Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BG4827

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-01-2009
Datum publicatie
14-01-2009
Zaaknummer
07/11314
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BG4827
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. Aangezien de bewezenverklaring, in het bijzonder vzv. deze inhoudt dat verdachte t.t.v. het voorhanden krijgen van de tabakswaren wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof alsmede w.b. de daarin vermelde periode en plaats, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 201
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. S 07/11314

Mr Jörg

Zitting 18 november 2008 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Het gerechtshof te Leeuwarden heeft verzoeker bij arrest van 12 december 2006 wegens diefstal met geweld door twee of meer verenigde personen en twee gevallen van opzetheling veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het hof de teruggave aan verzoeker van een personenauto en een geldbedrag gelast en de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

2. Namens verzoeker heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof feit 6 subsidiair ten onrechte, althans op onjuiste en/of ontoereikende gronden bewezen heeft verklaard.

4. Blijkens het bestreden arrest heeft het hof ten laste van verzoeker onder 6 subsidiair bewezen verklaard dat:

"hij in de periode van 10 december 2003 tot en met 8 juni 2004 in de gemeente Leeuwarden een hoeveelheid tabakswaren voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die tabakswaren, wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof."

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende twee bewijsmiddelen:

"13.() als verklaring van [getuige 1]:

Ik ben werkzaam bij [A], gevestigd te [vestigingsplaats]. Ik ben gerechtigd namens benadeelde aangifte te doen. Op 10 december 2003 heb ik de supermarkt verlaten en het alarm ingeschakeld. Op 11 december 2003 ben ik aan het werk gegaan en heb het alarm van de supermarkt weer ingeschakeld. Kort daarna ontdekte ik dat er in de supermarkt was ingebroken. Er is namelijk tussen voornoemde tijdstippen, ter hoogte van de balie, waarachter rookwaar ligt opgeslagen, een gat in het dak van de winkel gezaagd. Nadat men een tweetal platen van het systeemplafond had verwijderd, is men kennelijk door dit gat naar binnen geklommen. In de winkel zijn achter de genoemde balie zes rolluiken opengebroken, waarachter de rookwaar lag opgeslagen. Een grote hoeveelheid van deze rookwaren, waaronder sigaretten en shag zijn weggenomen. Niemand had het recht of toestemming zich door middel van braak de toegang tot de winkel en de opslagplaatsen van de rookwaar te verschaffen en daaruit genoemde goederen weg te nemen om zich deze toe te eigenen.

14.() als verklaring van [getuige 2]:

U vertelt mij dat u mij wilt spreken over een zaak met sigaretten. Ik heb die spullen wel daar gezien, ongeveer 6 of 8 maanden geleden. Dat was bij [verdachte](1) thuis. Het lag daar op de grond. Ik heb van hun gehoord dat het gestolen was."

6. Volgens de toelichting op het middel betreft de eerste klacht bewijsmiddel 13. De daarin opgenomen verklaring zou redengevendheid missen, omdat uit deze verklaring niet zou blijken dat het verzoeker was die de bij de diefstal in [A] te [vestigingsplaats] op 10 of 11 december 2003 weggenomen rookwaren heeft geheeld. Derhalve zou de bewezenverklaring slechts op de verklaring van één getuige steunen.

7. Over deze klacht kunnen we kort zijn: de wet vereist niet dat voor het bewijs van de kern van het verwijt in een tenlastelegging twee bewijsmiddelen aanwezig zijn. Als ik de ontwikkeling van ons negatief-wettelijk bewijsstelsel goed zie, gaat zij juist in de richting van het verminderen van formele drempels en het vergroten van de inzichtelijkheid van de bewijsconstructie en van een bredere motivering van de overtuiging. De klacht wil ons in omgekeerde richting voeren.

8. De verklaring van de getuige [getuige 2] is wettelijk voldoende om in abstracto in samenhang met de aangifte tot een bewezenverklaring te komen. De wezenlijke vraag is vervolgens of die verklaring in concreto voldoende elementen bevat om de link tussen de gestolen sigaretten en de aanwezigheid daarvan bij verzoeker te leggen en zo ja, om van verzoeker te kunnen zeggen dat hij op zijn minst voorwaardelijk opzet had toen hij die sigaretten verkreeg.

9. [Getuige 2] heeft op 24 juni 2004 zijn boven geciteerde verklaring afgelegd. 24 Juni 2004 is zes maanden en twee weken na 10/11 december 2003, het tijdstip van de diefstal. Wanneer de getuige zegt dat hij "ongeveer 6 à 8 maanden geleden" de spullen heeft gezien, past dat dus.

10. Wat heeft [getuige 2] gezien? Met hem wordt "een zaak met sigaretten" doorgesproken. Wanneer hij dan zegt: "Ik heb die spullen wel [bij [verdachte] thuis] gezien" heeft de getuige het kennelijk over sigaretten. En wel over sigaretten waarmee iets aan de hand is: het is immers "een zaak met sigaretten", die bij de politie in onderzoek is, en die zich afspeelde in de periode die deze getuige zich herinnert.

11. De klacht dat zonder nadere toelichting en onderbouwing geen verband kan worden gelegd met de gestolen sigaretten is reeds op grond van het bovenstaande niet heel sterk. Zij wordt nog zwakker, wanneer wij daarbij de mededeling van de getuige betrekken dat hij "het daar op de grond" heeft zien liggen. Het is duidelijk dat de getuige met "het" doelt op de buit. Uit het op de grond liggen van de buit mogen we opmaken dat er behoorlijk wat pakjes sigaretten op de grond lagen, in het algemeen niet de plek waar sigaretten worden bewaard. Sigaretten - zo herinner ik mij uit een grijs verleden - zijn kwetsbare genotmiddelen, die door betrapping gekneusd kunnen worden, hetgeen in valse trek kan resulteren. Zonde, bij de huidige prijzen.

12. Ten slotte de klacht dat uit de verklaring van de getuige niet kan worden afgeleid dat verzoeker ten tijde van het voorhanden krijgen van de goederen wist dat zij van misdrijf afkomstig waren.

13. De getuige verklaart dat hij "van hun gehoord heeft dat het gestolen was." Afgezien van de taalfout lijkt het me verantwoord als het hof deze mededeling heeft opgevat als de weergave van wat deze getuige "bij [verdachte] thuis" heeft gehoord. Toegegeven: het is een de auditu-verklaring, maar zo'n verklaring is in beginsel in volle omvang aanvaardbaar, en ik kan niet inzien waarom dat in het onderhavige geval anders zou zijn. Daarbij is behulpzaam dat de getuige zelf de sigaretten ("die spullen") bij [verdachte] thuis heeft gezien, en nog wel op de grond heeft zien liggen - als gezegd een tamelijk ongebruikelijke plaats voor sigaretten. Het moge zo zijn dat in het algemeen uit de aanwezigheid van een enkel voorwerp waaromtrent een verdachte geen verklaring geeft niet zonder meer kan worden afgeleid dat die verdachte tenminste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat enkele voorwerp van misdrijf afkomstig was. Echter, de aanwezigheid van een flinke hoeveelheid sigaretten op een ongebruikelijke plaats, namelijk op de grond, wijst in de richting dat het niet anders kan of verzoeker heeft daarbij tenminste voorwaardelijk opzet gehad. De uiterlijke omstandigheden brengen een dergelijk - normatief - oordeel mee. Daarbij komt nog dat verzoeker heeft verklaard dat de getuige [getuige 2] soms bij hem thuis komt, maar over de door de getuige waargenomen sigaretten alleen zegt dat hij nooit sigaretten gestolen heeft (p-v terechtzitting van 28 november 2006). Dat was het primaire verwijt; niet het subsidiaire.

14. De drie door mij onderscheiden klachten falen. Daarmee faalt ook het middel. De afdoening leent zich voor toepassing van art. 81 RO.

15. Het tweede middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

16. Het middel klaagt terecht dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Verzoeker heeft op 20 december 2006 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 27 september 2007 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke inzendtermijn met ruim een maand is overschreden, welke overschrijding tot strafvermindering dient te leiden (HR 17 juni 2008, LJN BD2578).

17. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar alleen ten aanzien van de opgelegde straf, en tot vermindering daarvan volgens het gebruikelijk tarief.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Blijkens de aanvulling op het arrest is na onderzoek gebleken dat verzoeker de navolgende bijnamen gebruikte: [verdachte] of [verdachte].