Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BG5864

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-12-2008
Datum publicatie
05-12-2008
Zaaknummer
R07/070HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BG5864
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Procesrecht; niet-ontvankelijkheid hoger beroep; fout griffie door toezending vonnis in eerste aanleg naar oude adres betrokkene; niet verschoonbare termijnoverschrijding nu betrokkene tijdens mondelinge behandeling in eerste aanleg is medegedeeld op welke datum uitspraak zou worden gedaan (81 RO).

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 355
Faillissementswet 341
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 898
RvdW 2009, 8
JWB 2008/482
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R07/070HR

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Parket, 10 oktober 2008

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

Het gaat in deze zaak om de vraag of verzoeker tot cassatie tijdig een beroepschrift heeft ingediend.

1. Feiten(1) en procesverloop(2)

1.1 Bij vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 augustus 2003 is de definitieve toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van verzoeker tot cassatie, [verzoeker], met benoeming van mr. M.P. de Valk(3) tot rechter-commissaris en mr. R.C.M. Michielsen(4) tot bewindvoerder. Het saneringsplan is door de rechtbank vastgesteld bij vonnis van 5 augustus 2003, waarbij de looptijd van de schuldsaneringsregeling is bepaald op drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de schuldsanering van toepassing is verklaard.

1.2 De bewindvoerder heeft op 7 juli 2006 schriftelijk het eindverslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. In het verslag staat onder meer vermeld dat [verzoeker] naar het oordeel van de bewindvoerder zijn uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen.

1.3 In zijn 'Verslag beëindiging na verloop termijn" van 13 juli 2006 heeft de rechter-commissaris zich bij het oordeel van de bewindvoerder aangesloten en de rechtbank geadviseerd de regeling te beëindigen zonder verlening van de schone lei.

Volgens de rechter-commissaris is [verzoeker] een aantal keren uitdrukkelijk op zijn verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling gewezen, maar heeft hij niettemin nieuwe schulden laten ontstaan, niet voldaan aan zijn informatieverplichting en is er een boedelachterstand.

1.4 Na de mondelinge behandeling op 7 en 21 augustus 2006 heeft de rechtbank bij vonnis van 18 september 2006 vastgesteld dat [verzoeker] toerekenbaar in de nakoming van één of meer uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten en heeft de rechtbank verstaan dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van [verzoeker] eindigden op 4 augustus 2006. De rechtbank heeft overwogen dat [verzoeker] is tekortgeschoten in de nakoming van de kernverplichtingen van de schuldsaneringsregeling en dat deze tekortkoming hem kan worden toegerekend, zodat de schuldsaneringsregeling dient te worden beëindigd zonder toekenning van de schone lei.

1.5 [Verzoeker] is van dit vonnis in beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, waarbij hij heeft verzocht het bestreden vonnis te vernietigen en het beroepschrift gegrond te verklaren.

1.6 Het hof heeft de zaak ter zitting van 19 maart 2007 in aanwezigheid van [verzoeker] en zijn procureur behandeld.

Bij arrest van 27 maart 2007 heeft het hof [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep.

1.7 Tegen dit arrest heeft [verzoeker] tijdig(5) beroep in cassatie ingesteld.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen.

2.1 Het cassatieberoep bevat twee middelen.

2.2 Ik behandel eerst middel II, dat is gericht tegen de rechtsoverwegingen 4.4 tot en met 4.4.3 (en de daarop volgende beslissing onder 5), waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

"4.4. Het hof is van oordeel dat [verzoeker] niet in het door hem ingestelde hoger beroep kan worden ontvangen.

4.4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet in beginsel strikt de hand worden gehouden aan beroepstermijnen. Een uitzondering daarop is slechts gerechtvaardigd als degene die hoger beroep instelt, als gevolg van een door de rechtbank begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter een vonnis had gewezen en dat het vonnis hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de beroepstermijn is toegezonden of verstrekt (HR 23 november 2003, RvdW 2003,180).

4.4.2. Op 27 september 2006 heeft [verzoeker] een beroepschrift ingediend bij dit hof. Dit is derhalve buiten de beroepstermijn gebeurd. Vast staat dat [verzoeker] in persoon is verschenen ter zitting van de rechtbank. Tevens staat vast dat [verzoeker] op de hoogte was gesteld van de uitspraakdatum en een briefje met informatie over de beroepstermijn en de wijze van instellen van hoger beroep heeft ontvangen. Op dat briefje stond tevens een telefoonnummer van de griffie waarmee [verzoeker] contact op kon nemen om te informeren naar de uitspraak. Ter zitting van het hof is gebleken dat [verzoeker] inderdaad op de dag van de uitspraak telefonisch de uitspraak en de inhoud van de beslissing heeft vernomen, te weten dat de schuldsaneringsregeling zou worden beëindigd zonder toekenning van de schone lei. Vast staat hiermee tevens dat [verzoeker] wist dat het vonnis op 18 september 2006 is uitgesproken, en dat hem de beslissing op die dag is medegedeeld.

Uit de aan [verzoeker] bekende inhoud van het briefje blijkt dat de appeltermijn gaat lopen vanaf de datum van de uitspraak. Het hof is daarom van oordeel dat het voor [verzoeker] zonder meer mogelijk is geweest om tijdig hoger beroep in te stellen. Ook indien juist is dat [verzoeker] zijn adreswijziging drie weken tevoren aan zijn bewindvoerder (die ter zitting van de rechtbank niet aanwezig was) had doorgegeven, had hij er naar het oordeel van het hof niet zonder meer op mogen vertrouwen dat deze adreswijziging ter kennis van de rechtbank was gekomen. In elk geval is niet gebleken dat de rechtbank bij het verzenden van het vonnis op de hoogte was van het gewijzigde adres van [verzoeker]. Het hof komt al met al tot de slotsom dat ten aanzien van [verzoeker] niet is voldaan aan beide door de Hoge Raad geformuleerde voorwaarden voor de vaststelling dat sprake is van een uitzondering op de regel dat strikt de hand dient te worden gehouden aan de voor het instellen van hoger beroep tegen een vonnis inzake schuldsaneringen geldende termijn.

4.4.3. Het hof komt op grond van het vorenstaande niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep."

2.3 Het middel klaagt dat sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding nu het vonnis als gevolg van het niet-verifiëren door de rechtbank van het adres van [verzoeker] naar diens oude adres is gezonden en [verzoeker] dientengevolge het vonnis pas na het verstrijken van de beroepstermijn heeft ontvangen.

2.4 In zijn ook door het hof genoemde beschikking van 28 november 2003, NJ 2005, 465 m.nt. DA heeft de Hoge Raad een uitzondering gerechtvaardigd geacht op de strikte toepassing van de beroepstermijn en een verlenging van de beroepstermijn toegekend aan de partij die ten gevolge van een door (de griffie van) het desbetreffende gerecht begane fout niet tijdig wist of kon weten dat de rechter een beschikking had gegeven en deze beschikking haar als gevolg van een haar niet toerekenbare fout pas na afloop van de beroepstermijn is toegezonden(6).

2.5 Van een dergelijk niet tijdig weten of redelijkerwijs niet kunnen weten is geen sprake indien de betrokkene aanwezig was tijdens de mondelinge behandeling en hem toen is medegedeeld dat op een bepaalde datum uitspraak zou worden gedaan (HR 10 juni 2005, NJ 2005, 372).

2.6 Zoals het hof - in cassatie niet bestreden - heeft vastgesteld is [verzoeker] ter zitting van de rechtbank van 21 augustus 2006 in persoon verschenen en is hij op de hoogte gesteld van de uitspraakdatum.

In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

"Aan de schuldenaar wordt medegedeeld dat de uitspraak zal plaatsvinden op 18 september 2006 en dat het vonnis op die datum zal worden verzonden. Tevens wordt aan de schuldenaar een briefje(7) meegegeven, waarop staat binnen welke termijn en op welke wijze hoger beroep ingesteld kan worden. In verband met de korte appeltermijn is daarop tevens het telefoonnummer van de griffie vermeld, zodat de schuldenaar op de dag van de uitspraak reeds telefonisch de uitspraak van de rechtbank kan vernemen."

2.7 Het hof heeft voorts, in cassatie niet bestreden, vastgesteld dat [verzoeker] op de dag van de uitspraak telefonisch contact heeft gehad met de griffie van de rechtbank en dat hij toen de uitspraak en de inhoud van de beslissing heeft vernomen, zodat tevens vaststaat dat [verzoeker] wist dat het vonnis op 18 september 2006 is uitgesproken en dat hem de beslissing op die dag is meegedeeld.

Ten slotte heeft het hof vastgesteld dat [verzoeker] was geïnformeerd over de beroepstermijn en de wijze van instellen van hoger beroep(8).

2.8 Op grond van deze vaststellingen kan niet worden gezegd dat [verzoeker] niet wist of redelijkerwijs niet kon weten dat het vonnis op 18 september 2006 is uitgesproken. Daarop stuit het middel af.

2.9 Middel I is gericht tegen de rechtsoverwegingen 2.1 en 2.2, waarin het hof als volgt heeft overwogen:

"2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 27 september 2006, heeft [verzoeker] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en het verzoekschrift gegrond te verklaren.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 maart 2007. Bij die gelegenheid is gehoord:

- [verzoeker], bijgestaan door mr. M.C. van der Meij;

- de bewindvoerder van [verzoeker], te weten mr. O.B.J. Poorthuis, is niet ter zitting verschenen."

2.10 Het middel klaagt dat het hof het bepaalde in art. 355 lid 1 en 2 Fw in verbinding met art. 341 lid 3 Fw heeft geschonden door zonder redengeving de termijn waarbinnen de behandeling ter zitting dient plaats te vinden - te weten: twintig dagen na indiening van het beroepschrift -, ruimschoots te overschrijden. Volgens het middel is die termijn een waarborgnorm en komt [verzoeker], gelet op de overschrijding ervan, een billijke genoegdoening toe waarbij, bij gebreke van een wettelijke grondslag in de Faillissementswet, aansluiting wordt gezocht bij art. 6 EVRM in verbinding met art. 50 EVRM. De billijke genoegdoening "lijkt deze te zijn dat die termijnoverschrijding net zo verschoonbaar wordt geacht als de termijnoverschrijding" waarover het tweede middel handelt, aldus het middel.

2.11 Allereerst vermeld ik - volledigheidshalve - dat met ingang van 1 januari 2008(9) de Wet van 24 mei 2007 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijk personen(10) in werking is getreden, welke wet een aanzienlijke wijziging van de schuldsaneringsregeling bevat.

Op deze zaak is evenwel oud recht van toepassing.

2.12 Art. 354 Fw (oud) bepaalt in het eerste lid dat op de dag van de terechtzitting of anders uiterlijk op de achtste dag daarna, de rechtbank bij vonnis uitspraak doet of de schuldenaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten en, indien er sprake is van een tekortkoming, of deze aan de schuldenaar kan worden toegerekend. Van dit vonnis kan de schuldenaar gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak in hoger beroep komen (art. 355 lid 1 Fw oud). De voorzitter bepaalt vervolgens terstond dag en uur voor de behandeling, welke zal moeten plaatsvinden binnen twintig dagen na de dag van indiening van het beroepschrift (art. 355 lid 2 in verbinding met art. 341 lid 3 Fw (oud)).

De hiervoor vermelde termijnen zijn onder het nieuwe recht gehandhaafd.

2.13 De in art. 341 lid 3 Fw (oud) opgenomen termijn voor de behandeling van de zaak is gelijk aan de termijn voor de behandeling van het hoger beroep van de schuldenaar tegen de afwijzing van zijn verzoek tot de voorlopige of definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in art. 292 lid 3 Fw (oud). In de Memorie van Toelichting op laatstgenoemd voorschrift is opgemerkt dat voor de behandeling van de zaak en het doen van een uitspraak door het gerechtshof korte termijnen zijn opgenomen "ten einde de onzekerheid, ook uit het oogpunt van de belangen van schuldeisers zo kort mogelijk te doen zijn"(11).

2.14 Een sanctie op het overschrijden van deze termijn ontbreekt evenwel(12). Er is m.i. daarom onvoldoende reden om aan te nemen dat de termijn van twintig dagen als bedoeld in art. 341 lid 3 Fw als een fatale termijn moet worden aangemerkt(13), laat staan dat overschrijding het door [verzoeker] gewenste gevolg zou kunnen hebben. Het middel faalt mitsdien.

2.15 Overigens heeft [verzoeker] noch in de brief van zijn advocaat van 20 februari 2007, waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verzochte - maar klaarblijkelijk niet gehonoreerde - uitstel van de mondelinge behandeling, noch ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof bezwaar gemaakt tegen de overschrijding van de termijn van twintig dagen.

2.16 Nu in deze zaak geen vragen worden opgeworpen die in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoording behoeven, kan het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO worden verworpen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Zie het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 27 maart 2007 onder 4.1 in verbinding met het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 18 september 2006, p. 1.

2 Voor zover van belang.

3 Laatstelijk mr. A.J.W. Jongeneel.

4 Laatstelijk mr. O.B.J. Poorthuis.

5 Het verzoekschrift is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 3 april 2007. Overeenkomstig art. 355 lid 2 (oud) Fw in verbinding met art. 342 lid 3 (oud) Fw is de cassatietermijn 8 dagen.

6 Zie ook HR 10 juni 2005, NJ 2005, 372.

7 In het verzoekschrift tot cassatie staat onder 7.2 vermeld dat hiervan een voorbeeld zou worden overgelegd. In het dossier ontbreekt het echter.

8 Voorts volgt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het gerechtshof (p. 3, bovenaan) dat [verzoeker] op de hoogte was van de omstandigheid dat hij een procureur nodig had om beroep in te stellen.

9 Stb. 2007, 222.

10 Stb. 2007, 192.

11 Kamerstukken II, 1992-1993, 22 969, nr. 3, p. 40. Zie ook H.H. Dethmers, Van schuldsanering tot schone lei, 2005, p. 65; B. Wessels, 2006, T&C Insolventierecht, art. 292 aantek. 3.

12 Zie R.J. Verschoof, Schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen, 1998, par. 3.7 en Polak-Wessels (IX), Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, 1999, par. 9076, die naar Verschoof verwijst.

13 Vgl. HR 12 juli 2002, NJ 2002, 532 (rov. 3.3) en de conclusie van A-G Langemeijer onder 2.12.