Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BG6789

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-12-2008
Datum publicatie
17-12-2008
Zaaknummer
07/12771
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BG6789
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG o.m. over de bijzondere voorwaarde om € 50.000 te betalen bij wijze van schadevergoeding. HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 982
RvdW 2009, 140
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/12771

Mr. Bleichrodt

Zitting 23 september 2008

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Hof te 's-Gravenhage heeft de verdachte op 7 maart 2007 terzake van "opzetheling, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven alsmede tot een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

2. Mr. A.H. Westendorp, advocaat te 's-Gravenhage, heeft namens verdachte cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel richt zich tegen de motivering van de strafoplegging.

3.2 De onder 1. vermelde strafoplegging is door het Hof als volgt gemotiveerd:

"De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, rekening houdend met overschrijding van de redelijke termijn, tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde tot een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar, met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

In het bijzonder is het volgende in aanmerking genomen.

De vriendin van de verdachte heeft gedurende een lange periode tegenover de gemeente Zoetermeer relevante gegevens verzwegen dan wel onjuist verstrekt, waardoor de gemeente ten onrechte gelden heeft uitgekeerd.

De verdachte woonde gedurende deze periode met haar samen op haar adres, terwijl de verdachte al die tijd elders stond ingeschreven en een eigen inkomen had. In deze periode zijn er op verschillende momenten contacten (telefonisch en bij huisbezoek) geweest met de gemeente Zoetermeer waaruit de verdachte eens te meer heeft moeten begrijpen dat hij verkeerd bezig was. Desondanks heeft hij geen eind gemaakt aan deze situatie. De verdachte heeft opzettelijk geprofiteerd van de door zijn vriendin gepleegde bijstandsfraude. Dit is een ernstig feit.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke werkstraf van navermelde duur alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormen, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte de mede door zijn handelen veroorzaakte schade binnen drie maanden aan de gemeente Zoetermeer vergoedt.

Immers, van de door zijn vriendin gepleegde bijstandsfraude heeft de verdachte langdurig en substantieel geprofiteerd doordat huisvestingskosten van de door hen samen bewoonde woning [a-straat 1] te [plaats A] geheel en de verdere kosten van hun gezamenlijke huishouding in belangrijke mate werden gedragen door de vriendin. Naar het oordeel van het hof bestaat er een dermate nauw verband tussen de door de vriendin in die periode gepleegde bijstandsfraude en de door de verdachte gepleegde opzetheling dat de ten gevolge hiervan door de gemeente Zoetermeer geleden schade kan worden aangemerkt als mede veroorzaakt door de feiten die de verdachte heeft gepleegd. Aan het in artikel 14c, lid 2, onder 10 van het Wetboek van Strafrecht, vereiste causale verband tussen strafbaar feit en schade is derhalve voldaan, voor zover de genoemde bijzondere voorwaarde niet reeds op artikel 14c, lid 2, onder 5° van het Wetboek van Strafrecht is te baseren. Het hof schat het voordeel van de verdachte uit de ten onrechte aan zijn vriendin gedane uitkeringen van 1 januari 1994 tot en met 16 maart 2004 op ten minste € 50.000. Blijkens bladzijde 14 van het proces-verbaal uitkeringsfraude had de verdachte eind 2002 € 35.550 op een bankrekening staan en volgens bladzijden 225 en 276 van de bijlagen bij dat proces-verbaal had hij een auto, een motorfiets en een woonhuis met overwaarde. Vermindering van draagkracht nadien is niet aannemelijk, zodat de verdachte de bijzondere voorwaarde moet kunnen naleven."

3.3.1 De eerste klacht richt zich tegen de oplegging van de aan de voorwaardelijke veroordeling gekoppelde bijzondere voorwaarde. Die bijzondere voorwaarde houdt kort gezegd in dat verdachte binnen drie maanden na het ingaan van de proeftijd aan de gemeente Zoetermeer bij wijze van schadevergoeding een bedrag ad € 50.000,-- zal betalen en een betalingsbewijs dienaangaande zal doen toekomen aan het Openbaar Ministerie.

3.3.2 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2007 houdt niet in dat de Advocaat-Generaal bij het Hof de oplegging van voormelde bijzondere voorwaarde heeft gevorderd. Verder blijkt uit dat proces-verbaal ook niet dat het oplegging van deze voorwaarde anderszins aan de orde is geweest.

3.3.3 Ik begrijp de klacht aldus dat daarin wordt aangevoerd dat het Hof de bijzondere voorwaarde niet had mogen opleggen zonder de verdediging in de gelegenheid te stellen zich uit te spreken over de (huidige) draagkracht van verdachte. Nu die gelegenheid niet is geboden, mocht het Hof er niet zonder meer van uitgaan dat vermindering van de draagkracht van verdachte sinds eind 2002 niet aannemelijk is, aldus de steller van het middel.

3.3.4 Het enkele feit dat de oplegging van de bijzondere voorwaarde - vergoeding van op grond van verdachtes strafbare gedrag door derden geleden schade - ter terechtzitting niet aan de orde is geweest, staat aan oplegging ervan door de rechter echter niet in de weg.(1) Daar komt bij dat uit art. 14c, vierde lid, Sv volgt dat het in art. 24 Sr neergelegde draagkrachtbeginsel niet van toepassing is in geval van oplegging van de bijzondere voorwaarde(n) als bedoeld in art. 14c, tweede lid onder 1° (en 5°) van dat wetboek.(2) Reeds gelet op het voorgaande faalt de primaire klacht van het middel, zodat in het midden kan blijven wat wordt aangevoerd tegen de desbetreffende overweging van het Hof ten aanzien van de draagkracht van verdachte.

3.4.1 De tweede klacht van het middel houdt in dat het Hof zich ten onrechte niet zou hebben uitgelaten omtrent de door de Advocaat-Generaal geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn.

3.4.2 De op de voet van art. 311, eerste lid, Sv overgelegde vordering van het Openbaar Ministerie levert niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, Sv op. Verder kan de enkele, niet nader gepreciseerde, ter terechtzitting van 21 februari 2007 gemaakte opmerking van de Advocaat-Generaal dat hij zijn strafeis heeft bepaald "rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn" niet worden aangemerkt als een zodanig standpunt van het Openbaar Ministerie, nog daargelaten dat de verdachte in een dergelijk geval zich in de regel niet kan beroepen op het verzuim van de rechter daarop te reageren.(3) Uit het proces-verbaal van voormelde terechtzitting blijkt voorts niet dat door of namens de verdachte het verweer is gevoerd dat door het verstreken tijdsverloop bij de berechting in eerste aanleg dan wel in hoger beroep het recht op berechting binnen een redelijke termijn is geschonden. Consequentie daarvan is dat over het tijdsverloop tot aan de bestreden uitspraak niet met vrucht in cassatie kan worden geklaagd.(4) Ook inzoverre kan het middel dus niet tot cassatie leiden. De strafoplegging is ook in het licht van de eis van de Advocaat-Generaal naar behoren gemotiveerd.

3.5 Het middel faalt in beide onderdelen.

4.1 Het tweede middel houdt de klacht in dat het Hof verklaringen voor het bewijs heeft gebezigd die een ontoelaatbare mening, gissing of conclusie behelzen. Blijkens de toelichting doelt het middel op bewijsmiddelen 7 en 8, inhoudende verklaringen van directe buren van verdachte en zijn vriendin. De klacht komt er op neer dat voorzover die verklaringen inhouden dat verdachte op hetzelfde adres als zijn vriendin zou "wonen", daarmee zou worden gesuggereerd dat verdachte met [betrokkene 1] een duurzame gezamenlijke huishouding zou voeren.

4.2 De aanvulling houdt, voorzover hier van belang, de volgende bewijsmiddelen in:

"7. Het proces-verbaal van de gemeente Zoetermeer, Bijzonder onderzoek, Pvb.nr. PL1551/2003/12151, dossierpagina 254 e.v., d.d. 16 maart, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 16 maart 2004 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring (en in concept getekend) van [getuige 1]:

Ik woon op de [a-straat 2] te [plaats A]. Er wonen een man (het hof begrijpt: [verdachte]) en een vrouw (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) op [a-straat 1]. Ik zie ze daar al zo lang ik hier woon, zo'n 2 jaar. Ik ben altijd thuis, dus ik zie genoeg. Van de buren heb ik begrepen dat ze er al 20 jaar wonen. Momenteel rijdt hij in een Renault Megane. Die heeft hij vorig jaar gekocht. Hij werkt bij de beveiliging in het ziekenhuis in Den Haag. Hij heeft wisselende dienst. Hij gaat en komt elke dag. Ik weet dat hij een motor heeft.

8. Het proces-verbaal van de Gemeente Zoetermeer, Hoofdafdeling Welzijn, Bijzonder onderzoek, Pvb.nr. PL1551/2003/12151, dossierpagina 262 e.v., d.d. 16 maart, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven-:

als de op 16 maart 2004 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring (en in concept getekend) van [getuige 2 en 3]:

Op de [a-straat 1] wonen [betrokkene 1] en [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]). Op het moment dat wij daar in 1989 zijn gaan wonen, woonde [betrokkene 1] er al en [verdachte] had toen een huis in [plaats B]. Vanaf 1992/1993 is hij permanent aan de [a-straat] gaan wonen. (opmerking verbalisanten: getuigen hebben gedurende de periode 06-09-1989 tot 23-02-2002 aan de [a-straat 3] te [plaats A] gewoond). [Verdachte] was buiten de woning wel bezig met ramen lappen, straatje vegen en dat soort zaken. Hij was altijd in de tuin bezig."

4.3 Uit voormelde verklaringen volgt onder meer dat deze buurtbewoners door de jarenlange dagelijkse aanwezigheid van verdachte in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats A] alsmede de huishoudelijke karweitjes die hij aan en om die woning volbracht de indruk kregen dat verdachte daar, tezamen met [betrokkene 1], permanent verbleef. Aldus opgevat bevatten die verklaringen niets dat niet voor eigen waarneming of ondervinding vatbaar zou zijn. Dat de buren daarmee meer dan wel iets anders zouden bedoelen dan dat verdachte volgens hen op voormeld adres woonachtig is in de zin van het gewone spraakgebruik, kan ik in die verklaringen - anders dan de steller van het middel kennelijk doet - niet lezen.

4.4 Ook dit middel faalt.

5. Beide middelen kunnen met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. HR NJ 2007, 646.

2 HR NJ 1992, 216. Het oordeel van het Hof dat de, door de gemeente Zoetermeer tengevolge van de ten onrechte aan [betrokkene 1] verstrekte uitkering geleden, schade (eveneens) als rechtstreekse schade geleden ten gevolge van de in deze zaak bewezenverklaarde opzetheling kan worden aangemerkt, lijkt mij niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk (vgl. HR NJ 1998, 537, HR NJ 2005, 98, HR 29 januari 2002, nr. 03811/00 en HR 12 december 2002, nr. 02580/00).

3 HR NJ 2006, 549.

4 Zie HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.9 en HR NJ 2008, 358, rov. 3.9.