Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BG4831

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
25-03-2009
Zaaknummer
07/11474
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BG4831
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Behulpzaam zijn “bij” (simultaan) of “tot” (consecutief), art. 48 Sr? Vzv. de klacht berust op de opvatting dat het “behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf” a.b.i. art. 48 Sr niet mede kan bestaan uit het geven van informatie aanwijzingen en adviezen, berust het op een onjuiste rechtsopvatting. Ook overigens faalt het middel, nu het Hof heeft vastgesteld dat verdachte de in de bewezenverklaring genoemde informatie, aanwijzingen en adviezen heeft gegeven binnen de bewezenverklaarde periode, zodat het oordeel van het Hof dat verdachte behulpzaam is geweest “bij” het misdrijf geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, noch onbegrijpelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 477
VA 2010/20 met annotatie van J. Silvis
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. S 07/11474

Mr Jörg

Zitting 18 november 2008

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft verzoeker bij arrest van 27 april 2007 wegens medeplichtigheid aan medeplegen van poging tot afdreiging, veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

2. Namens verzoeker heeft mr. K. Canatan, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingezonden houdende vijf middelen van cassatie.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof het beroep op de nietigheid van de inleidende dagvaarding vanwege een onvoldoende feitelijk uitgewerkte wetsterm heeft verworpen.

4. Blijkens de dagvaarding is aan verzoeker subsidiair(1) ten laste gelegd dat:

"[betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] in of omstreeks de periode van 2 september 2003 tot en met 10 september 2003 te Amsterdam en/of Almere en/of Bussum en/of elders in Nederland, ter uitvoering van het door [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,(2) althans alleen, met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad of openbaarmaking van een geheim, iemand te weten, de [A] N.V en/of de [C], althans een ander of anderen, te dwingen tot afgifte van enig goed dat geheel of ten dele aan deze of aan een derde toebehoort,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- (telefonisch) kontakt heeft/hebben opgenomen met een lid van de Raad van Bestuur van de [A] N.V., en/of een medewerker van [A] N.V.

- aan een medewerker van [A] N.V. te kennen heeft/hebben gegeven over voor [A] N.V. en/of de [C] zeer gevoelige/geheime informatie te beschikken en/of

- ten bewijze dat hij/zij over die informatie beschikte(n) aan een medewerker van [A] N.V. één of meer faxberichten met betrekking tot die informatie heeft/hebben verstuurd en/of

- aan een medewerker van [A] N.V. heeft/hebben medegedeeld dat een geldbedrag zou moeten worden betaald teneinde openbaarmaking van die gevoelige/geheime informatie te voorkomen;

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 augustus 2003 tot en met 10 september 2003 te Amsterdam en/of Almere en/of Bussum en/of elders in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk inlichtingen heeft verschaft, immers heeft hij, verdachte, aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk informatie en/of aanwijzingen en/of adviezen gegeven met betrekking tot de door [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] te volgen taktiek en/of te ondernemen activiteiten en/of te verwachten moeilijkheden;

[artikel 318 juncto 45, 47 en 48 Wetboek van Strafrecht]"

5. In het arrest wordt het nietigheidsverweer als volgt door het hof - voor zover hier van belang - weergegeven en verworpen:

"De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat de tenlastelegging onvoldoende feitelijk is omdat niet is gespecificeerd om welk geheim het gaat en de tenlastelegging daarmee niet voldoet aan de eisen van artikel 261 Sv. (...)

Het hof is van oordeel dat de stelling van de raadsman dat de dagvaarding (het hof begrijpt: inleidende dagvaarding) nietig moet worden verklaard omdat niet feitelijk is omschreven waaruit 'een geheim' heeft bestaan, niet opgaat. Met een omschrijving van de feitelijke handelingen die de verdachte en zijn mededaders wordt verweten is de verdachte voldoende duidelijk gemaakt wat hem in casu wordt verweten en op welk strafbaar feit de tenlastelegging het oog heeft. Een feitelijke omschrijving van 'het geheim' is daarnaast niet nodig. Ook overigens was het voor de verdachte voldoende duidelijk waar het in de onderhavige zaak om te doen was. Hij was bij uitstek degene die moest beoordelen wat de waarde van de documenten was en of die tot gevolg konden hebben dat [A] N.V. hierdoor afgedreigd zou kunnen worden. Het hof komt hierop nog terug. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman."

6. Ingevolge art. 261 Sv dient de dagvaarding een opgave van het ten laste gelegde feit te behelzen. Opname in de tenlastelegging van wetstermen is toegestaan indien deze termen tevens feitelijke betekenis hebben. In casu is - kort gezegd - bedreiging met openbaarmaking van een geheim ten laste gelegd. Volgens de steller van het middel is het uit de delictsomschrijving van art. 318 Sr (afdreiging) overgenomen bestanddeel 'een geheim' in de tenlastelegging onvoldoende feitelijk omschreven, zodat onduidelijk was om welk specifiek geheim het ging.

7. In HR 6 december 1977, NJ 1978, 581 was de vraag aan de orde of de term "inklimming" (art. 311, eerste lid onder 5, Sr) indien gebruikt in een tenlastelegging voldoende feitelijke betekenis heeft. Uw Raad antwoordde dat het "inklimming" niet slechts een kwalificatie oplevert, maar tevens een zodanige feitelijke - en in het verband waarin het was gebezigd duidelijke - betekenis had, dat de inleidende dagvaarding voldoet aan de eisen gesteld in art. 261, eerste lid, Sv.

8. Gelet op het feitelijke gedeelte van de tenlastelegging waarin onder meer is weergegeven dat de in de tenlastelegging genoemde personen over zeer gevoelige/geheime informatie zouden beschikken en ten bewijze daarvan een of meer faxberichten met betrekking tot die informatie hebben verstuurd (etc.) meen ik dat de term `geheim' - die overigens niet de kern van de strafbepaling uitmaakt: dat is afdreiging - tevens voldoende feitelijke betekenis om verzoeker in staat te stellen zich te verweren. De inhoud van het geheim is in het dossier te vinden. Het oordeel van het hof dat een nadere omschrijving van 'een geheim' niet nodig is, is derhalve onjuist noch onbegrijpelijk.

9. Het eerste middel faalt.

10. Het tweede middel klaagt erover dat het hof het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie vanwege het ontbreken van de vereiste klacht heeft verworpen.

11. Blijkens het bestreden arrest heeft het hof her verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat in deze strafzaak geen sprake is van een binnen de daartoe gestelde termijn door de klachtgerechtigde ingediende klacht, nu (i) door de naamloze vennootschap [A] N.V. (hierna: [A]) aan [betrokkene 4] geen bijzondere schriftelijke volmacht was verleend, en (ii) - onder verwijzing naar artikel 273 Sr. - [betrokkene 4] geen deel uitmaakt(e) van het bestuur van [A].

Voorts heeft de raadsman betoogd dat bij gebreke aan een klacht van een klachtgerechtigde binnen de wettelijk gestelde voorgeschreven termijn dit verzuim niet na het verlopen van deze termijn kan worden hersteld. Een en ander dient volgens de raadsman te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Opsporing en strafvervolging ter zake van de tenlastegelegde - kort gezegd - afdreiging vereist een tot vervolging strekkende klacht afkomstig van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd. De afdreiging is volgens de tenlastelegging gepleegd tegen de naamloze vennootschappen [A] en/of "[C]".

De vennootschap "[C]" heeft niet zelfstandig op de bij de wet voorgeschreven wijze klacht gedaan strekkende tot vervolging van bekende of onbekende daders ter zake van afdreiging. In zoverre zal het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in zijn vervolging van de verdachte.

Door [betrokkene 4], werkzaam bij de afdeling 'corporate special investigations' van de [A], is op 4 september 2003 en op 16 september 2003 - naar zijn zeggen - namens [A] aangifte respectievelijk aanvullende aangifte gedaan ter zake van afdreiging en verduistering (in dienstbetrekking). In zijn aangifte verklaart [betrokkene 4] - zakelijk weergegeven - uit hoofde van zijn functie gerechtigd te zijn tot het doen van aangifte. Op 17 september 2003 is door genoemde [betrokkene 4] ten overstaan van een hulpofficier van justitie een tot vervolging strekkende klacht ingediend en heeft hij bij die gelegenheid verklaard: "Op donderdag 4 september 2003 en dinsdag 16 september 2003 heb ik namens de [A] N.V. aangifte gedaan. In deze aangifte is niet met zoveel woorden opgenomen dat ik tevens klachte deed en dat ik namens de [A] N.V. met beide aangiften derhalve een uitdrukkelijk verzoek deed om vervolging in te stellen tegen de afdreigers."

Bij memorandum van 9 december 2005 heeft mr. R. van Heffen, kennelijk in zijn hoedanigheid van advocaat van [A], aan de officier van justitie verscheidene hieronder te bespreken bijlagen doen toekomen. Daaronder bevindt zich een "volmacht" d.d. 9 december 2005 waarin [betrokkene 10] namens [A] verklaart dat genoemde [betrokkene 4] uit hoofde van zijn functie bij [A] vanaf het moment van zijn aantreden en tevens tijdens het doen van de hier bedoelde aangiften en klacht gevolmachtigd was en is om namens [A] ter zake van enig strafbaar feit aangifte en klacht te doen. Bij verklaring van gelijke datum verklaart genoemde [betrokkene 10] dat [A] ten tijde van de door [betrokkene 4] gedane aangiften en klacht uitdrukkelijk de wens en bedoeling had dat de betreffende verdachten strafrechtelijk (zouden) worden vervolgd. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel te Amsterdam van 2 december 2005 bezit genoemde [betrokkene 10], die in functie is getreden op 1 april 2003, "volledige volmacht" om namens [A] op te treden.

Onder die volledige volmacht is - anders dan de raadsman heeft betoogd - mede begrepen het doen van een klacht als bedoeld in de artikelen 64 Sr. e.v. en het aan anderen verschaffen van volmacht daartoe; het doen van dergelijke klachten is wel degelijk een rechtshandeling, gericht op het bewerkstelligen van de bevoegdheid van het openbaar ministerie om de verzochte strafvervolging in te stellen.

Met de vermelding in het uittreksel van het handelsregister acht het hof voldoende vastgesteld dat [betrokkene 10] in deze bevoegdelijk is opgetreden. Daarvoor hoeft niet te worden vastgesteld dat [betrokkene 10] op die momenten waarop [betrokkene 4] aangiften en klacht heeft gedaan reeds over die bevoegdheid beschikte en ook als persoon toen reeds op de hoogte was van hetgeen [A] beoogde. Voldoende is dat [A] - in de persoon van [betrokkene 10] - mededeling heeft gedaan van hetgeen namens haar door [betrokkene 10] aan het papier is toevertrouwd.

Op grond van de namens [A] gedane verklaringen afkomstig van de daartoe bevoegde [betrokkene 10] staat naar 's hofs oordeel genoegzaam vast dat het [A] als klachtgerechtigde op de momenten waarop [betrokkene 4] - naar zijn zeggen namens [A] - aangifte en klacht heeft gedaan voor ogen stond dat een opsporingsonderzoek naar en strafvervolging voor - onder meer - afdreiging zouden worden ingesteld. Voorts kan thans worden vastgesteld dat [betrokkene 4] tijdens het doen van de aangiften en de klacht bevoegd was om in dit verband namens [A] op te treden. Het hof is dan ook van oordeel dat [A] tijdig een rechtsgeldige klacht heeft gedaan die strekt(e) tot de strafvervolging van de verdachte.

Hieraan doet niet af dat [betrokkene 4] tijdens het doen van aangifte en klacht (naar moet worden aangenomen) niet was voorzien van een bijzondere schriftelijke volmacht en deze schriftelijke volmacht in elk geval niet is gehecht aan de bedoelde aangiften en klacht. Gelet op 's hofs vaststellingen omtrent de wens en bedoeling van de klachtgerechtigde en de vertegenwoordigingsbevoegdheid van degene die namens haar metterdaad en tijdig aangifte en klacht heeft gedaan behoeft aan het ontbreken van de bijzondere schriftelijke volmacht niet het rechtsgevolg van nietigheid van de klacht te worden verbonden. Daarvoor ziet het hof ook overigens geen aanleiding.

Door onder verwijzing naar artikel 273, lid 3 Sr. te verlangen dat de tot vervolging strekkende klacht afkomstig is van het bestuur van de onderneming stelt de raadsman eisen die de wet niet kent. Strafvervolging vindt immers niet plaats ter zake van - kort gezegd - schending van bedrijfsgeheimen, doch ter zake van afdreiging, welk misdrijf wordt beheerst door het algemene klachtregime. Voor analoge toepassing van het bijzondere regime van artikel 273, lid 3 Sr. in weerwil van de ondubbelzinnige bewoordingen van de wet, ziet het hof geen ruimte. Bovendien mag een dergelijke onvoorziene afwijking van een wettelijke bepaling de klachtgerechtigde niet worden tegengeworpen.

Het hof acht de officier van justitie ontvankelijk in zijn vordering en verwerpt derhalve het door de raadsman gevoerde verweer."

12. Ingevolge art. 318, tweede lid, Sr wordt het misdrijf van afdreiging alleen op klacht vervolgd. Klachtgerechtigd is degene op wie de bedreiging als dwangmiddel is aangewend (cf. art. 64 Sr). Indien de klachtgerechtigde een rechtspersoon is (wat in casu het geval is, te weten de [A]), dan moeten de bevoegde organen van de rechtspersoon zelf dan wel de door haar daartoe schriftelijk gevolmachtigde personen optreden (NLR, aant. 2 (inl.) bij artt. 64 t/m 67a Sr). De primaire opvatting van de steller van het middel dat naar analogie van art. 273, derde lid, Sr slechts het bestuur van de onderneming een klacht kan instellen, vindt - zoals het hof terecht heeft geoordeeld - geen steun in het recht, nu deze bijzondere eis niet door art. 318 Sr wordt gesteld.

13. Subsidiair stelt het middel dat, voor zover een ander dan het bestuur van de onderneming een klacht zou kunnen indienen, deze vertegenwoordigingsbevoegdheid op grond van art. 2:130 BW dient te blijken uit de statuten van de rechtspersoon, die aan het procesdossier ontbreken. Echter, zoals het hof terecht heeft ingezien, kan die vertegenwoordigingsbevoegdheid van andere personen (dan de bestuurders) ook blijken uit het handelsregister (art. 14, aanhef sub c Handelsregisterbesluit 1996). Het hof heeft aan de hand van een uittreksel uit het handelsregister vastgesteld dat de op 1 april 2003 in functie getreden [betrokkene 10] volledige volmacht bezit om namens [A] op te treden. Anderzijds is volgens het hof op grond van de namens [A] door [betrokkene 10] gedane verklaringen voldoende vast komen te staan dat [betrokkene 4] vanaf zijn aantreden d.d. 1 januari 1992 gevolmachtigd is om namens [A] aangifte en klacht te doen van enig strafbaar feit. 's Hofs oordeel dat [betrokkene 4] tijdens het doen van de onderhavige aangiften en klacht bevoegd was om namens [A] op te treden en dat derhalve sprake was van een door [A] als klachtgerechtigde gedane en daarmee rechtsgeldige klacht, is onjuist noch onbegrijpelijk.

14. Tenslotte bevat het middel de grief dat de bewuste klacht niet binnen de daartoe gestelde termijn is ingediend en niet voorzien is geweest van een aan de akte gehechte bijzondere schriftelijke volmacht. Ook deze grief is tevergeefs voorgesteld. Ten eerste heeft het hof kennelijk geoordeeld dat de op 17 september 2003 door [betrokkene 4] bij een hulpofficier van justitie gedane aangifte met verzoek tot vervolging moet worden opgevat als een klacht zoals bedoeld in art. 164, eerste lid, Sv. Deze klacht is daarmee tijdig ingediend, namelijk binnen de op grond van art. 66, eerste lid, Sr gestelde termijn van drie maanden na kennisname van het gepleegde feit. Ten tweede is volgens het hof ter terechtzitting genoegzaam gebleken dat het de uitdrukkelijke wens en bedoeling van [A] is geweest dat de verdachten, waaronder verzoeker, zouden worden vervolgd voor het misdrijf van afdreiging. Daarmee is de niet-naleving van het vormvoorschrift dat de bijzondere schriftelijke volmacht krachtens art. 164, tweede lid, jo. 163, vierde lid, Sv aan de akte dient te worden gehecht, voldoende hersteld. Immers, verzuim in de naleving van vormvoorschriften omtrent de indiening van klachten hoeft niet (meer) tot nietigheid te leiden, indien aan de hand van de feitelijke omstandigheden kan worden bepaald of de klachtgerechtigde op de juiste wijze een klacht heeft willen indienen. (T&C, 7e, aant. 2b bij art. 164 Sv; HR 11 januari 1994, NJ 1994, 278 en HR 2 november 2004, LJN AQ4258). Nu uit de overgelegde verklaringen van de [A] blijkt dat deze onderneming ten tijde van het doen van aangifte de wens en bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld, kan het bestaan van een op rechtsgeldige wijze ingediende klacht worden aangenomen, zodat het hof het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op juiste en begrijpelijke gronden heeft verworpen.

15. Het tweede middel faalt ook.

16. Het derde middel en het vierde middel lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Deze middelen klagen respectievelijk: 1. dat het hof is afgeweken van een namens verzoeker uitdrukkelijk onderbouwd standpunt - inhoudende dat de door de rechter-commissaris verleende machtiging tot het opnemen van communicatie met een technisch hulpmiddel niet is gemotiveerd - zonder daarbij in het bijzonder de redenen te hebben vermeld die daartoe hebben geleid; en 2. dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot het verlenen van de genoemde machtiging heeft kunnen besluiten.

17. In het arrest wordt het terzake gevoerde verweer van de raadsman van verzoeker en de verwerping daarvan door het hof als volgt weergegeven en verworpen:

"De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting voorts betoogd dat, nu de rechter-commissaris de door hem met betrekking tot het opnemen van telefoongesprekken afgegeven machtiging niet heeft gemotiveerd, dit strijd oplevert met artikel 126l juncto 126m Sv. Voorts had de rechter-commissaris in redelijkheid niet kunnen komen tot het oordeel dat het hier ging om een misdrijf dat een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Dit zou tot gevolg moeten hebben dat alle resultaten van deze onrechtmatige taphandelingen uitgesloten dienen te worden van het bewijs, zodat vrijspraak zou moeten volgen.

Het hof overweegt hieromtrent dat de rechter-commissaris op grond van de inhoud van de aangifte en de daaraan te ontlenen gegevens in eerste instantie een mondelinge machtiging heeft afgegeven. Gelet op het bepaalde in artikel 126m, lid 7 Sv juncto artikel 126l, lid 7 Sv is zulks bij dringende noodzaak toegestaan. Deze mondelinge machtiging is op schrift gesteld op dezelfde datum en gemotiveerd conform de eisen die de wet hieraan stelt.

Aan de rechter-commissaris stonden blijkens de aangifte van [betrokkene 4] gegevens ter beschikking dat [A] via de telefoon en de fax door mogelijk meer personen werd gechanteerd met vertrouwelijke informatie die door verduistering van documenten c.q. heling moesten zijn verkregen. Gelet op de aard van het delict of de delicten, het georganiseerde karakter daarvan, de aard van de informatie die bij de afdreiging werd gebruikt en de wijze waarop de documenten moesten zijn verkregen, is het hof van oordeel dat mede gelet op de omvang en het maatschappelijk aanzien van een onderneming als [A] en de verstrekkende gevolgen die strafbare feiten als de onderhavige voor alle betrokkenen zouden kunnen hebben, de rechter-commissaris in redelijkheid tot het afgeven van een mondelinge machtiging heeft kunnen besluiten en dat de rechter-commissaris in redelijkheid kon menen dat de onderhavige feiten een ernstige inbreuk op de rechtsorde konden opleveren. Daarvoor hoeft het betreffende misdrijf of de betreffende misdrijven niet gelijkgesteld te kunnen worden aan moord, doodslag, ernstige fraude en/of drugshandel, zoals de raadsman stelt.

Er is bovendien ook achteraf geen twijfel over de vraag welke feiten en omstandigheden de rechter-commissaris bekend waren op het moment dat hij de gewraakte machtigingen verstrekte. Zoals overwogen vormde die informatie in redelijkheid voldoende grondslag voor het verstrekken van de machtigingen. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman."

18. Volgens de toelichting op het derde middel komt 's hofs verwerping van het namens verzoeker uitdrukkelijk onderbouwd standpunt slechts neer op een bevestiging van het feit dat de machtiging door de rechter-commissaris conform de eisen die de wet hieraan stelt was gemotiveerd, maar niet op een beantwoording van de vraag waarom aan de wettelijke motiveringsplicht was voldaan. Deze klacht mist feitelijke grondslag, nu het hof duidelijk heeft aangegeven waarom de machtiging door de rechter-commissaris voldoet aan de eisen gesteld in art. 126l jo. 126m Sv. Immers, blijkens zijn overweging heeft het hof vastgesteld: a. niet alleen dat de machtiging conform de genoemde bepalingen is gemotiveerd, b. maar ook - zo ligt kennelijk in de overweging van het hof besloten - dat in de machtiging de feiten en omstandigheden staan vermeld waaruit blijkt dat de voorwaarden voor toepassing van de tapbevoegdheid zijn vervuld. Het hof heeft die feiten en omstandigheden, waarmee de rechter-commissaris kennelijk bekend was op het moment van de verlening van zijn machtiging, hierboven tevens uitdrukkelijk benoemd. Daarmee heeft het hof zijn verwerping van het namens verzoeker gevoerde verweer met voldoende redenen omkleed.

19. Volgens de toelichting op het vierde middel is 's hofs oordeel dat de rechter-commissaris in redelijkheid kon menen dat het hier ging om een misdrijf dat een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd, omdat het in casu ging 'om een verdenking van een relatief minder ernstig feit (in verhouding tot de in de wetsgeschiedenis benoemde misdrijven)' op grond waarvan de genoemde machtiging niet mocht worden verleend.

20. Ingevolge art. 126m j° 126l Sv kan, indien het onderzoek dit dringend vordert, aan de OvJ een machtiging voor een tapbevel slechts worden afgegeven door de R-C in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in art. 67, eerste lid, Sv, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Het misdrijf van afdreiging valt onder de categorie misdrijven omschreven in art. 67, eerste lid, Sv, daar op afdreiging een maximum gevangenisstraf van vier jaren is gesteld. De vraag is echter of het ook onder de categorie misdrijven valt die ernstige inbreuk maakt op de rechtsorde.

21. In 's hofs hiervoor onder 15 weergegeven overweging ligt besloten diens oordeel dat de R-C in het onderhavige geval in redelijkheid tot het afgeven van de machtiging aan de OvJ tot het doen opnemen van communicatie met een technisch hulpmiddel heeft kunnen komen, daar in casu sprake was van verdenking van een misdrijf dat ernstige inbreuk op de rechtsorde kon opleveren. Dat oordeel geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat - naar het hof heeft vastgesteld - het in casu vermoedelijk ging om afdreiging, waardoor - mede gelet op de verstrekkende gevolgen die een strafbaar feit als het onderhavige, ongeacht de aanleiding om te trachten [A] af te persen, voor alle betrokkenen zou kunnen hebben - het maatschappelijk aanzien van een omvangrijke onderneming als [A] in het geding was. Ik begrijp dit als: de verstrekkende maatschappelijke betekenis die een geslaagde afpersing van een omvangrijke financiële instelling zou hebben. Er bestond derhalve een dringende noodzaak om de dader(s) met spoed op te sporen (HR 21 november 2006, LJN AY9673). 's Hofs oordeel is daarmee ook voldoende gemotiveerd.

22. Het derde middel en het vierde middel falen derhalve beide.

23. Het vijfde middel klaagt dat 's hofs oordeel dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid bij afdreiging onbegrijpelijk is en niet kan volgen uit de bewijsmiddelen.

24. Blijkens het bestreden arrest is het verweer van de raadsman als volgt weergegeven en door het hof verworpen:

"Voorts heeft de raadsman betoogd dat verdachte met betrekking tot het delict 'afdreiging' niet als medeplichtige kan worden aangemerkt. Volgens de raadsman vallen de door verdachte verstrekte adviezen niet onder inlichtingen die het delict zouden kunnen ondersteunen, dan wel mogelijk maken en zou de informatie die verdachte gaf al aan de medeverdachten bekend zijn.

Het hof overweegt dat, gelet op de tapgesprekken die zich in het dossier bevinden, de verdachte in de tenlastegelegde periode een telefoongesprek heeft gevoerd met medeverdachte [betrokkene 3]. [Betrokkene 3] heeft verklaard dat hij verdachte heeft gebeld onder meer voor advies omtrent de strafbaarheid van het plan de [A] te benaderen met de stukken van medeverdachte [betrokkene 1]. Uit voornoemd telefoongesprek komt naar het oordeel van het hof duidelijk naar voren dat verdachte op de hoogte was van een mogelijke afdreiging van de [A]. Ook blijkt dat verdachte diverse inlichtingen en adviezen heeft verstrekt die het voornemen daartoe hebben ondersteund en hebben bijgedragen aan de wijze van uitvoering van het plan. Voorts is uit de verklaringen van medeverdachte [betrokkene 3] af te leiden dat hij verdachte heeft gebeld om informatie te verkrijgen waarover hij zelf niet beschikte. Het hof is dan ook van oordeel dat de hulpverlening van de verdachte is aan te merken als een vorm van medeplichtigheid; nu een strafbare poging tot afdreiging op deze handelingen is gevolgd, is voldaan aan de vereisten ex artikel 48 Sr. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman."

25. Vervolgens heeft het hof wettig en overtuigend bewezen geacht dat verzoeker het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, namelijk dat:

"[Betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in de periode van 2 september tot en met 10 september 2003 te Amsterdam en Almere en Bussum, ter uitvoering van het door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met openbaarmaking van een geheim, iemand, te weten de [A] NV, te dwingen tot afgifte van enig goed dat aan deze toebehoort, tezamen en in vereniging met een ander

- telefonisch contact hebben opgenomen met een lid van de Raad van Bestuur van de [A] NV en

- aan een medewerker van de [A] NV te kennen hebben gegeven over voor de [A] NV zeer gevoelige/geheime informatie te beschikken en

- ten bewijze dat zij over die informatie beschikten aan een medewerker van de [A] NV faxberichten met betrekking tot die informatie hebben verstuurd en

- aan een medewerker van de [A] NV hebben medegedeeld dat een geldbedrag zou moeten worden betaald, teneinde openbaarmaking van die gevoelige/geheime informatie te voorkomen,

bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in de periode van 20 augustus 2003 tot en met 10 september 2003 te Amsterdam opzettelijk behulpzaam is geweest, immers heeft hij, verdachte, aan die [betrokkene 3] opzettelijk informatie en aanwijzingen en adviezen gegeven met betrekking tot de door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] te volgen tactiek en te ondernemen activiteiten en te verwachten moeilijkheden."

26. Ten eerste bevat het middel de klacht dat het hof ten onrechte de zogenaamde simultane medeplichtigheid (art. 48 sub 1 Sr) bewezen heeft verklaard, terwijl de feitelijke omschrijving duidt op de zogenaamde consecutieve medeplichtigheid (art. 48 sub 2 Sr), waardoor de bewezenverklaring door innerlijke tegenstrijdigheid onbegrijpelijk zou zijn.

27. In de bewezenverklaring wordt inderdaad eerst melding gemaakt van 'behulpzaam zijn bij' terwijl vervolgens wordt gesproken van het 'geven van informatie, adviezen en aanwijzingen'. Mijns inziens doet zich hier echter geen innerlijke tegenstrijdigheid voor, aangezien het hof de eerst genoemde behulpzaamheid heeft kunnen uitleggen naar het gewone/algemene spraakgebruik, hetgeen ruimer is dan de betekenis die het woord in art. 48 sub 1 Sr in een strikte uitleg bezit, zodat daaronder ook de inlichtingenverschaffing voorafgaande aan de uitvoering van het voorgenomen misdrijf (dus de consecutieve medeplichtigheid) kon worden begrepen (T&C Sr, 7e, aant. 10b bij art. 48; HR 14 oktober 1975, NJ 1976, 149).

28. Ten tweede bevat het middel de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet zou volgen dat de uitvoering van het misdrijf door verzoekers inlichtingen werd ondersteund of mogelijk gemaakt noch dat zijn inlichtingen betrekking hadden op feiten die de pleger(s) van het misdrijf nog niet bekend waren, waardoor verzoeker niet als medeplichtige zou kunnen worden aangemerkt.

29. Nu het hof op grond van de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat tot de overtuiging is gekomen dat verzoeker als medeplichtige het bewezenverklaarde heeft begaan, kan deze bewezenverklaring in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Gezien de gebezigde bewijsmiddelen is het niet onbegrijpelijk dat het hof de hulpverlening van verzoeker heeft aangemerkt als een vorm van medeplichtigheid, in aanmerking genomen dat - wat de hulpverlening betreft - a. verzoeker diverse inlichtingen en adviezen heeft verstrekt die het voornemen tot de afdreiging van [A] hebben ondersteund en hebben bijgedragen aan de wijze van uitvoering van het plan, en b. verzoeker door medepleger [betrokkene 3] is gebeld voor advies omtrent de strafbaarheid van het plan de [A] te benaderen met de zeer gevoelige/geheime stukken van medepleger [betrokkene 1], voor informatie derhalve waarover deze pleger(s) zelf niet beschikten.

30. Het vijfde middel faalt dus ook.

31. Alle middelen lenen zich voor afdoening met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

32. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Verzoeker is van het primair tenlastegelegde medeplegen van poging tot afpersing vrijgesproken. Het verweer betreft ook dat primair tenlastegelegde medeplegen. Kortheidshalve citeer ik alleen hetgeen waarvoor verdachte uiteindelijk is veroordeeld.

2 Ik neem aan: ook met elkaar.