven.

Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is voldoende begrijpelijk gemotiveerd. De ambulant verpleegkundige, [betrokkene 2], heeft blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 augustus 2008 en van 8 september 2008 verklaard dat het juist is dat betrokkene zich in de praktijk houdt aan de voorwaarden ondanks dat hij het met die voorwaarden niet eens is. Bij de voortgezette behandeling op 8 augustus 2008 heeft [betrokkene 2], psychiater, - die betrokkene al jaren kent en voorheen zijn behandelaar was(20) - verteld dat de behandeling van betrokkene altijd al een twistpunt was en er tot dan nooit een duidelijke overeenstemming is bereikt, maar dat betrokkene, wanneer met hem in gesprek wordt gegaan, toch steeds weer bereid is aan het toedienen van medicatie mee te werken. Dit blijkt bijvoorbeeld ook uit het behandelingsplan van 25 augustus 2008 (p. 2) en de bij het eerste behandelingsplan behorende aantekeningen (p. 7) waarin is opgenomen dat betrokkene tegen de depotmedicatie protesteert, maar deze, onder meer na overleg, wel accepteert. Betrokkene zelf heeft tijdens de mondelinge behandeling op 8 september 2008 verklaard dat hij aan het toedienen van de depotmedicatie tot op heden heeft meegewerkt uit respect voor de rechtbank.

2.19 Het middel faalt mitsdien ook overigens.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie de bestreden beschikking.

2 De behandelend psychiater, de heer Landberg, was afwezig wegens ziekte.

3 Het verzoekschrift tot cassatie is op 22 oktober 2008 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.

4 Zie de brief van het arrondissementsparket Utrecht van 27 oktober 2008.

5 Stb. 2002, 431, in werking getreden op 1 januari 2004.

6 Stb. 2008, 80, in werking getreden op 1 juni 2008 (Stb. 23 mei 2008, 187).

7 De volledige tekst van art. 14a lid 5 Bopz oud luidde: "De rechter verleent een voorwaardelijke machtiging slechts indien een behandelingsplan wordt overgelegd dat met instemming van de betrokkene door de psychiater die verantwoordelijk zal zijn voor de behandeling, verder te noemen de behandelaar, is opgesteld. Het behandelingsplan bevat de therapeutische middelen die zullen worden toegepast teneinde buiten de inrichting het gevaar af te wenden. Het behandelingsplan regelt de wijze waarop de behandelaar er op toeziet dat het gevaar buiten de inrichting wordt afgewend. Artikel 38, tweede lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing. Het krachtens artikel 38, derde lid, omtrent het behandelingsplan, bedoeld in artikel 38, eerste lid, bepaalde is op dit behandelingsplan van overeenkomstige toepassing. In het behandelingsplan wordt mededeling gedaan van het psychiatrisch ziekenhuis dat bereid is de betrokkene op te nemen als deze de voorwaarden niet naleeft of het gevaar niet langer buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend door de naleving van de voorwaarden."

8 Zie Kamerstukken II, 2005-2006, nr. 3, § 2.1 en 2.2.

9 Rov. 4.6. Zie ook HR 25 april 2008, BJ 2008, 26 m.nt. W. Dijkers.

10 Kamerstukken II, 2005-2006, 30 492, nr. 3, p. 1.

11 Kamerstukken II, 2005-2006, 30 492, nr. 3, p. 13.

12 Kamerstukken II, 2005-2006, 30 492, nr. 3, p. 13.

13 Kamerstukken II, 2005-2006, 30 492, nr. 7, p. 9.

14 Handelingen II, 30 januari 2007, p. 36-2307 linkerkolom. Zie ook W.J.A.M. Dijkers, De Wet Bopz, Hfst II, art. 14a, aant. 4.3.

15 Kamerstukken II, 2005-2006, 30 492, nr. 3, p. 14.

16 Kamerstukken II, 2005-2006, 30 492, nr. 7, p. 4.

17 Kamerstukken I, 2007-2008, 30 492 E, p. 3.

18 Ook onder het oude recht was het beslissende toetsingsmoment wanneer de rechter de bereidverklaring van de patiënt onderzoekt, zie de conclusie van mijn ambtgenoot Langemeijer vóór HR 9 februari 2007, BJ 2007, 5 onder 2.10, waarbij het betrokkene vrijstaat om op zijn eerdere instemming of zijn weigering terug te komen, zie de conclusie van A-G Langemeijer vóór HR 15 december 2006, BJ 2007, 3 m.nt. redactie (ook gepubliceerd in NJ 2007, 7) onder 2.14.

19 Kamerstukken II, 2005-2006, 30 492, nr. 3, p. 14.

20 Zie het behandelingsplan van 14 juli 2008, p. 4 in het midden. De rechtbank merkt [betrokkene 2] overigens als de behandelend arts aan (bestreden beschikking, p. 2, tweede alinea).