Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BG4829

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-01-2009
Datum publicatie
13-01-2009
Zaaknummer
07/11322
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BG4829
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Preliminair verweer. 1. Vzv. het middel de klacht bevat dat ’s Hofs motivering niet voldoet aan het in art. 359.2 2e volzin Sv gegeven motiveringsvoorschrift t.a.v. uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, stuit het af op de omstandigheid dat het hier een verweer betreft a.b.i. art. 358.3 Sv. Dienaangaande geldt het motiveringsvoorschrift van de 1e volzin van eerstgenoemde bepaling (vgl. HR LJN BB8977, rov. 6.3). 2. In aanmerking genomen dat het Hof ttz. van 9-2-2006 het preliminaire verweer gemotiveerd heeft verworpen en dat verweer ttz. van 31-5-2007 door de enkele verwijzing daarnaar ongewijzigd is herhaald, heeft verdachte geen in rechte te respecteren belang bij de klacht dat in de einduitspraak van het Hof een uitdrukkelijke beslissing ontbreekt omtrent het opnieuw gevoerde verweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 60
RvdW 2009, 193
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/11322

Mr. Schipper

Zitting: 18 november 2008 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 14 juni 2007 -met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Breda van 10 februari 2005 voor zover aan zijn oordeel onderworpen- de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 2 tenlastegelegde en hem ter zake van 1. "Medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden.

2. Namens verdachte heeft mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede, cassatie ingesteld. Mr. S. Dôgan, advocaat te Wijk bij Duurstede, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3. In een samenhangende zaak met griffienummer 08/00753 concludeer ik heden eveneens.

4. Het middel klaagt erover dat het Hof in strijd met artikel 359, tweede lid, Sv, heeft verzuimd inhoudelijk in te gaan op het ter terechtzitting in hoger beroep van 31 mei 2007 uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de inleidende dagvaarding dan wel de oproepingen in eerste aanleg nietig verklaard dienen te worden.

5. De raadsman heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 31 mei 2007 het volgende betoogd:

"Ik herhaal het verweer betreffende de nietigheid van de dagvaarding dan wel oproepingen in eerste aanleg, zoals reeds gevoerd op 9 februari 2006. Mijn cliënt is opgeroepen voor de terechtzitting van 27 januari 2005, terwijl de zaak vervolgens op 26 januari 2005 door de rechtbank is behandeld."

6. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 9 februari 2006 volgt dat de raadsman onmiddellijk na de ondervraging van de verdachte als bedoeld in art. 273 Sv(1) het woord heeft gevoerd, dat de advocaat-generaal daarop heeft gereageerd en dat het Hof vervolgens na beraad in raadkamer een beslissing heeft gegeven. Het proces-verbaal houdt omtrent een en ander het volgende in:

"De raadsman van verdachte deelt -zakelijk weergegeven- mede:

Ter terechtzitting van dit hof van 17 november 2005 heb ik het preliminaire verweer gevoerd inhoudende dat de dagvaarding van cliënt in eerste aanleg nietig is, dan wel de oproepingen van cliënt in eerste aanleg nietig zijn. Het hof heeft op deze terechtzitting zich ongemotiveerd op het standpunt gesteld dat de procedure omtrent dagvaarding en oproepingen van cliënt in eerste aanleg in orde lijken te zijn. Ik herhaal op dit moment opnieuw dit preliminaire verweer. In eerste aanleg is de dagvaarding van cliënt niet tijdig aan hem betekend. Blijkens de stukken is de dagvaarding niet uitgereikt omdat volgens de desbetreffende brigadier van politie, [verbalisant 1], [a-straat 1] te [plaats], nooit bewoond wordt. Ik ben van mening dat dit geen grond is om verder onderzoek naar de woon- of verblijfplaats van een persoon te staken teneinde een dagvaarding te betekenen.

Hetgeen de rechtbank Breda op 26 januari 2005 heeft gedaan acht ik opmerkelijk. De rechtbank heeft op die dag het onderzoek ter terechtzitting onderbroken, teneinde cliënt op 27 januari 2005 in staat te stellen het laatste woord te voeren. Op 27 januari 2005 is cliënt niet ter terechtzitting verschenen. Voor de datum 26 januari 2005 heeft justitie cliënt op geen enkele wijze kunnen bereiken. Hetgeen de rechtbank Breda op 26 januari 2005 heeft gedaan is volstrekt ten onrechte geschied, nu cliënt tegen de zitting van 27 januari 2005 te 10.00 uur was opgeroepen. Voorts had de rechtbank Breda nooit tot de conclusie mogen komen dat de dagvaarding van cliënt op correcte wijze was geschied. Ik stel mij dan ook op het standpunt dat uw hof de inleidende dagvaarding dan wel de daarop volgende oproepingen nietig dient te verklaren en dat de strafzaak dient te worden verwezen naar de rechtbank Breda.

De advocaat-generaal deelt - zakelijk weergegeven - mede:

De raadsman van verdachte stelt zich op het standpunt dat de inleidende dagvaarding van verdachte nietig is. Mijns inziens is daarvan in casu geen sprake en dient de strafzaak niet te worden verwezen naar de rechtbank Breda.

De raadsman van verdachte deelt - zakelijk weergegeven - mede:

De strafzaak tegen cliënt is op 26 januari 2005 door de rechtbank Breda inhoudelijk behandeld waarbij vervolgens de officier van justitie haar eis heeft geformuleerd. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting onderbroken tot de terechtzitting van 27 januari 2005 teneinde cliënt in de gelegenheid te stellen het laatste woord te voeren. De rechtbank heeft mitsdien de strafzaak jegens cliënt feitelijk op 26 januari 2005 behandeld, terwijl cliënt was opgeroepen tegen de terechtzitting van 27 januari 2005 te 10.00 uur. Dit is volstrekt onrijmbaar met elkaar. Voorts blijkt nergens uit het dossier dat op 27 januari 2005 de zaak jegens cliënt betreffende de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de orde is geweest. Ik stel mij opnieuw op het standpunt dat de inleidende dagvaarding van cliënt nietig dient te worden verklaard.

De verdachte voert het woord en deelt - zakelijk weergegeven - mede:

Ik heb niets toe te voegen aan hetgeen mijn raadsman heeft gesteld.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad in raadkamer.

De voorzitter hervat het onderzoek ter terechtzitting.

De voorzitter deelt - zakelijk weergegeven - mede:

Blijkens het dossier is de verdachte gedagvaard om op 12 november 2004 te 15.00 uur ter terechtzitting van de rechtbank Breda te verschijnen, doch de dagvaarding is niet binnen de daarvoor geldende termijn aan de verdachte betekend, redenen waarom de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting op 12 november 2004 heeft geschorst tot de terechtzitting van 14 december 2004 te 14.00 uur. Vervolgens is de verdachte niet tijdig tegen deze nadere terechtzitting opgeroepen en heeft de rechtbank opnieuw het onderzoek ter terechtzitting geschorst tot de terechtzitting van 10 januari 2005 te 14.00 uur. Op 10 januari 2005 heeft de voorzitter van de rechtbank geconstateerd dat de akte van uitreiking van de oproeping van de verdachte ontbrak, en het onderzoek ter terechtzitting wederom geschorst, ditmaal tot de terechtzitting van 27 januari 2005 te 10.00 uur. De verdachte was reeds op 16 december 2004 opgeroepen om ter terechtzitting de rechtbank Breda van 26 januari 2005 te 14.00 uur te verschijnen in de onderhavige zaak, welke oproeping op 6 januari 2005 uiteindelijk als gewone brief aan het GBA-adres van verdachte is verzonden. Op 6 januari 2005 is verdachte opgeroepen om ter terechtzitting van de rechtbank Breda d.d. 27 januari 2005 te 10.00 uur te verschijnen in de onderhavige zaak, welke oproep uiteindelijk - nadat op 7 januari 2005 getracht is de oproep op het adres van verdachte uit te reiken -, als gewone brief aan het GBA-adres van verdachte op 14 januari 2005 is verzonden. Op de oproep om te verschijnen tegen de terechtzitting van de rechtbank Breda van 27 januari 2005 te 10.00 uur is expliciet aangegeven: "Met deze oproeping komt de oproeping voor 26 januari 2005 niet te vervallen. U wordt voor beide dagen opgeroepen."

Het hof verwerpt het door de raadsman van verdachte gevoerde preliminaire verweer nu dit feitelijke grondslag mist."

7. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 9 februari 2006 zoals hiervoor weergegeven blijkt dat de verdediging aldaar een exceptief verweer als bedoeld in art. 283(2) Sv heeft gevoerd strekkende tot nietigverklaring van de inleidende dagvaarding dan wel oproepingen in eerste aanleg. Het Hof heeft zich vervolgens teruggetrokken in raadkamer om zich te beraden. Daarna heeft het Hof bij monde van de voorzitter de uitvoerig gemotiveerde beslissing strekkende tot verwerping van het verweer meegedeeld.

8. Ter terechtzitting van 31 mei 2007 heeft de verdediging hetzelfde verweer herhaald. Nu het Hof reeds ter terechtzitting van 9 februari 2006 gemotiveerd had beslist op het exceptieve verweer verplichtte geen rechtsregel het Hof om hieromtrent andermaal te beslissen hetzij ter terechtzitting van het Hof hetzij bij de einduitspraak.(3)

9. Het middel dat van een andere opvatting uitgaat kan derhalve niet tot cassatie leiden.

10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ingevolge art. 415 Sv van overeenkomstige toepassing

2 Ingevolge art. 415 Sv van overeenkomstige toepassing

3 Volgens oude rechtspraak is naast een beslissing op een exceptief verweer als bedoeld in art. 279 (oud) Sv (thans 283 Sv, Sch) geen plaats voor een beslissing daarover bij einduitspraak. Zie HR 10 februari 1930, NJ 1930, 443.