Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BG6980

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-12-2008
Datum publicatie
19-12-2008
Zaaknummer
08/00450
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2007:BC0239
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BG6980
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gelijke beslissing als in de zaak nr. 08/00239.

Wetsverwijzingen
Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek 74
Pachtwet 134
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019j
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019k
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019l
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019m
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019n
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019o
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019p
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019q
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019r
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019s
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019t
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019u
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019v
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 1023
RvdW 2009, 119
JWB 2008/542
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/00239 en C08/450HR

Mr. Huydecoper

Zitting van 31 oktober 2008

Conclusie inzake

[Eiser]

eiser/verzoeker tot cassatie

tegen

[Verweerder]

verweerder(1) in cassatie

Feiten en procesverloop

1. In dit stadium van deze twee procedures gaat het uitsluitend over de vraag of de eiser respectievelijk verzoeker, [eiser], in zijn cassatieberoepen kan worden ontvangen. Omdat de materiële aspecten van de zaken nog niet aan de orde zijn, hoop ik met de volgende, zeer beknopte weergave van de feiten en het procesverloop te kunnen volstaan:

2. Tussen partijen bestaat - of bestond - een pachtovereenkomst, waarbij de verweerder in beide cassatiegedingen, [verweerder], optreedt/optrad als verpachter, en [eiser] als pachter.

In het geding dat thans via twee cassatieberoepen de Hoge Raad bereikt, heeft het hof Arnhem, als de bij de Pachtwet aangewezen appelinstantie, beëindiging van de pachtovereenkomst tussen partijen vastgesteld en tevens een ontruimingstermijn bepaald. Het geding bij het hof was ingeleid vóór de inwerkingtreding (op 1 september 2007) van de wet van 26 april 2007, S. 163, waarbij de Pachtwet werd ingetrokken en titel 5 van Boek 7 BW (Pacht) werd vastgesteld. De mondelinge behandeling bij het hof vond plaats ná de inwerkingtreding van deze wet; en de beslissing van het hof werd (dus) ook daarná gegeven.

3. [Eiser] heeft tegen de in de vorige alinea bedoelde beslissing van het hof cassatieberoep ingesteld, en wel: bij rekest en bij dagvaarding. Dat is gebeurd binnen de termijn van het per 1 september 2007 ingevoerde art. 1019o Rv. (dat de appeltermijn in pachtzaken op één maand vaststelt) jo. art. 402 lid 2 Rv. resp. art. 426 lid 2 Rv.(2).

Namens [verweerder] is in beide zaken aangevoerd dat [eiser] in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk zou zijn, kort gezegd: omdat onder vigeur van de "oude" Pachtwet geen cassatieberoep tegen beslissingen van het Arnhemse (pacht)hof openstond, en de onderhavige zaak, althans als het gaat om de ruimte voor het aanwenden van rechtsmiddelen, (nog) onder de regels van het "oude" pachtrecht moet worden beoordeeld. Van de kant van [eiser] is het beroep op niet-ontvankelijkheid tegengesproken. Er is gevraagd om, voordat het debat in cassatie eventueel wordt voortgezet, een oordeel te geven over het ontvankelijkheidsbezwaar.

De ontvankelijkheid van de cassatieberoepen van [eiser]

4. Het pachtrecht zoals dat gold tot 1 september 2007, de datum van inwerkingtreding van de in alinea 2 hiervóór aangeduide wet, sloot de mogelijkheid van cassatieberoep in art. 134 Pachtwet expliciet uit. Die bepaling was echter niet meer van kracht toen het hof zijn in deze zaak bestreden beslissing nam.

5. De "nieuwe" wet bevat (ook) wat betreft het procesrecht geen regels van overgangsrecht.

In de parlementaire geschiedenis ziet men dat dit feit is opgemerkt; en dat de regering naar aanleiding van desbetreffende vragen heeft verwezen naar de "algemene" overgangsrechtelijke regel van art. 74 ONBW. Die verwijzing vindt men voor het eerst in de Nota naar aanleiding van het Verslag(3). Daar staat:

"Voorts zullen procedures die onder het huidige pachtrecht zijn aangespannen, op grond van de verlengingsregeling van de artikelen 36-48 van de Pachtwet met toepassing van die bepalingen moeten worden voortgezet. Pas vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe pachtrecht komt immers de opzeggingsregeling van de artikelen 367-374 van het wetsvoorstel voor toepassing in aanmerking. Dit volgt uit artikel 74 lid 1 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, waarin wordt bepaald dat het nieuwe recht geen invloed heeft op de aard van het geding."

6. Bij de behandeling van het wetsontwerp in de Eerste Kamer is het procesrechtelijke overgangsrecht - overigens: in samenhang met het overgangsrecht voor de "materiële" regelgeving - opnieuw aan de orde geweest. Naar aanleiding van vragen van de Kamer(commissie) daarover antwoordde de regering(4):

"In een aanvulling op het voorlopig verslag heeft de commissie nog om een reactie gevraagd op de artikelen van mr. E.H.M. Harbers in Agrarisch recht nr. 5, mei 2006, en nr. 12, december 2006, waarbij de commissie in het bijzonder vroeg naar de opvattingen van de regering met betrekking tot de passage op p. 669 e.v. over het feit dat niet is voorzien in overgangsrecht in relatie tot de amendementen die de Tweede Kamer in het wetsvoorstel heeft aangebracht.

Voorop moet worden gesteld dat het hier gaat om het hiervoor al vermelde amendement Slob (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 448, nr. 13) waarbij artikel 375 van het wetsvoorstel is vervallen. Dit artikel hield, zoals gezegd, in dat de verpachter de pachtovereenkomst kan opzeggen op de grond dat de pachter de leeftijd van 65 jaren heeft bereikt. Die bepaling kwam neer op een voortzetting van de regeling van artikel 38a Pachtwet. Het vervallen van deze regeling is niet van een bijzondere bepaling van overgangsrecht voorzien, zodat daarvoor slechts de algemene regels van overgangsrecht gelden. Daarvan zijn blijkens de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 448, nr. 8, p. 16) met name van belang de artikelen 68a, 69 en 74 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. Deze regels brengen mee dat het nieuwe pachtrecht in beginsel ook voor lopende pachtovereenkomsten gaat gelden ("onmiddellijke werking", artikel 68a), behoudens enkele in artikel 69 genoemde uitzonderingen, en dat lopende procedures, met name wat betreft de bevoegdheid, de aard van de procedure en de eventuele rechtsmiddelen, naar het oude recht worden afgewikkeld (artikel 74). (Passage door mij, A - G, gecursiveerd.) Deze algemene regels zijn voor het wetsvoorstel voldoende geacht, kort gezegd, omdat het nieuwe pachtrecht, voor zover het reeds bestaande overeenkomsten betreft, een voortzetting van het oude recht vormt, zij het met verbeteringen en verduidelijkingen die ook voor bestaande overeenkomsten wenselijk zijn. Mr Harbers vestigt er terecht de aandacht op dat het vervallen van de leeftijdsgrens, thans te vinden in artikel 38a Pachtwet, alsnog een substantiële verandering in het bestaande recht voor lopende pachtovereenkomsten brengt en dat dit een vraag van overgangsrecht oproept, die beantwoording behoeft. Nu het amendement niet van een overgangsregel is voorzien dient het antwoord aan de hand van de voormelde algemene regels te worden gegeven.

Hoofdregel is dan dat na het in werking treden van het wetsvoorstel niet meer een kennisgeving als bedoeld in artikel 36, tweede lid, Pachtwet kan worden uitgebracht teneinde een verlengingsprocedure uit te lokken, die tot toepassing van artikel 38a Pachtwet kan leiden. Dat volgt uit artikel 68a van de voormelde Overgangswet: "onmiddellijke werking" van het nieuwe recht. Het is klaarblijkelijk ook in overeenstemming met de strekking van het amendement. Daarmee zijn evenwel nog niet alle vragen beantwoord.

Voor de praktijk is in het bijzonder van belang wat onder het nieuwe recht het gevolg is van een nog onder het oude recht uitgebrachte kennisgeving als bedoeld in artikel 36, tweede lid, Pachtwet (Daarvan is in deze zaak sprake, noot A - G). Te denken valt hier met name aan een kennisgeving, inhoudende dat de verpachter geen verlenging van de pachtovereenkomst wenst in verband met het feit dat de pachter voor het einde van de lopende pachtovereenkomst de leeftijdsgrens van 65 jaren heeft bereikt of zal bereiken. Er kunnen zich hier verschillende situaties voordoen.

In de eerste plaats kan het zijn dat de pachter verzuimt om binnen de termijn van één maand voorgeschreven in artikel 36, derde lid, Pachtwet een verzoek tot verlenging in te dienen. In dat geval eindigt de pachtovereenkomst op de dag waarop de lopende pachttermijn eindigt, ook als die termijn onder het nieuwe recht afloopt. Dat volgt uit artikel 69, aanhef en onder d van de voormelde Overgangswet. Volgens die bepaling heeft inwerkingtreding van de nieuwe wet immers niet tot gevolg dat vorderingsrechten ontstaan "indien alle feiten die de wet daarvoor vereist, reeds voordien waren voltooid". Zou de pachtovereenkomst niet door het verstrijken van de termijn eindigen, dan zouden voor de pachter, zowel als voor de verpachter, vorderingsrechten uit het voortduren van de pachtovereenkomst ontstaan als bedoeld in artikel 69 onder d, terwijl de onder het oude recht voltooide feiten reeds deden vaststaan dat die vorderingen juist niet zouden ontstaan. Men denke aan het vorderingsrecht van een pachter tot gebruik van het gepachte en het vorderingsrecht van de verpachter ter zake van de pachtprijs.

Het voorgaande geldt met name, wanneer de termijn van artikel 36, derde lid, Pachtwet nog onder het oude recht afliep. Doet zich het geval voor dat de kennisgeving van artikel 36, tweede lid, Pachtwet onder het oude recht werd uitgebracht, maar de termijn van het derde lid van dat artikel onder het nieuwe recht afloopt, dan geldt het volgende. Het ongebruikt verstrijken van de termijn is dan een relevant feit dat niet onder het oude recht is voltooid in de zin van artikel 69 onder d Overgangswet. De pachtovereenkomst eindigt niet overeenkomstig het oude recht, maar wordt overeenkomstig het nieuwe recht van rechtswege verlengd. De verpachter zal de overeenkomst naar het nieuwe recht moeten opzeggen. De leeftijdsgrens van 65 jaren, vervat in artikel 38a Pachtwet, kan niet meer aan de orde komen.

In de tweede plaats kan het zijn dat de pachter wel binnen de termijn van artikel 36, derde lid, Pachtwet met een verzoek tot verlenging van de pacht reageert en dat wel nog onder het oude recht. Hier doet zich derhalve het in artikel 74 van de Overgangswet bedoelde geval van een lopende procedure voor. Artikel 74 brengt, zoals gezegd, mee, dat de procedure met name wat betreft de bevoegdheid, de aard van de procedure en de eventuele rechtsmiddelen naar het oude recht wordt afgewikkeld. (Passage door mij, A - G, gecursiveerd.)

De aard van de procedure - een bijzondere, in detail in de Pachtwet geregelde verzoekschriftprocedure voor de pachtrechter, die is gericht op verlenging van de pachtovereenkomst en die naar zijn aard niet op iets anders gericht kan worden - wordt derhalve door het nieuwe recht niet aangetast. Wij menen voorts dat ook hier artikel 69 onder d van de Overgangswet meebrengt dat ook artikel 38a Pachtwet nog van toepassing is. Doordat het verlengingsverzoek onder het oude recht is ingediend na een kennisgeving van de verpachter waarin hij bezwaar maakt tegen verdere verlenging dan artikel 38a Pachtwet toestaat, is immers een situatie ontstaan waarin alle feiten die de wet eist voor het beëindigen van de pachtovereenkomst overeenkomstig artikel 38a Pachtwet onder het oude recht waren voltooid. Zou artikel 38a niet van toepassing zijn, dan zou een situatie ontstaan waartegen artikel 69 onder d Overgangswet zich juist keert: het ontstaan van nieuwe vorderingsrechten op grond van onder het oude recht voltooide feiten.

Een verpachter die de verlenging van de pachtovereenkomst naar het bestaande recht behandeld wil zien, doet er derhalve verstandig aan om ten minste een maand voor de inwerkingtreding van het wetsvoorstel een kennisgeving als bedoeld in artikel 36, tweede lid, Pachtwet, te doen uitgaan, zodat de pachter nog onder het bestaande recht een verzoekschrift tot verlenging zal moeten indienen, wil hij voorkomen dat de pachtovereenkomst bij het einde van de lopende pachttermijn eindigt.

Zou de pachter zijn verzoek tot verlenging pas na het inwerkingtreden van het wetsvoorstel doen, dan kan geen beroep meer op de Pachtwet worden gedaan. De pachter is derhalve in zijn verzoek niet ontvankelijk. (De cursivering is weer afkomstig van mij, A - G.) Hij heeft bij het verzoek ook geen belang, omdat de pachtovereenkomst zonder verzoek wordt verlengd behoudens opzegging door de verpachter. Ook hier kan uiteraard artikel 38a Pachtwet niet meer aan de orde komen."

7. In een (iets) later stadium van de wetsgeschiedenis(5) heeft de regering het hier verdedigde standpunt herhaald of bevestigd, met verwijzing naar een inmiddels op verzoek van de regering geschreven brief van regeringscommissaris Neleman(6).

8. Mij dunkt dat uit de parlementaire geschiedenis een bestendig gehandhaafd standpunt blijkt, te weten: dat de onderhavige materie geregeerd wordt door de "algemene" overgangsrechtelijke regel van art. 74 ONBW(7).

Ik denk dat de regering dat standpunt ook met juistheid heeft ingenomen: bij gebreke van specifieke regels van overgangsrecht gelden voor nieuwe in Boek 7 opgenomen regels inderdaad de algemene regels van overgangsrecht waar de wetsgeschiedenis hier naar verwijst(8).

9. Dat brengt mij tot de bevinding dat de rechtsmiddelen die in de onderhavige procedure beschikbaar zijn (evenals de verdere modaliteiten terzake van die rechtsmiddelen) beoordeeld moeten worden naar het "oude" recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de in alinea 2 aangehaalde wet. Dat wordt in de parlementaire geschiedenis bij de in alinea 2 aangehaalde wet herhaaldelijk beklemtoond; en dat strookt ook met tekst en strekking van art. 74 ONBW(9).

10. Het viel mij op - en het zal lezers van de stukken vermoedelijk ook opvallen - dat ik hiervóór (aanzienlijk) meer stelligheid aan de parlementaire geschiedenis van het nieuwe pachtrecht heb ontleend, dan aan de kant van [verweerder] wordt gedaan (terwijl men juist van zijn kant een andere benadering zou verwachten). In de stukken waarin [verweerder] het beroep op niet-ontvankelijkheid heeft laten verdedigen (verweerschrift en conclusie van antwoord e.a.) wordt namelijk gesteld dat de parlementaire stukken niet ingaan op de gevolgen van het nieuwe pachtprocesrecht voor lopende procedures(10).

11. Dat uitgangspunt kan ik bijvallen als het erom gaat dat de wetsgeschiedenis het probleem van cassatieberoep, en dus het probleem waar het in deze zaak specifiek over gaat(11), niet behandelt. Het lijkt mij echter - zoals al zal zijn gebleken - niet juist om wat de wetsgeschiedenis wél over het procesrechtelijke overgangsrecht inhoudt, als voor (beroep in) cassatie irrelevant (of als niet daarop gericht) terzijde te stellen. Mij lijkt veeleer dat de algemene beschouwingen die in het parlementaire debat aan procesrechtelijk overgangsrecht zijn gewijd ook - of zelfs juist - voor cassatieberoep van betekenis zijn. En zoals ik al liet blijken denk ik dat die algemene beschouwingen ertoe tenderen dat de onder het "oude" recht geldende uitsluiting van cassatieberoep in pachtzaken, ook van toepassing is op zaken die onder het bereik van art. 74 lid 1 ONBW vallen (dus: op zaken die bij de inwerkingtreding van het "nieuwe" recht al aanhangig waren - zoals de onderhavige zaak).

12. In het namens [verweerder] verdedigde standpunt, en misschien ook in het aangehaalde artikel van Van der Beek, schijnt (aanmerkelijk) gewicht te worden toegekend aan het feit dat bij de invoering van het "nieuwe" pachtrecht de processuele consequenties zijn geregeld in (Boek III, titel 16 van) het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; en dus niet in het BW. Daaruit wordt, als ik het goed begrijp, afgeleid dat de overgangsbepalingen die voor het BW gelden niet rechtstreeks van toepassing (kunnen) zijn; en dat daarom aansluiting moet worden gezocht bij vergelijkbare overgangsregelingen in recente procesrechtelijke wetgeving(12), of (hoogstens) bij analogische toepassing van het BW-overgangsrecht.

13. Voor de gedachtegang die ik hier veronderstel kan ik begrip hebben; maar die lijkt mij per saldo toch niet juist.

Dat is om twee redenen het geval: in de eerste plaats gáát het in art. 74 ONBW over de gevolgen van het nieuwe (burgerlijk) recht voor reeds aanhangige gedingen, en wordt in lid 1 van dat artikel op drie typisch procesrechtelijke aspecten van zulke gedingen (de rechterlijke bevoegdheid, de aard van de procedure en de rechtsmiddelen) ingegaan. Dan lijkt mij duidelijk dat de regels van art. 74 ONBW op die gegevens van toepassing zijn, niet alleen wanneer aspecten daarvan in het BW zelf geregeld worden, maar ook, en juist ook, wanneer dat - zoals in vrij uitgesproken mate in de rede ligt - gebeurt in andere wetgeving, waarbij men natuurlijk in de eerste plaats denkt aan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Ware dit anders dan zou er een tamelijk willekeurig en ook zeer moeilijk hanteerbaar onderscheid in bejegening ontstaan, afhankelijk van de plaats in de wetgeving waar het desbetreffende punt geregeld werd. Het lijkt mij vergaand onaannemelijk dat dat de wetgever - destijds - voor ogen heeft gestaan.

En ten tweede: de wetgever die "tekende voor" de nieuwe pachtwetgeving, heeft iets dergelijks zeker niet voor ogen gestaan: de hiervóór aangehaalde passages uit de parlementaire geschiedenis stellen volgens mij buiten twijfel dat deze (wetgever) heeft beoogd dat reeds vóór de inwerkingtreding aangevangen procedures in alle door art. 74 ONBW behandelde opzichten, aan die bepaling onderworpen zouden zijn (dus ook als de desbetreffende regels zich elders dan in het BW bevonden).

14. Ik vind nadere steun voor mijn mening in een gegeven dat in de in alinea 7 hiervóór genoemde brief van regeringscommissaris Neleman naar voren wordt gehaald: namelijk het grote verschil in zowel "processuele" als "materiële" benadering tussen de "oude" procedures zoals de Pachtwet die kende, en de daarmee vergelijkbare procedures onder het sedert 1 september 2007 geldende "nieuwe" pachtrecht.

Onder het "oude" recht was de procesrechtelijke regeling in verband met verlenging of beëindiging van pachtovereenkomsten deze, dat - met als uitgangspunt dat overeenkomsten van rechtswege werden verlengd, art. 36 lid 1 Pachtwet - de verpachter die beëindiging wenste (en daarover met de pachter geen overeenstemming kon bereiken) per exploot of aangetekende brief moest aanzeggen dat hij, verpachter, geen verdere verlenging wenste. Vervolgens was het aan de pachter om zich (binnen een niet ruim bemeten termijn van één maand) tot de rechter te wenden met het verzoek de overeenkomst desondanks te verlengen, art. 36 lid 3 Pachtwet.

Over verlenging werd vervolgens beslist aan de hand van belangenafweging (art. 38 Pachtwet - de bepaling schrijft de rechter voor de verlenging "naar billijkheid" te beoordelen, waarmee klaarblijkelijk een afweging van de in aanmerking komende belangen is beoogd(13)).

15. In de nieuwe wettelijke regeling, die duidelijk geïnspireerd is op overeenkomstige regelingen uit het huurrecht voor woonruimte en bedrijfsruimte(14), zijn de rollen omgekeerd, en is ook de materiële inzet een wezenlijk andere: de verpachter die beëindiging wenst moet de overeenkomst met inachtneming van een aantal voorschriften opzeggen (art. 7:367 en 7:368 BW). De pachter kan dan binnen zes weken laten blijken dat hij niet met de opzegging instemt. Vervolgens is het aan de verpachter om een vordering tot beëindiging in te leiden; waarbij de rechter (alleen) de in de opzegging aangevoerde beëindigingsgronden toetst (en de rechter dus niet de niet nader geclausuleerde billijkheids-afweging uitvoert waar art. 38 Pachtwet in voorzag). Dit alles vindt men in art. 7:369 BW.

16. Zoals in de in alinea's 7 en 14 genoemde brief wordt benadrukt, stelt de nieuwe wet dus een geheel ander stelsel in de plaats van de "procedure van geheel eigen aard" waarin de art. 36 e.v. Pachtwet voorzagen; en staat dit verschil er (zelfs) aan in de weg dat het "nieuwe" materiële pachtrecht in een onder de "oude" wet aangevangen verlengingsprocedure wordt toegepast (terwijl voor het procesrecht uiteraard hetzelfde geldt).

Dat vormt, zoals voor de hand ligt, een (nadere) reden om toepassing van regels uit het "nieuwe" procesrecht in een onder het "oude" recht aangevangen procedure, af te wijzen. Ofschoon ook in deze brief niet expliciet aandacht wordt gewijd aan de mogelijkheid van cassatieberoep, lijkt mij dat de hier onder ogen geziene bezwaren voor dat geval van overeenkomstige betekenis zijn.

17. De uitkomst waar dit alles toe leidt gaf ik hiervóór al prijs: het hier toepasselijke overgangsrecht verzet zich ertegen dat de onder het "nieuwe" recht geopende mogelijkheid van cassatieberoep in pachtzaken, wordt benut in procedures die onder het "oude" recht zijn aangevangen. In de onderhavige zaak hebben we met zo'n procedure te doen. Ik denk daarom dat het beroep op niet-ontvankelijkheid gegrond is.

18. Vermoedelijk ten overvloede merk ik nog op dat de hiervóór verdedigde gedachtegang er (ook) toe leidt dat, voor zover aangenomen zou moeten worden dat er wél cassatieberoep openstond, dat cassatieberoep bij rekest moest worden ingesteld. De in de feitelijke instanties gevoerde procedure was immers een rekestprocedure. Uit art. 74 ONBW vloeit dan voort dat dit karakter van de procedure in de verdere instanties behouden blijft; en mij zijn geen bronnen van (overgangs)recht bekend die tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden.

Verder is op te merken dat, ware er alléén bij dagvaarding cassatieberoep ingesteld, en ware overigens aan te nemen dat cassatieberoep in de onderhavige zaak mogelijk is, dat beroep voor toepassing van art. 69 Rv. - de zogenaamde "wisselbepaling" - in aanmerking zou komen. In dit geval - waarin zowel bij dagvaarding als bij rekest cassatieberoep is ingesteld - zou er dan aanleiding zijn voor analogische toepassing van wat bij HR 16 november 2007, NJ 2007, 613, rov. 3.3 werd aangenomen.

19. Ik meen dat ik overeenkomstig de bedoelingen van de partijen handel wanneer ik afzie van het nu bespreken van de merites van de cassatiemiddelen. Wanneer de Hoge Raad, anders dan ik heb verdedigd, de cassatieberoepen als ontvankelijk zou beoordelen én (ook) de dagvaardingsprocedure hier als aangewezen zou aanmerken, zou in die procedure het partijdebat nog moeten worden afgerond (door schriftelijke toelichting, of eventueel pleidooi). Daarna zou de zaak "rijp" zijn voor een conclusie op basis van de door partijen aangedragen argumenten. Hoewel voor de verzoekschriftprocedure iets anders geldt (daarin is de instructie nu immers "af"), lijkt het mij aangewezen om in die zaak niet vooruit te lopen op wat er in de andere zaak eventueel nog zal gebeuren.

20. Gezien de nagenoeg volledige overeenstemming tussen wat in beide procedures aan de orde is, zou ik denken dat het wat betreft de proceskosten aangewezen is, de zaken - althans als het gaat om de post "salaris" - als één zaak te beoordelen.

Conclusie

Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van de eiser en verzoeker tot cassatie in de namens hem ingestelde cassatieberoepen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Anders dan diens voornaam wellicht zou kunnen doen vermoeden, is de verweerder in cassatie blijkens de gedingstukken een man.

2 De beslissing van het hof is van 20 november 2007. De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 17 januari 2008, en het cassatierekest is op 15 januari 2008 ingekomen.

3 Kamerstukken II 2005 - 2006, 30 448, nr. 8, p. 16.

4 In de Memorie van Antwoord, Kamerstukken I 2006 - 2007, 30 448 nr. D, p. 10.

5 Beschreven door Wessels, NTBR 2007, p. 408.

6 Kamerstukken I 2006 - 2007, 30 448, nr. F.

7 Zo ook Rodrigues Lopes, Pacht, 2007, p. 213 en Wessels, NTBR 2007, p. 408. "Eerbiedigende werking" als het gaat om regels van procesrecht en reeds lopende procedures wordt ook overigens als de gewoonlijk (zij het niet zonder uitzonderingen) te verkiezen oplossing aangewezen: De Vries Lentsch-Kostense, Mon.NBW A25, Overgangsrecht, 1992, p. 51 e.v. en i.h.b. p. 57 - 58, en (W.) Snijders in "Een goede procesorde" (Haardt-bundel), 1983, p. 115; zie ook, genuanceerd, Brunner, Preadvies NJV 1985, p. 49.

8 Reehuis - Slob, Parlementaire Geschiedenis Invoering Boeken 3, 5 en 6, Overgangsrecht, 1991, p. 58.

9 Reehuis - Slob, Parlementaire Geschiedenis Invoering Boeken 3, 5 en 6, Overgangsrecht, 1991, p. 58 en p. 63 - 64.

10 Zie bijvoorbeeld alinea 7 van de conclusie van antwoord e.a. in cassatie; in vergelijkbare zin (en aldaar dan ook aangehaald) Van der Beek in Agrarisch Recht 2007, p. 423 e.v. (i.h.b. p. 436).

11 En waar ook de aangehaalde passages bij Van der Beek over gaan.

12 Partijen verwijzen in dit verband naar art. 15 van de wet van 2 april 1991, S. 198 (Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 nieuw BW, twaalfde gedeelte), en art. VII van de wet van 6 december 2001, S. 580 ("Nieuw Rv."). Beide regelingen zijn niet rechtstreeks op de nieuwe pachtwetgeving van toepassing; en beide leiden voor het onderhavige geval tot tegengestelde uitkomsten. Al daarom lijkt mij dat hier nauwelijks steun valt te vinden voor de oplossing van de thans te beoordelen vraag - zelfs wanneer het antwoord op die vraag, anders dan ik heb verdedigd, niet zou zijn gelegen in (de combinatie van) art. 74 ONBW en de wetsgeschiedenis van het "nieuwe" pachtrecht.

13 Zie voor de hier beschreven procedure Pacht (losbl.), Houwing - Heisterkamp, nrs. 437 e.v. (i.h.b. nrs. 456 - 458); Rodrigues Lopes, Pacht, 2002, p. 132 - 144; Asser - Snijders 5-IIB, 2001, nrs. 169 e.v.

14 Zie daarover bijvoorbeeld Harbers, Agrarisch Recht 2008, p. 93 e.v. en Kerpestein, Agrarisch Recht 2008, p. 105 - 117.