Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BG6471

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-12-2008
Datum publicatie
12-12-2008
Zaaknummer
08/00210
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BG6471
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Verzet tegen dwangbevel tot invordering bestuurlijke dwangsommen; verjaring ex art. 5:35 Awb, stuiting?; stuitingshandeling, maatstaf; HR doet zelf de zaak af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 218 met annotatie van G.A. van der Veen
JOL 2008, 947
RvdW 2009, 50
NJB 2009, 133
JWB 2008/505
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. 08/00210

mr. J. Spier

Zitting 3 oktober 2008

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

De gemeente Roerdalen, voorheen gemeente Ambt Montfort,

(hierna: de Gemeente)

1. Feiten

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals door de Rechtbank Roermond vastgesteld in haar vonnis van 21 juli 2004 sub 2. Ook het Hof is hiervan, blijkens rov. 4.1 van zijn tussenarrest van 20 februari 2008, uitgegaan. In rov. 4.2 geeft het Hof aan waarom het hier gaat.

1.2 Bij besluit van 6 maart 2003 heeft de Gemeente aan [eiser] een last onder dwangsom opgelegd om met ingang van 18 maart 2003 het gebruik van het daarin genoemde bouwwerk beëindigd te hebben en te houden en derhalve alle gebruik te staken.

1.3 Tegen dit besluit heeft [eiser] een bezwaarschrift ingediend en tevens bij de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening verzocht.

1.4 Bij beslissing van 21 maart 2003, verzonden op 1 april 2003, heeft de voorzieningenrechter de door [eiser] verzochte voorlopige voorziening afgewezen.

1.5 Bij brief van 24 maart 2003, verzonden op 1 april 2003, is [eiser] gesommeerd ter zake verbeurde dwangsommen € 8.000 aan de Gemeente over te maken.

1.6 Het tegen het besluit van 6 maart 2003 door [eiser] ingediende bezwaar is op 14 oktober 2003 ongegrond verklaard. Daartegen is geen rechtsmiddel ingesteld.

1.7 Met betrekking tot de verbeurde dwangsommen heeft de Gemeente tegen [eiser] een dwangbevel uitgevaardigd op 22 januari 2004.

2. Procesverloop

2.1 Op 5 maart 2004 heeft [eiser] verzet ingesteld tegen het onder 1.7 genoemde dwangbevel. Hij vordert dat de Rechtbank dit dwangbevel buiten effect zal stellen.

2.2 In haar vonnis van 21 juli 2004 heeft de Rechtbank het verzet ongegrond verklaard.

2.3 [Eiser] heeft hoger beroep ingesteld.

2.4 In zijn tussenarrest van 20 februari 2007 heeft het Hof 's-Hertogenbosch geoordeeld dat de Rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat [eiser] de dwangsommen waarvoor het dwangbevel van 24 januari 2004 is uitgevaardigd, heeft verbeurd. Het Hof overwoog voorts dat [eiser] nog niet kon reageren op in rov. 4.5.1 genoemde stellingen en producties van de Gemeente. [Eiser] is hiertoe alsnog in de gelegenheid gesteld.

2.5 Bij akte van 3 april 2007 heeft [eiser] zich uitgelaten conform 's Hofs tussenarrest. Hij heeft zich tevens beroepen op verjaring.

2.6 Het Hof heeft in zijn arrest van 18 september 2007 het bestreden vonnis bekrachtigd. Het heeft hiertoe, voor zover thans nog van belang, overwogen:

"8.3.1. Bij akte na tussenarrest (SUB 8) heeft [eiser] een beroep op verjaring gedaan en aldus de grondslag van zijn vordering vermeerderd. De gemeente heeft daar in haar antwoordakte (sub 5) op gereageerd. Hoewel dit beroep in een zeer laat stadium van de procedure is gedaan ziet het hof geen aanleiding ambtshalve deze vermeerdering van eis als tardief af te wijzen.

8.3.2. Het beroep op verjaring kan echter niet slagen om de navolgende reden.

Op grond van artikel 5:35 Awb verjaart de dwangsom door verloop van zes maanden nadat zij is verbeurd (HR 26 juni 2002, NJ 2003, 676). De regeling omtrent stuiting van art. 3:319 en 3:316 BW is hier van overeenkomstige toepassing. De dwangsom werd in dit geval verbeurd op 18 maart 2003, zodat toen de verjaring is gaan lopen. Op 24 maart 2003 werd de verjaring gestuit door een brief van de gemeente waarbij de dwangsom werd opgeëist. Vervolgens is de verjaring op nieuw gestuit op 21 oktober 2003, toen de gemeente [eiser] tot betaling sommeerde, zoals [eiser] in zijn akte sub 8 zelf stelt. Door de betekening van het dwangbevel op 22 januari 2004 werd de verjaring andermaal gestuit, waarna de dagvaarding in de onderhavige verzetprocedure, waardoor de verjaring wordt geschorst, is uitgebracht op 5 maart 2004. De verjaringstermijn is aldus niet voltooid geraakt."

2.7 [Eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen 's Hofs eindarrest. Tegen de Gemeente is verstek verleend. [Eiser] heeft afgezien van een schriftelijke toelichting.

3. Inleiding

3.1 In cassatie is (terecht) niet bestreden dat 1) de verjaringstermijn in casu 6 maanden beloopt (art. 5:35 lid 1 Awb) 2) de stuitingsregeling van het BW van toepassing is(1) en 3) het verjaringsberoep in dat stadium van de procedure nog mocht worden gedaan. Daarvan zal dus moeten worden uitgegaan.

3.2.1 De Gemeente heeft bij antwoordakte van 29 mei 2007 sub 5 ten verwere tegen het beroep op verjaring nog aangevoerd dat betaling van de dwangsom aan de orde is geweest op de hoorzitting van 14 april 2003. Zij verwijst daarvoor naar prod. 31. Uit dat verslag blijkt slechts dat [eiser] bij de Cie. Bezwaarschriften melding heeft gemaakt van de opgelegde dwangsom. De woordvoerder van de Gemeente zou verweer overeenkomstig een verweerschrift hebben gevoerd, maar dat is in deze procedure niet overgelegd.

3.2.2 Het verweer snijdt geen hout voor zover het strekt ten betoge dat tijdens die zitting een stuitingshandeling zou hebben plaatsgevonden. Immers is niet gesteld of gebleken dat de Gemeente op bedoelde zitting de kwestie van de dwangsom aan de orde heeft gesteld, nog daargelaten of dat wel als een stuiting zou hebben kunnen worden aangemerkt.

3.3 Uit art. 5:26 lid 4 Awb volgt dat het instellen van verzet de tenuitvoerlegging schorst. Dat geldt evenwel niet voor het indienen van bezwaar tegen de beslissing waarbij de dwangsom(men) is (zijn) opgelegd. Dit volgt uit art. 6:16 Awb.

3.4 Op 6 maart 2003 besluit de Gemeente tot het opleggen van dwangsommen welke verbeuren vanaf 18 maart 2003. Tegen dit besluit is bezwaar ingediend. Voorts heeft [eiser] bij de Rechtbank om een voorlopige voorziening ex art. 8:81 Awb verzocht waarbij de toepassing van de last onder dwangsom tijdens de looptijd van de bezwaarschriftprocedure zou worden geschorst. De Rechtbank heeft op 21 maart 2003 het verzoek om de voorlopige voorziening afgewezen. De Gemeente heeft daar (kennelijk) op gereageerd door op 24 maart 2003 [eiser] aan te schrijven met betrekking tot betaling van de verbeurde dwangsommen.

3.5 Waar de looptijd van de verjaringstermijn van zes maanden, als gezegd, niet wordt geschorst door het indienen van het bezwaarschrift, is zij wel gestuit door de brief van 24 maart 2003 (verzonden 1 april 2003). Toen begon een nieuwe verjaringstermijn te lopen die - behoudens nieuwe stuitingshandeling - zou zijn voltooid op 1 oktober 2003. Niet gesteld of gebleken is dat vóór of op die datum een nieuwe stuitingshandeling heeft plaatsgevonden.

3.6 Op 14 oktober 2003 is het bezwaar van [eiser] (tegen het besluit van 6 maart 2003) ongegrond verklaard. De Gemeente heeft deze uitkomst kennelijk willen afwachten, want eerst op 21 oktober 2003 is [eiser] opnieuw aangeschreven in verband met de door hem te betalen dwangsommen. Gelet op het voorgaande was dat evenwel te laat om andermaal stuiting te (kunnen) bewerkstelligen.

4. Beoordeling van het middel

4.1 Het middel klaagt over 's Hofs beslissing dat door de op 24 maart 2003 gedateerde brief van de Gemeente (verzonden op 1 april 2003) op de voet van art. 3:319 BW een nieuwe verjaringstermijn (van zes maanden) is gaan lopen en dat daardoor de verjaringstermijn op 21 oktober 2003, toen de Gemeente [eiser] weer tot betaling sommeerde, nog niet was verstreken.

4.2 Uit hetgeen onder 3 werd uiteengezet, moge volgen dat deze klacht terecht is voorgesteld.

4.3 Uw Raad kan deze zaak (waarin het slechts om € 8.000 gaat) m.i. zelf afdoen. Nu door de Gemeente niet is aangevoerd dat vóór het verstrijken van de termijn een nieuwe stuitingshandeling heeft plaatsgevonden, kan de vordering worden toegewezen.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest met afdoening als onder 4.3 vermeld.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 HR 28 juni 2002, NJ 2003, 767 HJS rov. 3.4.4.