Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BG4788

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-01-2009
Datum publicatie
06-01-2009
Zaaknummer
03450/05 II
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BG4788
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Duivencarrousel. Vervolg op HR LJN AZ0281. Het Benelux-Gerechtshof heeft n.a.v. prejudiciële vragen van de HR voor recht verklaard dat de in de tenlastelegging bedoelde duivencarrousel moet worden aangemerkt als een lokinstrument zoals bedoeld in art. 2 van de Beschikking inz. vaststelling van de middelen die toelaatbaar zijn bij de uitoefening van de jacht, van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie, getuigt het oordeel van het Hof dat "de hier bedoelde wijze van gebruik van lokduiven niet zonder meer ongeoorloofd is te achten" van een onjuiste rechtsopvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2009, 244
M en R 2009, 14K
Milieurecht Totaal 2009/2143
JM 2009/32 met annotatie van Boerema
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03450/05 II

Mr. Machielse

Zitting 11 november 2008

Aanvullende conclusie inzake:

[verdachte]

1. Op 15 mei 2007 heeft de Hoge Raad in een tussenarrest overeenkomstig artikel 6 van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof aan dat Gerechtshof vragen voorgelegd in verband met de uitleg van de Beschikking inzake de vaststelling van de middelen die toelaatbaar zijn bij de uitoefening van de jacht (Beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie van 2 oktober 1996), (Trb. 1997, 252).

2. Deze vragen van uitleg zijn gerezen in een zaak waarin het Gerechtshof te 's-Gravenhage op 14 oktober 2005 verdachte had vrijgesproken van overtreding van art. 50 van de Flora- en faunawet, tegen welke vrijspraak het OM cassatie heeft ingesteld.

3. Het gaat in deze zaak om de vraag of het gebruikmaken van een zogenaamde elektronische duivencarrousel bij de jacht (ter verdelging) op houtduiven geoorloofd is. Het hof stelde zich op het standpunt dat in wezen gebruik werd gemaakt van een geoorloofd lokmiddel, te weten een lokduif. In mijn conclusie van 10 oktober 2006 stelde ik mij op het standpunt dat het gebruik van imitatievogels op een duivencarrousel een verboden wijze van jagen was en dat daarom de vrijspraak moest worden vernietigd. De Hoge Raad overwoog in zijn tussenarrest dat er geen aanknopingspunten waren om te oordelen dat het gebruik van dode, opgezette of imitatieduiven bij de jacht ongeoorloofd was, maar dat de vraag hier was of de aanwending van een - electrisch voortgedreven - duivencarrousel moest worden gelijkgesteld met de inzet van een lokduif of van een ongeoorloofd lokinstrument.

De Hoge Raad besloot daarop de volgende vragen te stellen aan het Benelux-Gerechtshof:

"(a) Is de duivencarrousel, zoals hiervoor onder 5 omschreven, aan te merken als een al dan niet mechanisch of electronisch lokinstrument als bedoeld in art. 2 van de Beschikking inzake de vaststelling van de middelen die toelaatbaar zijn bij de uitoefening van de jacht van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie van 2 oktober 1996.

(b) Indien vraag (a) bevestigend wordt beantwoord, is de onderhavige duivencarrousel een middel dat toelaatbaar is bij de jacht in de zin van de Beschikking, indien deze duivencarrousel wordt gebruikt tot het doden van de houtduif in het kader van de bestrijding van schade aan land- en tuinbouwgewassen en dus wordt gebruikt ter verdelging."

4. Op 9 november 2007 nam plaatsvervangend advocaat-generaal bij het Benelux-Gerechtshof mr. F.F. Langemeijer conclusie in deze zaak. Hij oordeelde dat een elektronisch aangedreven duivencarrousel een ongeoorloofd lokinstrument is als bedoeld in artikel 2, onder 3, van de Beschikking van het Comité van Ministers. Dat de duivencarrousel wordt gebruikt bij de verdelging van de houtduif in het kader van de bestrijding van schade aan land- en tuinbouwgewassen maakt dit niet anders.

5. Op 25 juni 2008 wees het Gerechtshof arrest. Daarin is opgenomen als verklaring voor recht:

"Met betrekking tot de eerste vraag:

20. De duivencarrousel zoals beschreven in het arrest van de Hoge Raad moet aangemerkt worden als een lokinstrument zoals bedoeld in artikel 2 van de Beschikking.

Met betrekking tot de tweede vraag:

21. Voor het antwoord op de vraag of de onderhavige duivencarrousel kan worden aangemerkt als een lokinstrument als bedoeld in artikel 2 van de Beschikking, is niet van belang dat deze wordt gebruikt tot het doden van de houtduif in het kader van de bestrijding van schade aan land- en tuinbouwgewassen en dus wordt gebruikt ter verdelging."

6. Nu het Benelux-Gerechtshof heeft beslist dat de duivencarrousel een lokinstrument is als bedoeld in artikel 2 van de Beschikking van het Comité van Ministers en nu bovendien feitelijk vaststaat dat de duivencarrousel elektronisch werd voortgedreven, getuigt het oordeel van het hof dat er slechts sprake was van het aanwenden van een geoorloofd lokmiddel, te weten een lokduif, zoals genoemd in artikel 50 lid 1, aanhef en onder e, Flora- en faunawet, van een onjuiste uitleg van deze beide bepalingen.

7. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de gegeven vrijspraak zal vernietigen en artikel 440 lid 2 Sv zal toepassen op een wijze als aan hem gepast voorkomt.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden