Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BG4797

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-01-2009
Datum publicatie
08-01-2009
Zaaknummer
01877/07
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BG4797
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afwijzen getuigeverzoek. Het Hof heeft aan de afwijzing van het verzoek om een getuige te horen ten grondslag gelegd dat het horen niet van belang is i.v.m. enige door het Hof te nemen beslissing omdat de ‘herkenning van verdachte m.b.v. de enkelvoudige spiegelconfrontatie’ niet als bewijsmiddel wordt gebruikt. Nu het Hof de herkenning wél tot het bewijs heeft gebezigd, is de afwijzing van het verzoek niet zonder meer begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 184
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01877/07

Mr. Knigge

Zitting: 18 november 2008

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam op 24 mei 2006 voor 1. "overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994", 2. "overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994", 3. "overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994", 4. "overtreding van artikel 7, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994", 5. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, en 6 en 7. "mishandeling, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts is verdachte viermaal de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen ontzegd, telkens voor de duur van achttien maanden. Tenslotte heeft het Hof beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en heeft het Hof schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander als nader in het arrest omschreven.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte op 2 juni 2006 cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. H.K. ten Brake, advocaat te Hoorn, drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt erover dat het Hof, dat de afwijzing van het verzoek om drie getuigen te horen baseerde op de stelling dat de herkenning van verdachte door deze getuigen met behulp van een enkelvoudige fotoconfrontatie niet als bewijsmiddel is gebruikt, in één geval toch deze herkenning voor het bewijs heeft gebezigd, wat de motivering van het afwijzen van het verzoek onbegrijpelijk maakt.

5. Het arrest van het Hof houdt het volgende in:

"Gevoerde verweren

Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep het subsidiaire verzoek gedaan de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] ter terechtzitting te horen indien het hof (een van) de tenlastegelegde feiten 1, 2, 3 en 4 bewezen acht. De raadsman van de verdachte heeft zijn verzoek gemotiveerd door te stellen dat deze drie getuigen de verdachte hebben herkend bij een enkelvoudige fotoconfrontatie en dat hij de betrouwbaarheid van deze methode en daarmee het bewijs betwist.

Het hof wijst dit verzoek af omdat het hof van oordeel is dat het horen van deze getuigen niet van belang is in verband met enige door het hof te nemen beslissing, nu het hof de herkenning van verdachte door deze drie getuigen met behulp van de enkelvoudige fotoconfrontatie niet als bewijsmiddel heeft gebruikt, zodat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad door deze getuigen niet op te roepen."

6. Bewijsmiddel 2 houdt onder meer in:

"Een ambtsedig proces-verbaal van politie Noord Holland Noord, nummer PL 1050/03-219062 op 23 april 2003 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1], voornoemd.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als op evengenoemde datum tegenover verbalisant afgelegde verklaring van getuige [getuige 3] - zakelijk weergegeven -:

Op 23 april 2003 omstreeks 18.45 uur zat ik met mijn vriend in de auto. Wij zouden de rotonde voor driekwart nemen. Voor ons ging er nog net een auto tussen. Ik hoorde dat die auto die ervoor ging nog probeerde te remmen, maar ik voelde dat we tegen de andere auto aanbotsten. Ik zag dat de auto ondanks de botsing toch nog doorreed. Ik zag dat hij een moment vaart minderde. Toen ging de auto er hard vandoor. Het was een groene Peugeot 106 met het kenteken [00-AA-00]. Wij zijn hem toen gevolgd. De auto sloeg aan het eind van de Weel rechtsaf. Mijn vriend heeft toen besloten hem te laten gaan omdat het veel te hard ging en het te gevaarlijk werd. Wij gokten er op dat hij bij de Vijzelmolen was afgeslagen. Toen wij daar aankwamen zagen wij de auto daar geparkeerd staan met zijn voorkant richting de huizen. We hebben toen de politie gebeld en wij hebben daar gewacht. Toen wij op de politie stonden te wachten zagen wij een man in een goudgele Deawoo Matiz zitten samen met een vrouw.

De man met wie u mij zojuist confronteerde, herkende ik als de persoon over wie ik eerder sprak in mijn verklaring. Ik herken deze persoon aan het haar dat in de nek hangt, de oorbel in het linkeroor en de bouw van deze man."

7. In aanmerking genomen dat het dossier geen andere confrontatie inhoudt dan de confrontatie waarover in dit bewijsmiddel wordt gerelateerd, zodat er geen misverstand over kan bestaan op welke confrontatie(s) de verdediging het oog had, acht ik de verwerping van het verzoek om de getuigen te horen in ieder geval ten aanzien van getuige [getuige 3] onbegrijpelijk. Redengevend voor de bewezenverklaring heeft het Hof kennelijk toch geacht, in strijd met hetgeen in de motivering van het afwijzen na het verzoek werd gesteld, dat de getuige [getuige 3] verdachte heeft herkend toen zij met hem (kennelijk via een spiegel) werd geconfronteerd. Dat het Hof - evenals overigens, afgaande op het proces-verbaal van de zitting, de raadsman) rept over een enkelvoudige fotoconfrontatie, berust mijns inziens op een misverstand, nu alleen de getuige [getuige 1] met een foto van verdachte is geconfronteerd. (1)

8. Het eerste middel slaagt.

9. Het tweede middel klaagt over de strafmotivering. Het Hof heeft acht geslagen op (onder meer) vier ad informandum gevoegde feiten. De verdachte heeft echter ter terechtzitting in hoger beroep één van die feiten ontkend.

10. Op de inleidende dagvaarding heeft de officier van justitie melding gemaakt van de volgende feiten:

"Mededeling ad informandum gevoegde strafbare feiten

(...)

Parketnr. Feitgegevens (pleegperiode, -lokatie, -plaats, -gemeente, omschr. Feit)

1. 023188-04 10 januari 2004, Enkhuizen, Gem. Enkhuizen, Eenvoudige belediging van een ambtenaar in tegenwoordigheid

2. 023188-04 10 januari 2004, Enkhuizen, Gem. Enkhuizen, Het dragen van een of meer vuurwapens van categorie IV

3. 023591-04 16 juni 2004, Houtzaagmolen, Hoorn, Gem. Hoorn, Eenvoudige belediging van een ambtenaar in tegenwoordigheid

4. 023591-04 16 juni 2004, Houtzaagmolen, Hoorn, Gem. Hoorn, voorhanden hebben, vervaardigen vervoeren etc. van een of meer wapen(s)"

11. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 12 mei 2006 houdt als verklaring van verdachte onder meer het volgende in:

"De bij deze zaken ad informandum zaken onder nummer 1, 3 en 4 erken ik te hebben gepleegd. De onder 2 genoemde ad informandum gevoegde zaak ontken ik te hebben gepleegd."

12. In het arrest heeft het Hof onder het kopje "Oplegging van straf en/of maatregel" onder meer het volgende overwogen:

"Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

(...)

Behalve aan het bewezengeachte heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan eenvoudige belediging van een ambtenaar in functie op 10 januari 2004 te Enkhuizen, overtreding van de Wet wapens en munitie op 10 januari 2004 te Enkhuizen, belediging van een ambtenaar in functie op 16 juni 2004 te Hoorn en overtreding van de Wet wapens en munitie op 16 juni 2004 te Hoorn.

Deze strafbare feiten heeft de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep bekend. De feiten zijn door een korte vermelding op de dagvaarding ter kennis gebracht van de verdachte met de mededeling, dat zij onder de aandacht van de rechter zullen worden gebracht en worden bevestigd door de inhoud van de processen-verbaal in het dossiers met de parketnummer 14-023591-04.

Het openbaar ministerie heeft deze dossiers ter behandeling bij deze strafzaak gevoegd en daarmee te kennen gegeven dat de vermelde feiten niet afzonderlijk (verder) zullen worden vervolgd."

13. Blijkens de stukken van het geding heeft de verdachte, anders dan bij het Hof, het ad informandum feit onder nummer 2 bij de Politierechter wél erkend.(2) Volgens HR 6 februari 2001, NJ 2001, 184, moet het bij een ad informandum gevoegd feit echter gaan om erkenning van de feiten voor de rechter die de straf oplegt. Dit ligt anders als de verdachte in hoger beroep verstek laat gaan, of kán anders liggen als uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet expliciet blijkt dat de aanwezige verdachte het feit, anders dan bij de politie of in eerste aanleg, ineens ontkend.(3) In de onderhavige zaak heeft de verdachte expliciet ontkend het ad informandum gevoegd feit te hebben begaan. In dat geval had dit feit niet bij de strafoplegging meegewogen mogen worden. Nu het Hof dit wel heeft gedaan, is de strafoplegging ontoereikend gemotiveerd.

14. Het tweede middel slaagt eveneens.

15. Het derde middel klaagt over de bijkomende straf van de ontzegging van de rijbevoegdheid. Volgens de steller van het middel wijken deze ontzeggingen qua lengte (totaal bezien) dermate af van hetgeen gangbaar is, dat het opleggen zonder nadere motivering verbazingwekkend is.

16. Verdachte heeft voor de bewezenverklaarde feiten 1 tot en met 4 telkens een ontzegging van de rijbevoegdheid gekregen voor de duur van achttien maanden. Omdat deze bijkomende straffen, gelet op art. 180 lid 2 WVW 1994(4) achter elkaar tenuitvoergelegd zullen worden, komt de totale duur van de rijontzegging op zes jaren.

17. Anders dan de steller van het middel wil, acht ik de verschillende rijontzeggingen niet verbazingwekkend. Het Hof heeft gewezen op de justitiële documentatie van verdachte, waarop onder meer een verlaten van de plaats van het ongeval staat vermeld na het veroorzaken daarvan, met dodelijke afloop.(5) Voor elk van de feiten apart geldt, zelfs nog afgezien van de mogelijkheid om in geval van recidive dit te verhogen, een maximum van vijf jaar (art. 179 lid 1 WVW 1994). Daarenboven komt dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat er verweer is gevoerd ten aanzien van de ontzeggingen van de rijbevoegdheid: niet bij de vraag welke bezwaren er tegen het vonnis bestonden (waarbij zelfs een totale rijbevoegdheid voor de duur van tien jaren was opgelegd) en ook niet na de eis van de Advocaat-Generaal, die vorderde dat aan verdachte dezelfde straffen zullen worden opgelegd als de Politierechter had gedaan.

18. Het derde middel faalt.

19. Het eerste en tweede middel slagen. Het derde middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

20. Ambtshalve wijs ik erop dat na het instellen van het cassatieberoep op 2 juni 2006 inmiddels meer dan twee jaren zijn verstreken. Indien de Hoge Raad mij volgt, zal de rechter naar wie de zaak wordt terug- of verwezen daar, ingeval deze rechter tot een strafoplegging komt, rekening mee moeten houden. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 4 en de strafoplegging en tot zodanige op art. 440 Sv gegronde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige..

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Een blik achter de papieren muurt leert dat op het moment waarop de getuigen [getuige 3] en [getuige 2] werden gehoord, verdachte ook op het bureau was. Er is ook een foto van verdachte voorhanden gekomen, maar waarschijnlijk pas na het verhoor van deze getuigen, die zijn gehoord op de dag van de aanrijding. In de aanvullende verklaring van de getuige [getuige 1], een week erna, wordt gerelateerd dat híj met een foto van verdachte is geconfronteerd.

2 En, zo leert een blik achter de papieren muur, ook bij de politie (p-v verhoor d.d. 10 januari 2004, dossierpagina 16).

3 Zoals mijn ambtgenoot mr. Vellinga betoogde vóór HR 17 december 2002, LJN AF0643 (nr. 00099/02, niet gepubliceerd). De Hoge Raad deed de zaak af op de voet van art. 81 RO.

4 "opgelegd bij een andere rechterlijke uitspraak" in lid 2 van art. 180 WVW 1994 sluit niet uit dat dit op een en dezelfde dag door dezelfde rechter is opgelegd. Het arrest van 24 mei 2006 behelst, nu daar verschillende gevoegde zaken zijn behandeld, meerdere uitspraken, die als "andere rechterlijke uitspraken" kunnen gelden.

5 Een blik op dat strafblad leert dat het hier gaat om een ongeval, gepleegd op 17 oktober 1998 waarbij kennelijk meerdere personen zijn omgekomen en waarbij drie maal een ontzegging is opgelegd voor de duur van telkens twee jaren.