Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BG3503

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
28-01-2009
Zaaknummer
01968/07
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BG3503
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Nu verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de HR door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie als in de wet bedoeld heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437.2 Sv, zodat verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 267
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01968/07

Mr. Schipper

Zitting: 4 november 2008

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 5 oktober 2006 vrijgesproken van de in het arrest genoemde bij inleidende dagvaarding aan hem tenlastegelegde feiten, en verder wegens 1. "medeplegen van opzetheling", 2. "opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen geplaagd", 3. "medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" en 4. "medeplegen van valsheid in geschrift" veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en de teruggave bevolen van de in het arrest genoemde inbeslaggenomen voorwerpen.

2. Deze zaak hangt samen met de zaak met nummer 01969/07, in welke ik vandaag eveneens concludeer.

3. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens de verdachte heeft mr. W.J.C. Piet, advocaat te Tilburg, een schriftuur naar de Hoge Raad gezonden.

4. Naar vaste jurisprudentie wordt slechts als middel van cassatie aangemerkt een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.

5. Naar mijn mening voldoet het in de schriftuur naar voren gebrachte 'middel' niet aan deze eis. In dit 'middel' wordt onder vermelding van art. 416 Sr immers weliswaar naar voren gebracht dat het Hof de verdachte ten onrechte danwel op onbegrijpelijke gronden heeft veroordeeld wegens het medeplegen van opzetheling, maar deze klacht wordt louter met feitelijke argumenten onderbouwd. Deze argumenten culmineren in de - wederom feitelijke - stelling dat er geen enkele link is tussen de in de garagebox aangetroffen gestolen auto, en de auto die op naam van de verdachte stond, danwel bij hem in gebruik was. Een dergelijke klacht kan niet worden aangemerkt als een cassatiemiddel in de zin der wet (vgl. Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 5e, p. 85).

6. Nu hetgeen is aangevoerd niet kan worden aangemerkt als een cassatiemiddel in de zin der wet, heeft de verdachte niet voldaan aan de in art. 437 lid 2 Sv neergelegde verplichting. Daarom kan hij niet worden ontvangen in zijn cassatieberoep.

7. Deze conclusie strekt ertoe de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in zijn cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG