Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BF1321

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-03-2009
Datum publicatie
17-03-2009
Zaaknummer
08/00459 H
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BF1321
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Enschedese ontuchtzaak. Herziening. Afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 456
NJB 2009, 819
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. S 08/00459 H

Mr. Schipper

Zitting: 23 september 2008

Conclusie inzake:

[Aanvrager]

1. [Aanvrager] (hierna ook: de aanvrager) is bij arrest van het Hof te Arnhem van 20 februari 2002(1) ter zake van 1 primair., 2 primair., 3 primair. en 4 primair., telkens opleverende "het medeplegen van verkrachting, meermalen gepleegd", 5 subsidiair. "het medeplegen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd", 7 primair. "het medeplegen van met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam" en 8. "het medeplegen van met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen", veroordeeld tot acht jaren gevangenisstraf. Tevens is bevolen dat de aanvrager ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Voorts heeft het Hof de vorderingen van vijf van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en aan de aanvrager schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander als in het arrest omschreven. Twee benadeelde partijen zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering tot schadevergoeding.

2. Tegen deze uitspraak van het Hof heeft [aanvrager] beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 30 september 2003 heeft de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigd wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art 6 lid 1 EVRM, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad heeft de opgelegde gevangenisstraf verminderd tot zeven jaar en zeven maanden en het ingestelde cassatieberoep voor het overige verworpen.(2) De veroordeling van de aanvrager werd hiermee onherroepelijk.

3. Namens [aanvrager], heeft mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, een aanvraag ingediend tot herziening van deze onherroepelijke veroordeling, die op 1 februari 2008 bij de Hoge Raad is ingekomen. Op de zitting van de Hoge Raad van 22 april 2008 heeft mr. G.G.J. Knoops de aanvrage tot herziening mondeling toegelicht en tevens stukken overgelegd. Later heeft mr. Knoops nog het aangekondigde nadere rapport van prof. dr. H. Crombag, getiteld: "twee transcripties" (mei 2008), toegezonden, dat op 16 juni 2008 is ontvangen.

4. Voor een goed begrip van de bespreking van deze zaak geef ik hieronder de bewezenverklaring en de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen weer.

5. In het arrest waarvan herziening wordt gevraagd is ten laste van de aanvrager als bewezenverklaring opgenomen dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 april 1996 tot 18 mei 1999, in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met anderen (lees: door, Sch) geweld en een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1], geboren 1985, telkens heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende hij, verdachte en/of (een van) zijn mededader(s)

- hun/zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht en/of

- hun/zijn penis en/of hun vinger(s) in het geslacht van die [slachtoffer 1] gebracht

en telkens bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld hierin dat verdachte en/of (een van) zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen en/of geschopt en/of

- dat hij, verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) ten aanzien van die [slachtoffer 1] gebruik heeft/hebben gemaakt van het geestelijk en/of lichamelijk overwicht dat hij, verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) op die [slachtoffer 1] had(den)

en aldus telkens voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft/hebben doen ontstaan.

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 april 1996 tot 18 mei 1999, in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met anderen door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2], geboren 1987, telkens heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] hebbende hij, verdachte en/of (een van) zijn mededader(s)

- hun/haar/zijn genitaliën en/of hun/haar/zijn tong en/of borst(en) in de mond van die [slachtoffer 2] gebracht en/of

- hun/haar/zijn vinger(s) en/of hun/zijn/haar tong in het geslacht van die [slachtoffer 2] gebracht

en (telkens) bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld hierin dat verdachte en of (een van) zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 2] heeft/hebben geslagen en/of geschopt en/of hardhandig vastgepakt en/of

- dat hij, verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) ten aanzien van die [slachtoffer 2] gebruik heeft/hebben gemaakt van het geestelijk en/of lichamelijk overwicht dat hij, verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) op die [slachtoffer 2] had(den) en

aldus telkens voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft/hebben doen ontstaan.

3.

hij op tijdstippen in de periode van 1 november 1997 tot 1 september 1998 in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met anderen, door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld een jongetje genaamd [slachtoffer 3], geboren in 1986, telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen (lees: die, Sch) mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3], hebbende hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- hun/zijn/haar genitalien in de mond van die [slachtoffer 3] gebracht en/of

- zijn/hun penis in de anus van [slachtoffer 3] gebracht en

telkens bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld hierin dat hq (lees: hij, Sch), verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 3] heeft/hebben uitgekleed en/of

- die [slachtoffer 3] (op een stoel) heeft/hebben vastgebonden en/of

- het hoofd van die [slachtoffer 3] naar voren en achteren heeft/hebben bewogen

- die [slachtoffer 3] heeft/hebben geblinddoekt en/of

- een pistool tegen het hoofd van [slachtoffer 3] heeft/hebben gehouden en/of

- die [slachtoffer 3] hardhandig heeft/hebben vastgepakt en/of

- die [slachtoffer 3] tegen het gezicht en/of tegen zijn penis en/of elders tegen het lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt.

- dat hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) ten aanzien van die [slachtoffer 3] gebruik heeft/hebben gemaakt van het geestelijk en/of lichamelijk overwicht dat hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) op die [slachtoffer 3] had(den)

en aldus (telkens) voor die [slachtoffer 3] een bedreigende situatie heeft/hebben doen ontstaan.

4.

hij op tijdstippen in de periode van 1 april 1996 tot 1 januari 1999, in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met een ander door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld een meisje, genaamd [slachtoffer 4], geboren in 1987, telkens heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 4], hebbende hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- zijn genitaliën in de mond van die [slachtoffer 4] gebracht en/of

- hun/zijn penis in de anus van [slachtoffer 4] gebracht en/of

- hun/zijn/haar vinger(s) in de anus van die [slachtoffer 4] gebracht en/of

- een of meer voorwerp(en) in het geslacht en/of in de anus van die [slachtoffer 4] gebracht

en (telkens) bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- genoemde [slachtoffer 4] heeft/hebben geslagen en/of

- (de handen van) die [slachtoffer 4] heeft/hebben vastgebonden en/of

- [slachtoffer 4] heeft/hebben geblinddoekt en/of

- [slachtoffer 4] heeft/hebben uitgekleed en/of

- een pistool tegen hoofd van [slachtoffer 4] heeft/hebben gehouden en/of een mes op/voor de keel, althans het lichaam, van [slachtoffer 4] heeft/hebben gezet/gehouden, en/of

-tegen die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd -zakelijk weergegeven- dat [slachtoffer 4] zou worden neergeschoten of doodgemaakt indien zij niet aan zijn penis zou zuigen en/of

-dat hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) ten aanzien van die [slachtoffer 4] gebruik heeft/hebben gemaakt van het geestelijk en/of lichamelijk overwicht dat hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) op die [slachtoffer 4] had(den)

en aldus telkens voor die [slachtoffer 4] een bedreigende situatie heeft/hebben doen ontstaan.

5.

hij op tijdstippen in de periode van 1 november 1997 tot 1 januari 1999 in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met anderen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld een meisje, genaamd [slachtoffer 5], geboren in 1989, telkens heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, hebbende hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- het geslacht van die [slachtoffer 5] vastgepakt en/of daarin geknepen en/of betast en/of

- de billen en/of de borsten en/of de borstreek en/of de rug van [slachtoffer 5] betast

en telkens) bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 5] de woning (met kracht) naar binnen heeft/hebben getrokken en/of die [slachtoffer 5] heeft/hebben vastgebonden en/of

- die [slachtoffer 5] heeft/hebben geblinddoekt en/of

- een pistool tegen het hoofd van [slachtoffer 5] heeft/hebben gehouden en/of

- die [slachtoffer 5] hardhandig heeft/hebben vastgepakt en/of

- dat hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) ten aanzien van die [slachtoffer 5] gebruik heeft/hebben gemaakt van het geestelijk en/of lichamelijk overwicht dat hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) op die [slachtoffer 5] had(den) en aldus telkens voor die [slachtoffer 5] een bedreigende situatie heeft/hebben doen ontstaan.

7.

hij op een tijdstip in de periode van 3 november 1997 tot 23 juli 1998 te Enschede, tezamen en in vereniging met anderen met [slachtoffer 6], geboren 1993, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd die mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 6], hebbende hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- (een) vinger(s), en/of (een) stokje(s) en/of (een) spuit(en) in de anus van die [slachtoffer 6] gebracht en/of

- met een mes in de penis van die [slachtoffer 6] gesneden.

8.

hij op een tijdstip in de periode van 1 april 1996 tot 18 mei 1999 in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer 7], geboren 1988 die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd hebbende hij verdachte en/of een of meer van) zijn mededader(s) bij die [slachtoffer 7] met (een) stokje(s) en/of (een) spuit(en) de penis en/of de anus aangeraakt."

6. Het Hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

(1). Een hoofdproces-verbaal met nummer 00-800088 van 11 april 2000, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van de verbalisant [verbalisant 1]:

"Op 17 mei 1999 werden aangehouden:

[slachtoffer 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.

[slachtoffer 2], geboren te [geboorteplaats, op [geboortedatum] 1987.

Beiden verdachten zijn kinderen van:

[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953 en

[betrokkene 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958.

Tijdens het onderzoek tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werd er door 38 personen aangifte gedaan van seksueel misbruik van hun kinderen. Uit het onderzoek bleek dat de slachtoffers met geweld en/of bedreiging met geweld werden gedwongen zich uit te kleden. [Slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] drongen vervolgens met hun vingers en/of voorwerpen vagina's en anussen van kinderen binnen.

Het gezin [van aanvrager] is op 10 april 1990 komen wonen op het adres [a-straat 1] te [woonplaats]. Op 1 november 1994 is het gezin [van aanvrager] op het adres [b-straat 1] te [woonplaats] gaan wonen. Op 13 november 1997 is het gezin [van aanvrager] op het adres [c-straat 1] te [woonplaats] gaan wonen.

In de verhoren verklaren [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] over oom [betrokkene 2]. Dit is [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats], wonende [d-straat 1], [woonplaats].

Zakendossiers:

[Slachtoffer 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, wonende [e-straat 1] te [woonplaats].

[slachtoffer 7], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, wonende [f-straat 1] te [woonplaats].

[slachtoffer 4], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, wonende [g-straat 1] te [woonplaats].

[slachtoffer 5], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, wonende [h-straat 1] te [woonpaats].

[slachtoffer 6], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, wonende [c-straat 2] te [woonplaats]."

(2). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 3 juni 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

"Ik ben de moeder van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Wij zijn van de [a-straat 1] te [woonplaats] naar de [b-straat 1] te [woonplaats] verhuisd, dat was op 26 oktober 1995. Wij zijn op 17 november 1997 verhuisd naar de [c-straat 1] te [woonplaats].

In oktober 1998 is [slachtoffer 2] met spoed geplaatst in de Eik te Oldenzaal. [Slachtoffer 1] zat daar net een week eerder. Mijn man en ik zijn een week voor de kerst 1998 verhuisd naar de [d-straat 1], op dit adres woont mijn broer [betrokkene 2]. Via de gezinsvoogd is geregeld dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] eens per week mochten komen."

(3). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 22 mei 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 1]:

"Ik heb al verteld dat [slachtoffer 2] een spuitje gevonden had bij of in de zandbak en dat wij samen een spuitje gehaald hebben bij de apotheek. Ik heb bij [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] een spuitje in de anus en/of vagina gedaan."

(4). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 8 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 1]:

"Ik wil eerst beginnen te vertellen over de mishandelingen, in mijn herinneringen is dit begonnen op mijn 4e jaar. Ik kreeg toen regelmatig een tik of een schop of een stomp. Dit deed mijn vader. Ik kreeg ook wel klappen van mijn moeder. Hoe ouder ik werd hoe erger het werd met de mishandelingen. Ik kreeg altijd klappen, schoppen en stompen.

Op een moment werd ik uit huis geplaatst, toen ik tien jaar was mocht ik regelmatig een weekendje naar huis. Ik weet dat ik nog geen elf jaar oud was. Ik weet dat gewoon. Na mijn elfde kwam ik pas thuis en het is voor mijn elfde gebeurd. Mijn moeder ging met [slachtoffer 2] naar de bingo, ik was alleen thuis met mijn vader. Mijn vader deed de gordijnen dicht en smeet mij op de bank, ik zag en voelde dat hij mijn kleren uitdeed. Ik voelde dat mijn vader met zijn penis bij mij naar binnenging. Hij ging er helemaal in, voor mijn gevoel was dat mijn vagina.

[Slachtoffer 2] moest naar het ziekenhuis. Papa kwam terug naar huis om te vertellen wat [slachtoffer 2] had. Toen op dat moment gebeurde het. Ik werd toen op dat moment weer verkracht door hem.

Ik liet zojuist iets ontglippen: "Hij wist wel dat ik niet meer wilde." Ik bedoel hiermee papa en [betrokkene 2] afzuigen. Ik moest zuigen bij [betrokkene 2] en zo. [Betrokkene 2] kwam 3 / 4 keer in de week, dan werd je gefilmd en moest je ook zuigen. Mama was daar gewoon bij, ze keek, anders kan ik niet zeggen. Ze vond het gewoon.

[Slachtoffer 2] werd ook veel geslagen door [betrokkene 2] en mijn moeder. [Slachtoffer 2] moest aan de penis van [betrokkene 2] en Papa zuigen. Deed ze dat niet dan kreeg ze klappen. In het begin kreeg [slachtoffer 2] heel veel klappen van [betrokkene 2]. Toen [slachtoffer 2] hem niet meer zoog, begon hij met mij. Ik wilde in het begin ook niet en kreeg dan klappen. Gelukkig kwam hij niet in mijn mond klaar. Hij haalde dan zijn piemel eruit.

Zowel aan de [c-straat] als de [b-straat] moesten [slachtoffer 2] en ik kinderen mee naar binnen nemen. Wij moesten seksspelletjes met deze kinderen doen van Pappa, Mamma en [betrokkene 2], zoals penis knijpen en dingen in de anus en de vagina stoppen.

Mijn vader heeft mij een keer gedwongen met [slachtoffer 6]. Ik moest hem overal knijpen, in zijn piemel en zo. Als ik het niet deed dan kreeg ik klappen. [Betrokkene 2] was daar soms ook bij."

(5). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 4 november 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 1]:

"Jullie vragen mij welke kinderen wij mee naar binnen moesten nemen. Volgens mij heb ik dat al verteld. Het waren onder anderen [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6]."

(6). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 21 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 1]:

"Als wij uit school kwamen zei mijn vader: "Ga maar naar buiten, haal ze maar op". Hij noemde dan een naam. Ik liep dan naar een van die kinderen en zei: "Mijn vader wil je wat vragen". Het kind liep dan mee.

Jullie vragen mij wat mijn vader en mijn [betrokkene 2] zelf met de kinderen deden. [Slachtoffer 6] hebben ze de piemel omgedraaid en met de mond.

Ik heb ook een keer gezien dat er een sneetje in de piemel van een jongen werd gemaakt. Volgens mij was het [slachtoffer 6] of [slachtoffer 7]. Het was aan de [c-straat]."

(7). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 10 december 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 1]:

"Toen wij nog aan de [b-straat] woonden is [slachtoffer 2] door pa in de kelder misbruikt. [aanvrager] ging naar de kelder en [slachtoffer 2] moest mee, [slachtoffer 2] wilde niet en ze schreeuwde heel erg. Ik hoorde haar ook schreeuwen in de kelder. Toen ze weer uit de kelder kwamen, was haar gezicht rood en dik, er was ook een arm kapot en geschaafd. Ik vroeg aan [slachtoffer 2] wat er gebeurd was, ze durfde niets te zeggen. Ik was toen 11 jaar en [slachtoffer 2] 9 jaar toen dit gebeurde."

(8). Een proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3]:

"[Betrokkene 1] verklaarde dat haar dochter [slachtoffer 1] haar man [aanvrager] had moeten pijpen. Zij verklaarde dat zij erbij was geweest terwijl dat was gebeurd. Zij dacht dat het in totaal twee of drie keer was gebeurd. Het was gebeurd aan de [b-straat] in de slaapkamer van [aanvrager] en [betrokkene 1]."

(9). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 12 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

"Als ik vanaf de [b-straat] naar de bingo ging, dan gaf [slachtoffer 1] heel duidelijk aan dat ze met mij mee wilde naar de bingo. Ze wilde absoluut niet bij papa blijven. Ze was namelijk bang voor papa. Van meerdere keren kan ik mij herinneren dat [slachtoffer 1] boven op mij zat te wachten en huilde."

(10). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 5 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 3]:

"Ik ben als maatschappelijk werkster in dienst van Stichting Maatschappelijke Dienstverlening Enschede - Haaksbergen. Ik heb [betrokkene 4] een paar keer begeleid. Op 3 oktober 1999 hebben wij [slachtoffer 1] bezocht. [Slachtoffer 1] zei: Papa heeft mij ook verkracht. Haar moeder en [slachtoffer 2] waren niet thuis. Haar moeder was met [slachtoffer 2] in het ziekenhuis. Het was beneden op de bank gebeurd. Ik heb toen de vraag gesteld: "Is hij ook bij jou naar binnen geweest". Ik zag dat [slachtoffer 1] "ja" knikte."

(11). Een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van Dr. E. Everhardt, gynaecoloog, opgemaakt op 28 december 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

"Op 6 december 1999 zag ik [slachtoffer 1], geboortedatum [geboortedatum] 1985.

Onderzoek: De hymenaalring heeft een status na defloratie. De anus toont op 6 uur aan de dorsale zijde een groef die zou kunnen passen bij een oud litteken."

(12). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 17 juli 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 2]:

"Ik ben heel bang voor [betrokkene 2]. Hij schopte en sloeg mij altijd. Hij deed seksspelletjes. Ook met andere kinderen. [Betrokkene 2] kneep in mijn plasser. Hij kijkt ook boos als hij likt en knijpt."

(13). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 22 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 2]:

"Mijn vader was wel blij als ik kinderen binnen haalde. Papa zei tegen mij wat ik met de kinderen moest doen. Als ik dat niet deed dan kreeg ik kontje kermis. Ze kregen een theedoek voor de ogen. Dat was een blinddoek. Papa deed dat wel en mama en [betrokkene 2]. Ik moest [slachtoffer 5] en [slachtoffer 8] binnen halen. Ik ging naar buiten en vroeg of ze kwamen spelen bij mij binnen en dan kwamen we binnen.

[Slachtoffer 1] en ik en papa en [betrokkene 2] stopten dingen in de poeperd van de kinderen. Mijn vader zorgde ervoor dat de kinderen ophielden met schreeuwen. Hij zei gemene dingen en hij sloeg en schopte ze."

(14). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 2 november 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 2]:

"Ik noem een piemel altijd potlood en dat van een meisje puntenslijper, de vagina noem ik dus puntenslijper.

[Aanvrager] kan je ook goed hard vastpakken. [Aanvrager] knijpte mijn armen expres blauw.

Ik sliep wel eens bij papa en mama in bed, papa deed van alles bij mama, alles wat mannen en vrouwen doen. Papa stopte de potlood in de puntenslijper van mama of in de mond of in de andere kant het gaatje. Jullie vragen wat de andere kant is. Ik vind dat te vies om uit te leggen. Hij stopte de potlood ook in de mond bij mij. Ik vond dat niet leuk. Ik voelde mij bang. Ik moest huilen. Papa zei: "hou je kop!" Ik moest dat van hem. Het potlood smaakte vies. Het smaakte heel modderig (opmerking verbalisanten: [slachtoffer 2] trekt een heel vies gezicht en rilt).

Jullie vragen naar de kinderen die bij ons thuis zijn geweest. Dat waren onder anderen [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7]."

(15). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 19 november 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 2]:

"[Betrokkene 2] nam op wat ik bij de kinderen deed. Hij nam alles van mij en [slachtoffer 1] op zoals wat in de anus stoppen en in de puntenslijper.

Als [betrokkene 2] er was, dan werden de kinderen geblinddoekt.

Ik heb een heleboel opgeschreven. Ik vind het moeilijk om het te zeggen.

En voorts inhoudende als relaas van verbalisanten:

Hieronder volgt hetgeen [slachtoffer 2] heeft opgeschreven:

Mamma,

lik titje;

lik plasser,

lik anus,

dat moest ik van haar doen.

Pappa,

Lik piel,

lik kont,

dat moest ik doen van mijn vader.

[Betrokkene 2]

lik piel,

lik kont,

dat moest ik van hem doen."

(16). De verklaring van [betrokkene 4], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van het Hof op 6 februari 2002, voor zover onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

"Ik ben een dochter van de verdachte [aanvrager]. [Betrokkene 1] is mijn stiefmoeder. [Betrokkene 2] is mijn oom. Ik heb meerdere verklaringen afgelegd in deze strafzaak.

Toen ik dertien jaar was, heb ik gezien dat mijn vader wapens in huis had. Hij had een pistool. Ik heb gezien dat hij buiten met dat pistool op paaltjes schoot. Dit pistool bewaarde hij in een geheime bergplaats in een kast. Ik wist van deze geheime bergplaats omdat daar de messen werden bewaard toen [slachtoffer 1] 7 of 8 jaar was en zij zelfmoord wilde plegen.

Ik heb video-opnamen gezien waarop [slachtoffer 1] was opgehangen aan de kapstok en een pistool in haar mond werd gestopt. Ik heb deze band gezien toen ik ongeveer 18 jaar was en ik bij mijn vader in huis verbleef. Toen ik uit bed kwam hadden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] deze videoband op staan. Op deze band stonden ook andere kinderen. Ik ken deze kinderen niet bij naam, maar wel van gezicht. Het waren kinderen uit de buurt. Op de band stonden geen gezichten van volwassenen. Er stonden alleen kinderen, vagina's, penissen en handen op. Mijn Vader, [aanvrager], heb ik op de band herkend. Ik herkende hem aan zijn trouwring en aan de stippen op zijn hand. De trouwring was van zilver en aan de bovenkant en onderkant van de ring zat een sierstreepje. [Slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] namen veel kinderen mee naar huis.

Ik was aanwezig toen een van de ouders kwam klagen over [slachtoffer 1]. Zij zou een stokje in de anus van een kind hebben gedrukt. [Betrokkene 1] zei dat het niet waar kon zijn. Ik heb zelf een keer gezien dat [slachtoffer 1] een stokje in de anus van een kind duwde. Toen ik er wat van zei, zei [slachtoffer 1] tegen mij dat Papa en Mamma het heel gewoon vonden."

En voorts in het bijzonder ook ten aanzien van het onder 3 primair telastegelegde:

(17). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 20 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 5]:

"Als vader van [slachtoffer 3] wil ik aangifte doen. Op school is [slachtoffer 3] zo door [slachtoffer 2] onder druk gezet dat hij naar de woning van [slachtoffer 2] aan de [c-straat] is gegaan. [Slachtoffer 3] werd naakt vastgebonden op een stoel. [Slachtoffer 3] had het over een pistool waarmee hij bedreigd is door deze mensen.

[Slachtoffer 3] werd met een knuffelbeestje over diens geslachtsdeel gestreeld. De moeder zat met het geslachtsdeel van [slachtoffer 3] te spelen, ze heeft [slachtoffer 3] in het gezicht geslagen, omdat [slachtoffer 3] niet mee wilde werken. Een andere keer heeft de vader van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met zijn piemel in [slachtoffer 3] zijn bips gezeten. Een oom met donker haar, waarvan [slachtoffer 3] de naam verder nog niet in mijn richting heeft aangegeven, heeft ook met zijn piemel in de bips van [slachtoffer 3] gezeten. De vader zou [slachtoffer 3] hebben afgetrokken. De oom deed ook de piemel in de mond van [slachtoffer 3]. Vervolgens werd het hoofd van [slachtoffer 3] vastgepakt en werd heen en weer bewogen."

(18). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 22 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 3]:

"Ze hebben mij met een touw vastgemaakt. Die oom heeft mij toen naar zijn huis gebracht. Ik ben daar met de auto naar toe gegaan, maar ik weet niet meer met welke. En toen deed hij heel vies met mij. Die man heeft mij afgetrokken. Dat huis was aan de [d-straat].

Op de bank wilde ze mij neuken. En dat wilde ik niet. Trekken ze zo de broek van mij uit.

Ik ben acht keer bij [slachtoffer 1] in huis geweest en twee keer bij die oom. Toen ik daar was hebben zij mij met een pistool bedreigd.

Die oom heeft mij van achteren gepakt en die vader heeft mij van voren gepakt. Die oom heeft mij bij de kont gebeukt. Hij heeft de piemel in mijn kont gedaan. En die vader heeft mij aan de voorkant afgetrokken. En toen zei die moeder het is mijn beurt en zij heeft aan mijn dinges gelikt, mijn piemel.

Die vader en die oom bonden mij met touw vast en die moeder hield mijn handen vast. Ze hebben mij bedreigd met een zwart pistool. De vader deed dat zo op mijn hoofd.

Die oom heeft mij in mijn gezicht en op mijn schouder geslagen.

Ik moest bij die oom aan de piemel likken en ook moest ik hem aftrekken. Dat was heel zuur.

Bij de moeder moest ik aan de kut likken. Toen ik dat niet wilde heeft ze mij geslagen. In de ballen."

(19). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 20 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 5]:

"Ik heb op aanwijzing van mijn zoon [slachtoffer 3] de route gereden die mijn zoon ook zou hebben gereden in de auto van de oom van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Hij wees het perceel [d-straat 1] aan. Vervolgens vertelde [slachtoffer 3] dat de auto die voor de deur van de woning stond, de auto was waarin hij gezeten had. Het betreft een grijze Honda Prelude met een lekke band."

(20). Een proces-verbaal van bevindingen van 20 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van de verbalisant [verbalisant 4]:

"Naar aanleiding van de verklaring van [betrokkene 5] ben ik naar de [d-straat] te [woonplaats] gegaan. Voor perceel [1] stond een grijskleurige personenauto, merk Honda, type Prelude, kenteken [AA-00-BB]."

(21). Een proces-verbaal van bevindingen van 10 maart 2000, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van de verbalisant [verbalisant 3]:

"Uit opgave van het historisch bestand van voertuigen bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer blijkt dat de personenauto, merk Honda, type Prelude, kenteken [AA-00-BB], van 21-09-96 t/m 14-09-99 in het bezit was van [betrokkene 2], wonende [d-straat 1] te [woonplaats]."

(22). Een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van A.N. Bosschaart, kinderarts, opgemaakt op 8 november 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

"[Slachtoffer 3], geboren [geboortedatum] 1987.

Lichamelijk onderzoek (3 november 1999): Anus, op 12 tot 1 uur erg dunne huid, ten teken van oud litteken. Het litteken aan de anus kan passen bij seksuele kindermishandeling. Nadat ik hem hier op aanspreek vertelt hij mij spontaan wat er is gebeurd."

(23). De verklaring van A.N. Bosschaart, kinderarts van beroep, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van het Hof op 29 oktober 2001, voor zover onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

"Ik heb [slachtoffer 3] gezien op 3 november 1999. Ik neem behoorlijk wat tijd om het kind op zijn gemak te stellen en een band op te bouwen met het kind. Tijdens het medisch onderzoek vertelde [slachtoffer 3] uit zich zelf dat de papa van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hem met zijn penis van achter had gepenetreerd. Ook vertelde hij dat hij de penis van de vader in de mond had moeten nemen en dat de moeder van de meisjes zijn hoofd op en neer bewoog. Terwijl [slachtoffer 3] dit vertelde begon hij te kuchen en te kokhalzen. Uit mijn onderzoek bleek dat [slachtoffer 3] niet verkouden was. Dit was voor mij een aanwijzing dat [slachtoffer 3] herbeleefde wat hij had beleefd. Hetgeen [slachtoffer 3] mij vertelde kwam op mij authentiek over. Een kind kan zoiets niet acteren."

(24). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 28 augustus 2000, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 6]:

"[Slachtoffer 3] is door Bosschaart onderzocht. Hij heeft kleine littekens aan zijn anus. [Slachtoffer 3] heeft ook nu nog vaak last van vieze onderbroeken. Het lijkt wel of hij ontlasting verliest. Ik kan niet precies vertellen wanneer het begonnen is. Ik weet wel dat het in 1998 al zo was, misschien al wel eerder.

[Slachtoffer 3] is altijd al een druk kind geweest, maar op een gegeven moment ging hij ander gedrag vertonen. In de zomer van 1998 is mijn schoonvader overleden. Ik weet dat [slachtoffer 3] toen erg extreem was in zijn gedrag. Hij gedroeg zich al een half jaar vreemd, maar in die periode viel het mij heel erg op. Hij ging wel drie keer per dag douchen, soms hoorde ik hem zelfs wel midden in de nacht douchen."

Hierbij een nadere overweging van het Hof die luidt als volgt:

"Bij het uitwerken van de bewijsmiddelen is het hof gebleken dat in het dossier twee geboortedata van [slachtoffer 3] worden vermeld. In het "Relaas onderzoek [slachtoffer 3]", zakendossier C, wordt [geboortedatum] 1986 als geboortedatum van [slachtoffer 3] vermeld. Onder meer in de aangifte staat vermeld dat [slachtoffer 3] op [geboortedatum] 1987 is geboren. Nu in de achterliggende stukken als geboortedatum van [slachtoffer 3] steeds [geboortedatum] 1987 is vermeld, beschouwt het hof de vermelding in voornoemd relaas als een kennelijke verschrijving. In de telastelegging is als geboortejaar van [slachtoffer 3] 1986 opgenomen, een verschrijving die is overgenomen in de bewezenverklaring. Het hof leest de telastelegging en bewezen verklaring alsnog verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad nu hij ter terechtzitting er blijk van heeft gegeven dat hij weet wat hem wordt verweten."

En voorts in het bijzonder ook ten aanzien van het onder 4 primair telastegelegde:

(25). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 22 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 4]:

"[Slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en hun vader en moeder deden altijd vieze dingen met mij. Die vader zei: "Kom maar binnen". Ik ging op de bank zitten en toen zei hij: "Ik heb een cadeautje voor je". Hij deed toen die de theedoek voor mijn ogen. Toen ging die vader eerst naar de wc en toen pakte die het pistool omdat ik dat niet wou. Toen moest ik mijn mond open doen en aan zijn piemel zuigen en trekken. Hij zei: "Je moet het doen anders schiet ik je dood". Toen pakte hij dat pistool. Het was een echt pistool. Hij deed er een goudgele kogel in. Toen ik op de piemel aan het zuigen was, ging hij plassen en ik moest dat doorslikken.

Hij ([aanvrager]) zei dit moet je niet aan je moeder vertellen, anders schiet ik je vader en moeder ook neer, of ik steek je vader en moeder neer. Ik durfde niets tegen mijn vader en moeder te zeggen.

Ik was een keer aan het bukken en toen deed die vader zijn piemel bij mij in de kont, maar ik kreeg toen de theedoek weer voor mijn ogen, als ze iets bij mij deden kreeg ik alleen maar een theedoek voor mijn ogen.

Ik moest mij eerst helemaal uitkleden en toen wilde ik dat niet, toen pakte hij ([aanvrager]) messen en toen deed hij dat zo hier en toen zei hij als je dat niet doet dat snij ik jou de hoofd eraf. Dat mes voelde heel scherp. De moeder van [slachtoffer 2] had het mes in de hand.

Toen ging [slachtoffer 2]'s moeder met de tong overal overheen en deed [slachtoffer 2]'s vader een pornofilm in de video en ik moest daar naar kijken en toen ging die vader met zijn piemel bij mij bips en dat wou ik niet. Hij deed de piemel bij mij in de kont. Ik moest dan naar de televisie kijken. Als ik dat niet deed kreeg ik iedere keer, iedere keer klappen. De man en de vrouw op de video deden vieze dingen.

Ik moest de vrouw van hem ([aanvrager]) op de borsten kusjes geven en likken. En ik moest mijn vinger in haar kruis doen.

Een keer deden ze gewoon twee stoelen aan elkaar en ik moest daar naakt opliggen en toen deed ze pindakaas en slagroom over mij hele lijf heen en gingen zij dat allemaal oplikken. Daar waren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ook bij. De pindakaas en slagroom zat ook tussen mijn kruis. [Slachtoffer 2] zijn vader likte de slagroom en pindakaas tussen mijn kruis weg. Heel veel keer moest ik naakt op een stoel zitten en dan werd ik met touw op de stoel geboeid, van dat snijtouw.

Ik moest een keer naar een pornofilm kijken en ik wilde naar die kant kijken en toen kreeg ik van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heel veel klappen en toen stompte ze mij.

Ik ben ook naar een ander huis geweest. Ik weet niet waar het was, ik weet niet waar hij woonde, volgens mij was dat die oom. Hij heette [betrokkene 2] of [betrokkene 2] of zoiets.

Het is al bijna drie jaar geleden. Ik was toen negen.

Ik ken een jongetje, die heet [slachtoffer 3] of zo, [slachtoffer 3]. Toen zei hij tegen mij: "Doet [slachtoffer 2] ook vieze dingen bij jou".

[Slachtoffer 2]'s oom heeft op mijn kruis gelikt. Toen ging ik huilen en toen kreeg ik klappen van hem."

(26). Een proces-verbaal van bevindingen van 21 november 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van de verbalisant [verbalisant 5]:

"[Slachtoffer 4] vertelde dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] met een stokje in haar vagina zaten te friemelen."

(27). Een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van A.N. Bosschaart, kinderarts, opgemaakt op 13 januari 2000, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

"Anamnestisch (voornamelijk anamese van ouders): Forse aanwijzingen voor ernstige lichamelijke en seksuele mishandeling van [slachtoffer 4]. Een en ander wordt door haar tijdens het lichamelijk onderzoek bevestigd."

En voorts in het bijzonder ook ten aanzien van het onder 5 subsidiair telastegelegde:

(28). Een proces-verbaal van bevindingen van 22 maart 2000, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2]:

"Uit het Bedrijfs Processen Systeem van de politie Twente blijkt dat op 4 februari 1998 via 112 is gebeld door [slachtoffer 5] met de mededeling dat zij was misbruikt. Zij was hevig geëmotioneerd en vertelde dat zij weer van dat meisje de broek naar beneden moest doen. Met dat meisje bedoelde zei [slachtoffer 2] of [slachtoffer 1], wonende [c-straat 1] te [woonplaats]."

(29). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 22 juli 1998, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 7]:

"Ik ben getrouwd met [betrokkene 8]. Wij hebben twee dochters, [slachtoffer 5] en [slachtoffer 8]. In februari (1998) kwam de politie aan de deur. [Slachtoffer 5] zou de politie hebben gebeld vanuit een telefooncel.

[Slachtoffer 5] vertelde dat [slachtoffer 2] haar zo had vastgepakt dat zij niet meer los kon komen. [Slachtoffer 2] zei tegen [slachtoffer 5] dat zij haar broek naar beneden moest doen. Op een gegeven moment is het [slachtoffer 5] gelukt zich los te rukken en is ze hard naar de telefooncel gerend. In de telefooncel heeft [slachtoffer 5] 112 gebeld. Volgens mij is het telefoontje niet helemaal duidelijk overgekomen, maar wel zo dat de politie is gaan kijken. Ik hoorde dat [slachtoffer 5] de politieauto heeft aangehouden en het over kinderlokkers heeft gehad."

(30). Een proces-verbaal van 2 juni 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 6]:

"Op 2 juni 1999 werd [slachtoffer 5] gehoord. Het slachtoffer [slachtoffer 5] verklaarde zes keer seksueel te zijn benaderd. Ze vertelde over de eerste keer: "Ik ben opgewacht bij de bushalte van de Europaschool. Dit was op een maandag in de winter van 1998, ik ben van de fiets getrokken"."

(31). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 23 november 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 5]:

"Ik ben bij [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en de vader en moeder in huis geweest. Ik had daar een blinddoek om, zes keer. De vader heeft mij bedreigd met een pistool. Omdat ik naar boven moest en zo en ik dat niet wilde. Ik mocht niets aan mijn vader of moeder zeggen. Ze zeiden: "Als je het waagt om het aan je vader of je moeder te vertellen dan schiet ik je dood". Zo deden ze dat steeds. En ze hebben mij heel hard naar binnengetrokken en toen hebben ze mij een blinddoek omgedaan. De moeder deed de deur open.

Die twee zusjes hebben mij uitgekleed en zij hebben mij vastgebonden aan het bed. En die twee zusjes hebben aan mijn fluitje gezeten, en ze gingen met hun vingertjes in en boven mijn fluitje. Ze hebben ook in mijn rug geknepen.

Die vader gaf opdrachten aan de zusjes, je moet bij haar in het fluitje zitten en zo en bij mij in de tietjes knijpen. De vader heeft ook de touwen vastgeknoopt.

Een tweede keer schopte die zusjes mij ook heel hard, en die vader die sloeg mij wel eens.

Ik moest onderzoeken laten doen in het ziekenhuis en toen zei de dokter dat er iets weg was bij mijn fluitje. En dat is weg omdat ze er steeds in deden in mijn fluitje. Het gebeurde toen ik in groep 5 zat."

(32). Een schriftelijk bescheid, zijnde een brief van A.N. Bosschaart, kinderarts, opgemaakt op 8 juli 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

"[Slachtoffer 5], geboren [geboortedatum] 1989.

Lichamelijk onderzoek (01-01-99) grote openstaande hymenstatus na defloratie. Anamnestisch en ook bij lichamelijk onderzoek aanwijzingen passend bij seksuele kindermishandeling."

En voorts in het bijzonder ook ten aanzien van het onder 7 primair telastegelegde:

(33). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 17 mei 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 1]:

"Ik heb [slachtoffer 6] zijn penis omgedraaid en een dun stokje bij hem tussen de billen gedaan. Ik bedoel daarmee dat ik dat in zijn poepgat heb gestopt."

(34). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 5 augustus 1998, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 9]:

"Ik ben getrouwd met [betrokkene 10] en wij hebben samen twee kinderen, de oudste zoon is [slachtoffer 6] en hij is geboren op [geboortedatum] 1993.

Sinds ongeveer anderhalf jaar woont de familie [van aanvrager] aan de [c-straat 1] te [woonplaats]. Het gezin bestaat uit vader, moeder en twee dochters, [slachtoffer 1] is 12 jaar oud en [slachtoffer 2] is 10 jaar oud.

Eind vorig jaar werden wij gewaarschuwd door een meisje van ongeveer 8 jaar bij ons uit de buurt. Zij vertelde mijn vrouw dat zij vieze spelletjes met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft moeten spelen. Een aantal keren is het gebeurd dat [slachtoffer 6] ging spelen en dat wij hem uit het oog verloren. We gingen dan zoeken en vonden hem met [slachtoffer 2] in de bosjes."

(35). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 10 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 9]:

"Afgelopen vrijdag 8 oktober 1999 begon [slachtoffer 6] tegen mij te praten over [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. [Slachtoffer 6] vertelde mij dat hij van een van de meisjes zijn broek naar beneden moest doen. Hierna had [slachtoffer 2] aan zijn piepie getrokken. [Slachtoffer 6] bedoelt met zijn piepie zijn piemel. De meisjes hadden gezegd dat ze hem eraf zouden snijden. Ook vertelde [slachtoffer 6] dat hij was vastgebonden op een bed. [Aanvrager], de vader van de meisjes, zou daar bij hebben gestaan."

(36). Een proces-verbaal van bevindingen van 4 februari 2000, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van de verbalisant [verbalisant 2]:

"Op woensdag 2 februari 2000 was ik bij de familie [van slachtoffer 6], ik was daar in verband met de voorbereiding van [slachtoffer 6] op een studioverhoor in Nijverdal. Tijdens mijn gesprek met [slachtoffer 6] overhandigde de moeder van [slachtoffer 6] mij een briefje waarop teksten geschreven waren. De moeder van [slachtoffer 6] vertelde mij dat zij dit had geschreven en dat het uitlatingen van [slachtoffer 6] betroffen.

Op het briefje stond: [Aanvrager] heeft ook het pistool op mijn hooft gezet. [Aanvrager] heeft mij buiten op het bed vastgebonden en mij buiten aan hekje vastgebonden. De moeder wou me de piepie er af snijden met een heel groot en scherp mes. De vader heeft me aan de piepie gezeten en de vader heeft hete koffie over mijn piepie gegooid en dat deed heel zeer want ik had een hele rode piepie."

(37). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 7 december 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 11]:

"Ik ben de zus van [betrokkene 12]. Zij is de moeder van [slachtoffer 6]. Afgelopen voorjaar, ik denk februari of maart 1999 was ik op visite bij mijn zus en haar man. Op een gegeven moment was mijn zus haar kinderen kwijt. Zij vertelde dat de kinderen misschien bij de achterburen waren. Volgens mij heet die familie [achternaam aanvrager]. Ik heb bij die familie aangebeld en ik zag dat een vrouw de deur open deed. Ik vroeg aan die vrouw of mijn neefjes [slachtoffer 6] en [slachtoffer 9] daar waren. Die vrouw zei tegen mij dat mijn neefjes daar niet waren. Ik hoorde echter het geluid van schreeuwende kinderen afkomstig vanaf de bovenverdieping. Ik hoorde een jongensstem: "Laat me los, laat me gaan". Ik herkende die stem als zijnde van [slachtoffer 6]. Ik hoorde een meisjesstem zeggen: "Ik laat jullie niet gaan. Jullie blijven hier". Ik vroeg nogmaals aan die vrouw of mijn neefjes daar waren.

Die vrouw zei opnieuw tegen mij dat mijn neefjes daar niet waren. Ik zei toen tegen die vrouw dat ik mijn neefjes hoorde schreeuwen en dat ik ze mee wilde hebben, anders haalde ik de politie erbij. Die vrouw en ik stonden op dat moment in de hal van de woning. Even later hoorde ik de deur op de bovenverdieping open gaan en zag ik dat [slachtoffer 6] en [slachtoffer 9] naar beneden renden. Ik zei: "Kom maar bij tante [...]". [Slachtoffer 6] en [slachtoffer 9] vlogen mij vervolgens om de hals alsof ze mij al heel lang niet meer hadden gezien. Ik had de indruk dat ze echt doodsbang waren. Ik heb [slachtoffer 6] en [slachtoffer 9] meegenomen naar de woning van mijn zus aan de [c-straat]."

(38). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 8 mei 2000, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 11]:

"In december 1999 ben ik door een collega van u gehoord. Ik heb toen gezegd dat ik in het voorjaar van 1999 bij de familie [achternaam aanvrager] aan de deur ben geweest. Ik heb mij vergist. Dat was in het voorjaar van 1998, in februari of maart denk ik en dus niet in 1999."

(39). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 9 februari 2000, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 13]:

"[Betrokkene 13] verklaarde dat zij [slachtoffer 6] had opgehaald van de schoolbus. Zij verklaarde dat zij met [slachtoffer 6] meeliep naar de [c-straat] en dat [slachtoffer 6] spontaan uit zichzelf begon te vertellen over [aanvrager en betrokkene 1]. [Slachtoffer 6] had tegen [betrokkene 13] verteld dat ze hem hadden vastgebonden op bed en dat de vader zijn broek naar beneden had getrokken. [Slachtoffer 6] moest stil blijven liggen, want de vader had een pistool op zijn hoofd gezet. [Slachtoffer 6] had daarbij met zijn wijsvinger naar zijn rechterslaap gewezen. [Slachtoffer 6] had tevens verteld dat de moeder een mes had en dat zij zijn piemel eraf wilde snijden. De moeder had hem ook vastgebonden aan een rek."

En voorts in het bijzonder ook ten aanzien van het onder 8 primair telastegelegde:

(40). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 12 oktober 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 14]:

"Ik wens aangifte te doen van vermoedelijke overtreding van de artikelen 246 en 247 van het Wetboek van Strafrecht ten opzichte van mijn zoon, genaamd [slachtoffer 7], geboren [geboortedatum] 1988. Met deze persoon zijn buiten echt ontuchtige handelingen gepleegd. De handelingen bestonden uit het volgende: bedreigen, het doodmaken van hem en zijn ouders, het onzedelijk betasten van zijn penis en het inbrengen van voorwerpen in de anus."

(41). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 3 december 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 7]:

"Ik wil vertellen dat ik bij [slachtoffer 2] heb gespeeld en dat zij hele rare dingen deed. Ze deed allemaal blaadjes en steeltjes achter in mijn broek."

(42). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 19 november 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 7]:

"[Slachtoffer 2] deed al haar kleren uit en ging boven op mij liggen en die vader was aan het filmen.

En [slachtoffer 2] ging mij allemaal stokjes achter in de broek doen, van die prikkelstokjes. Dat deed heel erg zeer, ik had mijn hele bips rood en toen moest mijn vader daar iedere keer zalf op doen.

Ik ben maar 1 keer daar geweest en dat was voor de grote vakantie twee jaar geleden."

(43). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 19 november 1999, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 15]:

"[Slachtoffer 7] is toen hij zeven jaar oud was naar de [a]-school gegaan. Ik weet dat [slachtoffer 2] daar toen ook op zat. [Slachtoffer 7] is een keer bij [slachtoffer 2] thuis geweest, dat was op een woensdag middag. Op een gegeven moment kwam [slachtoffer 7] thuis en vertelde dat [slachtoffer 2] van school af was en dat zij in de gevangenis zat. [Slachtoffer 7] vertelde dat [slachtoffer 2] van school af was omdat ze rare spelletjes deed met kinderen van school. Mijn man heeft [slachtoffer 7] van school gehaald en [slachtoffer 7] begon meteen te vertellen dat [slachtoffer 2] ook wel dingen bij hem had gedaan. [Slachtoffer 2] had aan zijn piemel getrokken en iets in zijn bips gedaan. [Slachtoffer 7] wist niet wat het was, maar wel dat het zeer deed."

(44). Een proces-verbaal van verhoor van politie van 25 augustus 2000, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 14] en [betrokkene 16]:

"Terugkijkend naar de periode waarin het misbruik heeft plaatsgevonden, kunnen wij ons herinneren dat hij klaagde over een pijnlijke anus. Wij hebben toen gekeken en zagen dat de anus rood was. Wij hebben er toen zalf opgedaan. [Slachtoffer 7] klaagde over een zere bips toen hij destijds door [aanvrager] werd thuisgebracht. [Aanvrager] zei toen meteen: "Dat komt doordat de bagagedrager zo hard is". Daarna klaagde hij dus over een pijnlijke anus."

Beknopte beschrijving van de gang van zaken

7. In de kern genomen gaat het hier om twee opeenvolgende, elkaar overlappende opsporingsonderzoeken. In 1998 start de politie Twente een opsporingsonderzoek naar twee minderjarige zusjes, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], die ervan worden verdacht dat zij ontuchtige handelingen hebben gepleegd met een groot aantal buurtkinderen. Dit onderzoek krijgt de naam [A] ([A], Sch). Tijdens dit onderzoek komen ook de vader, moeder en oom van beide meisjes in beeld. Zij worden verdacht van ontucht met genoemde meisjes en andere (jonge) kinderen. Het onderzoek naar de vader, moeder en oom krijgt de naam [A]2. Het [A]2 onderzoek resulteert in vervolgingen en veroordelingen van de vader, moeder en oom. De vader, die de aanvrager tot herziening is, wordt op 5 april 2001 door de Rechtbank te Almelo(3) voor meerdere (zware) seksuele misdrijven veroordeeld. In hoger beroep wordt de aanvrager wederom veroordeeld. Deze veroordeling heb ik reeds onder 1 aangeduid.

8. Op 13 maart 2006 heeft prof. H.F.M. Crombag, rechtspsycholoog en tevens hoogleraar Sociaal Wetenschappelijke Bestudering van het Recht aan de Universiteit Maastricht, deze zaak, die ook wel bekend staat als de "Enschedese ontuchtzaak", aangemeld bij de voorzitter van het College van procureurs-generaal met het verzoek deze door te geleiden naar de Commissie evaluatie afgesloten strafzaken (CEAS). Voornoemde rechtspsycholoog is één van de deskundigen geweest in de zaak tegen de aanvrager, benoemd door de behandelend rechter-commissaris. Hem was gevraagd een onderzoek in te stellen naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van de beide minderjarige zusjes. Crombag is in de hem ter beschikking gestelde stukken een aantal namen van slachtoffertjes tegengekomen waarvan hij niet kon nagaan of die door de politie al dan niet zijn gehoord. Hij heeft het vermoeden dat deze slachtoffertjes mogelijk wel door de politie zijn gehoord, maar dat de van hen opgenomen verklaringen niet aan de rechter zijn voorgelegd. Crombag vindt deze kwestie van belang omdat niet belastende verklaringen van zulke kinderen niet alleen geen bijdrage zouden leveren aan het bewijs tegen de verdachten, maar ook steun zouden kunnen geven aan een alternatieve interpretatie van het bewijsmateriaal of een tegenverhaal.

Naar aanleiding van een advies van de toegangscommissie van de CEAS heeft het College van procureurs-generaal een driemanschap van de CEAS opdracht gegeven om onderzoek te doen.

De CEAS

9. Het College heeft het driemanschap, onder leiding van mr. I.A. Vermeulen, gevraagd onderzoek te doen naar de volgende vraag:

"Is aan de rechter relevante informatie onthouden die mogelijk tot een ander oordeel had kunnen leiden, doordat de processen-verbaal van de verhoren van een aantal slachtoffer/getuigen geen deel uitmaakten van het procesdossier?"

10. Door Crombag waren nog twee andere punten van kritiek op het onderzoek aangedragen, te weten:

a. er is uitgegaan van één scenario, met voorbijzien van andere mogelijkheden (hierbij wordt gewezen op het fenomeen van collaborative storytelling) en

b. op de wijze waarop de beide zusjes en de zes andere vermeende jonge slachtoffers zijn verhoord, is majeure kritiek mogelijk.

Het College heeft besloten dat deze twee aangedragen kritiekpunten overeenkomstig het advies van de toegangscommissie niet in onderzoek zouden worden genomen, omdat deze bekend waren bij de behandelend rechter-commissaris, de Rechtbank en het Hof.

11. Op 15 december 2007 heeft de commissie Vermeulen uit de CEAS in deze zaak het onderzoeksrapport aangeboden aan het College van procureurs-generaal. Het College heeft het rapport vervolgens aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad overhandigd en hem daarbij verzocht het rapport te beoordelen en te bezien of hij daarin aanleiding ziet een herzieningsverzoek in te dienen bij de Hoge Raad dan wel in dit verband nog nader onderzoek gewenst acht. Daarnaast heeft het College het Wetenschappelijk Bureau van het OM opdracht gegeven op korte termijn advies uit te brengen over de te stellen eisen aan de inhoud van het strafdossier. Op 18 december 2007 is het rapport van de onderzoekscommissie Vermeulen openbaar geworden.(4)

12. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad heeft de behandelend Advocaat-Generaal verzocht te onderzoeken of hij in de bevindingen van het rapport aanleiding ziet nader onderzoek te bevorderen.

13. Hoofdstuk II, § 2.2 van het onderzoeksrapport houdt onder meer het volgende in:

"Het driemanschap stelde begin 2007 vast dat zich, hetzij in het [A]-dossier, hetzij in het [A]2-dossier, hetzij in beide dossiers, één of meer documenten bevonden met betrekking tot het merendeel van de door de heer Crombag in zijn rapportage aan de rechter-commissaris opgesomde 'niet met name genoemde kinderen'. Het betrof hoofdzakelijk (imprimé) aangiftes van ouders van slachtoffers, uitgewerkte studioverhoren van slachtoffers en een enkele op andere wijze opgenomen verklaring van een slachtoffer. Met deze vaststelling had de opgeworpen vraag verwoord in de opdracht van het College van procureurs-generaal reeds voor een belangrijk deel beantwoord kunnen worden.

Het driemanschap constateerde bij een nadere analyse van het aan de rechter voorgelegde dossier echter ook dat zich in het politiearchief (op het eerste gezicht relevante) stukken bevonden, die niet ter kennis van de rechter waren gebracht. Hetzelfde gold voor een aantal in het politiejournaal vastgelegde onderzoeksverrichtingen, waarvan het driemanschap heeft moeten vaststellen dat daarvan geen proces-verbaal was opgemaakt.

Daar kwam bij dat de heer Crombag in het op 5 oktober 2006 met hem gevoerde gesprek de mogelijkheid opperde dat verklaringen van slachtoffers na de terechtzitting aan het dossier toegevoegd zouden zijn.

Vorenstaande was voor het driemanschap aanleiding om zich voor onder andere de inventarisatie en vergelijking van de politie- en justitiedossiers vanaf maart 2007 te doen bijstaan door een multidisciplinair vanuit een vijftal politieregio's samengesteld Evaluatie Team, met ervaring in de evaluatie van grootschalige onderzoeken, onder leiding van hoofdinspecteur van Regiopolitie Zuid-Holland-Zuid de heer G.C.E. Jonkheijm en landelijk officier van justitie forensische research mevrouw mr. E.E. van der Bijl. Bij deze inventarisatie en vergelijking is ook een door één van de advocaten van de verdachten ter beschikking gesteld dossier betrokken.

De inspanningen die nodig waren om over alle informatie te kunnen beschikken, die het Evaluatie Team voor de inventarisatie en vergelijking nodig had, in het bijzonder voor het toegankelijk krijgen van informatie die zich niet in het aan de rechter voorgelegde dossier bevond, hebben meer tijd gekost dan het driemanschap wenselijk achtte.

Gaandeweg het onderzoek bleek dat zich bij de Regiopolitie Twente en het Arrondissementsparket Almelo nog stukken en audio- en videobanden bevonden, waarover het driemanschap niet de beschikking had. Ook bleken op een computer van de Regiopolitie Twente (T-schijf) nog digitale bestanden te staan, waarvan het driemanschap niet eerder kennis had kunnen nemen.

Bij het verzoek aan politieambtenaren die destijds deel uitmaakten van het [A]- en [A]2-team om eventueel nog aanwezige persoonlijke documenten aan het onderzoeksteam ter beschikking te stellen, kwam naar voren dat die documenten volgens de bevraagde politieambtenaren inmiddels waren vernietigd.

Vorengenoemde inventarisatie en vergelijking door het Evaluatie Team bracht aan het licht dat de door het College van procureurs-generaal gestelde onderzoeksvraag, restrictief geïnterpreteerd, mogelijk negatief beantwoord zou moeten worden, maar dat bij een wat extensievere interpretatie van de onderzoeksvraag

"Is aan de rechter relevante informatie onthouden die mogelijk tot een ander oordeel had kunnen leiden?"

het antwoord wellicht anders zou kunnen zijn.

Op basis van deze constatering heeft het driemanschap besloten om de onderzoeksopdracht te verbreden tot de hiervoor geformuleerde vraag."

14. De conclusies en het advies van het driemanschap luiden als volgt:

"§ 8.1 Conclusies

Met betrekking tot de beperkte onderzoeksvraag is de conclusie van het driemanschap dat er geen informatie aan de rechter is onthouden die mogelijk tot een ander oordeel had kunnen leiden, doordat processen verbaal van een aantal slachtoffers/getuigen geen deel uit hebben gemaakt van het procesdossier. Ook is niet gebleken dat na de terechtzitting stukken aan het dossier zijn toegevoegd. De desbetreffende door de heer Crombag opgeworpen vraag dient derhalve ontkennend te worden beantwoord.

Voor het overige merkt het driemanschap het volgende op.

Uit de voorafgaande hoofdstukken komt een beeld naar voren van een zeer complexe, gevoelige en met het oog op de waarheidsvinding lastige zaak. De betrokken professionals zijn zich daarvan zeer bewust geweest. Men heeft er steeds naar gestreefd de kwaliteit van de waarheidsvinding hoog te houden, en de (vermoedelijke) slachtoffers te informeren. Omdat de verdachten ontkenden en bewijs anders dan bewijs door getuigen nagenoeg ontbrak lag het accent zwaar op de verklaringen van de slachtoffers. Vrijwel alle belastende verklaringen zijn opgenomen in een periode dat veel over deze zaak is geschreven en gesproken. Daar komt bij dat in de verklaringen van de slachtoffers niet of nauwelijks feiten en omstandigheden worden aangetroffen die zich leenden voor objectieve verificatie. In verklaringen beschreven concrete gebeurtenissen worden niet bevestigd in verklaringen van kinderen die bij dezelfde gebeurtenissen aanwezig geweest zouden zijn. Daarnaast is de wijze waarop (een deel van) de verhoren hebben plaatsgevonden naar het oordeel van het driemanschap risicovol te noemen. Dat geldt met name voor de vele verhoren van [slachtoffer 1] ([slachtoffer 1], Sch) en [slachtoffer 2], ([slachtoffer 2], Sch) die aanvankelijk als verdachten, later als getuigen zijn gehoord. Nu echter rechtbank en hof kennis hebben genomen van de kritiek die diverse deskundigen op (een aantal van de) verhoren hebben uitgeoefend ligt het buiten de taakopdracht van het driemanschap daarop nader in te gaan, laat staan een oordeel daarover te vellen. Dit slothoofdstuk is daarom toegespitst op de in het voorafgaande ontwikkelde bredere vraagstelling:

"Is aan de rechter relevante informatie onthouden die mogelijk tot een ander oordeel had kunnen leiden?"

Het driemanschap acht zich niet in staat om op die vraag een stellig antwoord te geven. Het is niet uitgesloten dat de rechtbank of het hof, wanneer het over bijvoorbeeld meer informatie met betrekking tot de persoonlijkheid van de halfzus zou hebben beschikt, ervan zou hebben afgezien haar verklaring voor het bewijs te gebruiken, maar dat is allesbehalve zeker. Daar komt nog bij dat het zeer de vraag is of in dat geval de verdachten zouden zijn vrijgesproken.

Bij deze stand van zaken stelt het driemanschap vast dat de rol van de halfzus, gezien vanuit het gezichtspunt van kwalitatief verantwoorde opsporing, ongelukkig is geweest. Het is moeilijk te begrijpen waarom het team en de zaaksofficier bevorderen dan wel toelaten dat een persoon die volgens de teamleider binnen het team destijds als 'borderliner' wordt aangemerkt, en als iemand met wier verklaringen zeer behoedzaam moest worden omgesprongen, zo'n cruciale rol speelt rond de aangifte van [slachtoffer 1] op 8 oktober 1999.

Het doet zonder meer vreemd aan dat deze halfzus, nota bene ook nog vergezeld door haar maatschappelijk werkster, het verhoor van [slachtoffer 1] op die datum bijwoont en aldaar ook het woord heeft gevoerd, al is dat niet volledig opgetekend in het aan de rechter overgelegde proces-verbaal van het verhoor. Deze ongewenste gang van zaken wekt sterk de indruk dat de hulpverlening aan de slachtoffers in zekere zin heeft geprevaleerd boven het streven naar optimale zuiverheid bij de waarheidsvinding. Het is maar de vraag of de mogelijke schade aan die waarheidsvinding voldoende is gecompenseerd doordat de halfzus door de rechtbank en het gerechtshof ter terechtzitting is gehoord.

Zoals in § 7.3 beschreven, heeft het driemanschap de telefoontaps op het nummer van vader, die zich op de T-schijf bevonden die nog aanwezig bleek op het politiebureau in Enschede, door het Evaluatie Team laten analyseren. Slechts een klein deel daarvan is destijds uitgewerkt. Deze uitwerking is overigens niet aan het dossier toegevoegd. In het relaas proces-verbaal van de politie is aangegeven dat in de periode voorafgaande aan de aanhouding van de verdachten is getapt.

Dat betekent dat rechter en verdediging van die taps op de hoogte waren, en desgewenst deze taps of delen daarvan, althans voor wat betreft de periode vóór de aanhouding van de verdachten, hebben kunnen afluisteren.

Dit bevestigt de algemene indruk die het driemanschap heeft van het politiële en justitiële onderzoek: men heeft gestreefd naar transparantie; er is geen enkele aanwijzing gevonden dat men relevante informatie heeft willen achterhouden. Vast staat wel dat de inhoud van de taps geen enkele rol heeft gespeeld bij de onderzoeken ter terechtzitting. Men kan zich afvragen of het beeld dat de rechter heeft gekregen van de verdachten zou zijn gekanteld wanneer hij kennis zou hebben genomen van die inhoud.

Uit de analyse van het Evaluatie Team is in ieder geval gebleken dat deze op geen enkele wijze belastend was voor de verdachten; mogelijk zelfs integendeel. Zo zegt vader op een gegeven moment tegen [slachtoffer 1] dat zij "de waarheid moet vertellen".

Het driemanschap heeft aan de dagelijks teamleider en aan de zaaksofficier de vraag voorgelegd of het niet opmerkelijk is dat de toepassing van deze onderzoeksmethode over een aanzienlijke periode helemaal niets belastends heeft opgeleverd.

De zaaksofficier antwoordde hierop dat zij dit juist kenmerkend vond voor de persoonlijkheid van vader, die zij een zeker raffinement toedichtte. De teamleider kon hiervoor geen verklaring geven. Het driemanschap meent, mede gelet op hetgeen door deskundigen van het Pieter Baan Centrum over vader is gerapporteerd, dat de opvatting van de zaaksofficier niet erg aannemelijk is, en gekleurd is door de overtuiging dat vader inderdaad de hoofddader was. Diens gedrag wordt achteraf door de gekleurde bril van de overtuiging geïnterpreteerd. Hoe dit zij, het driemanschap meent dat het juist was geweest wanneer meer informatie uit de taps aan de processtukken zou zijn toegevoegd, met name ook de bovenbedoelde aansporing van vader aan zijn oudste dochter.

Het driemanschap is van oordeel dat niet kan worden uitgesloten, wanneer men de optelsom maakt van de informatie die volgens hem niet of in onvoldoende mate aan de stukken is toegevoegd de conclusie kan worden getrokken dat de rechter, als hij van die informatie kennis had genomen, tot een andersluidend oordeel zou zijn gekomen.

Hiermee is ook de verruimde onderzoeksvraag beantwoord.

§ 8.2 Overwegingen ten overvloede.

Dat betreft in de eerste plaats de volgens alle betrokkenen betreurenswaardig slechte communicatie tussen de CRI-deskundigen en het onderzoeksteam en de zaaksofficier (en in een later stadium de advocaat-generaal). Nadat de CRI-deskundigen hun rapport, dat zeer kritisch uitviel, bij het team hadden ingeleverd is er geen rechtstreekse communicatie geweest tussen deze deskundigen en de teamleiding en de zaaksofficier. Wel waren er contacten tussen hogere echelons van de betrokken organen, maar die leidden niet tot verheldering of toenadering. Integendeel: op enig moment blijkt dat één van beide CRI-medewerkers tot persona non grata is verklaard in de politieregio Twente; een nogal bizarre stap.

Het is het driemanschap gebleken dat ook nog vandaag de dag door alle betrokkenen op geëmotioneerde toon wordt gesproken over de gang van zaken. Het is jammer dat het team en de zaaksofficier niet over hun op zichzelf begrijpelijke verontwaardiging over de harde kritiek zijn heengestapt, en niet onmiddellijk een gesprek hebben belegd om de gevoelens en standpunten over en weer uit te wisselen. Dit klemt temeer, nu - gelet ook op de eveneens zeer uitgesproken kritiek van de heer Crombag, en deels ook het commentaar van de psycholoog - juist de wijze van verhoren het hart van het onderzoek raakte.

Wanneer de communicatie zo slecht verloopt beneemt men zich de kans om van fouten te leren. Hierbij moet wel worden aangetekend dat de zaaksofficier en de teamleider hebben bevestigd dat het team van een aantal aanbevelingen in het CRI-rapport wel gebruik heeft gemaakt.

In dit verband is het treffend dat de dagelijks teamleider in zijn tweede gesprek met het driemanschap ruiterlijk heeft toegegeven dat met name de verhoren van de beide dochters niet voldeden aan de (ook toen reeds) geldende maatstaven. Het 'shoppen' tussen de beide dochters door steeds hetzelfde verhorend koppel rechercheurs was ook naar destijds heersende inzichten niet aan de maat. In een notoir lastige zaak als de onderhavige, waarin nauwelijks bewijs anders dan bewijs door getuigen voorhanden is en bijna alles draait om de verklaringen van zeer jeugdige slachtoffers, waaronder de psychisch kwetsbare dochters c.q. nichten van de verdachten, is een verantwoorde verhoortechniek van doorslaggevend belang.

Het driemanschap stipt nog een tweede punt aan. Dit betreft de rol van de tijdens het [A] - en [A]2 onderzoek geconsulteerde orthopedagoge, die door het hof als deskundige is gehoord.

Het is aannemelijk dat haar expertise voor de overtuiging van de rechter een rol heeft gespeeld, getuige de overweging van het hof dat het hof gelet op de verklaringen van de verschillende deskundigen van oordeel is dat er binnen de wetenschap geen overeenstemming bestaat over de mate van beïnvloedbaarheid van (jonge) getuigen en orthopedagoge ter terechtzitting van het hof van 6 februari 2002 heeft verklaard dat de laatste wetenschappelijke onderzoeken uitwijzen dat de mate van beïnvloedbaarheid van kinderen met een intelligentieleeftijd van 6 jaar of ouder niet veel groter is dan de beïnvloedbaarheid van volwassenen, waarbij de beïnvloedbaarheid ten aanzien van randgebeurtenissen groter is dan die ten aanzien van de centrale gebeurtenis. Ook verklaarde de orthopedagoge voor het hof dat onderzoek heeft aangetoond dat het meerdere keren horen van jonge getuigen, in tegenstelling tot hetgeen men eerder aannam, een positieve uitwerking kan hebben op de waarheidsgetrouwheid van de betreffende verklaringen. De heer Crombag heeft als punt van kritiek naar voren gebracht dat hij niet in de gelegenheid is geweest op de verklaring van deze deskundige te reageren. Nu de verklaringen van beide deskundigen ten overstaan van de zittingsrechter (in hoger beroep) zijn afgelegd past het het driemanschap niet over deze gang van zaken een oordeel uit te spreken.

Wél stelt het driemanschap vast dat er enige onduidelijkheid bestaat over de rol van de door het onderzoeksteam geconsulteerde orthopedagoge. Zelf stelt zij dat haar inbreng slechts de state of the art in de wetenschap betrof met betrekking tot de gevolgen van seksueel misbruik van jeugdigen voor die jeugdigen, en de manier waarop zij hun ervaringen verwerken. In die geest past inderdaad haar verklaring ter zitting van het hof. Maar daarmee is slecht te rijmen dat - blijkens enkele aantekeningen in het politiejournaal - het team haar een oordeel heeft willen laten geven over de betrouwbaarheid van enkele getuigenverklaringen van jeugdige slachtoffers. Niet is overigens gebleken dat zij een dergelijk oordeel inderdaad heeft gegeven. Zelf heeft zij verklaard zich daar niets van te herinneren. Het driemanschap staat hierbij stil omdat zij meent dat het ongewenst is wanneer er onduidelijkheid bestaat over de exacte opdracht aan deskundigen.

§ 8.3 Advies

Al met al stelt het driemanschap vast dat het opsporingsonderzoek op integere wijze en met grote inzet is uitgevoerd. Op geen enkele wijze is gebleken van pogingen om informatie achter te houden.

Op diverse punten heeft het driemanschap bevonden dat aanvullende informatie uit het onderzoek bij de stukken had moeten worden gevoegd. Deze bevinding leidt niet tot het oordeel dat het rechterlijk oordeel waarschijnlijk wezenlijk anders had geluid.

Het driemanschap is zich er evenwel terdege van bewust dat de feitelijke basis van de veroordelende uitspraken, gelet op de zware kritiek van alle betrokken deskundigen op de kwaliteit van de verhoren (de orthopedagoge heeft zich immers niet over de concrete getuigenverklaringen uitgelaten) fragiel is. De informatie die door het onderzoek van het driemanschap is toegevoegd maakt die basis nog fragieler. Het driemanschap kan er niet omheen, alles overziende, de bange vraag onder ogen te zien of de veroordeelden wellicht onschuldig zijn aan bewezen verklaarde feiten. Zelf hebben de veroordeelden steeds volgehouden onschuldig te zijn. Voor vader heeft de ontkenning tot gevolg dat hij waarschijnlijk nog lang in de TBS-kliniek zal moeten blijven. Nader onderzoek zou mogelijk de twijfel kunnen wegnemen. Een dergelijk onderzoek zou ingrijpend en belastend zijn voor de slachtoffers en hun omgeving. Het driemanschap realiseert zich dat bij de uitvoering van dat onderzoek zich allerlei problemen van praktische aard kunnen voordoen, maar acht dat niet voldoende reden om daar bij voorbaat vanaf te zien. Dat gegeven moet worden afgewogen tegen de overweging dat er mogelijkerwijs onschuldigen zijn gestraft en dat een onschuldige van zijn vrijheid beroofd blijft. Het is niet aan het driemanschap te adviseren over de inrichting van het hier bedoelde onderzoek. Het driemanschap adviseert daartoe over te gaan, zodat tenminste een poging wordt ondernomen de bestaande twijfel weg te nemen."

Het kader waarbinnen de herzieningsaanvrage dient te worden beoordeeld

15. Het buitengewone rechtsmiddel van herziening biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een veroordeling die al onherroepelijk is geworden toch ongedaan te maken. Een herzieningsverzoek kan aldus eerst worden gedaan wanneer een strafzaak reeds is afgerond en de betrokkene definitief is veroordeeld. De bedoeling van de herzieningsregeling is niet om dit strafproces bij de Hoge Raad nog eens over te kunnen doen en een veroordeling, die reeds onherroepelijk is, nog eens ter discussie te stellen. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

16. In een recent arrest heeft de Hoge Raad nog eens het kader beschreven waarbinnen een aanvrage tot herziening als de onderhavige dient te worden beoordeeld(5):

"6.1. Uitgangspunt van het Nederlandse recht is dat een veroordeling die door de Nederlandse strafrechter is uitgesproken, na het verstrijken van de beroepstermijnen voor het instellen van gewone rechtsmiddelen en eventueel na het daadwerkelijk benut zijn van die rechtsmiddelen, onherroepelijk wordt. Slechts onder bijzondere omstandigheden is een inbreuk op die onherroepelijkheid mogelijk, namelijk ingeval een aanvrage tot herziening van een dergelijke veroordelende uitspraak wordt ingediend en na onderzoek gegrond wordt bevonden. Dat is in het eerste lid, aanhef en onder 2°, van art. 457 Sv aldus tot uitdrukking gebracht dat als grondslag voor een herziening, voor zover hier van belang, slechts kan dienen een omstandigheid die bij het onderzoek op de terechtzitting de rechter niet is gebleken en die het ernstige vermoeden wekt dat, ware zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de veroordeelde. De aanwending van het buitengewone rechtsmiddel van herziening kan daarom slechts in uitzonderlijke gevallen leiden tot heropening van een strafproces dat met een onherroepelijke rechterlijke beslissing was afgerond.

6.2. De aard van het onderhavige rechtsmiddel brengt mee dat de aangevoerde grond voor herziening niet reeds bij de eerdere berechting mag zijn gebleken. In dat geval is immers geen sprake van een nieuwe omstandigheid in de zin van art. 457 Sv (hierna aan te duiden als 'novum'), maar van een omstandigheid die de rechter die de veroordeling uitsprak, in zijn oordeel heeft kunnen betrekken.

6.3. Onvoldoende is ook dat de nieuwe omstandigheid mogelijk zou hebben geleid tot een andere afloop van de strafzaak, in dit geval tot vrijspraak van de aanvrager. Art. 457 Sv is in dat opzicht strikter. Het eist immers dat door de nieuwe omstandigheid het 'ernstig vermoeden' moet ontstaan dat de rechter de aanvrager zou hebben vrijgesproken indien hij destijds met dat novum bekend was geweest.

6.4. De enkele omstandigheid dat het voorbereidend onderzoek dan wel het onderzoek op de terechtzitting niet volledig is geweest, levert evenmin een grond voor herziening op. Dit is slechts anders indien de in herziening overgelegde gegevens grond geven voor het oordeel dat - voor zover hier van belang - het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken van het tenlastegelegde indien het destijds bekend was geweest met die nieuwe gegevens. Een en ander geldt ook indien - zoals in het onderhavige geval - het College van Procureurs-Generaal na het onherroepelijk worden van de veroordeling een "oriënterend vooronderzoek" heeft doen instellen waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport. De stelling dat dit "oriënterend vooronderzoek" onvolledig is geweest en/of dat de onderzoekers onjuiste conclusies hebben getrokken uit hun bevindingen, kan op zichzelf geen grond voor herziening vormen.

6.5. Voorts kan het novum slechts een omstandigheid van feitelijke aard betreffen. Een mening, overtuiging of gevolgtrekking kan in het algemeen niet als een omstandigheid van feitelijke aard worden aangemerkt. Dat brengt mee dat het oordeel van een deskundige in beginsel - behoudens bijzondere omstandigheden - slechts dan als een novum kan gelden indien deze deskundige is uitgegaan van feiten en/of omstandigheden van feitelijke aard welke niet bekend waren dan wel niet geacht kunnen worden bekend te zijn geweest aan de rechter die de uitspraak heeft gewezen waarvan herziening wordt gevraagd.

Daarbij verdient opmerking dat aan de omstandigheid dat de deskundige op wiens bevindingen de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, nadien tot een ander oordeel komt, in beginsel meer gewicht kan worden toegekend dan aan een - van die deskundige afwijkend - oordeel van een andere deskundige.

6.6. Op grond van art. 459 Sv moet de herzieningsaanvrage de bewijsmiddelen vermelden waaruit het novum kan blijken. De aanvrager kan dus niet volstaan met het aanvoeren van een novum met het doel dat de Hoge Raad daarnaar een nader onderzoek zal (doen) verrichten. Het is de aanvrager die tot op zekere hoogte aannemelijk moet maken dat en waarom de eerder oordelende rechter tot een vrijspraak zou zijn gekomen indien hij ten tijde van de behandeling van de strafzaak op de hoogte was geweest van hetgeen in de herzieningsaanvrage naar voren is gebracht."

17. Tegen de hiervoor geschetste achtergrond dienen de aangevoerde herzieningsgronden te worden beoordeeld.

Bespreking van de aanvrage / de aangevoerde herzieningsgronden

18. De aanvrage beslaat 45 pagina's en doet een beroep op diverse omstandigheden die, naar wordt gesteld, op zichzelf dan wel in samenhang met elkaar het ernstige vermoeden wekken dat de aanvrager zou zijn vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, dan wel het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou zijn verklaard in de strafvervolging van de aanvrager terzake, indien het Hof bij het onderzoek van de zaak met deze gegevens bekend zou zijn geweest. Als bijlagen bij het herzieningsverzoek zijn gevoegd de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd, het rapport van de CEAS van december 2007 (als ik hierna over de CEAS spreek dan bedoel ik hiermee het driemanschap onder leiding van mr. Vermeulen dat dit rapport heeft uitgebracht), de reactie van het College van procureurs-generaal van 18 december 2007 op dit rapport, een aan de raadsman van de aanvrager gerichte brief van [getuige 1] van 4 juli 2007 behelzende een verslag van een gesprek met buren van het gezin van de aanvrager en een aan de raadsman van de aanvrager gerichte brief van prof. Crombag van 7 december 2005.

19. De raadsman brengt in het herzieningsverzoek tot uitdrukking dat dit voor een groot deel is gebaseerd op het onderzoeksrapport van 18 december 2007 van de CEAS. Bestudering van het herzieningsverzoek en dit rapport voert mij tot de conclusie dat het herzieningsverzoek vrijwel geheel steunt op dit rapport. Ik zal dit hierna nader verduidelijken. Het herzieningsverzoek werpt allereerst de vraag op of een rapportage van de CEAS, een ambtelijk advies- en onderzoekscommissie van het Openbaar Ministerie, als een novum kan gelden in de zin van art. 457, eerste lid sub 2, Sv en gaat vervolgens uit van zes herzieningsgronden, waarbij de vijfde herzieningsgrond vijf deelaspecten bevat.

20. De zes genoemde gronden houden - zeer verkort en zakelijk weergegeven - het volgende in:

- De eerste grond is gebaseerd op de bevinding van de CEAS dat geen gericht recherche onderzoek is gedaan naar eventuele beïnvloeding van de slachtoffers bij het afleggen van de voor de aanvrager belastende verklaringen en naar diverse concrete relaties tussen hen.

- De tweede grond bouwt verder op de bevinding van de CEAS dat er verschillen aan het licht zijn gebracht tussen de van de verhoren van de slachtoffers gemaakte video/geluidsbanden en de uitgewerkte verbatim-verslagen.

- In de derde herzieningsgrond wordt aangevoerd dat uit een door de CEAS met de zaaksofficier gehouden interview blijkt dat de wijze waarop de zaaksofficier leiding heeft gegeven aan het opsporingsonderzoek het risico van te grote betrokkenheid en te weinig distantie heeft meegebracht.

- De vierde herzieningsgrond gaat uit van de kennisneming door de CEAS van documenten waaruit blijkt dat na inlevering door het opsporingsteam van het opsporingsproces-verbaal van 11 april 2000 nog een aantal onderzoekshandelingen is verricht maar dat een deel van de resultaten daarvan zich niet in het procesdossier bevindt.

- De vijfde herzieningsgrond is onderverdeeld in een vijftal deelaspecten die telkens berusten op bevindingen van de CEAS:

a) Er is onvoldoende of te weinig onderzoek gedaan naar aanknopingspunten die de verdachten een alibi zouden kunnen verschaffen of de verklaringen van de slachtoffers zouden kunnen ondersteunen.

b) Er had onderzoek kunnen plaatsvinden ter verificatie van aspecten die kleven aan de totstandkoming van de verklaring van slachtoffer C.

c) Er kleven gebreken aan de wijze waarop de jeugdige slachtoffers zijn verhoord.

d) De halfzus [betrokkene 4] heeft bij de totstandkoming van de eerste belastende verklaring van [slachtoffer 1] een zodanige rol gespeeld dat het Hof bij wetenschap daarvan deze verklaring van [slachtoffer 1] niet, althans niet zonder meer voor het bewijs zou hebben gebruikt.

e) er is een aantal onderzoekshandelingen verricht met een negatief resultaat of met een resultaat dat voor het onderzoek niet van belang werd geacht terwijl voeging in het dossier van de resultaten van deze onderzoekshandelingen van belang waren voor de beeldvorming van de rechters.

- Als zesde herzieningsgrond wordt aangevoerd dat het oordeel van de getuige-deskundige Lamers, hetwelk aan de bewijsredenering van het Hof ten grondslag ligt, onjuist althans onvolledig is. Hierbij wordt verwezen naar het aanvullend schrijven/rapport van prof. Crombag van 7 december 2005.

21. De als bijlage bij het herzieningsverzoek gevoegde aan de raadsman van de aanvrager gerichte brief van [getuige 1] van 4 juli 2007 behelzende een verslag van een gesprek met de buren van het gezin [van aanvrager] bevat geen gegevens die op zichzelf tot herziening zouden kunnen leiden. Het door Crombag in zijn op 16 juni 2008 ontvangen rapport van mei 2008 aan de orde gestelde onderwerp betreft de niet volledige weergave in het verbatim proces-verbaal van hetgeen de halfzuster van [slachtoffer 1] heeft gezegd tijdens het verhoor van [slachtoffer 1] op 8 oktober 1999. Echter deze problematiek is ook behandeld in het rapport van de CEAS. De aanvraag berust dus - ik herhaal het - vrijwel geheel op de bevindingen van de CEAS.

22. Hiervoor onder 15 en 16 heb ik de achtergrond weergegeven waartegen een herzieningsaanvraag moet worden beoordeeld. Als tegen deze achtergrond de bevindingen, de conclusies en het advies van de CEAS worden bezien, acht ik het volgende van belang.

23. Met betrekking tot de door het College van procureurs-generaal doorgeleide vraag van Crombag is de CEAS tot de conclusie gekomen dat er geen informatie aan de rechter is onthouden die mogelijk tot een ander oordeel had kunnen leiden doordat processen-verbaal van een aantal slachtoffers/getuigen geen deel uit hebben gemaakt van het procesdossier en dat evenmin is gebleken dat na de terechtzitting stukken aan het dossier zijn toegevoegd.

24. De bevindingen van de CEAS naar aanleiding van de vraag van Crombag kunnen derhalve naar mijn mening geen grond opleveren voor herziening.

25. De CEAS heeft, zoals onder 13 kan worden gelezen, de door het College van procureurs-generaal voorgelegde onderzoeksvraag verbreed tot de vraag "is aan de rechter relevante informatie onthouden die mogelijk tot een ander oordeel had kunnen leiden". Op deze vraag acht de CEAS zich niet in staat om een stellig antwoord te geven. Opgemerkt wordt dat het bijvoorbeeld niet uitgesloten is dat de Rechtbank of het Hof, wanneer meer informatie met betrekking tot de persoonlijkheid van de halfzus beschikbaar zou zijn geweest, ervan zou hebben afgezien haar verklaring voor het bewijs te gebruiken, maar dat dit allesbehalve zeker is. In § 8.3 stelt de CEAS het volgende vast: Het opsporingsonderzoek is op integere wijze en met grote inzet uitgevoerd. Op geen enkele wijze is gebleken van pogingen om informatie achter te houden. Op diverse punten had aanvullende informatie uit het onderzoek bij de stukken moeten worden gevoegd. Deze bevinding leidt echter niet tot het oordeel dat het rechterlijk oordeel waarschijnlijk wezenlijk anders had geluid, als die informatie wel bij de stukken was gevoegd.

26. De hiervoor bedoelde bevindingen van de CEAS zijn dan ook niet aan te merken als omstandigheden die het ernstige vermoeden in zin van art. 457, eerste lid onder 2, Sv doen ontstaan dat het Hof tot een ander oordeel zou zijn gekomen indien deze bekend waren geweest. Ook voor de bevindingen van de CEAS naar aanleiding van de verbrede onderzoeksvraag geldt derhalve naar mijn mening dat deze geen grond kunnen opleveren voor herziening.

27. Na tot de hiervoor genoemde bevindingen en conclusies te zijn gekomen, heeft de CEAS in haar rapport tot uitdrukking gebracht dat zij gelet op de zware kritiek van alle betrokken deskundigen op de kwaliteit van de verhoren er niet om heen kan de "bange vraag" onder ogen te zien of de veroordeelden wellicht onschuldig zijn aan bewezenverklaarde feiten. Als gevolg daarvan is een zekere spanning ontstaan tussen de rechterlijke uitspraken in deze zaak en de opvattingen van de CEAS.

28. Ik zal nu de in het herzieningsverzoek aangevoerde herzieningsgronden specifiek bespreken. Voorts zal ik aandacht schenken aan het arrest van het Hof tegen de achtergrond van de door de CEAS onder ogen geziene "bange vraag" of de veroordeelden wellicht onschuldig zijn aan bewezenverklaarde feiten.

29. De aanvrager meent dat het rapport van de CEAS, een ambtelijke advies- en onderzoekscommissie van het Openbaar Ministerie, nu dat zodanige twijfel naar voren brengt over de juistheid van de veroordeling, op zich als een novum kan gelden in de zin van art. 457, eerste lid onder 2, Sv. De conclusies van de CEAS moeten volgens de aanvrager worden beschouwd als een oordeel in feitelijke zin c.q. een oordeel gebaseerd op nieuwe feitelijke gegevens die binnen het kader van het begrip novum grondslag kunnen vormen voor een verzoek tot herziening. Bovendien kan, omdat de CEAS een intern orgaan is van het OM, worden betoogd dat het oordeel van het driemanschap het ernstige vermoeden in de zin van art 457 Sv wekt dat, als het Hof Arnhem destijds bekend was met het gegeven dat het Openbaar Ministerie zelf van mening was dat het een fragiele zaak vervolgde, dit Hof tot een ander oordeel was gekomen.

30. Hierover kan ik kort zijn. Ik verwijs naar hetgeen ik hiervoor onder 15 en 16 heb opgemerkt over het buitengewone rechtsmiddel herziening. Een rapport van de CEAS vormt op zich niet een omstandigheid van feitelijke aard die het ernstig vermoeden wekt dat ware deze bekend geweest bij het onderzoek ter terechtzitting zou hebben geleid tot een ander oordeel van de strafrechter. Wel kan de inhoud van een zodanige rapportage een novum in de zin van art. 457 Sv opleveren. Daarvan is - zoals ik hiervoor onder 23 tot en met 26 heb uiteengezet - in deze zaak geen sprake. Of de CEAS kan worden aangemerkt als een orgaan van het OM, wil ik hier in het midden laten. Wel ben ik van mening dat de enkele mening of overtuiging van de CEAS dat de feitelijke basis van de veroordelende uitspraken fragiel is, niet kan worden aangemerkt als een novum.(6)

31. De in de aanvrage als eerste novum gepresenteerde omstandigheid heeft betrekking op de beïnvloeding van de, in het kader van het [A]2-onderzoek, afgelegde belastende verklaringen jegens de aanvrager. Gebleken is dat geen gericht rechercheonderzoek is gedaan naar eventuele beïnvloeding en dat er diverse concrete relaties tussen de vermeende slachtoffers bestaan. Dit laatste kan onder meer worden vastgesteld op grond van een aantal politiejournaals die niet in het strafdossier blijken te zijn gevoegd, die nieuwe info bevatten over de wijze en mate van beïnvloeding van getuigen, en op grond van een nieuwe getuigenverklaring (als productie 4 gehecht aan de herzieningsaanvrage). De aanvrager is, met het driemanschap, van oordeel dat niet is uit te sluiten dat onderlinge beïnvloeding van slachtoffers in dit opsporingsonderzoek een grote rol heeft gespeeld en dat het Hof aan de hand van deze nieuwe gegevens wellicht aanleiding zou hebben gehad om anders te oordelen over de mate van aannemelijk gemaakt zijn van de betreffende beïnvloeding van de getuigen.

32. Ik wijs er allereerst op dat de omstandigheid dat niet is uit te sluiten dat onderlinge beïnvloeding van slachtoffers in dit opsporingsonderzoek een grote rol heeft gespeeld en dat het Hof aan de hand van deze nieuwe gegevens wellicht aanleiding zou hebben gehad om anders te oordelen over de mate van aannemelijk gemaakt zijn van de betreffende beïnvloeding van getuigen, niet kan worden aangemerkt als een omstandigheid in de zin van art. 457 Sv die ware deze bekend geweest het ernstige vermoeden wekt dat de strafrechter anders zou hebben geoordeeld.

33. De als productie 4 bij de aanvrage gevoegde aan de raadsman van de aanvrager gerichte brief van [getuige 1] van 4 juli 2007 behelst een verslag van een op die datum gevoerd gesprek van [getuige 1] met [betrokkene 13 en 17], buren van de familie [van aanvrager]. Het verslag bevat positieve meningen van de dochter over [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en mededelingen van haar kant over de bejegening door de politie die haar aanvankelijk als verdachte en later als slachtoffer had aangeduid. De dochter vermeldt dat zij na de verhoren bang was geworden. De moeder beschrijft een politie-inval bij haar thuis en vermeldt dat zij daardoor doodsbang waren. Het verslag bevat echter geen enkele feitelijkheid die als nieuwe omstandigheid in de zin van art. 457 Sv in de zaak van de aanvrager dient te worden aangemerkt.

34. Een aantal aspecten van mogelijke beïnvloeding van slachtoffers hebben deel uitgemaakt van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en waren derhalve aan de rechter bekend. Het Hof heeft immers een in hoger beroep gevoerd verweer als volgt weergegeven en verworpen:

"Namens verdachte is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat:

(...)

c. de verklaringen afgelegd in deze strafzaken zijn beïnvloed door de publiciteit die de strafzaken "[aanvrager] I", zijnde de strafzaken tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], teweeg hebben gebracht, waardoor niet meer te achterhalen is wat getuigen uit eigen wetenschap hebben verklaard, terwijl deze publiciteit mede door het optreden van politie en justitie is veroorzaakt;

(...)

Het hof oordeelt over een en anders als volgt.

(...)

Ten aanzien van het onder c gevoerde verweer stelt het hof voorop dat in strafzaken als de onderhavige (een zedenzaak met een groot aantal jonge) slachtoffers), niet is te voorkomen dat nadat de delicten in de openbaarheid zijn gekomen ten aanzien van slachtoffers en/of getuigen die naar aanleiding van publicaties over deze strafzaak aangifte doen of een verklaring afleggen, de mogelijkheid van beïnvloeding door deze publiciteit bestaat.

Voorts hebben politie en justitie zowel bij het onderzoek in "[aanvrager] 1", de strafzaken tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], als bij het onderzoek in de zaken tegen verdachte en zijn medeverdachten, naast het opsporingsonderzoek, onder meer door samenwerking met hulpverleners en door voorlichting op scholen, ook aandacht besteed aan de ernstige gevolgen die seksueel misbruik kan hebben voor de slachtoffers van dit misbruik.

Het hof erkent dat bij deze werkwijze een belangenafweging is gemaakt tussen enerzijds het belang dat de verdachten hebben bij het achterwege blijven van beïnvloeding van mogelijke getuigen en/of slachtoffers en anderzijds de belangen die de kwetsbare, jeugdige slachtoffers en hun ouders hebben bij tijdige hulpverlening. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat als gevolg van voormelde belangenafweging sprake is geweest van een onaanvaardbare relevante beïnvloeding van verklaringen van getuigen en slachtoffers.

(...)

35. De eerste herzieningsgrond kan niet tot herziening leiden.

36. De in de aanvrage als tweede novum gepresenteerde omstandigheid houdt in dat er substantiële verschillen aan het licht zijn gebracht tussen de video/geluidsbanden, inhoudende de verhoren van de vermeende slachtoffers, en de uitgewerkte verbatim-verslagen. Als punt van kritiek is in de aanvrage nog geuit, dat het Hof geen kennis heeft genomen van de video/geluidsbanden van de verhoren en daardoor een onjuist beeld van de verhoren heeft verkregen, immers: "door het niet meekrijgen van non-verbaal gedrag en intonatie van de gegeven antwoorden gaat veel voor de interpretatie van de verklaring van belang zijnde info verloren", aldus de aanvrager.

37. Aan de aanvrager kan worden toegegeven dat het door de rechter zelf waarnemen van video/geluidsbanden van de verhoren van slachtoffers meerwaarde heeft. Aan de beslissing om dit achterwege te laten liggen vaak overwegingen van praktische aard ten grondslag. Het is echter naar mijn mening niet onmogelijk om de afgelegde verklaringen te interpreteren zonder kennisneming van de video/geluidsbanden, zeker als daarbij gebruikt gemaakt wordt van de mening van deskundigen die deze banden wel hebben waargenomen. Waar het in het kader van deze zaak om gaat is of de aangevoerde kritiek een novum oplevert in de zin van art. 457 Sv. Dat is niet het geval. De stelling dat er sprake is van substantiële verschillen tussen de van de verhoren gemaakte video/geluidbanden en de uitgewerkte verbatim-verslagen, vindt geen steun in het rapport van de CEAS. Bovendien was de omstandigheid dat er sprake is van verschillen bekend aan de rechter en heeft deze deel uitgemaakt van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Het Hof heeft daarover als volgt geoordeeld:

"Namens verdachte is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat:

(...)

e. dat de verhoren onjuist zijn weergegeven nu er verschillen bestaan tussen de banden van de verhoren, de verbatim-verslagen van deze verhoren en de samenvatting van deze verhoren.

(...)

Het hof oordeelt over een en anders als volgt.

(...)

Ten aanzien van het onder e gevoerde verweer is het hof gebleken dat er verschillen bestaan tussen de weergave van verklaringen in processen-verbaal, de transcripties in de verbatim-verslagen en de bandopnamen van de verhoren, maar naar het oordeel van het hof zijn deze verschillen niet zodanig van omvang of aard dat de processen-verbaal die in deze strafzaak zijn opgemaakt daarom niet voor het bewijs zijn te gebruiken. Voorts is niet aannemelijk geworden dat politie of justitie doelbewust onjuistheden in de processen-verbaal hebben (doen) opnemen teneinde de rechter verkeerd in te lichten en/of bewijsmateriaal tegen de verdachten te "produceren".

(...)

38. De als tweede herzieningsgrond aangevoerde omstandigheid kan evenmin tot herziening leiden.

39. In de aanvrage wordt als derde herzieningsgrond het volgende aangevoerd. De CEAS heeft de zaaksofficier een interview afgenomen omtrent de rol van het Openbaar Ministerie tijdens het opsporingsonderzoek. Geconstateerd wordt dat de wijze waarop de zaaksofficier leiding heeft gegeven aan het opsporingsonderzoek het risico van te grote betrokkenheid en te weinig distantie met zich heeft meegebracht. Als aan het Hof destijds bekend was geweest dat vanuit het Openbaar Ministerie zelf zou zijn erkend dat er sprake was van een te grote betrokkenheid en dat te weinig distantie van de zijde van het Openbaar Ministerie was betracht gedurende het opsporingsonderzoek, zou dit zeker een reden kunnen zijn geweest om de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging ter discussie te stellen.

40. Hierover wil ik kort zijn. Het lijkt mij evident dat de constatering dat de wijze waarop de zaaksofficier leiding heeft gegeven aan het opsporingsonderzoek het risico van te grote betrokkenheid en te weinig distantie heeft meegebracht, niet het ernstige vermoeden kan wekken dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk zou zijn verklaard indien het Hof hiermee bekend was geweest. Terzijde wil ik er in dit verband nog wel op wijzen dat de CEAS in haar rapport ook tot uitdrukking heeft gebracht dat het opsporingsonderzoek op integere wijze en met grote inzet is uitgevoerd.

41. Ook de als derde herzieningsgrond aangevoerde omstandigheid kan niet tot herziening leiden.

42. De vierde herzieningsgrond en het vijfde deelaspect van de vijfde herzieningsgrond lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

43. De vierde herzieningsgrond heeft betrekking op de verrichte onderzoeksactiviteiten na overdracht van het proces-verbaal aan het Openbaar Ministerie. Na inlevering van het proces-verbaal op 11 april 2000 zijn door het onderzoeksteam nog een aantal onderzoekshandelingen verricht waarvan een deel zich niet bij het procesdossier bevond. Zo zijn er bijvoorbeeld verscheidene opsporingshandelingen verricht met betrekking tot de halfzus [betrokkene 4] en op 30 januari 2001 zijn nog twee meisjes, leerlingen van dezelfde school voor moeilijk lerende kinderen als waarop [slachtoffer 2] heeft gezeten, in de studio gehoord. De CEAS heeft kennis genomen van deze documenten en merkt op dat zij met betrekking tot de verdachten geen aanvullende informatie bevat, die het vermoeden van seksueel misbruik door de drie verdachten jegens [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] of andere kinderen ondersteunt. De conclusie die in de aanvrage aan het vorenstaande wordt verbonden, is dat dit niet-belastend onderzoeksmateriaal het Hof tot een ander oordeel had kunnen brengen, althans de overtuiging van het Hof had kunnen veranderen.

44. Het vijfde deelaspect van de vijfde herzieningsgrond houdt het volgende in. Er is een aantal onderzoekshandelingen verricht met hetzij een negatief resultaat, hetzij een resultaat dat voor het onderzoek niet van belang werd geacht, maar zij waren naar de mening van de CEAS wel degelijk van belang voor de beeldvorming van de feitenrechters. Vervolgens worden de volgende vier onderzoekshandelingen besproken. Het onderzoeksteam heeft destijds geconcludeerd dat er geen extreme uitgaven hebben plaatsgevonden en voorts is ook het bestaan van andere bankrekeningen niet gebleken. Ook heeft het onderzoeksteam destijds onderzoek gedaan naar het mogelijk huren van pornovideobanden door verzoeker en oom. Het resultaat was negatief. Daarnaast hebben vader, moeder en oom consequent getuigd van hun onschuld in diverse tapgesprekken, waarbij door de oom zelfs concrete voorbeelden zijn genoemd waarmee hij zijn onschuld heeft gepoogd aan te tonen. Tot slot is er een buurtonderzoek gehouden door de politie op 3 en 4 februari 2000 en dat heeft geen informatie opgeleverd over het mogelijk seksueel misbruik in de woning van oom "die voor het team van belang was". De desbetreffende politiejournaals en tapverslagen bevinden zich niet in het dossier. Vorenstaande gegevens zijn niet alleen nieuw, maar wettigen, aldus de aanvrager, ook het "ernstig vermoeden".

45. De in deze herzieningsgronden aan de orde gestelde punten raken de vraag welke eisen dienen te worden gesteld aan de inhoud van een strafdossier. Of anders gezegd: dienen alle op opsporingsonderzoekactiviteiten betrekking hebbende documenten - alsnog - door het Openbaar Ministerie in het strafdossier te worden gevoegd of kan voeging achterwege blijven als het niet van belang zijnde stukken betreft. Indien van het laatste wordt uitgegaan rijst de vraag wanneer een document niet van belang is en aan de hand van welke criteria de selectie van stukken dient plaats te vinden. Hierover bestaat nog niet in alle opzichten de gewenste duidelijkheid. Terecht heeft het College van procureurs-generaal dan ook naar aanleiding van het rapport van de CEAS besloten het Wetenschappelijk Bureau van het OM opdracht te geven advies uit te brengen over de aan een inhoud van een dossier te stellen eisen.

46. Hoe dit ook zij, in deze zaak is men kennelijk van mening geweest dat de hiervoor onder 43 en 44 bedoelde documenten niet van belang waren. In het kader van deze herzieningsprocedure rijst dan de vraag of kennisneming van deze documenten de rechter tot een ander oordeel zou hebben gebracht. De CEAS heeft bevonden dat op diverse punten aanvullende informatie uit het onderzoek bij de stukken had moeten worden gevoegd, maar heeft als haar mening tot uitdrukking gebracht dat deze bevinding niet leidt tot het oordeel dat het rechterlijk oordeel waarschijnlijk wezenlijk anders had geluid. Ik ben het op dit punt eens met de CEAS.

47. De onder 43 bedoelde documenten hebben betrekking op de halfzus [betrokkene 4] en op een tweetal schoolgenoten van [slachtoffer 2]. De inhoud ondersteunt niet het vermoeden van seksueel misbruik door onder andere de aanvrager jegens [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] of andere kinderen. Dat betekent echter niet, mede gelet op het feit dat [betrokkene 4] ter terechtzitting als getuige is gehoord, dat deze informatie het ernstige vermoeden wekt dat de verdachte zou zijn vrijgesproken indien het Hof daarvan kennis had gehad.

48. De onder 44 bedoelde documenten hebben betrekking op het feit dat niet is gebleken dat door de aanvrager en de medeverdachten extreme uitgaven zijn gedaan en dat evenmin is gebleken van het bestaan van bankrekeningen, dat het resultaat van het onderzoek naar het mogelijk huren van pornovideobanden door de aanvrager en de oom negatief was, dat de aanvrager en zijn echtgenote alsmede de oom in diverse tapgesprekken consequent hebben getuigd van hun onschuld en dat een buurtonderzoek geen informatie heeft opgeleverd over mogelijk seksueel misbruik in de woning van de oom. Ook de inhoud van deze documenten kan naar mijn mening niet het ernstig vermoeden wekken dat de aanvrager zou zijn vrijgesproken indien het Hof met de resultaten van deze onderzoekshandelingen bekend was geweest. Het Hof is er bij zijn oordeelsvorming immers al vanuit gegaan dat er op deze punten geen voor de aanvrager belastend bewijsmateriaal bestond aangezien het dossier daarover niets bevatte.

49. Bij gelegenheid van de mondelinge toelichting op het herzieningsverzoek op 22 april 2008 heeft de raadsman van de aanvrager in dit verband nog betoogd dat nu het hiervoor onder 43 en 44 bedoelde ontlastende materiaal welbewust is achtergehouden, de aanvrager bij het Hof geen eerlijk proces heeft gehad in de zin van art. 6, eerste en derde lid, EVRM. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat een dergelijk verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting. Aangevoerd wordt dat de bedoelde stukken niet alleen sec als nieuwe feiten zijn te beschouwen, maar ook dat het onthouden van ontlastend materiaal aan het strafdossier thans voor aanvrager een nieuw verweer vormt, wat een novum is. Immers, een onregelmatigheid bij de bewijsgaring kan onder het bereik van de herziening vallen.

50. Het beroep dat de aanvrager doet op schending van het recht op een eerlijk proces zoals gegarandeerd in art. 6, eerste en derde lid, EVRM versta ik aldus dat de aanvrager betoogt dat er nieuwe omstandigheden zijn gebleken die het ernstige vermoeden doen ontstaan dat het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot niet ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie als deze omstandigheden aan het Hof bekend waren geweest. Het gaat - zoals ik hiervoor onder 47 en 48 heb uiteengezet - om informatie die niet het ernstig vermoeden wekt dat de aanvrager zou zijn vrijgesproken indien het Hof daarmee bekend was geweest. De aanvrage vermeldt geen enkele bewijsmiddel waaruit kan blijken dat welbewust ontlastend materiaal aan de aanvrager is achtergehouden. Tijdens de mondelinge toelichting is daarnaar ook niet verwezen. Het rapport van de CEAS vormt daarvoor ook geen grondslag. Integendeel in § 8.3 stelt de CEAS vast dat het opsporingsonderzoek op integere wijze en met grote inzet is uitgevoerd. Op geen enkele wijze is gebleken van pogingen om informatie achter te houden.

51. De vierde herzieningsgrond en het vijfde deelaspect van de vijfde herzieningsgrond kunnen niet tot herziening leiden.

52. De vijfde herzieningsgrond is onderverdeeld in een vijftal deelaspecten, die volgens de aanvrager ieder voor zich als een zelfstandig novum zijn aan te merken en betreft niet in het strafdossier opgenomen voor de aanvrager ontlastende informatie.

53. In het eerste deelaspect wordt, overeenkomstig het oordeel van de CEAS, aangevoerd dat er naar de informatie met betrekking tot slachtoffers, verdachten en pleegplaatsen, onvoldoende of te weinig diepgaand onderzoek is gedaan. Zo is uit de verklaringen van de slachtoffers niet op te maken op welke datum en tijd het seksueel misbruik heeft plaatsgevonden. Uit het voorgelegde dossier is niet op te maken of gericht rechercheonderzoek is gedaan naar bijvoorbeeld een mogelijk alibi van de verdachten in de betreffende periode, naar details die de slachtoffers hebben verteld over de verschillende pleegplaatsen en/of naar andere aanknopingspunten die de verklaringen van de slachtoffers zouden kunnen ondersteunen. Vaststaat dat geen uitgebreid technisch sporenonderzoek is gedaan in de woning of de auto van de oom.

54. De vraag of er onvoldoende of te weinig diepgaand onderzoek is gedaan naar bijvoorbeeld een alibi voor de aanvrager of naar aanknopingspunten die de verklaringen van de slachtoffers zouden kunnen ondersteunen, wil ik in het midden laten. Of zodanig onderzoek mogelijk is en tot resultaten kan leiden hangt af van veel omstandigheden. Ik noem het tijdsverloop sinds het plaatsvinden van de voorvallen, niet voldoende precieze aanduidingen van tijd en plaats door de slachtoffers, de leeftijd, het geheugen en de kwetsbaarheid van mogelijke getuigen, de beschikbaarheid van technische sporen, de beschikbare mankracht en tijd enz. Met de CEAS ben ik van mening dat er sprake is geweest van een zeer complexe, gevoelige en met het oog op de waarheidsvinding lastige zaak en dat men bij het politiële en justitiële onderzoek heeft gestreefd naar transparantie en geen relevante informatie heeft willen achterhouden. Ik constateer verder dat er sprake is geweest van een omvangrijk opsporingsonderzoek. Het van het Hof ontvangen dossier bestaat uit 11 ordners en 2 ordners met verslagen van in opdracht van het Hof uitgewerkte verhoren.

55. Voor de beoordeling van de aanvrage tot herziening op dit punt is het volgende van belang. De enkele omstandigheid dat het voorbereidend onderzoek niet volledig zou zijn geweest levert geen grond op voor herziening.(7) De aanvrage kan dan ook in zoverre niet tot herziening leiden.

56. Het tweede deelaspect betreft de bevinding van de CEAS dat er destijds onderzoek had kunnen plaatsvinden "ter objectieve verificatie" van de aspecten die kleven aan de totstandkoming van de belastende verklaring van vermeend slachtoffer C. (met slachtoffer C. wordt bedoeld [slachtoffer 3], C. is de aanduiding van het zakendossier dat op hem betrekking heeft, Sch). Benadrukt wordt dat de belastende verklaring van C. van 20 oktober 1999 voor het bewijs is gebruikt en in het bijzonder van belang is geweest voor de bewijsredenering van het Hof, omdat deze verklaring, tezamen met de aangifte van [slachtoffer 1] van 8 oktober 1999, alsmede de verklaring van E. (met E. wordt bedoeld slachtoffer [slachtoffer 4], E. is de aanduiding van het zakendossier dat op haar betrekking heeft, Sch), de aanzet heeft gegeven tot het verhoren van andere kinderen over de vermeende rol van de aanvrager. Hierbij wordt onder meer aangevoerd dat er sterke aanwijzingen zijn gevonden dat de oom en C. elkaar niet hebben gekend zodat beschuldigingen van C. wel eens onjuist kunnen zijn.

57. Ook voor dit deelaspect geldt dat de enkele omstandigheid dat het voorbereidend onderzoek niet volledig zou zijn geweest geen grond oplevert voor herziening. Reeds daarom kan de aanvrage op dit punt niet tot herziening leiden. Daarnaast wil ik er wel op wijzen dat het Hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen - hiervoor onder 6 sub 17 tot en met 24 weergegeven - heeft vastgesteld dat slachtoffer [slachtoffer 3] de woning van de oom heeft aangewezen aan zijn vader en dat de auto die hij herkende als de auto waarmee hij naar zijn zeggen naar het huis van de oom is vervoerd, daadwerkelijk van de oom bleek te zijn.

58. In het derde deelaspect wordt betoogd dat de onderliggende verhoren niet in het teken van waarheidsvinding, maar van hulpverlening stonden. Het is de vraag of de rechter er zich voldoende van bewust is geweest waarom niet alle studioverhoren conform het geldende Protocol Studieverhoren zijn afgenomen. Met name het feit dat de studioverhoren het accent hebben gekregen van hulpverleningsverhoren en niet van juridische verhoren ten behoeve van de waarheidsvinding, leidt ertoe dat de betrouwbaarheid van de verhoren aan kracht heeft ingeboet. Bovendien heeft men zich tweemaal niet gehouden aan de hoofdregel dat een strafrechtelijk studioverhoor in beginsel eenmaal plaatsvindt. Betoogd wordt dat sprake is van toepassing van onjuiste methodiek daar waar het gaat om het verhoren van de kinderen. De bewijsconstructie is in belangrijke mate gebaseerd op de verklaringen van kinderen en het Hof is van de aanname uitgegaan dat deze verhoren hebben plaatsgevonden in het kader van de waarheidsvinding. Nu dit niet zo blijkt te zijn, heeft dit uiteraard consequenties voor de bewijsredenering van het Hof.

59. In dit deelaspect wordt de kwaliteit van de studioverhoren aan de orde gesteld. Hierover is in de strafzaak zowel in eerste aanleg als in hoger beroep uitvoerig gedebatteerd. Uiteraard is de weging van de wijze waarop deze verhoren hebben plaatsgehad, van het grootste belang voor de door de strafrechter te nemen beslissingen. Echter - ik herhaal het - de bedoeling van de herzieningsregeling is niet om het strafproces bij de Hoge Raad nog eens over te kunnen doen en een veroordeling, die reeds onherroepelijk is, nog eens ter discussie te stellen indien er niet sprake is van een novum.

60. Dat de kwaliteit van de studioverhoren uitvoerig aan de orde is geweest blijkt onder meer uit het volgende. De door de rechter-commissaris benoemde deskundige drs. H.J. Emmelkamp, psycholoog, heeft onderzoeken ingesteld naar de geloofwaardigheid van de verklaringen zoals deze op videoband zijn opgenomen van [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [betrokkene 18], [slachtoffer 6], [slachtoffer 5], [betrokkene 17] en [slachtoffer 7]. Van deze onderzoeken zijn op data in de maand maart 2000 telkens verslagen opgemaakt, die zich bij de stukken bevinden en in beide instanties onderwerp van bespreking zijn geweest. Hetzelfde geldt voor het onder verantwoordelijkheid van prof. Crombag uitgebrachte rapport van de Universiteit van Maastricht van 31 januari 2001. Over de wijze waarop de verhoren hebben plaatsgehad zijn N.M. Nierop en C. Schippers als getuige-deskundigen in hoger beroep gehoord. Beiden waren werkzaam als gedragsdeskundigen bij de Afdeling moord- en zedenzaken van het Korps Landelijke Politiediensten. In die hoedanigheid zijn zij eind oktober 1999 benaderd om bijstand te verlenen aan het [A]-team. In het kader daarvan hebben zij een kritisch CRI-rapport gedateerd 7 januari 2000 uitgebracht inhoudende een verhooradvies met betrekking tot de [aanvrager]-zaak. Verder heeft ter terechtzitting in hoger beroep de getuige-deskundige F. Lamers-Winkelman, orthopedagoge en wetenschappelijk onderzoekster werkzaam bij de Vrije Universiteit, een verklaring afgelegd over het verhoren van kinderen. Ook Emmelkamp en Crombag zijn bij de behandeling in hoger beroep als getuige-deskundigen gehoord over de wijze van verhoren.

61. Het Hof heeft met zoveel woorden geoordeeld - zoals hiervoor onder 34 is weergegeven - dat er een belangenafweging is gemaakt tussen enerzijds het belang dat de verdachten hebben bij het achterwege blijven van beïnvloeding van mogelijke getuigen en/of slachtoffers en anderzijds de belangen die de kwetsbare, jeugdige slachtoffers en hun ouders hebben bij tijdige hulpverlening, maar dat niet aannemelijk is geworden dat als gevolg daarvan sprake is geweest van een onaanvaardbare relevante beïnvloeding.

62. Kortom het lijkt mij evident dat er wat dit deelaspect betreft geen sprake is van een nieuwe omstandigheid van feitelijke aard. Voor zover de aanvrager er tevens over bedoelt te klagen dat de wijze van verhoren in strijd is geweest met de van kracht zijnde regelgeving is nog het volgende van belang. Een eventueel verkeerde toepassing van het recht is geen grond voor herziening. Daarover had bij de berechting in feitelijke instantie en in cassatie kunnen worden geklaagd.

63. Het vierde deelaspect houdt in dat er nieuw bewijs is dat onomstotelijk aantoont dat de rol van de halfzus bij de totstandkoming van de eerste belastende verklaring van [slachtoffer 1] jegens de aanvrager dusdanig is geweest dat deze afgelegde verklaring nauwelijks nog als betrouwbaar, alsmede authentiek, valt te kwalificeren. Dit kan worden vastgesteld op grond van nieuw bewijsmateriaal dat niet bij het Hof bekend was, te weten een politiejournaal van het onderzoeksteam, dat geen deel uitmaakt van het procesdossier, alsmede de brieven van 16 juli 1999 en 8 november 1999 van de maatschappelijk werkster, die een gesprek heeft gehad met halfzus [betrokkene 4]. De brief van 16 juli 1999 toont aan dat de halfzus een persoonlijkheidstoornis heeft. Dit in aanmerking genomen en gelet op de veel prominentere rol van de halfzus, was het Hof bij wetenschap hiervan in ieder geval wat [slachtoffer 1] betreft tot een andere bewezenverklaring gekomen.

Voorts wordt hierbij nog als een nieuw gegeven aangevoerd dat de verbatim-uitwerking van het verhoor van [slachtoffer 1] op 8 oktober 1999, waar naast halfzus [betrokkene 4] ook de maatschappelijk werkster [betrokkene 3] en een medewerkster van de jeugdinrichting waar [slachtoffer 1] verbleef aanwezig waren, geen volledige weergave is van hetgeen op audioband is opgenomen. Met name de - vijf pagina's tellende - inbreng van de halfzus tijdens dit verhoor is weggelaten in de verbatim-uitwerking. Hierover beschikte de rechter niet volgens de CEAS. Dat de rol van de halfzus niet slechts ondersteunend is geweest, maar sturend waarbij de nodige druk is uitgeoefend, zou evident zijn.

Daarna wordt nog de betrouwbaarheid van de halfzus aan de orde gesteld aan de hand van niet in het dossier opgenomen stukken, te weten een brief van 1 december 2000 en door haar gevoerde telefoongesprekken, onder meer een telefonisch gesprek tussen de halfzus en haar man op 5 november 2000. Voornoemde stukken zouden de betrouwbaarheid van de halfzus aantasten.

Tot slot is sprake van strijdigheid met de Aanwijzing opsporing seksueel misbruik, nu de halfzus reeds op 16 juni 1999 als getuige was gehoord en zij voorts is gehoord bij het Hof ter terechtzitting van 6 februari 2002.

64. Bij gelegenheid van de mondelinge toelichting op het herzieningsverzoek op 22 april 2008 heeft de raadsman van de aanvrager verwezen naar het nog in te zenden nadere rapport van prof. Crombag inzake de rol van halfzus [betrokkene 4] bij de totstandkoming van de eerste belastende verklaring van [slachtoffer 1]. Dit rapport van mei 2008 is binnengekomen ter griffie van de Hoge Raad op 16 juni 2008. Dit nieuwste rapport heeft naar het oordeel van de aanvrager als novum te gelden. Betoogd wordt dat uit nadere analyse van de transcripties thans een veel grotere invloed van de halfzus op de authenticiteit volgt. Het door Crombag destijds geschetste tweede scenario is, in ieder geval ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verhoren van [slachtoffer 1], nog waarschijnlijker geworden.

65. De halfzus [betrokkene 4] is op 14 november 2000 als getuige ter terechtzitting in eerste aanleg gehoord. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft zij aldaar ook verklaard over de gang van zaken tijdens de aangifte van [slachtoffer 1] op 8 oktober 1999. Ter terechtzitting in hoger beroep op 29 oktober 2001 is de maatschappelijk werkster [betrokkene 3] als getuige gehoord. Deze heeft blijkens het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal verklaard dat zij op verzoek van de halfzus [betrokkene 4] op 8 oktober 1999 bij de aangifte van [slachtoffer 1] aanwezig is geweest en heeft verder een verklaring afgelegd over de gang van zaken tijdens de aangifte. Onder meer heeft zij verklaard dat [slachtoffer 1] en [betrokkene 4] tijdens die aangifte met elkaar hebben gesproken. [Betrokkene 4] is ter terechtzitting in hoger beroep op 6 februari 2002 zelf als getuige gehoord. Zij heeft blijkens het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal aldaar onder meer verklaard dat de politie haar heeft gevraagd bij het verhoor van [slachtoffer 1] aanwezig te zijn. Rechtbank en Hof waren derhalve op de hoogte van de aanwezigheid van de halfzus bij de aangifte van [slachtoffer 1] en hebben haar daarover tijdens het onderzoek ter terechtzitting vragen kunnen stellen en hebben zich door eigen waarneming een oordeel over haar kunnen vormen. De aanwezigheid van [betrokkene 4] tijdens de aangifte van [slachtoffer 1] op 8 oktober 1999 is dan ook niet als een nieuwe omstandigheid van feitelijke aard aan te merken.

66. In de brief van de maatschappelijk werkster van 16 juli 1999 wordt [betrokkene 4] omschreven als - kort gezegd - een ernstige en getraumatiseerde jonge vrouw die pathologische situaties in haar leven verdraait om maar te kunnen overleven. De brief van de maatschappelijk werkster van 8 november 1999 gericht aan de politie Enschede houdt onder meer in dat zij van één van de rechercheurs van het onderzoeksteam het verzoek had gekregen een bezoek van [betrokkene 4] aan [slachtoffer 1] voor te bereiden.

67. De inhoud van de brieven van 16 juli en 8 november 1999 wekken mede gelet op het feit dat het Hof op grond van eigen waarneming ter terechtzitting in hoger beroep een oordeel over [betrokkene 4] heeft kunnen vormen, niet het ernstig vermoeden dat de aanvrager zou zijn vrijgesproken indien het Hof hiervan op de hoogte zou zijn geweest.

68. De telefoongesprekken waarop de aanvrager doelt betreft allereerst een gesprek tussen een man en [betrokkene 4] waarin laatstgenoemde aangeeft bang te zijn dat zij opgepakt gaat worden voor haar weedplantage op het adres L. De man wordt dan boos omdat zij heeft verteld dat deze weedplantage van haar vader was. [Betrokkene 4] geeft hierop aan dat vader dat verdiend heeft omdat hij haar wilde laten opdraaien voor iets van zes jaar geleden. Daarnaast heeft [betrokkene 4] op 5 november 2000 telefoongesprekken gevoerd waarin zij te kennen geeft een miskraam te hebben gehad, terwijl zij met de hiervoor bedoelde man een gesprek voert waaruit blijkt dat dit niet het geval is.

69. Deze telefoongesprekken hebben met deze zaak geen verband. De aanvrager voert aan dat de rechter niet mede op basis van stukken waaruit deze informatie blijkt een inschatting heeft kunnen maken van de betrouwbaarheid van [betrokkene 4] als getuige in de strafzaak. Ik wijs er weer op dat het Hof door waarneming ter terechtzitting een oordeel over de betrouwbaarheid van [betrokkene 4] heeft kunnen. Mede daarom levert de inhoud van deze telefoongesprekken niet het ernstig vermoeden op dat het Hof anders zou hebben geoordeeld indien het daarvan op de hoogte zou zijn geweest.

70. De aanvrager wijst er nog op dat [betrokkene 4] na de sluiting van het proces-verbaal op 11 april 2000 een brief gedateerd 1 december 2000 aan één van de rechercheurs heeft geschreven, waarin zij een aantal voorvallen beschrijft die plaatsvonden tijdens de twee periodes dat zij bij haar vader haar intrek had genomen. [Betrokkene 4] is daarover op dezelfde dag als getuige gehoord door de politie. Blijkens het CEAS-rapport verschilt het proces-verbaal van dit getuigenverhoor op een aantal punten met de inhoud van de brief van 1 december 2000, met name daar waar de halfzus in haar brief schrijft over een voorval binnen het gezin met betrekking tot [slachtoffer 1] waar zij als halfzus wetenschap van heeft. In het getuigenverhoor van 1 december 2000 komt echter naar voren dat de halfzus dit voorval niet zelf heeft gezien, maar dat [slachtoffer 1] haar dat indertijd heeft verteld. De aanvrager betoogt dat nu deze brief zich niet in het procesdossier bevindt de rechter van deze tegenstrijdigheid geen kennis heeft kunnen nemen en daardoor geen volledig oordeel heeft kunnen vormen over de betrouwbaarheid van hetgeen de halfzus in haar brief van 1 december 2000 heeft vermeld.

71. Het rapport van de CEAS vermeldt - anders dan de aanvrager aanvoert - dat wel de brief van [betrokkene 4], maar niet het proces-verbaal van haar getuigenverklaring van 1 december 2000 zich bij de stukken bevindt.(8) Dat uit de brief de conclusie is te trekken dat [betrokkene 4] het bewuste voorval zelf heeft gezien terwijl haar getuigenverklaring inhoudt dat [slachtoffer 1] haar dat indertijd heeft verteld, acht ik niet een duidelijke tegenstrijdigheid. Verhoren van opsporingsambtenaren dienen er onder meer toe op zodanige punten duidelijkheid te verkrijgen. Voor de betrouwbaarheid van [betrokkene 4] als getuige is het verschil tussen de brief en het proces-verbaal dan ook niet van belang. De omstandigheid dat het Hof van dit verschil niet op de hoogte was doet dan ook niet het ernstige vermoeden ontstaan dat het Hof tot een ander oordeel zou zijn gekomen indien het hiermee wel bekend zou zijn geweest.

72. Met betrekking tot de rol van [betrokkene 4] wordt voorts betoogd dat de verbatim uitwerking van het verhoor van [slachtoffer 1] op 8 oktober 1999 geen volledige weergave is van hetgeen op audioband is opgenomen. Dit aspect wordt verder uitgewerkt door te verwijzen naar het nadere rapport van prof. Crombag van mei 2008. In de aanbiedingsbrief van het rapport van Crombag merkt de raadsman op dat hiermee het ernstig vermoeden is gerezen dat het Hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard in de vervolging indien het met dit bewust achterhouden van deze transcriptie bekend was geweest. Tevens betoogt de raadsman dat de analyse van deze transcripties het ernstig vermoeden wettigt dat het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken van in ieder geval de tenlastelegging voor zover dit [slachtoffer 1] betrof. Hij verwijst daarbij naar de conclusie van Crombag met betrekking tot de vraag of de in de dossiertranscriptie weggelaten fragmenten een ander licht werpen op de in het verhoor van 8 oktober 1999 door [slachtoffer 1] uitgesproken beschuldigingen aan het adres van haar ouders en oom.

73. De hiervoor bedoelde conclusie van Crombag luidt als volgt:

"Het antwoord op die vraag hoeven wij niet te geven omdat dat immers de facto al gegeven is door de persoon die besloot, dat de passages waaruit in de Twente-transcriptie de inbreng van halfzus [betrokkene 4] blijkt, verwijderd moest worden. Die persoon was kennelijk van mening dat de rechter van die inbreng maar beter niet kon weten. Wij sluiten ons bij dit oordeel aan. Dat die passages uit de oorspronkelijke transcriptie werden geschrapt, kan naar ons oordeel onmogelijk zijn verklaring vinden in slordigheid of onoplettendheid. Daarvoor is de verklaring van de passages waaruit de inbreng van de halfzus blijkt, door de enkele aanduiding dat de halfzus bij het verhoor aanwezig is geweest, te systematisch van aard."

74. De CEAS had tijdens haar onderzoek ontdekt dat er nog een uitgebreidere versie van de transcriptie bestond. Deze wordt aangeduid als de Twente transcriptie. In het rapport van Crombag is een vergelijking gemaakt tussen de inhoud van de aan het Hof verzonden transcriptie, aangeduid als de dossier transcriptie, en de Twente transcriptie. Waar het Crombag met name omgaat is de op bladzijde 23 e.v. weergegeven verklaring van de halfzus.

75. Ik geef hier de van belang zijnde passages in de Twente transcriptie weer. [slachtoffer 1] is aangeduid als MK, de halfzus [betrokkene 4] als A en de verhorende ambtenaren als MW en JH (Twente transcriptie blz. 23 t/m 29):

"MK: Ja maar dat weet ik niet,

JH: Sommige dingen weetje denk ik ook wel. Maar dat je dat ook moeilijk vind.

MK:Nee zij heeft mij alleen maar verteld van die ontstekingen.

(onduidelijk)

MW: Dit praat gemakkelijker

MK:dank je

MW: Ik denk dat zij zich zelf ook een beetje beschermt of niet. Dat deed zij toen ook.

MK:Net wat ik al laatst zei...

A: Zo schrik je heel erg. Hij doet niks anders dan wrijven (onduidelijk) . ..dan maak je tien jaar kapot. Dat heeft ingreep op je hoor. Het is nou doorbijten als je... (onduidelijk)

MW: Waar ben je bang voor als je meer dan een keer zou vertellen. Kun je dat aangeven?

MK: Heel moeilijk.

MW: Waar ben je het alle bangst voor.

MK:Voor hem

MW: Ja maar waar voor. Wat kan hij jou doen. Denk daar eens aan. Dat hij bij je komt?

MK:Ja...(onduidelijk)

MW: Denk je dat hij langs al die hekken komt al die deuren. Denk je dat dat...

MK: Nee, maar dan zit ik hier toch niet. . .(onduidelijk)

MW: Ja maar ergens anders is dat hetzelfde. Als dat dat hier is. Als jij zegt ik wil niet dat hij komt. Mag hij er niet eens in.

MK: nee maar voor dezelfde geld hoor ik ... van mij zelf of zo.

A: Ja. Maar ik ben ook nog in de buurt. Dan heb je nog een politie bureau. En dan zijn wij al heel lang verder. En als jij op je zelf woont dan is ie nog lang niet vrij. Neem dat maar aan. En jij kan ook... overal kan je doorgeven dat jou adres geheim moet blijven. Dat heb ik ook gedaan, daarom kan hij mij ook niet... (onduidelijk) jou zusje.

MK: Nee, maar hij gaat wel door..

A: ja, maar dat probeert hij om jullie bang te maken, zodat jullie niet komen.. (onduidelijk) dat heeft hij.... ook al gezegd. Hij, hij probeert jou zo bang te maken, dat jij bang bent om te praten en dan gaat hij vrijuit. En dan hoeft hij niet in behandeling. En dan hoeft hij niet te genezen. Snap je wat ik bedoel? Hij denkt van euh... Ik heb. .Hij denkt gewoon van euh. Nou laat [slachtoffer 1] maar zelf doen met [slachtoffer 2]. Zo is het niet, want het is zijn schuld dat hij.. ..(onduidelijk) is. Hij kan niet bij je komen. Hij kan alleen.. zelf door de telefoon kan hij je niet eens wat zeggen. En zegt hij wat door de telefoon En dreigt hij door de telefoon.. dan zegje nou ik wil niet dat jij mij dreigt en dan hang je op. Je hoeft hem niet te spreken als je dat niet wilt. En als jij zegt ik wil niet dat je langs komt dan komt hij niet langs. En als jij vrij bent. [Slachtoffer 1] dat duurt nog zo lang. En dan.. dan is hij ook nog niet euh.. vrij hoor. Dus je hebt niks om bang voor te zijn. Desnoods kom je bij mij wonen als je vrij bent dan. Dan laat ik jou misschien. (onduidelijk). Maar daar is niemand die aan jou komt. Daar zorg ik wel voor. En [slachtoffer 2] ook niet. Want als [slachtoffer 2] straks vrij komt. Die komt.. (onduidelijk).. Dat zien wij dan wel weer. Dan zijn wij al zoveel jaar verder. Misschien wil je helemaal niet eens meer bij mij wonen... (onduidelijk) Dan heb jij je eigen vriendje. Dan krijg jij je eigen kindje.. Kan je misschien... (onduidelijk) Dat zien wij dan wel weer. Dat is nog zeven jaar verder.

Maar hij denk gewoon.. als jij niet praat.. Hoef hij niet in behandeling. Snap je?

JH: Dat geldt ook voor je moeder he. Als jij niet praat hoeft zij ook niet in behandeling.

A: Want jij weet ook heel goed hoe mama is en je weet ook dat mama ook wel liegt. Ben soms vergeten die keer dat ik op jou kamer sliep en dat zij altijd al mijn vriendinnetjes op school ging vertellen dat ik op je potje plaste. Weet je dat nog. Hoe lang heb je daar niet om gehuild. En heb ik s' nachts stiekem geplast? Toen was ik al dertien. Meisje van dertien plassen niet meer op potje hoor. Die gaan naar de wc. Snap je wat ik bedoel? Als zij daar al over liegt, dan zal zij dan ook wel over meer dingen liegen. Of zie ik dat verkeerd? Ik zeg niet dat het mams schuld is. Mama zal ook wel heel veel dingen gezegd hebben omdat ... omdat zij bang is voor papa.

MK: Is deze van mij

JH: Ja. Moet er suiker in.

A: Jij denkt dat mama niet liegt en dat papa ook niet liegt. Maar al zijn het kleine dingetjes. Kan jij nog een keertje herinneren toen was jij acht... acht of zo.. net voordat jij naar die... euh.. die andere ging voor die zelfmoordneiging.

MK: Ja

A: En dat jij te kort kwam met boodschap halen en dat papa toen zei nou dan steel je een pakje shag maar. Kan jij je dat nog herinneren. En toen jij gepakt werd. Wat, wat heb jij toen gezegd. Toen zei erachter kwamen dat jij gestolen had in die winkel. Mocht jij een tijdje niet meer in die winkel komen

MK: Ja

A: En wat zei die dat jij.. toen die, die agent jou vroeg.. toen had jij gezegd dat jij dat uit je zelf gedaan had. Terwijl jij, terwijl jij weet dat papa gezegd heb. Dus kijk als die daar al over liegt tegen de politie, waarom zou die niet over meer liegen...

Ja maar snap je, toen jij gepakt werd door de politie toen zei.. (onduidelijk) nee de... (onduidelijk) zijn niet van mij.

MK: Hm,hm

A: Snap je nou wat ik bedoel met liegen? Je kan liegen om iemand niet pijn te doen. Maar je kan liegen om iemand wel pijn te doen. En wat papa doet. Papa liegt gewoon omdat hij gewoon niet wil. Omdat hij gewoon niet behandelen wil.

MK:... (onduidelijk)..

JH: [Slachtoffer 2] zegt dat ook van mama, he. Mama die.. euh.. mama die zegt de waarheid niet.

MK: ...(onduidelijk)..

A: Mama liegt ook veel en dat weet jij ook wel.

JH: Mama die zegt de waarheid niet omdat ze...

MK: Nee, dat weet ik (onduidelijk)

A: Nee maar, jij weet heel goed in je hart als jij jets gedaan had en dat mama dingen tegen papa zei die niet waar waren. Of niet.

MK: Hm

A: Dan liegt toch iemand. Of is dat geen liegen.

MK: Hm

A: Als ik tegen jou zeg.. van nou ik vind je hartstikke lief.. en zodra ik weg ben dan zeg ik van .. he die domme trut. Dan lieg ik toch!?

....(onduidelijk)...

A: .. Als mama dingen tegen papa zegt die niet waar zijn waar jij straf voor krijgt. Dat is ook liegen, snap je dat?

JH: Met die andere kinderen, [slachtoffer 1], vindt je dat heel moeilijk om te vertellen? Wat die kinderen wel euh, wat kijk je weer boos naar mij?

MK: Nee Ik ben helemaal niet boos.

Ik kijk misschien boos maar ... (onduidelijk)

JH: Dat die andere kinderen in huis kwamen dat papa en mama wist wat jullie er mee deden?

MK: Nee dat niet.

A: Papa wist toch ook van dat stokje bij [slachtoffer 10]? Heb je toch ook nooit aan iemand verteld?

MK: Nee.

A: Wat doet, wat doet ie dan?

MK: (onduidelijk)

A: Ja, dan liegt ie toch weer? En mama toch ook? Mama wist dat toch ook.

MK: Ja dat... (onduidelijk)

A: Nee en waarom... (M en A praten door elkaar).

MK: (onduidelijk), dat heeft ie niet tegen mij gezegd.

A: Nee ik zeg niet dat jullie dat van hem moesten doen. Dat zeg ik niet. Maar ik kan me nog wel herinneren dat [slachtoffer 11] aan de deur kwam en dat ie dat toe zei dat hij heel boos op papa was. Net zo als vorige week zondag die gesprek wat we hadden.

Toen zei die toch, ja, euh, effe denken hoor. Met al die jongens bij mij in huis.

MK: Ja

A: Heb je dat gezien op de foto, jongens bij mij in huis waren?

MK: Nee.

A: Hoe kan hij dat weten dan? Dan liegt ie toch weer?

MK: Ja hij was nog wel een keer bij of zo dat ie daar lag (onduidelijk).

A: Oh dus ik mag geen vrienden op visite. Ik moet de hele dag alleen in huis zitten en wachten tot papa en mama komen.

MK: Waarschijnlijk wel ja.

A: Dat kan toch niet? Ik heb toch ook mijn eigen leven? Daar heb ik ook vrienden als ik vanavond thuis kom, heb ik ook vrienden. Daar heb je vrienden voor. Jij hebt toch ook vriendinnen hier waar je mee praat en waar je mee lacht en waar je dingen mee

doet? Daarom hoefje nog geen rare dingen te doen.

MK: Hm?

A: Maar wat is de doel is, omdat papa en mama zo veel liegen al, en gelogen al hebben, dat ze dit nou nog steeds doen om jou onder druk te zetten. Want ze blijven net zo lang, net zo lang doorgaan tot jij zegt: "nou ik vertel niks meer" En dan stoppen ze.

En dan is het afgelopen. Maar dan is het voor jou niet afgelopen want dan komt het voor jou. En nou zijn ze gewoon jaloers op vragen dat het met jou nu beter gaat, dan met hun. Maar waarom denk je waarom hun nou niet meer liegen dan? Terwijl ze al die tijd daarvoor gelogen hebben.

MK: (onduidelijk)

A: Dan, luister goed. Als jij op jou donder krijgt, jij hebt wat gestolen en jij krijgt straf van mij omdat jij wat gestolen hebt. Dan is, dan is daar geen (onduidelijk), daar toch niks verkeerd aan? Jij hebt dat gedaan dan krijg je daar straf voor.

MK: Ja

A: Nou hij heeft dit gedaan. Waar is zijn straf dan? Hij had geen straf. Want hij liegt, daarom krijgt hij geen straf. En zo lang hij blijft liegen krijgt hij geen straf totdat iemand de waarheid spreekt en dat is [slachtoffer 2]. En jij begint nou een beetje. Maar zolang jij zegt van er is niks, papa heb niks gedaan. Terwijl jij zondag zegt papa heb wel wat gedaan en net zeg jij ook al weer dat papa wat gedaan heb. En ik weet dat papa meer gedaan heb dan jij wel gezegd heb*** Want dat voel ik gewoon. Als ik naar je kijk, als ik in je ogen kijk dan kan ik dat zien. Maar hij liegt nou omdat hij zo bang is dat hij gepakt wordt, daarom liegt ie. En dan liegt ie tegen jou en tegen [slachtoffer 2] en mama precies zo. Want daarom liegen hun. En jij bent (M valt in de rede)

MK: (onduidelijk), ga ik niet meer terug.

A: Jij hoeft ook niet terug. Niemand zegt dat jij terug moet. We willen alleen dat jij vertelt wat, wat ze gedaan hebben en wat ze tegen jullie gezegd hebben zodat hun , oh ja, zoals jij gehoord kan worden. Snap je dat?

MK: Ja.

A: En dat als je straks vrij komt en mama komt vrij, dat je gewoon naar mama toe gaat of naar papa of naar [slachtoffer 1] of euh [slachtoffer 2], naar wie je maar wilt. Maar ze moeten geholpen worden. Wil je straks dat alles weer opnieuw gebeurt? Als je straks vrij bent?

Dan ben je drieentwintig dan ben je zo groot als ik ben. Dan heb je rust gehad hier, Dan ben je helemaal opnieuw begonnen. En dan kom je straks thuis en dan begint het weer opnieuw, wil jij dat?

MK: Nee hoor.

A: Nee, tuurlijk wil jij dat niet, omdat je pijn hebt nou. En daar moet je over praten over de pijn want anders gaat de pijn niet weg [slachtoffer 1]. Snap je dat? Dan moet je blijven liegen. Keer op keer weer omdat ze veel te bang zijn. Als jij op jon donder krijgt en je weet dat je daar straf voor krijgt dan ga jij liegen. Omdat je weet dat je iets gedaan hebt wat niet mag. En dan ga je daarvoor liegen. Als ik, als iemand tegen mij zegt, jij hebt dat kapot gegooid en ik heb het extra kapot gegooid dan zeg ik ook, nee dat heb ik niet gedaan, heb ik niet gedaan. Dat is toch zo? Geef je het een ander op de kop. Nou wat doe je dan, dan lieg je toch ook? En zo doen mama en papa precies hetzelfde snap je dat? Maar als je niet praat kan niemand jou helpen. Dan kan mama niet beter worden dan kan jij niet beter worden [slachtoffer 2] niet en papa ook niet. Niemand. Snap je dat? Kijk me een aan, snap je dat?

MK: Hm,hm

A: Eerlijk zeggen. Als je het niet snapt.

MK: Jawel.

A: En toen met die zelfmoordneiging dan? Dat papa zegt dat het [betrokkene 19] zijn schuld was

A: Is het dan [betrokkene 19] zijn schuld dat je daarom dat dan gedaan hebt?

MK: Nee.

A: Wat was de schuld dan? Waarom heb je dat toen gedaan?

A: Wat heb jij toen tegen mij gezegd?

MK: Weet ik niet meer.

A: (onduidelijk), Jij had gezegd jij had het gedaan omdat papa en mama hadden gezegd dat niemand in de familie jou moet. En dat is niet zo. Dat zeggen hun alleen omdat hun mot hadden met de familie. Hun, (onduidelijk), jou niet. Heb ik ruzie met [betrokkene 19] of met (onduidelijk)

MK: Ik denk het wel.

A: Ja en waarom? Omdat papa liegt en mama ook. Hun zeggen gewoon: wij wisten er niets van hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gedaan. En als jij alleen maar dat verhaal hoort want ze horen niet jou verhaal, ze horen een verhaal. En toen ik met oma gepraat had dat het niet jou schuld was zei ze toch ook van dat maakt me niet uit.. Oma maakt het met uit oma is al lang blij als je beter wordt. [betrokkene 19] ook. Ze zijn al lang blij als je straks beter bent. Hm?

Het doet eventjes pijn je moet even doorzetten en je moet nou denken nou heb je een pijn, keelpijn, en vanavond ook nog dan lig je ook nog (onduidelijk). Maar dan ben je morgen een stuk vrolijker weer. Voor maandag, dan kan je weer lachen en dan begin je altijd (onduidelijk), met je verdrietig zijn. Maar er zijn andere mensen die weten van je verdriet. Die nemen allemaal een heel klein stukje van je verdriet mee. Die hele kleine stukjes raak jij kwijt. Hm? Voelt dat niet lekker maandag?

Lekker weer gewoon zelf lachen, gekke dingen kunnen doen. Hm? Dat is beter dan dat je nou zo (onduidelijk). Dan zit je de hele tijd te huilen dat je verdriet hebt. Hm? Zondag ging het veel beter. (onduidelijk), was je opgelucht. Toen kon je lachen nog. Maar nou is die mooie lach is helemaal weg. Ik zie, ja daar komt ie weer. Zie je? Hm? Dit moet nou gewoon even. En nou moet je wel zo denken nou ben je er wel straks wel van af. Hm? Het is alleen maar beter zo. Wij zijn allemaal hier om jou te helpen Allemaal. Maar wij kunnen met ruiken wat er gebeurt is. En ik kan ook met door jou heen kijken omdat ik denk van ik kijk in [slachtoffer 1] zijn hoofd, ik weet precies wat er gebeurd is. Dat weet alleen jij wat er gebeurd is. En dat kan ook alleen jij vertellen. Net zoals ik alleen maar kan vertellen Wat er met mij is gebeurd. Dat kan (onbekende naam), ook niet voor mij vertellen. Al wil ik dat wel eens dat ze dat voor mij doet maar dat kan niet. Dat moet je zelfdoen en heel veel pijn doet dat. Maar ik weet dat omdat ik dat allemaal al gehad heb. En jij bent nou zo jij denkt dat, dat je dit niet meer red. En dat je denkt van dit lukt me niet. Jij moet heel hard vechten hiervoor. Hm?

(onduidelijk)

MK: Hm hm

A: heb je even tijd nodig (onduidelijk), even goed doordringen. Hm? Straks komt het allemaal wel goed. Of niet? Hm?

MW: Ze heeft al heel veel verteld he? Op haar manier.

JH: Wil je even alleen zijn met je zusje? Ja?

(onduidelijk)

JH: Wil je even alleen zijn?

MK: Ja.

MW: Dat kan. Zal ik je een kopje thee mee doen? Ja?

(thee wordt ingeschonken en er wordt even onderbroken)

(...)

(tape begint midden in een zin)

A: Dat komt omdat ze meerdere keren het verhaal moet vertellen. Ze is gewoon (onduidelijk). We hebben het daar al zo vaak over gehad op het bureau al.

JH: Ja, klopt.

A: En ze zegt ja ze wil het liever achter zich laten. Dus ik heb nou gewoon gezegd van we praten er nog een keer over om alles, euh op te luchten en alles eruit dan kan ze helemaal met een schone lei beginnen en dan euh, hopen dat het beter gaat. Ik heb ook wat dingen over mij verteld, van vroeger dan. Hoe het bij mij is gebeurd. Hm. Ik denk dat ze nou wel beter begrijpt dat ik hetzelfde voel zo'n beetje.

MW: Ja.

A: alleen van haar is nog ietsjes erger. Omdat er nog meer kinderen bij zijn. Hm? En ik heb ook gezegd, ja ze helpt met dit, dit gesprek helpt ze [slachtoffer 2] mee je helpt mama er mee en je helpt jezelf. En zo kunnen jullie alle drie opnieuw beginnen en proberen om alles op te lossen. Dat is toch wat je wilt? Nou, nou dan kunnen we wel beginnen he? Eventjes doorbijten. Ik zeg ook, dat zal wel een hoop janken worden zo. Want ze zegt al ik heb geen zin meer en euh, ik zeg ja dan wordt het de volgende keer weer en dan heb je er ook geen zin aan want dan schuifje het weer af en dan is die keer er op weer. Ik zeg je kan beter in een keer doen je hebt nou pijn dan maar in een keer veel pijn. En dan ben je morgen ben je helemaal, helemaal opgelucht en leeg en vrolijk en maandag bel ik en [betrokkene 20] weer dus dan kunnen we nog even lekker praten. En ik schrijf nog want ik heb je adres en niemand kijkt jou anders daarop aan door wat jij nou gaat vertellen. Niemand denkt dat jij boos bent of...

O: Je mag het ook opschrijven ja. Dat mag.

A: En wat ik nog wou vragen is want daar was ze heel bang voor dat is ook de reden waarom ze niet praten wou. Ze is bang dat als ze vrij komt euhm. Mijn vader heb gezegd haar naam, van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is op het nieuws gezegd dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tweehonderdvierenvijftig (254) kinderen sexueel misbruikt hebben. Ik zeg nou er is wel bekend dat er kinderen sexueel misbruikt zijn Maar er is nooit en te nimmer een naam gezegd.

JH: (onduidelijk)

A: Dus zie je? Daar komen ze nooit achter. Nou kun je nagaan.

MW: Dat zou vader op de radio gehoord hebben?

A: Nee op het nieuws. Ze mocht niet naar het nieuws kijken want ze was op het nieuws. [Slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hadden heel wat kinderen sexueel misbruikt en dus met andere woorden die kinderen wat op het nieuws waren die vijfenzeventig kinderen of zo wat bekend was. Was laatst op het nieuws, vijfenzeventig kinderen. En euhm . Nou dat was dus euh hun euh, hun euh eigen euh initiatief. Zeg maar. Ik zeg ook tegen haar, als jij zo jong bent kom jij daar niet op. Je begint pas aan sex te denken (iemand zegt daar doorheen: Daar is iedereen van overtuigt, iedereen zegt, onduidelijk), je begint pas aan sex te denken als je een vriendje hebt, dan pas maar niet op een leeftijd van vijf jaar dan denk je niet van ik moet sex. Dat kan niet.

JH: Iedereen zegt dat. Zo is een kind niet geboren zo worden kinderen gemaakt. Waar is [betrokkene 21]?

MW: Ze haalt een andere groepsleidster op die komt zo.

MK: Ja [betrokkene 22].

JH: Schrijf maar meisje.

O: Moeten wij even stil zijn?

MK: Ja hoeveel?

O: Wat je allemaal (onduidelijk), wat je weet. Alles van die kinderen wat je net zei.

MK: Als ik er twee opschrijf is toch wel genoeg. Hoeft toch met euh...

O: Ja maar.

A: Twee is niet genoeg [slachtoffer 1]. Kijk want dan weet je wat er bij twee kinderen is gebeurd. Kijk wij weten.

MK: (onduidelijk), want de meesten wil ik allemaal nog, wil ik gewoon vergeten.

A: Ja maar als je het nu opschrijft kan je het vanavond vergeten. Dit is de laatste keer dat je dit hoeft te doen nou. Voor die kinderen in ieder geval.

MK: Nou dan mag ik heel wat blaadjes nog gebruiken.

A: En dan euh Dan ben je er vanaf.

JH: (onduidelijk) van je.

A: Van papa en mama. Wat ik, wat die euh daarbij euh wat die daar mee te maken hebben.

O: Begin daarmee

(Komt iemand binnen die zich voorstelt aan iedereen. Ze noemt zich [betrokkene 23])

JH: Begin maar met de rol dan van papa en mama.

MK: (onduidelijk). En waar jij het net over hebt. Over wat papa en mama daar mee te maken hadden.

O: Ja wat wat.

A: Ze zullen heus wel dingen gezegd hebben. Euhm toen ze er achter kwamen met die kinderen, wat ze er aan gedaan hebben. Dat soort dingetjes allemaal. Weet je wel? Ook dingen die ze gezien hebben. Dingen die mama gezien hebt terwijl mama er niets van zei. Dat papa wat bij je deed of, dat soort dingen allemaal. Dat zelfde wat ik jou net vertelde over [betrokkene 24]. Moet jij hetzelfde doen wat jij gedaan hebt en wat papa en mama gedaan hebben. Alleen wat bij jou is gebeurd. Bij mij is het anders gebeurd, als bij jou.

MK: (onduidelijk)

O: Dat er andere kinderen bij betrokken waren. (onduidelijk)

MK: (onduidelijk) Ja dat wel (onduidelijk) Zij moet ook nog naar [betrokkene 20] heen natuurlijk.

A: (onduidelijk) Nee voor [betrokkene 20] heb ik nog wel een oppas dus euh. Tot vanavond acht uur. Maar dan hoop ik ook wel weer terug te zijn.

MK: Ja waar moet ik beginnen? Bij papa?

O: Ja.

MK: Euhm ja. Nou dat huisje die euh (onduidelijk) Dat was met euh, euh, [betrokkene 17]. Die schuifdeuren die kun je open doen en dicht en zo. En ... (onduidelijk)

O: je zus houd je hand wel vast (onduidelijk)

A: Niemand is boos op jou en niemand kijkt anders tegen jou aan. We zijn alleen maar trots. (iemand verslikt zich en heeft een hoestbui en er wordt hierop door meerdere gereageerd)

MK:Het is op een gegeven moment zo ja weet niet, papa liep er naar toe of zo over dat dak. Kroop of ja wat het ook was. Ik (onduidelijk) kon niet weggaan weet je. En euh op een gegeven moment ja ik weet het met helemaal precies of zo maar [slachtoffer 2] was toen bezig. En euh toen bleef papa gewoon staan weet je. Was met die oudste van euh...

O: Van [...]?

K: Ja. Dus ja. Papa bleef toen kijken. En (onduidelijk) Hij bleef gewoon kijken. Dat heeft ie wel bij meerdere gedaan. Zeg maar. Bij mij heeft ie dan gekeken of zo maar Hij heeft wel heel vaak gezegd van ja doe maar weet je. Neem ze maar gewoon mee weet je.

O: En mama?"

76. Ik geef hier ook weer wat de dossier transcriptie hierover vermeldt: (dossier transcriptie blz. 28):

"Gesprek begint met kennelijk een familielid die [slachtoffer 1] bijstaat en haar vertelt dat het beter is dat zij haar verhaal vertelt. Door het vertellen van haar verhaal zal zij op dit moment veel pijn voelen. Maar morgen zal ze opgelucht zijn dat ze het verteld heeft. [Slachtoffer 1] heeft geen zin meer maar wordt door dit familielid gesteund om toch door te gaan zodat ze het eindelijk kwijt is en verteld heeft wat de waarheid is.

Verder geeft dit familielid aan dat [slachtoffer 1] bang is. Haar vader heeft haar verteld dat de volgende informatie op het nieuws is geweest dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] 254 kinderen seksueel misbruikt hebben."

77. In de hiervoor onder 73 weergegeven conclusie van Crombag ligt de beschuldiging aan het adres van de samensteller van de dossier transcriptie besloten dat deze welbewust informatie aan de rechter heeft willen onthouden. Deze beschuldiging komt mij ongegrond voor. Ook voor het overige kan ik Crombag niet volgen in zijn opvatting dat de samensteller van de dossier transcriptie kennelijk van mening was dat de rechter van de inbreng van [betrokkene 4] maar beter niet kon weten. Deze persoon heeft immers vermeld dat een familielid die [slachtoffer 1] bijstaat bij het verhoor van [slachtoffer 1] op 8 oktober 1999 aanwezig was en heeft de hiervoor onder 76 weergegeven weliswaar summiere maar niet onjuiste samenvatting weergegeven van hetgeen dit familielid heeft opgemerkt. Ik wijs er in dit verband ook op dat de CEAS, die de Twente transcriptie kende, in haar rapport als haar algemene indruk van het politiële en justitiële onderzoek tot uitdrukking heeft gebracht dat men heeft gestreefd naar transparantie en dat er geen enkele aanwijzing is gevonden dat men relevante informatie heeft willen achterhouden.

78. Het Hof was ervan op de hoogte dat [betrokkene 4] aanwezig is geweest bij het verhoor van [slachtoffer 1] op 8 oktober 1999. [Betrokkene 4] had hierover immers reeds op 14 november 2000 ter terechtzitting in eerste aanleg als getuige een verklaring afgelegd. Het Hof heeft op 1 oktober 2001 het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geschorst teneinde de opgenomen verhoren van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verbatim te doen uitwerken. Ter terechtzitting van het Hof van 6 februari 2002 was het dossier transcript met daarin de summiere samenvatting van de inbreng van [betrokkene 4] aanwezig. Tijdens die zitting is ook [betrokkene 4] als getuige gehoord. Het Hof is derhalve in staat geweest om indien het daartoe aanleiding zag [betrokkene 4] als het bij het verhoor aanwezige familielid vragen te stellen over hetgeen zij tijdens dit verhoor heeft gezegd.

79. Ook ik ben van mening dat de juiste handelwijze was geweest om de Twente transcriptie inclusief de gehele verbatim uitgewerkte verklaring van [betrokkene 4] naar het Hof te sturen. Dat dit niet is gebeurd zie ik om de hiervoor vermelde redenen niet als het bewust achterhouden van informatie dat tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie had kunnen leiden. Ik verklaar de gang van zaken aldus dat men heeft gemeend dat de door het Hof op 1 oktober 2001 gegeven opdracht tot het verbatim uitwerken van de opgenomen verhoren alleen gold voor de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en dat men daarom heeft volstaan met het geven van een summiere samenvatting van de inbreng van de bij het verhoor aanwezige [betrokkene 4].

80. Analyse van de hiervoor onder 75 weergegeven inbreng van [betrokkene 4] tijdens het verhoor van [slachtoffer 1] op 8 oktober 1999 brengt mij tot de conclusie dat niet aannemelijk is dat indien het Hof niet slechts zou hebben beschikt over de hiervoor onder 76 weergegeven summiere samenvatting maar ook over de volledige verbatim uitwerking, het Hof tot een ander oordeel zou zijn gekomen. Er blijkt immers niet dat [betrokkene 4] heeft gepoogd [slachtoffer 1] te bewegen een verklaring in strijd met de waarheid af te leggen. In dit verband is nog van belang dat de maatschappelijk werkster [betrokkene 3] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2001 heeft verklaard dat zij aanwezig is geweest bij een aan het verhoor voorafgaand gesprek tussen [slachtoffer 1] en [betrokkene 4] op 3 oktober 1999 en dat toen [slachtoffer 1] heeft gezegd dat zij door haar vader was verkracht. De maatschappelijk werkster voelde zich verplicht dit te melden aan de politie.

81. Ook van een onaanvaardbare sturende rol van [betrokkene 4] waarbij druk is uitgeoefend op [slachtoffer 1] is mijns inziens geen sprake. Dat [betrokkene 4] tijdens het verhoor [slachtoffer 1] heeft voorgehouden dat het beter was een verklaring af te leggen is niet onbegrijpelijk gelet op hetgeen [slachtoffer 1] haar op 3 oktober 1999 had verteld.

82. Voor zover de aanvrager tevens aanvoert dat de wijze van verhoren in strijd is geweest met de van kracht zijnde regelgeving, te weten de Aanwijzing opsporing seksueel misbruik, wijs ik er weer op dat aldus een beroep wordt gedaan op een omstandigheid die niet tot herziening kan leiden. Een eventueel verkeerde toepassing van het recht is geen grond voor herziening. Daarover had bij de berechting in feitelijke instantie en in cassatie kunnen worden geklaagd.

83. Het vijfde deelaspect van de vijfde herzieningsgrond heb ik hiervoor onder 44 tot en met 51 reeds besproken.

84. De vijfde herzieningsgrond kan niet tot herziening leiden.

85. Als zesde herzieningsgrond wordt aangevoerd dat thans nieuwe inzichten bestaan met betrekking tot het fenomeen "collaborative storytelling", dat prof. Crombag in 2001 nog slechts voor hypothese hield en dat Crombag ter terechtzitting van Hof niet een volledige kennis had van de onderzoeksliteratuur. Betoogd wordt dat het Hof als dit bekend was geweest meer waarde had gehecht aan het alternatieve scenario dat Crombag in zijn rapport naar voren heeft gebracht. Voorts wordt gesteld dat het deskundigenoordeel van mevrouw Lamers, hetwelk aan de bewijsredenering van het Hof ten grondslag ligt, onjuist is, althans in ieder geval onvolledig. Bij een en ander wordt verwezen naar een aan de raadsman van de aanvrager gerichte brief van 7 december 2005 van Crombag (als productie 5 gehecht aan de aanvrage), waarin "collaborative storytelling" aan de orde wordt gesteld. In deze brief wordt voorts vermeld dat een aantal wetenschappelijke inzichten geuit door mevrouw Lamers ter zitting van het Hof verbazing hebben gewekt bij Crombag nu hij deze niet kent. Geconcludeerd wordt dat het Hof destijds door Lamers een onjuist en onvolledig beeld ter zake van de exacte wetenschappelijke stand van zaken is voorgehouden.

86. Het Hof heeft een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer als volgt weergegeven en verworpen:

"Namens verdachte is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat:

(...)

d. de getuigenverklaringen door de gebruikte verhoormethoden en de vooringenomenheid van de verhoorders niet kunnen worden gebruikt, (...);

(...)

Het hof oordeelt over een en anders als volgt.

(...)

Voorts is onder d betoogd dat door vooringenomenheid van de verhoorders en de gebruikte verhoormethoden de getuigenverklaringen zouden zijn beïnvloed.

Gelet op de verklaringen van de verschillende deskundigen is het hof van oordeel dat er binnen de wetenschap geen overeenstemming bestaat over de mate van beïnvloedbaarheid van (jonge) getuigen. Voorts wordt over de betrouwbaarheid van de in dit onderzoek gehoorde getuigen door de geraadpleegde deskundigen verschillend geoordeeld.

De getuige-deskundige Lamers heeft ter terechtzitting van het hof van 6 februari 2002 verklaard dat de laatste wetenschappelijke onderzoeken uitwijzen dat de mate van beïnvloedbaarheid van kinderen met een intelligentieleeftijd van 6 jaar of ouder niet veel groter is dan de beïnvloedbaarheid van volwassenen, waarbij de beïnvloedbaarheid ten aanzien van randgebeurtenissen groter is dan die ten aanzien van de centrale gebeurtenis. Ook verklaarde zij dat onderzoek heeft aangetoond dat het meerdere keren horen van jonge getuigen, in tegenstelling tot hetgeen men eerder aannam, een positieve uitwerking kan hebben op de waarheidsgetrouwheid van de betreffende verklaringen.

(...)

Ook indien het hof voormelde verweren in hun onderling verband en samenhang beschouwt, kan niet met vrucht worden gesteld dat er geen sprake meer is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM, en ook niet dat bewijsmiddelen van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Derhalve verwerpt het hof de gevoerde verweren."

87. Crombag schrijft in zijn brief van 7 december 2005 onder meer: "collaborative storytelling" houdt kort gezegd in dat het tenlastegelegde het product is van in de buurt en de wijdere omgeving circulerende geruchten, die in onderlinge samenspraak tot algemene zekerheid werden doordat "iedereen" het er tenslotte over eens werd dat er opnieuw sprake was van een van die grote zedenzaken waarvan men er in Enschede al eerder enkele aan de hand had gehad (bijvoorbeeld de Patrick-zaak). Hij laat verder weten dat hij het aan het slot van het door de Werkgroep Rechtspsychologie van de Universiteit Maastricht onder zijn verantwoordelijkheid op 31 januari 2001 uitgebrachte rapport als "collaborative storytelling" aangeduide alternatieve scenario heeft geadstrueerd met een verwijzing naar een door hem niet lang daarvoor gepubliceerd artikel met de titel "Collaborative storytelling: A hypothesis in need of experimental testing (Psychologie, Crime & Law, 1999, 5, blz. 279-289). Pas later ontdekte hij dat het verschijnsel al eerder en ook sindsdien in de onderzoeksliteratuur beschreven en experimenteel getest is, zij het onder een variëteit van andere namen (zoals collaborative narration, joint rememebering, co-narration, conversational remembering en group remebering). In zijn brief beschrijft hij geen nieuwe feitelijke omstandigheden waarop hij zijn alternatieve scenario baseert.

88. Naar mijn mening kan het feit dat Crombag in het rapport van 31 januari 2001 het fenomeen "collaborative storytelling" voor een hypothese hield terwijl thans bekend is dat hierover reeds eerder en ook later in de onderzoeksliteratuur wetenschappelijke inzichten en experimentele testen waren en worden beschreven, geen omstandigheid vormen die tot herziening leidt. Crombag is immers niet als deskundige tot een geheel nieuw oordeel gekomen. Verder zijn geen nieuwe omstandigheden van feitelijke aard aangevoerd, die het ernstige vermoeden doen ontstaan dat in deze zaak sprake is geweest van "collaborative storytelling".

89. Voorts kan de enkele niet op nieuwe feitelijke gegevens berustende mening van de deskundige Crombag dat de opvatting van de deskundige Lamers onjuist is, op zichzelf geen grond voor herziening vormen. (9)

90. Verder is nog het volgende van belang. Naar mijn mening berust de opvatting dat het deskundigenoordeel van Lamers aan de bewijsredenering ten grondslag ligt op een niet geheel juiste lezing van het arrest van het Hof. Het Hof heeft in de hiervoor weergegeven overweging als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat er gelet op de verklaringen van de verschillende deskundigen binnen de wetenschap geen overeenstemming bestaat over de mate van beïnvloedbaarheid van (jonge) kinderen. In verband hiermee heeft het Hof gewezen op de ter terechtzitting in hoger beroep door de getuige-deskundige Lamers afgelegde verklaring. Hierbij dient te worden bedacht dat in deze zaak meerdere deskundigen zijn gehoord. Er dient dan ook vanuit te worden gegaan dat het Hof de getuigenverklaringen heeft gewaardeerd tegen de achtergrond van wat meerdere deskundigen hierover hadden verklaard. Dit blijkt ook uit het feit dat het Hof in de hiervoor weergegeven overweging tot uitdrukking heeft gebracht dat over de betrouwbaarheid van de in dit onderzoek gehoorde getuigen door de geraadpleegde deskundigen verschillend wordt geoordeeld.

91. Bij gelegenheid van de mondelinge toelichting op het herzieningsverzoek op 22 april 2008 heeft de raadsman van de aanvrager vanuit een ander perspectief het optreden van Lamers aan de orde gesteld. Met name heeft hij de transformatie van de aanvankelijke rol van Lamers als "adviseur" van het onderzoeksteam naar een van "bewijsdeskundige", aan de kaak gesteld. Deze onwenselijke rolvervaging heeft een negatieve impact op de waarheidsvinding gehad vanwege ontbreken van onafhankelijkheid van de deskundige wegens te grote betrokkenheid bij het onderzoek zelf. Doorslaggevend is dat Lamers zelf ten overstaan van het Hof heeft verklaard dat zij het politieteam heeft geadviseerd over de emotionele begeleiding van de slachtoffers en ouders en over het verhoren van kinderen. Het Hof heeft uiteindelijk haar oordeel over de beïnvloedbaarheid van kinderen toegepast in de concrete zaak, aldus nog steeds de raadsman.

92. De stelling dat het Hof uiteindelijk het oordeel van Lamers over de beïnvloedbaarheid van kinderen heeft toegepast in deze zaak, komt mij niet als zonder meer juist voor. Ik verwijs naar hetgeen ik hiervoor onder 90 heb besproken. Voor het overige ben ik van mening dat hetgeen in deze grond is aangevoerd niet als novum kan worden aangemerkt omdat sprake is van een omstandigheid waarover Lamers zelf ten overstaan van het Hof heeft verklaard en die dus aan het Hof bekend was. Reeds daarom kan deze grond niet tot herziening leiden.

93. Ook de zesde herzieningsgrond kan niet tot herziening leiden.

94. Ik zal thans aandacht schenken aan het arrest van het Hof tegen de achtergrond van de door de CEAS onder ogen geziene "bange vraag" of de veroordeelden wellicht onschuldig zijn aan bewezenverklaarde feiten.

95. Het door de Werkgroep Rechtspsychologie van de Universiteit Maastricht onder verantwoordelijkheid van prof. Crombag op 31 januari 2001 uitgebrachte rapport houdt als antwoord op de vraagstelling van de rechter-commissaris in - kort gezegd - dat Crombag van mening is dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] over zedendelicten die door hun ouders en ooms gepleegd zouden zijn, met grote scepsis moeten worden bezien. Als eerste reden daarvoor worden genoemd de verstandelijke begaafdheid van de meisjes en het feit dat zij symptomen van ernstig psychiatrisch lijden vertonen en als tweede reden dat op de wijze waarop de beide meisjes door de politie zijn verhoord majeure kritiek mogelijk is. In het rapport wordt ook tot uitdrukking gebracht dat het mogelijk is dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een kern van waarheid bevatten maar dat de grens waar de werkelijkheid eindigt en fictie begint niet meer met enige zekerheid kan worden vastgesteld.

96. Crombag heeft als getuige-deskundige ter terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2001 blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal onder meer het volgende verklaard:

"(...) In deze zaak zijn twee scenario's mogelijk. Het scenario dat het openbaar ministerie aanhangt te weten: De kinderen zijn eerst zelf seksueel misbruikt en zijn later zelf andere kinderen seksueel gaan misbruiken.

Hiernaast heb ik een tweede scenario gezet. Dit scenario heb ik beschreven in paragraaf 5 en volgende van mijn rapport. Ik heb de artikelen uit het dagblad Tubantia over de zaken [aanvrager] 1 en [aanvrager] 2 verzameld. Voor buurtbewoners is een krant een autoriteit. Deze autoriteit beroept zich weer op een andere autoriteit, de woordvoerder van de politie. Beide autoriteiten bevestigden de angstige vermoedens die er in de buurt leefden. Buurtbewoners praatten hierover met elkaar. Hierdoor krijg je een zodanige vermenging van bronnen dat men niet meer weet waar men zijn informatie vandaan heeft. Men weet niet meer of men iets heeft gehoord van zijn eigen kind, de buurvrouw of dat men het in de krant heeft gelezen of op TV heeft gezien. Deze bronvervuiling is meestal niet erg. In dit geval echter wel. De bron van de informatie geeft een aanwijzing over de juistheid van de informatie.

Ik kan niet uitsluiten dat het scenario van het openbaar ministerie juist is. Ik heb er alleen een tweede scenario naast gezet. Een tweede mogelijkheid. Het is aan het hof om te beslissen welk scenario het juiste is."

97. Ik meen er goed aan te doen nog het volgende te vermelden. In zijn brief aan de raadsman van de aanvrager van 7 december 2005 laat Crombag weten: "Mijn verklaringen tijdens de zitting van het hof zijn in het proces-verbaal daarvan zeer onvolledig, en, als mijn herinnering mij niet bedriegt, niet correct weergegeven. Mijn herinnering is dat ik mij over de waarschijnlijkheid van het alternatieve scenario aanmerkelijk beslister heb uitgelaten dat uit het citaat in het proces-verbaal van de zitting blijkt".

98. Ik stel vast dat Crombag hiermee niet als zijn opvatting te kennen geeft dat het scenario van het Openbaar Ministerie onjuist is.

99. De in de maand maart 2000 uitgebrachte rapporten van Emmelkamp betreffende de door hem in opdracht van de rechter-commissaris als deskundige ingestelde onderzoeken naar de geloofwaardigheid van de verklaringen zoals deze op videoband zijn opgenomen van [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [betrokkene 18], [slachtoffer 6], [slachtoffer 5], [betrokkene 17] en [slachtoffer 7] bevatten met betrekking tot deze personen de volgende conclusies en beantwoordingen van de onderzoeksvraag:

* Met betrekking tot "[slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum] 1986:

1. Tijdens het eerste en belangrijkste deel van het verhoor in zijn algemeenheid zijn er redelijke voorwaarden geschapen voor het verkrijgen van een zo betrouwbaar mogelijke verklaring. Bij [slachtoffer 3] zijn er geen complicerende factoren aangetroffen die de kwaliteit van zijn verklaring in belangrijke mate negatief zouden kunnen beïnvloeden. Zijn gebrekkige taalgebruik zou wel eens zijn herinneringsvermogen kunnen beperken.

2. De verklaring van [slachtoffer 3] komt in eerste instantie "in vrije produktie"tot stand. De details worden in het vraag- en antwoord gedeelte verder ingevuld.

3. Zijn verklaring kent een logische struktuur en is coherent en consistent. Er zijn vele duidelijke details met betrekking tot personen, plaats, handelingen en tijd. De verklaringen zijn ingebed in een begrijpelijke grotere context. De details die [slachtoffer 3] noemt zijn kenmerkend voor mogelijk sexueel misbruik.

4. Er lijken geen motieven aanwezig te zijn voor het afleggen van een valse verklaring. Wel speelt de factor, dat een en ander uitgebreid in de krant heeft gestaan en dat er een hele buurt bij betrokken is geweest, een negatieve invloed op de geloofwaardigheid van zowel onderhavige verklaring als van alle andere gehoorde kinderen.

Op de keper beschouwd is [slachtoffer 3]'s verklaring over wat er een keer in het huis van 'de oom"is gebeurd en over wat een keer in het huis van [slachtoffer 1 en 2] is gebeurd, geloofwaardig. De andere keren (van de 8) blijven onduidelijk. Wellicht is het het waard om daar nog verder onderzoek naar te doen."

* Met betrekking tot "[slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum] 1987:

1. Er zijn verscheiden goede redenen om belangrijke delen van [slachtoffer 4]'s verklaring betrouwbaar en geloofwaardig te achten.

2. Anderzijds zijn er vele voorbeelden van onbetrouwbaarheid en ongeloofwaardigheid.

3. Onderzoeker is van mening dat [slachtoffer 4] zich niet bewust is van het verschil tussen wat ze werkelijk heeft ervaren enerzijds en anderzijds hoe het verhaal in haar geheugen aan verandering en vervorming onderhevig is geweest. In beide gevallen is ze even overtuigd en dat is op zichzelf normaal.

4. Dat maakt het moeilijk om het een van het ander te onderscheiden.

5. Het is niet juist om te konkluderen dat er niet is gebeurd wat ze zegt; maar het is ook niet vast te stellen wat er nu, van hetgeen ze vertelt, wél en wat er niet is gebeurd."

* Met betrekking tot "[betrokkene 18], geboren op 10 januari 1990:

1. Al hetgeen er is voorgevallen in de lange periode voorafgaande aan het verhoor, met alle beïnvloeding van dien, maakt de verklaring van [betrokkene 18] bij voorbaat al onbetrouwbaar.

2. Het gedrag van [betrokkene 18] tijdens het verhoor is zodanig regressief en ontwijkend, dat vrijwel niets van wat hij beweert op systematische wijze op betrouwbaarheid kan worden getoetst.

3. V (verhoorder, Sch) slaagt er niet in om zodanig neutraal en niet-gesloten door te vragen dat ze [betrokkene 18] ertoe brengt eigener beweging een voldoende gedetailleerd verhaal te vertellen, dat daarvan de betrouwbaarheid met de vigerende criteria kan worden vastgesteld."

* Met betrekking tot "[slachtoffer 6], geboren op [geboortedatum] 1993:

1. [Slachtoffer 6] is een jongetje waarmee geen zinnig gesprek is te voeren.

2. Verhoorder doet zijn uiterste best om [slachtoffer 6] toch tot begrijpelijke en samenhangende uitspraken te bewegen; dat lukt niet.

3. Datgene wat [slachtoffer 6] toch te berde brengt voldoet in de verste verte niet aan enig criterium dat een kenmerk is van een werkelijk gebeurd verhaal."

* Met betrekking tot "[slachtoffer 5], geboren op [geboortedatum] 1989:

1. Er is een zodanig lange periode van beïnvloeding voorafgaande aan het onderhavige verhoor, dat de betrouwbaarheid ervan nauwelijks meer is vast te stellen.

2. Bij [slachtoffer 5] in het bijzonder is er ook nog sprake van beïnvloeding door haar vriendin [betrokkene 17] die in andere onderzoekssituaties heeft meegedaan en wier bevindingen zeker suggestief zullen hebben gewerkt op de beleving en konkrete verklaringen van [slachtoffer 5].

3. Verhoorder slaagt er in onvoldoende mate in om [slachtoffer 5] zelf ongestruktureerd aan het woord te laten en is te behelpend en tegemoetkomend strukturerend bezig geweest waardoor zij de verklaring van [slachtoffer 5] in sterke mate heeft beïnvloed.

4. Er zijn in volstrekt onvoldoende mate criteria aanwezig die normaliter kenmerken zijn van betrouwbare verklaringen.

5. Het is zeer goed mogelijk dat de verklaring van [slachtoffer 5], die over het geheel genomen onwaar aandoet, toch wel waar gebeurde elementen bevat. Daarnaar zou een apart onderzoek ingesteld moeten worden."

* Met betrekking tot "[betrokkene 17], geboren op 20 augustus 1990:

1. Voorafgaande aan het verhoor heeft [betrokkene 17], net als alle gehoorde kinderen, langere tijd blootgestaan aan allerlei vormen van beïnvloeding inzake hetgeen de kinderen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], en hun vader, moeder en "oom" hebben gedaan.

2. [Betrokkene 17] is vriendin van [slachtoffer 5] en het is onmiskenbaar dat zij samen een verhaal delen.

3. De moeder van [betrokkene 17] is zwakbegaafd en volgens een mededeling in het dossier zelf slachtoffer van sexueel geweld. De kans is zeer groot aanwezig dat de moeder van [betrokkene 17] in het bijzonder niet in staat is geweest om haar dochter te helpen bij het scheiden van waarheid en fictie.

4. Er moeten wel in bijzondere en opvallende mate kenmerken van waargebeurde verhalen in de verklaringen van [betrokkene 17] aanwezig zijn, wil de hypothese dat [betrokkene 17] waargebeurde zaken vertelt aannemelijk worden.

5. Voor de alternatieve hypothese, namelijk dat veel van wat ze vertelt een onontwarbare mengeling is van horen zeggen, fantasie, eigen half erop lijkende ervaringen en dergelijke, zijn verschillende gronden aan te voeren.

6. Verhoorder slaagt er in dit verhoor niet in om [betrokkene 17] tot een verklaring te brengen waarvan de betrouwbaarheid en de geloofwaardigheid is vast te stellen."

* Met betrekking tot "[slachtoffer 7], geboren op [geboortedatum] 1988:

1. Het proces-verbaal van het verloop van het verhoor is daarvan een goede weergave; er zijn enkele oneffenheden.

2. Het proces-verbaal als samenvatting van het verhoor is deels niet juist.

3. [Slachtoffer 7] is heel goed in staat om een betrouwbare verklaring af te leggen.

4. Ondervrager weet hem daarin goed aan te voelen en te bevragen; is wellicht inzake het zich ontkleden van [slachtoffer 2] wat te zeer veronderstellend.

5. Een deel van zijn verklaring vertelt [slachtoffer 7] uit eigen ervaring. Dat deel heeft vele kenmerken van betrouwbaarheid en kan als geloofwaardig worden aangemerkt.

6. Een deel van zijn verklaring komt tot stand door logische redenering c.q. deductie. Bepaalde voorvallen moeten volgens hem zo (gebeurd) zijn "omdat immers..."Dat klinkt op zichzelf wel aannemelijk, maar heeft toch minder overtuigingskracht wat betreft betrouwbaarheid. De wijze waarop [slachtoffer 7] konkludeert dat de vader van [slachtoffer 2] hem filmde (omdat hij hem immers gefilmd moet hebben want anders had hij zichzelf immers niet op de video kunnen zien) is heel goed invoelbaar. Maar onderzoeker weet niet welke statuur aan een dergelijke redenering mag worden gegeven."

100. Zoals ik hiervoor heb weergegeven, wordt in het onder verantwoordelijkheid van prof. Crombag tot stand gekomen rapport van 31 januari 2001 weliswaar gesteld dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] over zedendelicten die door hun ouders en oom gepleegd zouden zijn, met grote scepsis moeten worden bezien, maar wordt eveneens tot uitdrukking gebracht dat het mogelijk is dat hun verklaringen een kern van waarheid bevatten. Ter terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2001 heeft Crombag als getuige-deskundige het nog duidelijker verwoord: hij kan niet uitsluiten dat het scenario van het openbaar ministerie juist is, het is aan het Hof om te beslissen welk scenario het juiste is.

101. Ik verwijs naar de hiervoor onder 6 weergegeven bewijsmiddelen. Ik stel allereerst vast dat het Hof de op videobanden vastgelegde verklaringen ten aanzien waarvan de deskundige Emmelkamp had geconcludeerd dat de betrouwbaarheid niet kon worden vastgesteld, te weten van [betrokkene 18], [slachtoffer 6] en [betrokkene 17], niet tot het bewijs heeft gebezigd.

102. De beslissing van het Hof om de aan de aanvrager tenlastegelegde feiten bewezen te verklaren en daarvoor onder meer de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] alsmede de verklaringen van [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 7] tot het bewijs te gebruiken is niet onverenigbaar met het rapport van 31 januari 2001 en de door Crombag als getuige-deskundige afgelegde verklaring en evenmin met de rapporten van de deskundige Emmelkamp van maart 2000.

103. Alvorens een verklaring tot het bewijs te gebruiken vraagt de strafrechter zich af of de desbetreffende verklaring op zich als geloofwaardig kan worden aangemerkt. Voor een rechter is daarnaast van belang of de verklaring geheel of gedeeltelijk steun vindt in de inhoud van andere bewijsmiddelen. Als het enige bewijs uitsluitend gevormd wordt door een enkele verklaring van de verdachte of een enkele verklaring van een getuige, mag de rechter zelfs niet tot een bewezenverklaring komen.(10) De aanwezigheid van steunbewijs al dan niet op onderdelen kan de taak van de rechter vergemakkelijken om de grens waar de werkelijkheid eindigt en fictie begint met meer zekerheid vast te stellen.

104. De door het Hof tot het bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] staan niet op zichzelf. Allereerst is van belang dat hun verklaringen en de verklaringen van de overige slachtoffers [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 7] elkaar op onderdelen over en weer ondersteunen onder meer wat betreft het binnenhalen van de kinderen in het huis van de familie [van aanvrager], het doen van seksspelletjes en het slaan van buurtkinderen door onder meer de aanvrager. Voorts heeft [slachtoffer 2] nog verklaard dat de kinderen soms een theedoek voor de ogen kregen en ook dat er werd gefilmd tijdens de seksuele handelingen. Zowel [slachtoffer 4] als [slachtoffer 5] hebben verklaard dat zij zijn geblinddoekt en [slachtoffer 7] heeft verklaard dat er werd gefilmd toen [slachtoffer 2] haar kleren had uitgedaan en bovenop hem lag. Voor wat betreft [slachtoffer 2] vestig ik in het bijzonder de aandacht op de als bewijsmiddel 4 en 7 gebezigde verklaringen van [slachtoffer 1] waarin deze op grond van eigen waarneming mededelingen doet over seksueel misbruik van [slachtoffer 2] door de vader en de oom.

105. Verder heeft het Hof bewijsmiddelen gebezigd die de verklaringen van de slachtoffers op onderdelen ondersteunen en die bestaan uit verklaringen van personen buiten de kring van slachtoffers.

106. Voor wat betreft [slachtoffer 1] valt onder meer te wijzen op het als bewijsmiddel 8 gebezigde relaas van de verbalisanten waar deze vermelden dat op enig moment [betrokkene 1] - de moeder van [slachtoffer 1] - heeft verklaard dat [slachtoffer 1] in haar aanwezigheid twee of drie keer de aanvrager had moeten pijpen en de als bewijsmiddel 9 gebezigde verklaring van [betrokkene 1] dat [slachtoffer 1] niet bij Papa wilde blijven en bang voor hem was. Voorts vermeld ik de als bewijsmiddel 11 gebruikte brief van de gynaecoloog dr. E. Everhardt over zijn bevindingen na een lichamelijk onderzoek van [slachtoffer 1].

107. Voor wat betreft [slachtoffer 3] is van belang dat zijn verklaring over het pistool bevestiging vindt in de als bewijsmiddel 16 gebezigde getuigenverklaring van [betrokkene 4]. Daarnaast wordt zijn verklaring ondersteund doordat het Hof - zie de hiervoor onder 6 sub 17 tot en met 21 weergegeven bewijsmiddelen - heeft vastgesteld dat [slachtoffer 3] de woning van de oom heeft aangewezen aan zijn vader en dat de auto die hij herkende als de auto waarmee hij naar het huis van de oom zou zijn vervoerd, daadwerkelijk van de oom bleek te zijn. Verder wijs ik naar de bewijsmiddelen 22 en 23 bestaande uit de brief en de getuigenverklaring van de kinderarts A.N. Bosschaart over het door hem bij [slachtoffer 3] aangetroffen litteken dat bij seksuele kindermishandeling kan passen en het gedrag dat [slachtoffer 3] vertoonde toen hij vertelde over wat hem was overkomen. Tenslotte vestig ik nog de aandacht op de als bewijsmiddel 24 gebruikte verklaring van [betrokkene 6] over de hygiënische toestand van de onderbroeken van [slachtoffer 3].

108. Ook de verklaring van [slachtoffer 4] vindt, voor zover zij verklaart dat de vader van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] een pistool pakte, steun in de als bewijsmiddel 16 gebezigde getuigen verklaring van [betrokkene 4]. Ik wijs verder op de als bewijsmiddel 27 gebruikte brief van de kinderarts Bosschaart over de forse aanwijzingen voor ernstige lichamelijke en seksuele mishandeling.

109. De verklaring van [slachtoffer 5] wordt op onderdelen ondersteund door de inhoud van de bewijsmiddelen 28 en 29, waaruit onder meer blijkt dat [slachtoffer 5] de politie telefonisch ervan op de hoogte heeft gesteld dat zij was misbruikt. Ook in haar geval heeft de kinderarts Bosschaart blijkens zijn als bewijsmiddel 32 gebruikte brief aanwijzingen gevonden passend bij seksuele kindermishandeling.

110. De van [slachtoffer 6] op de videoband opgenomen verklaring is - zoals gezegd - niet als bewijsmiddel gebruikt. Ten aanzien van hem zijn onder meer de bewijsmiddelen 33 tot en met 39 gebezigd. Uit de inhoud van deze bewijsmiddelen, in het bijzonder bewijsmiddel 37, valt af te leiden dat [slachtoffer 6]s verklaring dat hij op enig moment in het voorjaar 1999 tegen zijn wil in de woning van de familie [van aanvrager] werd vastgehouden door een meisje, bevestiging vindt terwijl de vrouw die voor de tante van [slachtoffer 6] de deur opendeed ontkende dat [slachtoffer 6] en zijn broer [slachtoffer 9] daar waren en dat de beide jongens schreeuwden en doodsbang waren.

111. Wat de verklaring van [slachtoffer 7] betreft wijs ik er op dat deze voor wat betreft de toestand van zijn anus ondersteund wordt door de als bewijsmiddel 44 gebezigde verklaring van zijn ouders.

112. Juist is dat er kritiek is geuit op de wijze waarop de verhoren van de slachtoffers hebben plaatsgevonden. Het Hof heeft van deze kritiek kennis genomen en heeft daarmee rekening gehouden. Van belang is dat de beslissing van het Hof om de verklaringen van de slachtoffers tot het bewijs te bezigen niet onverenigbaar is met de conclusies vervat in de door de deskundigen uitgebrachte rapporten over de geloofwaardigheid van de verklaringen van de slachtoffers. Daarnaast leert analyse van de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen dat er wel degelijk steunbewijs is afkomstig van andere personen dan de slachtoffers.

113. Uit het voorgaande volgt dat het Hof de bewezenverklaring heeft doen steunen op de verklaringen van de slachtoffers maar tevens op in voldoende mate voorhanden zijnd aanvullend bewijs. De feitelijke basis van de veroordeling van de aanvrager is dan ook minder fragiel dan de CEAS in haar rapport tot uitdrukking heeft gebracht.

114. Ik wil nu aandacht schenken aan de inhoud van een aan mij gerichte brief van de raadsman van de aanvrager van 22 augustus 2008. Deze brief heeft onder meer de volgende inhoud:

"Door middel van dit schrijven brengt de verdediging echter een andere, ter mondelinge behandeling van het herzieningsverzoek onvoorzienbare, nieuwe omstandigheid alsmede nieuw feit onder uw aandacht, te weten een recente nadere verklaring van de dochter van [aanvrager], [slachtoffer 2], gedaan in een documentaire omtrent deze zaak van KRO Reporter, uitgezonden op 20 augustus 2008.

In deze documentaire verklaart [slachtoffer 2] thans het navolgende omtrent de beschuldigingen die zij destijds deed in bet politieonderzoek jegens [aanvrager]:

"Het is niet gebeurd, dat weet ik heel zeker"

Vraag: toch heb je dat gezegd destijds. Waarom?

"Ik heb geen idee. Misschien dat de politie zoveel druk op ons zette"

"Ik denk nu onder druk van de politie, van de verhoren. Dat gewoon de woorden ons in de mond zijn gelegd."

Vraag: hoe bedoel je?

"Nou, zoals bijvoorbeeld dat ze zeiden, wat een vieze oom heb je toch, of je moeder is een hoer."

(tekst overgenomen uit persbericht KRO d.d. 19 augustus 2008, welk persbericht wordt bijgesloten)

De betreffende opname treft u aan op bijgevoegde DVD die de verdediging via een separate brief als aanvullende productie bij de Hoge Raad zal deponeren met verzoek deze in de herzieningsaanvraag te betrekken."

115. De raadsman heeft mij verzocht deze nieuwe omstandigheid in mijn conclusie te betrekken, althans in ieder geval te overwegen de Hoge Raad voor te stellen op de voet van art. 464 in verbinding met 462, eerste lid, Sv dan wel via de weg van art. 465 Sv, een nader onderzoek te doen instellen omtrent deze nieuwe verklaring, door [slachtoffer 2] ter zake te doen horen. Ik heb de raadsman toegezegd de inhoud van zijn brief in mijn conclusie te betrekken.

116. Ik betreur het dat door een TV programma van nog geen uur door een eenzijdige belichting van de feiten bij het publiek een verkeerde beeldvorming kan ontstaan over de wijze waarop deze strafzaak is behandeld, terwijl jaren lang omvangrijk onderzoek is verricht door politie en justitie en uitvoerige onderzoeken ter terechtzitting in eerste en tweede aanleg hebben plaatsgevonden, gevolgd door uitvoerig gemotiveerde rechterlijke uitspraken.

117. Ik doe in dit verband een greep: De opvattingen van politie en Openbaar Ministerie komen in het programma niet aan de orde. Van het rapport van de CEAS wordt uitsluitend de mening verwoord dat de veroordeling een fragiele basis heeft en dat de CEAS er niet omheen kan de bange vraag onder ogen te zien of de veroordeelden wellicht onschuldig zijn aan de bewezenverklaarde feiten. Van de getuige-deskundige Emmelkamp, wiens deskundigenrapport - zoals ik hiervoor onder 99 heb weergegeven - een genuanceerd beeld schetst, worden in het programma uitsluitend kritische opmerkingen uitgezonden.

Voorts wordt in het programma een in toga gehulde rechter getoond die in de rechtszaal overmand wordt door emoties, waarna hij de zitting voor enige tijd schorst. Crombag laat in het programma weten dat hij dit in hoge mate onprofessioneel vindt en dat hij zich afvraagt of de rechters in de raadkamer, toen ze over de strafzaak aan het delibereren waren, ook zo geëmotioneerd waren. Ik merk hierbij op dat deze geëmotioneerde rechter met de behandeling van deze zaak echter nooit iets van doen heeft gehad.(11)

118. Kennisneming van de DVD opname leert mij dat in het programma het slechts deels zichtbare gelaat van een jonge vrouw in het half donker is te zien die inderdaad de in de brief van de raadsman weergegeven zinnen uitspreekt. Ik ben bereid er veronderstellenderwijs van uit te gaan dat deze vrouw [slachtoffer 2] is of als sprake is van een reconstructie dat zij [slachtoffer 2] moet voorstellen.

119. Bij brief van 15 september 2008 zond de raadsman van de aanvrager mij een kopie van een door hem op 12 september 2008 ontvangen brief van [slachtoffer 2]. De raadsman verzocht mij de inhoud van laatstbedoelde brief te betrekken in de beoordeling van de betekenis van de verklaring van [slachtoffer 2] zoals gedaan in de TV uitzending. Ik ga er weer veronderstellenderwijs vanuit dat het hier [slachtoffer 2] betreft. De brief van [slachtoffer 2] bevat onder meer de volgende zinsneden:

" (...) Nu wilt u weten wat ik heb verteld in de interview met [betrokkene 25]. Wat ik allemaal heb gezegt is dat ik het zeker weet dat er niks gebeurt is. Hij vroeg van waarom denk je dat. Daar heb ik op gezegt: Als een kind is verkracht dan vergeet ze dat niet en ik kan me niks meer herinneren daar over. [Betrokkene 25] vroeg mij waarom ik al die verklaringen heb afgelegd naar me ouders en oom. Ik had geen idee waarom, maar ik denk dat de politie zoveel druk op ons zetten en de woorden in onze mond hebben gelegt. Door dat ik niet meer zoveel weet over vroeger kon ik niet veel zeggen. Ik bleef maar zeggen dat er niks is gebeurt anders zou ik het wel weten en nooit meer vergeten. (...)"

120. Thans dient de vraag te worden beantwoord of de verklaring van [slachtoffer 2] zoals deze te beluisteren was in het TV programma en te lezen is in haar brief dient te worden aangemerkt als een nieuwe omstandigheid in de zin van art. 457 Sv die het ernstige vermoeden doet ontstaan dat het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken indien het daarmee bekend zou zijn geweest. Ik ben van mening dat dit niet het geval is.

121. Mijns inziens leveren de thans door [slachtoffer 2] opgegeven redenen voor het wijzigen van haar verklaring geen grond op om aan te nemen dat destijds door haar afgelegde verklaringen onjuist zijn geweest, aangezien de redenen onvoldoende ondersteund en onaannemelijk zijn.

122. Van belang is dat [slachtoffer 2] thans als reden opgeeft dat als een kind verkracht is zij dat niet vergeet en dat zij zich daaromtrent niets meer kan herinneren. Opvallend is verder dat zij in de brief schrijft dat zij niet veel kon zeggen doordat zij niet meer zoveel weet over vroeger.

123. Ik wijs in dit verband allereerst naar de motivering van de bewezenverklaring zoals hiervoor onder 6 is weergegeven en naar hetgeen ik hierover heb opgemerkt onder 94 tot en met 113. De tot het bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer 2] - ik herhaal het nog eens - staan niet op zichzelf, deze worden op onderdelen ondersteund door de verklaringen van [slachtoffer 1] en van de overige slachtoffers, terwijl één van de tot bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer 1] over wat [slachtoffer 2] is overkomen berust op eigen waarneming daarvan.

124. Voorts geeft [slachtoffer 2] als uitleg voor het feit dat zij belastende verklaringen heeft afgelegd dat zij denkt dat de politie druk op haar heeft uitgeoefend.

125. De wijze waarop de politieverhoren van [slachtoffer 2] hebben plaatsgevonden is voorwerp van onderzoek geweest bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Ter terechtzitting van 6 februari 2002 heeft blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal de getuige-deskundige C. Francescina onder meer - en zakelijke weergegeven - het volgende verklaard:

"Ik heb 6 jaar ervaring als therapeut/behandelaar in Alexandra. Samen met de groepsleiding en de andere behandelaars zet ik de behandellijnen uit. Ik ben uit hoofde van mijn functie, door de politie gevraagd bij de verhoren van [slachtoffer 2] aanwezig te zijn. Tijdens de verhoren had ik als taak de belangen van [slachtoffer 2] te bewaken. Ik ben behandelaar en geen jurist, maar ik had niet het idee dat de vragen die aan [slachtoffer 2] werden gesteld, suggestief waren. [Slachtoffer 2] gaf uit zichzelf antwoord en zij werd daarbij niet door de politie onder druk gezet. Dit bleek ook uit de wijze waarop [slachtoffer 2] zelf aangaf dat zij niet verder wilde gaan met het verhoor. Als het [slachtoffer 2] te veel werd, dan verstopte zij zich in haar trui. Het verhoor werd dan stopgezet. [Slachtoffer 2] kon ook precies vertellen wat zij wel en wat zij niet had gedaan. De vraagstelling was zowel open als gesloten. De politie gebruikte ook voorbeelden tijdens de ondervraging en hield [slachtoffer 2] voor wat andere kinderen hadden verklaard. Op antwoorden van [slachtoffer 2] werd ook verder doorgevraagd. Het ging dan bij voorbeeld om de naam of het uiterlijk van het kind. De verklaringen van [slachtoffer 2] vond ik duidelijk en ze kwamen op mij heel overtuigend over. Ik had geen aanwijzingen om aan de verklaringen van [slachtoffer 2] te twijfelen. [Slachtoffer 2] is geen meisje dat fantaseert. Een hulpverlener gaat, tot het tegendeel blijkt, er vanuit dat het verhaal dat de cliënt vertelt, waar is. (...)"

126. Een en ander brengt mij tot de slotsom dat er van een nieuwe omstandigheid in de zin van art. 457 Sv geen sprake is. Gelet op het hiervoor opgemerkte zie ik ook geen aanleiding voor nader onderzoek.

127. Tot slot hecht ik er aan nog het volgende op te merken. In de praktijk komt het voor dat hoewel er toereikend wettig bewijs voorhanden lijkt te zijn de strafrechter toch tot de beslissing komt om de verdachte vrij te spreken van het hem tenlastegelegde. Omgekeerd gebeurt het dat het beschikbare wettige bewijsmateriaal minimaal lijkt te zijn maar de rechter toch tot een bewezenverklaring komt. De rechter beraadslaagt op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting over de vraag of bewezen is dat het feit door de verdachte is begaan. Van belang is dus ook de innerlijke overtuiging die de rechter heeft gekregen door het onderzoek ter terechtzitting. Die innerlijke overtuiging speelt een rol bij de waardering van de bewijsmiddelen. Van belang zijn bijvoorbeeld de indruk die de verdachte en de getuigen maken door hun houding en de manier van vragen beantwoorden tijdens het onderzoek ter terechtzitting en hetgeen aldaar over de verdachte bekend wordt. Ik wil in dit verband nog wijzen op een ter terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2001 afgelegde getuigenverklaring van [betrokkene 26], de toenmalige groepsleidster van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Zij heeft - zakelijk weergegeven- het volgende verklaard:

"Ik ben nog steeds werkzaam bij Stichting "De Eik", een orthopedagogisch instituut voor verstandelijk gehandicapte jongeren, te Oldenzaal. Ik heb de MBO-opleiding voor sociaal pedagogisch werkster gevolgd. In verband met het vermoeden van seksueel misbruik pasten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] niet op "De Eik". Ik weet niet waarom zij bij ons zijn geplaatst. Hiervoor heeft de instelling een orthopedagoog. Voor zover ik weet, zijn de kinderen niet eerder door "De Eik" opgenomen. De ouders kwamen zaterdagmiddag van 14.00 uur tot 17.00 uur. De bezoeken van de ouders hebben veel indruk op mij gemaakt. Ik heb later van de voogd een korte samenvatting gekregen van hetgeen met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zou zijn gebeurd. Ik weet niet meer wat mij toen precies is verteld. Wij wisten toen dat er sprake zou zijn van seksueel misbruik. [Betrokkene 27], de eerste groepleidster, heeft contact gehad met de politie. Ik heb zelf geen informatie over de kinderen van de politie ontvangen. Ook van "De Eik" heb ik globale informatie ontvangen. Daarnaast heb ik informatie over dit onderwerp in de krant gelezen en op TV gezien. Als ik deze informatie niet had gehad, dan had ik dezelfde indruk van de ouders van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gehad.

Tijdens de bezoeken zijn de kinderen niet seksueel misbruikt. Al de bezoekers van "De Eik" worden geobserveerd. De bezoeken van de ouders van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vielen op omdat zowel de vader als de moeder veel seksueel getinte opmerkingen maakten. Verder heb ik gezien dat de vader tijdens een stoeipartij met een andere jongen, deze jongen beetpakte bij zijn geslachtsdeel. Ik had de indruk dat deze handeling een seksuele lading had. Ook heb ik gezien dat de moeder een jongen over zijn bovenbeen streelde. Beide voorvallen zijn gerapporteerd en [aanvrager en betrokkene 1] zijn er op aangesproken. Het is niet toegestaan dat ouders lichamelijk contact hebben met kinderen van anderen.

Als in het proces-verbaal van mijn verhoor door de politie is opgenomen dat ik van een andere groepleidster heb gehoord dat de moeder het bovenbeen van een jongen streelde, dan is dat niet juist. Ik heb dat zelf gezien.

Ik heb zelf gezien dat [slachtoffer 1] bij het afscheid langdurig door [aanvrager] werd gezoend.

Ik kan mij niet meer herinneren of er sprake was van tongzoenen. Ik vond het ontzettend vies. De vuiligheid en vunzigheid straalden er vanaf. Ook werden er veel seksueel getinte opmerkingen gemaakt. Zo zei de vader: "Geef mij de sperma even aan", toen hij om de koffiemelk vroeg. Ook de moeder maakte seksueel getinte opmerkingen. Nadat zij een jongen hadden uitgenodigd bij hen te logeren zei [slachtoffer 1] dat er geen bed voor hem was. De moeder zei toen: "Dan slaapt hij toch tussen ons in, dat is lekker heet".

De meisjes kwamen na een bezoek aan huis verfomfaaid terug. De kleding zat raar en het haar was door de war. Verder waren de meisjes na een bezoek aan huis erg stil en teruggetrokken. Zij wilden niet door anderen worden aangeraakt. Het optreden van de ouders gaf mij een ontzettend raar gevoel. Ik dacht op dat moment nog niet aan seksueel misbruik. Mijn collega's en ik hebben het gedrag van de ouders met elkaar besproken en het in onze rapporten vermeld. Volgens mij wist niemand dat [slachtoffer 1] al eerder in "De Eik" was geweest.(...)"

128. Ik sluit niet uit dat kennisneming van deze getuigenverklaring mede heeft bijgedragen aan het vormen van de innerlijke overtuiging van het Hof bij de waardering van het bewijsmateriaal.

129. De feitelijke basis van de veroordeling van de aanvrager is minder fragiel dan de CEAS in haar rapport tot uitdrukking heeft gebracht. Ik zie dan ook geen enkele aanleiding tot het bevorderen van nader onderzoek als door de CEAS gesuggereerd.

130. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage tot herziening ongegrond zal achten en deze zal afwijzen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Hof Arnhem 20 februari 2002, LJN: AD9410.

2 HR 30 september 2003, LJN: A10010.

3 Rechtbank Almelo, 5 april 2001, LJN: AB0887.

4 Het complete rapport is te vinden via: www.om.nl/commissie_evaluatie_afgesloten_strafzaken__posthum/.

5 HR 18 maart 2008, LJN: BA1024 (Deventer moordzaak).

6 Zie de hiervoor onder 16 weergegeven rechtsoverweging 6.5 van HR 18 maart 2008, LJN: BA1024.

7 Zie de hiervoor onder 16 weergegeven rechtsoverweging 6.4 van HR 18 maart 2008, LJN: BA1024.

8 Zie blz. 33 van het CEAS rapport.

9 Vgl. HR 26 juni 2001, NJ 2001, 564 met noot Sch. Zie ook de hiervoor onder 16 weergegeven rechtsoverweging 6.5 van HR 18 maart 2008, LJN: BA1024.

10 Zie art. 341, vierde lid, en 342, tweede lid, Sv.

11 Zie bericht op de website van het Hof Arnhem van 21 augustus 2008 (http://www.rechtspraak.nl/Gerechten/Gerechtshoven/Arnhem/Actualiteiten; "Toelichting hof Arnhem op uitzending KRO Reporter").